← België

Arrest 201491 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.491 Rolnummer: A. 177058/XII-4891 Zaak: Arrest 201491 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-12 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:24 Fiche Arrest nr 201.491 van 4 maart 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 201.491 van 4 maart 2010 in de zaak A. 177.058/XII-4891 In zake: Jan EECKHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Defreyne kantoor houdende te Izegem Gentsestraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 23 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 26 juli 2006 waarbij de hoofdgeneesheer- adviseur-generaal van de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu besluit dat Jan Eeckhout op medisch vlak, wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid voor elke functie, de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 168.286 van 27 februari 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. XII-4891-1\8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 januari
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is sedert 1 september 1981 vast benoemd als leraar aan het Sint-Jozefscollege te Izegem. Op 31 januari 2006 beslist de hoofdgeneesheer-directeur namens de pensioencommissie dat verzoeker op medisch vlak de voorwaarden vervult om te worden toegelaten tot het definitief vroegtijdig pensioen. Met een brief van 1 maart 2006 wordt verzoeker kennis gegeven van de beslissing van de hoofdgeneesheer van de Administratieve Gezondheids- dienst (AGD) dat hij op medische gronden “definitief vroegtijdig gepensioneerd [is] vanaf de eerste dag van volgende maand”. 3.
  6. Ingevolge bezwaar van verzoeker wordt hij op 19 juli 2006 opnieuw onderzocht. Op 26 juli 2006 deelt de hoofdgeneesheer-directeur aan XII-4891-2\8 verzoeker mee dat de beslissing in het kader van de beroepsprocedure wordt gehandhaafd. 3.
  7. Op 26 juli 2006 neemt de hoofdgeneesheer adviseur-generaal van de AGD de thans bestreden beslissing, naar luid waarvan verzoeker op medisch vlak wegens definitief lichamelijke ongeschiktheid voor elke functie, de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen. IV. Onderzoek van de middelen Uiteenzetting van het eerste middel
  8. Als eerste middel voert verzoeker de schending aan van de materiële en formele motiveringsplicht omdat, eerste onderdeel, de bestreden akte niet “de juridische overwegingen” vermeldt die aan de beslissing ten grondslag liggen, terwijl wegens de zeer specifieke wetgeving ter zake toch minstens naar de toegepaste regelgeving zou moeten worden verwezen en omdat, tweede onderdeel, de beslissing niet aangeeft waarom wordt geopteerd voor het definitief vroegtijdig pensioen en niet voor de andere mogelijkheden zoals, onder andere, het tijdelijk vroegtijdig pensioen. Volgens verzoeker bevatten de beslissing én de onderliggende beslissing van de hoofdgeneesheer-directeur enkel stijlformules. Zijn leeftijd zou veeleer een omgekeerde beslissing rechtvaardigen. De ziekteduur als zodanig -drie jaar, iets meer dan het bezoldigd ziekteverlof- is niet als langdurig te omschrijven in het kader van de betreffende besluitvorming. Welke de psychische context is en de werkomstandigheden, wordt niet aangegeven, nog minder waarom dit een reden zou zijn waarom geopteerd wordt voor een definitieve oppensioenstelling. Uit de door hem bijgevoegde attesten én uit het advies van de hoofdgeneesheer-directeur kon integendeel worden afgeleid dat de nieuwe therapie die hij wenst te volgen op termijn voor een verbetering in zijn situatie kon zorgen, zodat veeleer voor een tijdelijke optie gekozen diende te worden. Beoordeling
  9. In het tussenarrest nr. 168.286 van 27 februari 2007, wordt over het middel geoordeeld: “4.
  10. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat aan verzoeker in de begeleidende briefwisseling steeds is meegedeeld welke XII-4891-3\8 beroepsmogelijkheden hem ter beschikking stonden. Verzoeker heeft ook effectief de weg naar de Raad van State gevonden en is in staat tegen de bestreden beslissing de schending van de materiële motiveringsplicht aan te voeren. In het auditoraatsverslag wordt, wat de formele motiveringsplicht betreft, geconcludeerd dat verzoeker niet aangeeft op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad door het niet uitdrukkelijk vermelden van de normatieve bepalingen waarop de bestreden beslissing is gesteund. Verzoeker neemt de terechtzitting niet te baat om zelfs maar te pogen zijn standpunt hierover op te helderen, zodat dit onderdeel niet ernstig is. 4.
