← België

Arrest 201497 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.497 Rolnummer: A. 159499/X-12187 Zaak: Arrest 201497 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:24 Fiche Arrest nr 201.497 van 4 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.497 van 4 maart 2010 in de zaak A. 159.499/X-12.187. In zake: 1. Willy VAN HAUWAERT 2. Christina DE ROECK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristiaan Caluwaerts kantoor houdend te 2600 ANTWERPEN-BERCHEM Potvlietlaan 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Plavsic kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Huidevetterstraat 22-24 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Wim Cools bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 januari 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 7 oktober 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van Wim COOLS tegen het besluit van 2 juli 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen wordt ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een veranda op een perceel gelegen te Deurne, Eksterlaar 24, kadastraal bekend sectie B, nr. 582/k2. X-12.187-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 6 april 2005. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari 2010. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christine Manïas, die loco advocaat Kristiaan Caluwaerts verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Astrid Gelijkens, die loco advocaat Emmanuel Plavsic verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Floris Sebreghts, die loco advocaten Yves Loix en Sven Vernaillen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 8 april 2004 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad X-12.187-2/15 Antwerpen een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een veranda op een perceel gelegen te Deurne, Eksterlaar 24, kadastraal bekend sectie B, nr. 582/k2. 3.2. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Het perceel maakt deel uit van de “Unitas Tuinwijk”, die bij ministerieel besluit van 27 oktober 1982 als stadsgezicht werd beschermd om reden van de historische waarde. 3.3. De verzoekende partijen zijn eigenaar van de woning gelegen op het aanpalende perceel, Eksterlaar 26. 3.4. Betreffende de voormelde aanvraag wordt een openbaar onderzoek gehouden van 14 april 2004 tot en met 14 mei 2004. Er worden 4 bezwaarschriften ingediend, onder meer door de verzoekende partijen. 3.5. Op 17 maart 2004 verleent de afdeling ROHM Antwerpen, cel monumenten en landschappen het volgende gunstig advies: “Na verder overleg en overwegende dat er in het verleden verscheidene toelatingen zijn gebeurd voor het bouwen van een veranda in de unitastuinwijk te Deurne wordt er een gunstig advies verleend voor het bouwen van een veranda aan de woning Eksterlaar 24 te Deurne met een maximale bouwdiepte van 3 meter”. 3.6. Op 28 april 2004 wordt door de interne dienst Monumenten- en Welstandszorg het volgende voorwaardelijk gunstig advies uitgebracht: “Uit oogpunt monumenten- en welstandszorg geen bezwaar mits de uitsprong van het terras beperkt wordt tot de uitsprong van het terras van het pand Eksterlaar 26 en het schrijnwerk in geschilderd hout wordt uitgevoerd, maar niet in de blauwe kleur van het aanwezige schrijnwerk”. 3.7. Bij besluit van 2 juli 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen wordt de stedenbouwkundige vergunning tot het X-12.187-3/15 bouwen van een veranda verleend. Het advies van de interne dienst Monumenten- en Welstandszorg wordt evenwel als voorwaarde opgenomen. 3.8. Tegen de voormelde beslissing stelt de tussenkomende partij beroep in, omdat zij niet akkoord kan gaan met de opgelegde voorwaarde. 3.9. Op 19 augustus 2004 brengt de interne dienst Monumenten- en Welstandszorg een nieuw advies uit, waarin het volgende wordt gesteld: “Na onderzoek ter plaatse en in overleg met ROHM/AML sluiten wij ons aan bij het advies van ROHM/AML (max. veranda-uitbouw tot 3m) en mits gekozen wordt voor een uitvoeringswijze die afgestemd is op de oorspronkelijke architecturale kwaliteiten van de voorbouw. Dit advies vervangt ons advies STR/12309ds van 28 april 2004”. 3.10. Bij het bestreden besluit van 7 oktober 2004 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van de tussenkomende partij in en wordt de stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een veranda verleend overeenkomstig de voorgebrachte plannen. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen: “De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening. Op 19 augustus 2004 heeft de interne dienst Monumenten- en Welstandszorg van de stad Antwerpen haar eerder uitgebrachte advies heroverwogen: ‘Na onderzoek ter plaatse en in overleg met ROHM/AML sluiten wij ons aan bij het advies van ROHM/AML (max. veranda-uitbouw tot 3m) en mits gekozen wordt voor een uitvoeringswijze die afgestemd is op de oorspronkelijke architecturale kwaliteiten van de voorbouw. Dit advies vervangt ons advies STR/12309ds van 28 april 2004’. Het beroep is bijgevolg inwilligbaar”. 3.11. Op 19 januari 2005 dienen de verzoekende partijen klacht in tegen de tussenkomende partij bij de Procureur des Konings te Antwerpen wegens “het plegen van intellectuele valsheid en valsheid in geschrifte”. Deze klacht werd zonder gevolg geseponeerd. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Fiscale zegels 4.1.1. De tussenkomende partij werpt op dat de vordering in hoofde van de tweede verzoekster onontvankelijk is, aangezien er slechts fiscale zegels ter X-12.187-4/15 waarde van 175 euro op het verzoekschrift werden aangebracht, terwijl er nochtans een zegelrecht van 175 euro verschuldigd is per verzoekende partij die de vordering tot vernietiging indient. 4.1.2. Op 28 januari 2005 richtte de griffie van de Raad van State het volgende schrijven aan de raadsman van de verzoekende partijen: “Hierbij meld ik U de ontvangst van het collectief verzoekschrift tot schorsing - nietigverklaring van 25 januari 2005, ingediend namens uw cliënten, Willy VAN HAUWAERT en Christina DE ROECK, die bij U woonplaats hebben gekozen. Het verzoekschrift werd ter rol gesteld op naam van Willy VAN HAUWAERT, eerste verzoekende partij, daar op bedoeld verzoekschrift geen fiscale zegels werden aangebracht ter waarde van 350 euro (175 euro per verzoekende partij) zoals voorgeschreven door artikel 70 van de procedureregeling voor de afdeling administratie van de Raad van State. Indien het de bedoeling is het verzoekschrift op naam van beide cliënten ter rol te stellen, dient U de griffie een los blad te doen geworden waarop de ontbrekende Belgische fiscale zegels ter waarde van 175 euro zijn aangebracht. De ontbrekende fiscale zegels dienen binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van deze aangetekende brief, te worden toegezonden. Deze procedurevoorschriften kunnen eveneens ter griffie vervuld worden”. 4.1.3. Bij schrijven van 1 februari 2005 heeft de raadsman van de verzoekende partijen de ontbrekende fiscale zegels aan de griffie van de Raad van State overgemaakt. Dit is binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van het voormelde schrijven. De exceptie wordt verworpen. B. Belang 4.2.1. In hun verzoekschrift laten de verzoekende partijen gelden dat zij belang hebben bij het annulatieberoep aangezien zij als buren van de vergunde werkzaamheden rechtstreeks worden geraakt door de bestreden beslissing en zij “er daadwerkelijk de gevolgen van (dienen) te dragen”. 4.2.2. De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partijen hun belang bij de vordering in het verzoekschrift niet, of alleszins niet voldoende concreet, uiteenzetten, nu zij onder meer nalaten te verduidelijken welke gevolgen van de bestreden beslissing zij dienen te dragen. Zij laat gelden dat de vergunde veranda geenszins uitzicht biedt op het erf van de buren en al evenmin enig licht wegneemt. Voorts betoogt de tussenkomende partij dat de eventuele vernietiging X-12.187-5/15 van het bestreden besluit de verzoekende partijen geenszins een voordeel kan verschaffen, vermits het besluit hen “geen nadeel kan toebrengen”. Zij wijst er op dat in dezelfde wijk “er tientallen gelijkaardige veranda’s vergund en gebouwd (zijn) zonder enig probleem”. 4.2.3. In de memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen dat de vergunde werken er toe zullen leiden dat “de gehele rechtstreekse lichtinval in het pand van eisers tot vrijwel nihil zal worden gereduceerd” en dat “ook het uitzicht (...) in zeer grote mate (zal) aangetast worden en uiteindelijk uiteraard ook de waarde van zijn eigendom”. 4.2.4. