← België

Arrest 201500 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.500 Rolnummer: A. 173608/X-12873 Zaak: Arrest 201500 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:24 Fiche Arrest nr 201.500 van 4 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.500 van 4 maart 2010 in de zaak A. 173.608/X-12.

  1. In zake: Martine MARTELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Jan Jacobsplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 2 juni 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 30 maart 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, houdende het ontvankelijk doch ongegrond verklaren van het administratief beroep tegen het besluit van 20 december 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koekelare waarbij de regularisatievergunning wordt geweigerd tot het inrichten van een verkooppunt van eigengekweekte landbouwproducten van dierlijke oorsprong in een vergunde loods te Koekelare, Zuidstraat 100, op een perceel kadastraal bekend sectie D, nr. 310/m. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. X-12.873-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
  4. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct-adviseur Pieter Dewulf die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De verzoekster is eigenares van een loods op een perceel gelegen te Koekelare, Zuidstraat 100, kadastraal bekend onder sectie D, nr. 310/m. Het voormeld perceel is, volgens het bij koninklijk besluit van 5 februari 1979 vastgestelde gewestplan Diksmuide - Torhout, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het perceel is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling.
  7. Op 1 oktober 2004 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekster aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koekelare een regularisatievergunning voor de “inrichting van een verkooppunt van eigengekweekte landbouwproducten van dierlijke oorsprong (vlees) in vergunde loods”, op het voormelde terrein.
  8. Van 8 oktober 2004 tot 8 november 2004 wordt er een openbaar onderzoek over de aanvraag georganiseerd. Er worden geen bezwaarschriften ingediend. X-12.873-2/11
  9. Op 10 november 2004 brengt de Afdeling Land een voorwaardelijk ongunstig advies uit, om volgende redenen : “• De bestaande inplanting - gelegen langs een openbare ontsluitingsweg in een actief uitgebaat agrarisch gebied met verspreide bebouwing - is een gevestigd, gemengd landbouwbedrijf met een naastliggende vleesversnijderij/vleeshal. De vleesversnijderij - in de aanvang wellicht bedoeld als verwerking van de eigen vleesproductie - is gelet op de omvang ons inziens geëvolueerd naar een zelfstandige vleeshandel. • Er is niets op tegen dat bij het bestaande professionele landbouwbedrijf de nodige voorzieningen en installaties worden voorzien voor de verwerking en verkoop van de eigen landbouwproductie. In onderhavig geval betreft het de verwerking en afzet van rundvlees. • Gelet op de grote omvang van de te regulariseren voorzieningen kunnen deze ons inziens zeker niet afgeschreven worden op de verwerking van de eigen landbouwproducten. Tot bewijs van het tegendeel gaan wij ervan uit dat de verwerking en omzet aan vlees ter plaatse veel omvangrijker is dan die kan toegeleverd worden door het landbouwbedrijf van de aanvraagster. De jaarlijkse omzet aan vlees - die een duidelijk antwoord kan geven op de vraag naar de ware aard van de inplanting, zonevreemd of toch niet - is bij andere bevoegde diensten gekend. Afdeling Land is niet in staat deze gegevens te verzamelen. • Tot bewijs van het tegendeel wordt de loods voorlopig aanzien als bedrijfszetel van een zonevreemde inplanting, gelegen naast of op het erf van een landbouwbedrijf. • Afgezien van het feit dat wegens de aansluiting van de constructie bij het landbouwbedrijf de negatieve impact op de lokale landbouwstructuren beperkt blijft, kan de totstandkoming van een zonevreemde inplanting niet verwezenlijkt worden via een bouwvergunning. Dit zou trouwens aanleiding geven tot een voorgaande voor verdere autonome aantasting van het agrarisch gebied door bijkomende zonevervreemding. • Na het bekomen van voldoende duidelijkheid over de grootteorde van de omzet aan vlees zou op een ondubbelzinnige wijze kunnen geantwoord worden op de vraag welke procedure hier in aanmerking zou dienen te komen voor een eventuele regularisatie, t.t.z. een planningsprocedure of eventueel toch een bouwvergunning. • Voor de definitieve juridisch-administratieve afweging wordt verwezen naar de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar”.
  10. Op 27 oktober 2005 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit, met de algemene conclusie: “Ongunstig advies. De versnijderij en handelsactiviteit kan niet aanzien worden als ondergeschikt bij de aanwezige zone-eigen (kweek)activiteit. Ze domineert de site. Bovendien betreft het secundaire bewerking en handel van landbouwproducten, ook afkomstig van andere inrichtingen. Deze activiteit kan ook niet aanzien worden als (...) para-agrarisch. Er zijn geen vergunningsmogelijkheden in het kader van de uitzonderingsregel DRO artikel 145bis, §2”. X-12.873-3/11
  11. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koekelare weigert op 20 december 2005 de gevraagde regularisatievergunning.
