← België

Arrest 201488 - Wapens - 04/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.488 Rolnummer: A. 185318/XII-5232 Zaak: Arrest 201488 - Wapens - 04/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:24 Fiche Arrest nr 201.488 van 4 maart 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 201.488 van 4 maart 2010 in de zaak A. 185.318/XII-

  1. In zake : Mario DE VILLA, die woonplaats kiest bij advocaat G. Vanhoucke, kantoor houdende te 2018 Antwerpen, Anselmostraat 2 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat S. Verbouwe, kantoor houdende te 1150 Brussel, Tervurenlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Mario De Villa op 1 oktober 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Minister van Justitie van 2 augustus 2007, waarbij het beroep dat de verzoekende partij conform artikel 30 van de Wet van 8 juni 2006 had ingesteld tegen de beslissing van de Gouverneur van de Provincie Antwerpen tot weigering van afgifte van een vergunning voor een aantal wapens werd afgewezen als zijnde onontvankelijk”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag, opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2009; XII-5232-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. Gegevens van de zaak
  3. Verzoeker dient op 15 december 2006 een aanvraag in tot het verkrijgen van een vijftal wapenvergunningen. Bij besluit van 12 juli 2007 worden die vergunningen door de gouverneur van de provincie Antwerpen geweigerd. Die weigering steunt op de volgende motivering : “Overwegende dat artikel 11, § 3, 2/ van voormelde wet bepaalt dat een vergunning slechts wordt verleend aan iemand die niet is veroordeeld als dader of medeplichtige van één van de misdrijven, bedoeld in artikel 5, § 4, 1/ tot 4/; Overwegende dat betrokkene een dergelijke veroordeling heeft opgelopen waarvoor hij echter eerherstel heeft bekomen; Overwegende dat hij benevens deze veroordeling, echter regelmatig in aanraking is geweest met politie en gerecht voor feiten waarbij geweld werd gepleegd, zoals opzettelijke slagen en verwondingen, vernielingen en toebrengen van schade; Overwegende dat hieruit blijkt dat de mentale ingesteldheid en persoonlijkheid van de heer De Villa van die aard zijn dat het verlenen van de vergunningen onverantwoord is en een ernstig gevaar inhoudt voor de openbare orde; Gelet op het schrijven van de Procureur des Konings van Antwerpen, die eveneens van mening is dat de aanvragen van de heer De Villa om redenen van openbare orde niet kan worden ingewilligd”. Met een aangetekende brief van 26 juli 2007 stelt verzoeker tegen dit besluit beroep in bij de federale wapendienst van de federale overheidsdienst Justitie. XII-5232-2/6 Met een aangetekende brief van 2 augustus 2007 antwoordt de federale wapendienst dat het beroep van verzoeker niet ontvankelijk is. Als reden wordt het volgende vermeld : “Art. 30 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens bepaalt dat een gemotiveerd verzoekschrift, vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing aangetekend verzonden dient te worden aan de federale wapendienst, uiterlijk 15 dagen na de kennisname van de beslissing van de gouverneur. Het gemotiveerd verzoekschrift tot hoger beroep werd aangetekend verzonden aan de federale wapendienst op 26 juli
  4. Bij het verzoekschrift werd echter geen kopie teruggevonden van de bestreden beslissing zoals de wet voorschrijft. Om deze reden is het verzoek tot hoger beroep onontvankelijk”. Dit is de bestreden beslissing. II. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen
  5. In een eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 30 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, doordat de bestreden beslissing de onontvankelijkheid van het verzoekschrift heeft uitgesproken wegens het niet voldoen aan de in voormeld artikel gestelde voorwaarde dat het verzoekschrift moet vergezeld gaan van een kopie van de bestreden beslissing, terwijl uit de redactie van de tekst van dit artikel blijkt dat deze voorwaarde niet is voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid. Toegelicht wordt dat de zinsnede “vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing” van het overige gedeelte van de tweede zin van artikel 30 wordt gescheiden door een komma, zodat grammaticaal de inleidende voorwaarde van die zin “op straffe van onontvankelijkheid” niet als van toepassing op bewuste zinsnede kan worden beschouwd.
  6. Verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord dat het plaatsen van de komma, door de wetgever, vóór de zinsnede “vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing” in de bedoelde zin geen afbreuk doet aan de inleidende voorwaarde. Zijn enige nut is de zin leesbaar te maken en aan te tonen dat er een derde voorwaarde vervuld dient te worden. Indien de wetgever de XII-5232-3/6 bedoeling gehad zou hebben om deze laatste voorwaarde niet met de onontvankelijkheid te bestraffen had hij een punt als leesteken gehanteerd en geen komma.