  11. In het gemotiveerde bezwaar waarmee verzoeker in beroep is gegaan tegen de eerste beslissing betoogt verzoeker inderdaad dat de definitieve ongeschiktheid voorbarig is wegens de nieuwe therapiemogelijkheden, maar brengt hij zelf als argument ook zijn ‘onwelbevinden [...] samengaand met spanningen op de werkvloer’ te berde, die ‘leidde [...] tot een psychische decompensatie’. Hij kan zich dan thans moeilijk onwetend voordoen nopens de strekking van het motief, in de bestreden beslissing, ‘depressie blijkbaar reactioneel op werkomstandigheden’. De bestreden beslissing stelt voorts vast dat verzoeker ‘in ziekteverlof [bleef] als reactioneel op de concrete arbeidssituatie’. De bestreden beslissing lijkt wel degelijk het bestaan van de nieuwe therapeutische mogelijkheden in de beoordeling te hebben betrokken, waar ze erkent dat ‘een screening [loopt] met het oog op het opstarten van nieuwe psoriasis-therapie waarvan beterschap wordt verwacht’ en dat ‘een nieuwe therapeutische aanpak van de psoriasis hoogstwaarschijnlijk een grote positieve weerslag zal hebben op alle vlakken’. Het dragend motief om evenwel te opteren voor de definitieve oppensioenstelling heeft prima facie niet te maken met de ‘uitgebreide therapieresistente psoriasis’ maar met de ‘reactionele psychische decompensatie’ en is te lezen in de volgende zin uit de beslissing: ‘Gezien echter de context van burn-out in gevolge werkomstandigheden en de lange duur van de werkonbekwaamheid lijkt een stabiele werkhervatting hier niet meer mogelijk’ en de conclusie dat ‘andere elementen (leeftijd, duur van het ziekteverlof - 3 jaar!, psychische context - burn out, werkomstandigheden,...) erop [wijzen] dat het weinig waarschijnlijk is dat betrokkene toch nog zijn vroegere activiteiten in het onderwijs zal hernemen’. Gelet op het voorgaande kan de Raad van State dit in de huidige stand van de procedure niet als een stijlformule bestempelen. Nu verzoeker er in zijn bezwaarschrift zelf aan refereert, lijkt het motief minstens draagkrachtig in feite. Verzoeker, die in zijn verzoekschrift enkel ingaat op de psoriasisproblematiek, ontkracht in de huidige stand van de procedure niet dat het ook draagkrachtig is in rechte”.
  12. Wat het eerste onderdeel betreft, geeft verzoeker, zelfs na daartoe te zijn opgeroepen én in het auditoraatsverslag in de schorsingprocedure én in het auditoraatsverslag ten gronde, nog steeds niet aan op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad door het niet uitdrukkelijk vermelden van de normatieve bepalingen waarop de bestreden beslissing is gesteund.
  13. In de toelichtende memorie blijft verzoeker er bij - wat het tweede onderdeel aangaat - dat zijn leeftijd (52 jaar) niet dermate is - hij is toch nog dertien jaar verwijderd van de eigenlijke pensioenleeftijd - dat men zich na een XII-4891-4\8 ziekte van drie jaar, niet meer zou kunnen integreren in de werkomstandigheden en dat er gunstige vooruitzichten waren op herstel/genezing. Die repliek voegt niets substantieels toe aan wat verzoeker reeds in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd. In de beslissingen van verwerende partij wordt wel degelijk op afdoende wijze aangegeven wat de feitelijke overwegingen zijn die ten grondslag liggen aan het oordeel dat verzoeker wegens medische redenen definitief ongeschikt is voor elke functie. Wat de Raad van State in voormeld schorsingsarrest ter zake het dragend motief om te opteren voor die definitieve ongeschiktheidsverklaring heeft uiteengezet, is niet weerlegd. Dat doet verzoeker ook niet in zijn laatste memorie, waar hij louter om de voortzetting van de procedure verzoekt.
  14. In de gegeven omstandigheden, kan de Raad van State er zich toe beperken, om de redenen uiteengezet in het tussenarrest, het middel thans ook ongegrond te achten. Uiteenzetting van het tweede middel
  15. Als tweede middel voert verzoeker de onbevoegdheid aan van de hoofdgeneesheer adviseur-generaal om de bestreden beslissing te nemen. Volgens hem is terzake de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst bevoegd, en die bestaat uit twee artsen. Voorts licht verzoeker toe dat inzake de beroepsprocedure de regelgeving vereist dat een consult gebeurt tussen de raadsgeneesheer (dit is de behandelende geneesheer van verzoeker) en de arts MEDEX die het onderzoek verrichtte, wat in casu niet blijkt en dat de raadsgeneesheer aan het diensthoofd medische kwaliteit een omstandig verslag overmaakt waarin de medische argumenten waarop de in eerste aanleg genomen beslissing steunt, weerlegd worden, wat in casu ook niet is gebeurd. Beoordeling
  16. In het tussenarrest nr. 168.286 van 27 februari 2007, wordt geoordeeld: XII-4891-5\8 “Verzoeker laat na een bepaling aan te geven waarop zijn grief steunt, als zou een beslissing als de voorliggende door de pensioencommissie van de AGD en niet door de hoofdgeneesheer adviseur-generaal genomen moeten worden. In de nota in de schorsingsprocedure zet verwerende partij van haar kant uitvoerig uiteen hoe uit de verschillende beroepsprocedures die voorhanden zijn, en de door verzoeker specifiek gevolgde procedure, uit artikel 8 van het koninklijk besluit van 18 augustus 1939 tot regeling van de inrichting der geneeskundige onderzoekingen door de administratieve gezondheidsdienst in plaats van door de provinciale pensioencommissies kan worden afgeleid dat te dezen wel degelijk door de bevoegde overheid is opgetreden. In het auditoraatsverslag wordt geconcludeerd dat verwerende partij prima facie gevolgd kan worden. Verzoeker brengt hier ter terechtzitting niets tegen in, zodat ook de Raad van State in de huidige stand van de procedure de verwerende partij bijvalt”.