  12. Op 19 januari 2006 tekent de verzoekster tegen de voormelde weigeringsbeslissing administratief beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Op 28 februari 2006 wordt een hoorzitting georganiseerd.
  13. Bij besluit van 30 maart 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen wordt het voormelde beroep verworpen en de stedenbouwkundige vergunning geweigerd. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen : “
  14. Inhoudelijke bespreking a. Juridische grondslag en beoordeling Beroepster beschikt over een stedenbouwkundige vergunning d.d. 09/06/1998 voor het bouwen van een loods voor opslag van hooi en stro. Deze loods heeft een oppervlakte van 25m op 31m. De gemachtigde ambtenaar merkt op dat er bij deze loods ook een laadkuil voorzien was. In deze vergunde loods wordt echter een vleesversnijderij uitgebaat. Op 14/10/2004 werd dan ook een proces-verbaal opgemaakt door de Politiezone Polder. Het is naar aanleiding van dit PV dat de beroepster een regularisatie vraagt van de functiewijziging en van het inrichten van een verwerkings- en verkoopspunt van zelfgekweekt kalfvlees in een bestaande landbouwloods. De beroepster is echter van oordeel dat er zelfs geen vergunning nodig is voor deze functiewijziging omdat de activiteit voorheen agrarisch was en na de herinrichting nog steeds agrarisch dan wel para-agrarisch. Daartoe werpt zij op dat de versnijderij ‘enkel’ vlees van eigen kweek verwerkt. Zelfs los daarvan stelt zij dat een vleesuitsnijderij ‘louter omwille van zijn karakter’ als een para-agrarisch bedrijf moet beschouwd worden. Beroepster stelt dat er enkel vlees van eigen kweek verwerkt wordt in de vleesversnijderij. Daartoe voegt zij een lijst bij het dossier met de plaatsen waar beroepster kalveren kweekt. Dit blijkt te gaan om bedrijven in Gits, Sint-Gillis-Dendermonde, Kortemark, Moorslede, Horrues, Florée, Holsbeek, C-N-D-Louvignies, Courrière, Hamois en Ichtegem. Op die manier komt zij aan ruim 3000 dieren. Op de inrichting zelf, in de Zuidstraat in Koekelare, bevinden er zich slechts een 178-tal dieren. De dieren zouden geslacht worden in een slachthuis in Izegem of Lichtervelde en dan aangevoerd naar de inrichting in Koekelare om daar een secundaire behandeling te ondergaan en verhandeld te worden. Met deze lijst toont beroepster zelf reeds aan dat de versnijderij geen nauwe band heeft met de inrichting waar zij gevestigd is. Dit wordt ook vastgesteld door de gemachtigde ambtenaar in zijn advies, waar hij erop wijst dat de dieren afkomstig zijn van bedrijven uit de wijde omtrek. Er kan hier dan ook geen sprake zijn van een nauwe relatie met het landbouwproductieproces. En het is net die nauwe relatie die cruciaal is in het kader van een hoeveslagerij met thuisverkoop. X-12.873-4/11 Beroepster is van oordeel dat het voldoende is dat de dieren in eigendom zijn, ongeacht de plaats waar deze gekweekt worden. Zij stelt letterlijk dat ‘de nauwe band die de uitgevoerde activiteit heeft met het landbouwproductieproces los moet worden gezien van de plaats waar de versneden kalveren worden gekweekt, zo lang de versnijding maar eigen kweek betreft’. Dit is manifest in strijd met het idee van ‘hoeveslagerij met thuisverkoop’. De hoofdvoorwaarde voor dergelijke hoeveslagerij is nu eenmaal dat het een ondergeschikte nevenactiviteit bij de zuivere landbouwactiviteit betreft. Beroepster heeft een punt waar zij stelt dat er in principe bij elk kweekpunt een eigen versnijderijtje zou kunnen toegestaan worden. Daarbij verwart zij echter het gegeven van een versnijderij met dat van een hoeveslagerij. Het is inderdaad zo dat ieder gekweekt dier op een bepaald moment dient geslacht en versneden te worden. In de traditionele landbouw worden de dieren daarvoor vervoerd naar professionele slachthuizen-versnijderijen. In het kader van de landbouwverbreding is het aspect van de ‘hoeveslagerij’ opgekomen. Hierbij is het de bedoeling dat de specifieke landbouwer zijn dieren niet verkoopt en vervoert naar een slachthuis-versnijderij, maar wel op de hoeve zelf verwerkt voor de verkoop. Dit betreft een kleinschalige activiteit die het vlees rechtstreeks van bij de boer naar de consument brengt (verkoop wordt op de hoeve zelf georganiseerd). Het louter in eigendom hebben van dieren, waarmee beroepster eigenlijk bedoeld dat zij de kalveren door derden op andere plaatsen laat houden (in loonbedrijven), beantwoordt niet aan het idee van hoeveslagerij. Indien de stelling van beroepster gevolgd wordt betekent dit in