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partijen eigenaar en bewoner zijn van een woning gelegen op een perceel dat paalt aan het perceel waarop de bestreden stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft. Zij doen daardoor alleen reeds in principe blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De argumentatie van de tussenkomende partij, afgezet tegen deze van de verzoekende partijen, ontkracht dit principe niet. De exceptie wordt verworpen. C. Ontvankelijkheid ratione temporis 4.3.1. In het verzoekschrift laten de verzoekende partijen gelden dat zij kennis hebben gekregen van het bestreden besluit door het schrijven van de stad Antwerpen van 7 december 2004, zodat het beroep tijdig werd ingesteld. 4.3.2. De tussenkomende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid wegens laattijdigheid van het annulatieberoep op. Zij laat gelden dat het “ongeloofwaardig en weinig aannemelijk” is dat de verzoekende partijen “eerst op 7 december 2004 kennis zouden hebben genomen van het feit dat de vergunning verleend werd, dit is twee weken nadat de tussenkomende partij op 25 november 2005 de vergunning heeft aangeplakt”, terwijl “de verzoekende partijen, om welke reden dan ook, een bijzondere ijver aan de dag leggen om allerlei procedures in te stellen tegen de tussenkomende partij, zodat mag worden aangenomen dat zij elke beweging in het dossier met argusogen bekijken”. X-12.187-6/15 4.3.3. In de memorie van wederantwoord werpen de verzoekende partijen op dat de tussenkomende partij geen enkel bewijs bijbrengt van de aanplakking op 25 november 2005 en dat haar argumentatie “slechts bestaat uit louter gissingen, en derhalve niet als vermoedens kunnen worden aangemerkt”. 4.3.4. De bestreden stedenbouwkundige vergunning moest noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partijen er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoeker liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van de vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning, bijvoorbeeld van de mogelijkheid die hem door het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn is verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die opwerpt dat de verzoeker kennis had of had kunnen hebben van een bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren. X-12.187-7/15 4.3.5. De verzoekende partijen maken aannemelijk dat zij kennis hebben genomen van de bestreden beslissing doordat de stad Antwerpen hen hiervan bij schrijven van 7 december 2004 op de hoogte heeft gebracht. Noch de deelname aan het openbaar onderzoek, noch het alert opvolgen van het dossier, verplichtten de verzoekende partijen ertoe om zich, bij ontstentenis van uitvoering van de werken waarvoor de vergunning werd aangevraagd, op geregelde tijdstippen naar het gemeentehuis te begeven om na te gaan of inmiddels nog geen vergunning werd verleend. Het betoog van de tussenkomende partij dat “de verzoekende partijen, om welke reden dan ook, een bijzondere ijver aan de dag leggen om allerlei procedures in te stellen tegen de tussenkomende partij, zodat mag worden aangenomen dat zij elke beweging in het dossier met argusogen bekijken” volstaat allerminst om tot de laattijdigheid van de vordering te besluiten. Dit alles klemt des te meer nu blijkt dat de door de verzoekende partijen ingeleide procedures waarnaar de tussenkomende partij in haar betoog verwijst, dateren van nà het indienen van het annulatieberoep. Ten overvloede kan nog opgemerkt worden dat de tussenkomende partij niet met concrete gegevens aantoont dat zij de verkregen vergunning ook daadwerkelijk heeft aangeplakt. 4.3.6. De tussenkomende partij brengt geen bewijskrachtige gegevens bij die aantonen dat de verzoekende partijen kennis hadden of konden gehad hebben van de bestreden stedenbouwkundige vergunning sedert meer dan zestig dagen vóór het instellen van het beroep tot nietigverklaring. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.1.