  17. In de memorie van wederantwoord beperkt verzoeker zich er toe op te merken dat door het ontbreken van de juridische grondslag waarop de beslissing werd genomen, de bevoegdheid van de hoofdgeneesheer adviseur- generaal niet te controleren is.
  18. Nu verzoeker ook in zijn latere processtukken er niet toe komt de uitvoerig onderbouwde uiteenzetting van verwerende partij in de schorsings- procedure te weerleggen en de voor zijn zienswijze relevante rechtsbepalingen te expliciteren, kan de Raad van State er zich andermaal toe beperken, om de redenen uiteengezet in het tussenarrest, het middel te verwerpen. Uiteenzetting van het derde middel
  19. Een derde middel put verzoeker uit de schending van de hoorplicht, doordat in de oproeping tot het medisch onderzoek niet vermeld werd dat een definitieve vroegtijdige ongeschiktheidsverklaring voor elke functie werd over-wogen, noch dat andere mogelijkheden eveneens mogelijk waren en doordat hij in elk geval niet werd gehoord door degene die de bestreden beslissing heeft genomen. Beoordeling
  20. In het tussenarrest nr. 168.286 van 27 februari 2007, wordt hierover geoordeeld: “Aangenomen dat verzoeker in de procedure voor de pensioencommissie het recht heeft om zijn standpunt te laten kennen, dient de Raad van State vast te stellen dat hem die mogelijkheid conform de ter zake geldende regelgeving ook XII-4891-6\8 is geboden doordat verzoeker in beroep is kunnen gaan tegen de in eerste aanleg genomen beslissing, waarbij ook de eigen geneesheer de beslissing schriftelijk heeft kunnen aanvechten, en dat verzoeker zijn standpunt ook mondeling kenbaar heeft kunnen maken ter gelegenheid van het medisch onderzoek in de beroepsprocedure. Er valt op het eerste gezicht niet in te zien waarom of hoe verzoeker niet voor zijn belangen is kunnen opkomen”.
  21. In de memorie van wederantwoord blijft verzoeker er bij, dat door hem niet in kennis te stellen van de verschillende mogelijkheden van de te nemen beslissingen, men hem de mogelijkheden ontneemt om zijn verweer tegen de zwaarste maatregel te laten gelden. Evenwel, wie na uitputting van zijn ziekteverlof wordt opgeroepen om voor de pensioencommissie van de AGD te verschijnen moet er redelijkerwijze rekening mee houden dat die procedure tot een definitieve ongeschiktheidsverklaring voor elke functie en, bijgevolg, tot vroegtijdige pensionering kan leiden. Dat is ook de strekking van de beslissing die aan verzoeker op 1 maart 2006 is meegedeeld, waartegen hij bezwaar kon aantekenen en hééft aangetekend. Aldus wordt nogmaals vastgesteld, zoals in het tussenarrest, dat verzoeker, nadat hem de in eerste aanleg door de pensioencommissie genomen beslissing van 31 januari 2006, waarbij werd vastgesteld dat hij, wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid voor elke functie, op medisch vlak de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen, werd medegedeeld, voldoende gelegenheid heeft gehad om in de procedure in beroep - mondeling, tijdens het medisch onderzoek op 19 juli 2006, dan wel schriftelijk- zijn bezwaren tegen die “zwaarste beslissing” kenbaar te maken.
  22. Het middel is ongegrond. Uiteenzetting van het vierde middel
  23. Verzoeker voert ten slotte als vierde middel nog de schending aan van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en van de formele motivering, omdat nergens blijkt waarom de overheid deze maatregel heeft gekozen. Beoordeling
  24. Het middel voegt niets toe aan hetgeen reeds in het eerste middel is uiteengezet. Het wordt bijgevolg om dezelfde redenen als dat middel verworpen. XII-4891-7\8 BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt het beroep.
  26. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 maart 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-4891-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.491 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.286 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.