  7. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord onder meer dat een ontvankelijkheidsvoorwaarde ondubbelzinnig, zonder enige mogelijkheid tot twijfel of vergissing, moet worden bepaald in de wet, wat in casu geenszins het geval is.
  8. Verwerende partij blijft er in de laatste memorie bij dat uit de formulering van het wetsartikel blijkt dat het overmaken van een kopie van de bestreden beslissing als ontvankelijkheidsvereiste werd vooropgesteld. Zij voegt daaraan toe dat het principe patere legem quam ipse fecisti de overheid die een algemene regel heeft uitgevaardigd verbiedt om daarvan af te wijken in individuele gevallen. Beoordeling
  9. Artikel 30, tweede lid, van de wet van 8 juni 2006 bepaalt in verband met het beroep tegen de beslissing van de gouverneur tot weigering van een wapenvergunning het volgende : “Op straffe van onontvankelijkheid wordt het gemotiveerd verzoekschrift aangetekend verzonden aan de federale wapendienst uiterlijk vijftien dagen na vaststelling dat er geen beslissing werd genomen binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen of na kennisname van de beslissing van de gouverneur, vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing. De uitspraak wordt gedaan binnen zes maanden na de ontvangst van het verzoekschrift”.
  10. De bepaling is er niet duidelijk over of het voorschrift dat het verzoekschrift vergezeld moet zijn van een kopie van de bestreden beslissing mee “[o]p straffe van onontvankelijkheid” is gesteld. Dat de zinsnede “vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing” door een komma van de rest van de zin gescheiden is, kan niet als een doorslaggevend argument worden beschouwd om te stellen dat de verplichting om een kopie van de bestreden beslissing bij het verzoekschrift te voegen geen ontvankelijkheidsvereiste is. XII-5232-4/6 Omgekeerd echter is de redactie geenszins zodanig dat het zeker is dat het voorschrift op straffe van onontvankelijkheid wordt voorgeschreven. Op te merken is dat het tweede lid van het artikel 30 ook geldt wanneer een (tijdige) beslissing van de gouverneur achterwege blijft, in welk geval het per definitie uitgesloten is dat een kopie van de bestreden beslissing zelfs maar kán worden meegestuurd.
  11. Tenminste gelet op die omstandigheden is er geen reden toe om het beroep bij de federale wapendienst wegens gemis aan een kopie van de bestreden beslissing onontvankelijk te verklaren, wanneer het doel van de zogezegd op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven vormvereiste onbetwistbaar is bereikt. Dat doel bestaat er kennelijk in de federale wapendienst in staat te stellen de bestreden beslissing te identificeren, zodat het dossier met betrekking tot die beslissing probleemloos kan worden opgevraagd.
  12. Te dezen heeft verzoeker de bestreden beslissing in zijn beroepschrift bij de federale wapendienst duidelijk en precies geïdentificeerd, onder meer aan de hand van het kenmerk ervan van de gouverneur: “ACM/WA/WEIG/GJ/07/11”. Ook was het beroepschrift zeer expliciet over inhoud en draagwijdte van de bestreden beslissing, zowel wat de betrokken wapens áls zelfs de motieven van de bestreden beslissing betrof. Het blijkt niet -en wordt zelfs niet beweerd- dat de afwezigheid van een kopie van de bestreden beslissing ook maar enige nadelige invloed heeft gehad met betrekking tot het bereiken van het doel dat door het betrokken vormvoorschrift werd beoogd. Mede in het licht van wat hiervoor sub 8 is overwogen, was er voor verwerende partij dan ook geen reden om verzoeker de onontvankelijkheid van zijn beroep tegen te werpen. Het patere legem-beginsel, waarnaar verwerende partij in de laatste memorie verwijst, kan die conclusie niet veranderen. Als gezien verplicht de lex er niet toe de onontvankelijkheid vast te stellen in een geval als dat van verzoeker.
  13. Het eerste onderdeel van het middel is gegrond. XII-5232-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Vernietigd wordt de beslissing van 2 augustus 2007 van de minister van Justitie waarbij het beroep dat Mario De Villa heeft ingesteld tegen de beslissing van 12 juli 2007 van de gouverneur van de provincie Antwerpen tot weigering van afgifte van een vergunning tot het voorhanden hebben van een aantal wapens, als onontvankelijk wordt afgewezen. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier maart 2010, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5232-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.488 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.