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat het door de tussenkomende partij bij haar aanvraag gevoegde inplantingsplan “geheel niet overeenstemt met de werkelijke situatie” en dat de tussenkomende partij “doelbewust een onjuiste voorstelling heeft gemaakt, meer nog een vals plan heeft opgesteld (...) teneinde op zulke wijze toch een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen die normaliter niet zou goedgekeurd zijn”. Ze stellen dat de X-12.187-8/15 tussenkomende partij de bevoegde overheid poogt te misleiden door haar voor te houden dat de afmetingen van de op te richten veranda gelijk lopen met de afmetingen van de reeds bestaande veranda van de verzoekende partijen. Ter ondersteuning van hun middel verwijzen de verzoekende partijen naar een deskundige verslag van de heer Annaert en naar de klacht die zij hebben ingediend wegens het plegen “van intellectuele valsheid (...) en valsheid in geschrifte”. De aldus door de tussenkomende partij verkregen vergunning is, volgens de verzoekende partijen, onwettig omdat zij steunt op onjuiste of onvolledige gegevens. 5.1.2. De tussenkomende partij werpt een exceptio obscuri libelli op, omdat in het middel geen enkele wettelijke bepaling wordt aangeduid welke geschonden zou zijn. De tussenkomende partij voert aan dat dit een inbreuk uitmaakt op haar rechten van verdediging. Ten gronde voert de tussenkomende partij aan dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat het plan niet met de werkelijkheid zou overeenstemmen, laat staan dat de tussenkomende partij zulks doelbewust zou gedaan hebben. Zij betoogt dat het ingediende plan wel degelijk strookt met de werkelijkheid en dat de overheid overigens een onderzoek ter plaatse heeft georganiseerd en derhalve zeer duidelijk van de toestand op de hoogte was. 5.1.3. In de memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen nog de schending aan van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en van artikel 1, 3/,

  1. d)van het besluit van 23 mei 2003 van de Vlaamse regering tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect. Ze betogen dat de vergunde veranda in werkelijkheid een “uitbouw” vormt, waarvoor de medewerking van een architect vereist is en dat de tussenkomende partij “doelbewust en valselijk” haar bouwplannen heeft voorgesteld als zijnde voor een veranda om op die manier zelf de plannen te kunnen opstellen zonder de controle van een architect. Voorts laten de verzoekende partijen gelden dat, zelfs al zou het toch om een veranda gaan, ook in dat geval de medewerking van een architect vereist was, gelet op de tekst van artikel 1, 3/,
  2. d)van het voormelde besluit van 23 mei 2003, aangezien de beide voorwaarden opgelegd in dit artikel, dat de bouwwerken noch de oplossing van een constructieprobleem met zich mogen meebrengen, noch de stabiliteit van de aanpalende gebouwen mogen wijzigen, in casu niet vervuld zijn. De verzoekende partijen besluiten dat de stedenbouwkundige vergunning derhalve niet regelmatig werd aangevraagd en dat deze onregelmatigheid een weerslag heeft op de wettigheid van de vergunning. X-12.187-9/15 Beoordeling 5.1.4. Wat de door de tussenkomende partij aangevoerde exceptio obscuri libelli betreft, dient te worden vastgesteld dat de tussenkomende partij, zij het in ondergeschikte orde, er in geslaagd is om het middel vrij omstandig te beantwoorden. Zij begrijpt het middel als het door haar bewust misleiden van de bevoegde overheid. Hieruit blijkt dat de tussenkomende partij in haar rechten van verdediging niet werd geschaad. Ter vrijwaring van deze rechten wordt het middel besproken zoals de tussenkomende partij het heeft begrepen. De exceptie wordt verworpen. 5.1.5. Onjuistheden, vergissingen of leemten in het bouwdossier kunnen tot de vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning leiden, indien blijkt dat zij van die aard zijn dat zij de adviserende of de vergunningverlenende overheden in dwaling hebben gebracht en bovendien beslissend zijn geweest voor de toekenning van de stedenbouwkundige vergunning. Nog afgezien van de vaststelling dat uit een schrijven van de raadsman van de verzoekende partijen blijkt dat de door de verzoekende partijen ingediende klacht bij de Procureur des Konings werd geseponeerd wegens het ontbreken van enig misdrijf, dient vastgesteld te worden dat uit het advies van de interne dienst Monumenten- en Welstandszorg blijkt dat deze dienst zelf ter plaatse is gegaan om zich van de toestand te vergewissen en dat op basis van dit plaatsbezoek vervolgens het eerder uitgebrachte ongunstig advies vervangen werd door een gunstig advies. Rekening houdend met deze vaststelling, kunnen de verzoekende partijen bezwaarlijk voorhouden dat de verwerende partij niet met kennis van zaken heeft kunnen oordelen, laat staan dat zij misleid werd door de tussenkomende partij. Dit middelonderdeel is niet gegrond. 5.1.6. De schending van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en van artikel 1, 3/,
  3. d)van het besluit van 23 mei 2003 van de Vlaamse regering tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect, wordt door de verzoekende partijen pas voor het eerst in hun memorie van wederantwoord aangevoerd. 5.1.7. Middelen, ook indien deze de openbare orde raken, moeten, teneinde de rechten van verdediging van de andere partijen te vrijwaren, in het X-12.187-10/15 verzoekschrift worden ontwikkeld, tenzij de grondslag ervan pas nadien aan het licht is kunnen komen, in welk geval die middelen ten laatste in het eerst mogelijke in de procedureregeling voorziene processtuk moeten worden opgeworpen. Te dezen bestond de grondslag van dit nieuw middelonderdeel dat de openbare orde raakt, reeds op het ogenblik dat de verzoekende partijen het verzoekschrift tot nietigverklaring hebben ingediend. Het middelonderdeel is onontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 5.2.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van het ministerieel besluit van 27 oktober 1982 houdende bescherming van de Unitas Tuinwijk als stadsgezicht om reden van de historische waarde en van het koninklijk besluit van 6 december 1976 tot vaststelling van de algemene voorschriften inzake instandhoudingen en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten vermeld in de bij ministerieel besluit vastgestelde ontwerpen van de lijst van de voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten. Ze laten gelden dat ook de scheidingshaag tussen hun perceel en dat van de tussenkomende partij deel uitmaakt van de bescherming van het stadsgezicht en dat in het plan van de tussenkomende partij wordt voorzien in de verwijdering van deze scheidingshaag, terwijl artikel 5 van het voormelde besluit van 6 december 1976 bepaalt dat om het even welke ingreep op de beschermde bomen en vegetatiecomplexen verboden is. 5.2.2. Ook betreffende dit middel werpt de tussenkomende partij een exceptio obscuri libelli op, omdat niet wordt vermeld welke bepalingen uit het decreet van 3 maart 1976 en het ministerieel besluit van 27 oktober 1982 geschonden zouden zijn en in welke mate en op welke wijze. Voorts stelt de tussenkomende partij het belang van de verzoekende partijen bij dit middel in vraag. Beoordeling 5.2.3. Met de tussenkomende partij dient vastgesteld te worden dat de verzoekende partijen nalaten in concreto aan te tonen op welke wijze het decreet van X-12.187-11/15 3 maart 1976 en het ministerieel besluit van 27 oktober 1982 door het bestreden besluit worden geschonden. Voor zover het middel een schending van het decreet en het ministerieel besluit aanvoert, is het derhalve onontvankelijk. 5.2.4. De verzoekende partijen hebben belang bij het middel waarin zij de verwijdering van de scheidingslaag ingevolge het bestreden besluit bekritiseren. De dienaangaande opgeworpen exceptie is ongegrond. 5.2.5. Wat de ingeroepen schending van artikel 5 van het koninklijk besluit van 6 december 1976 tot vaststelling van de algemene voorschriften inzake instandhoudingen en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten vermeld in de bij ministerieel besluit vastgestelde ontwerpen van de lijst van de voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten betreft, dient vooreerst opgemerkt te worden dat dit besluit werd opgeheven door het besluit van 17 november 1993 van de Vlaamse regering tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten. 5.2.6. In hun memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen aan dat het feit dat het koninklijk besluit van 6 december 1976 werd opgeheven, niet ter zake doet aangezien het aangehaalde artikel werd opgenomen in het besluit van 17 november 1993, meer bepaald in artikel 5. Dit artikel bepaalt wat volgt: “Artikel 5. De volgende werken en werkzaamheden binnen beschermde stads- en dorpsgezichten zijn verboden behoudens schriftelijke vergunning van de Vlaamse Regering of haar gemachtigde: 1/ alle activiteiten die de verdwijning van bomen en struiken tot gevolg hebben, met uitzondering van normale oordeelkundig uitgevoerde onderhoudswerken, zoals het kappen en snoeien van opgaande bomen, hakhout, knotbomen, leibomen en gekandelaarde bomen, en het scheren en snoeien van hagen en andere geschoren vormen; 2/ alle werken en werkzaamheden die de leefbaarheid van bomen kunnen beïnvloeden, zoals verankeringen, standplaatswijzigingen en grondwerken”. 5.2.7. Nog daargelaten de vraag of de vergunningsprocedure van het besluit van 17 november 1993 van toepassing is op werken die tegelijkertijd een stedenbouwkundige vergunning behoeven, dient alleszins vastgesteld te worden dat op het door de tussenkomende partij ingediende plan duidelijk is aangegeven dat de X-12.187-12/15 thans bestaande scheidingshaag over een lengte van 3 meter, zijnde de afmeting van de veranda, dient verwijderd te worden. Op basis van deze plannen werd op 17 maart 2004 door de afdeling ROHM Antwerpen, cel monumenten en landschappen, de vereiste machtiging verleend. Er valt dan ook niet in te zien hoe het bestreden besluit de aangehaalde bepaling schendt. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 5.3.1. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de richtlijnen vervat in het “rondschrijven dd. 27.07.2001 vanwege het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Monumenten en Landschappen Antwerpen, (...) voor vakkundig herstel die in 1999 werden uitgewerkt op basis van de studie naar de oorspronkelijke gevelafwerking en kleuren van de betreffende wijk”. Ze stellen dat deze richtlijnen onder meer het nieuw houten schrijnwerk betroffen “dat alleen naar oorspronkelijk model met de originele roedenverdeling mocht worden voorzien, en in het kleur van het schilderwerk voor het schrijnwerk”. Ze voeren aan dat het oorspronkelijke advies van 28 april 2004 van de interne dienst Monumenten- en Welstandszorg, toepassing maakte van deze richtlijnen door als voorwaarde op te leggen dat “het schrijnwerk in geschilderd hout wordt uitgevoerd, maar niet in de blauwe kleur van het aanwezige schrijnwerk”, doch dat in het herziene advies van 19 augustus 2004 geen rekening meer wordt gehouden met deze richtlijnen, nu in dit advies enkel als voorwaarde nog wordt gesteld dat “gekozen wordt voor een uitvoeringswijze die afgestemd is op de oorspronkelijke architecturale kwaliteiten van een voorbouw”. De verzoekende partijen betogen dat de geplande werken geenszins aan de oorspronkelijke architecturale kwaliteiten beantwoorden, “aangezien de grote schuiframen zonder enige roedenverdeling, en het volledig glazen doorschijnend dak van de veranda, totaal onverzoenbaar is met de architecturale voorschriften, minstens richtlijnen binnen de Unitas-Tuinwijk”. Ten slotte voeren de verzoekende partijen aan dat ook de afwezigheid van enige voorziening betreffende de gevelbepleistering in strijd is met de architecturale voorschriften, minstens richtlijnen binnen de Unitas-Tuinwijk. Ze besluiten derhalve dat “de toekenning van de vergunning zonder enige voorwaarden” de voormelde richtlijnen schendt. X-12.187-13/15 5.3.2. De tussenkomende partij werpt nogmaals een exceptio obscuri libelli op, omdat niet wordt vermeld “welke ‘wettelijke regel’ men geschonden acht en hoe zulks zich dan in concreto manifesteert”. Voorts stelt de tussenkomende partij ook het belang van de verzoekende partijen bij dit middel in vraag. Beoordeling 5.3.3. Wat de door de tussenkomende partij aangevoerde exceptio obscuri libelli betreft, dient te worden vastgesteld dat de tussenkomende partij, zij het in ondergeschikte orde, er in geslaagd is om het middel vrij omstandig te beantwoorden. Hieruit blijkt dat de tussenkomende partij in haar rechten van verweer niet werd geschaad. De exceptie wordt verworpen. 5.3.4. Het schrijven van 27 juli 2001 van de cel monumenten en landschappen bevat enkel “richtlijnen voor vakkundig herstel” en heeft geen enkel bindend karakter. De stelling van de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord dat dit schrijven moet beschouwd worden als “een verordende omzendbrief die gelijkgesteld dient te worden met een eigenlijke rechtsregel”, kan geenszins worden aangenomen. Een eventuele niet-naleving van de richtlijnen vervat in het bedoelde schrijven kan niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit leiden. Met de tussenkomende partij dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij dit middel. Het derde middel is onontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-12.187-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.187-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.497 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.