feite dat iedereen die dieren in eigendom heeft op verschillende plaatsen en die door derden worden opgekweekt, zelf een professionele versnijderij kan oprichten en bovendien kan ‘kiezen’ waar hij die inplant, meer bepaald bij welke hoeve (doorgaans in het agrarisch gebied). Dit heeft geen enkele binding meer met het kleinschalige karakter van een hoeveslagerij. In dit kader kan ook nog gewezen worden op volgende overweging van de Minister in een besluit d.d. 09/07/2002 naar aanleiding van een beroep tegen de vergunning voor het verbouwen van een schuur tot verwerkings- en afhaalruimte voor hoeveproducten in landschappelijk waardevol gebied: ‘dat uit het onderzoek van het dossier echter niet blijkt dat het hier nog om een nevenactiviteit gaat, ondergeschikt aan de landbouwfunctie; dat, gelet op de omvang van de lokalen, hier een louter commerciële activiteit (verkoop) wordt nagestreefd die niet in verhouding staat met de landbouwactiviteit; dat het bestaand gebouw van ca. 200m² volledig wordt ingericht in functie van commerciële ambachtelijke activiteiten zoals vleesversnijderij en vleesverwerking, wat een zuivere vorm van een ambachtelijke beenhouwerij en handel inhoudt; overwegende dat om voornoemde redenen dient gesteld dat het vooropgestelde niet beantwoordt aan de beperkte ondergeschikte nevenactiviteiten die kunnen worden toegelaten bij volwaardige landbouwbedrijven; dat de geplande commerciële activiteit strijdt met de gewestplanvoorschriften;’. Terwijl er in bovengenoemd dossier nog sprake kon zijn van enige band met het landbouwbedrijf, is deze er nu totaal niet meer. De dieren komen van verschillende bedrijven en worden aangeleverd aan de versnijderij. Het rauwe vlees wordt daar verpakt, ingevroren, verwerkt en bewerkt, verkocht en verhandeld. Ten overvloede kan er ook nog op gewezen worden dat de versnijderij van beroepster een oppervlakte beslaat van 775m², terwijl het bovengenoemd dossier slechts 200m² (geweigerd door de Minister). In tweede instantie is de beroepster ervan overtuigd dat een vleesversnijderij, door het karakter van de activiteit alleen al, para-agrarisch is. Dit standpunt kan echter niet bijgetreden worden. In eerste instantie blijkt de loods, die een X-12.873-5/11 oppervlakte heeft van 775m² volledig ingericht te zijn voor de versnijderij. Volgende ruimtes zijn namelijk voorzien: receptie/expeditie voor het rauw vlees (dat toegeleverd wordt), een verkoopsruimte met bureel en winkel, de expeditie van het diepgevroren rauw vlees (verpakt), drie frigo’s voor het vlees, een diepvries voor het vlees, een ruimte voor sortering en versnijding, een inpakruimte voor het invriezen, een wasplaats, sanitair en sociaal lokaal, bergplaatsen, garage voor de voertuigen (koelwagens) en een technisch lokaal. Het betreft aldus een volledig geïnstalleerde versnijderij met bijhorend verkoopspunt, die autonoom kan bestaan, dus zonder enige landbouwactiviteit op de inrichting zelf. Beroepster is van oordeel dat het begrip para-agrarisch in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet begrepen worden, meer bepaald een bedrijf waarvan de activiteit onmiddellijk aansluit bij de landbouw en erop afgestemd is. Er wordt ook gesteld dat de rechtspraak van de Raad van State waarbij uitspraak wordt gedaan over het para-agrarisch karakter van vleesuitsnijderijen, niet met zoveel worden stellen dat dit geen para-agrarische bedrijven zijn of kunnen zijn. Nochtans heeft de Raad van State in een aantal arresten (...) gesteld dat inrichtingen die bestemd zijn voor vleesverwerkende activiteiten ontoelaatbaar zijn in agrarisch gebied. Gebouwen waarin een werkplaats is ondergebracht voor het slachten van dieren, het uitbenen van vlees en/of het versnijden ervan zijn strijdig met de landbouwbestemming van artikel 11.4.
  15. van het Inrichtingsbesluit. De activiteiten die plaatsgrijpen in een dergelijke werkplaats moeten beschouwd worden als aan de landbouw vreemde industriële activiteiten. Bovendien kan er hier ook nog op gewezen worden dat de inrichting zich in een open landschappelijk waardevol gebied bevindt. De loods op zich is weliswaar vergund, maar dan wel voor opslag van hooi en stro, dus zuiver landbouwgebruik, terwijl nu een professionele versnijderij gevraagd wordt. Dergelijke versnijderij is, mede gelet op bovenstaande rechtspraak van de Raad van State, strijdig met de bestemming van agrarisch gebied. In dit kader kan ook nog gewezen worden op een arrest van de Raad van State d.d. 17 juni 1999 (...) waarbij een besluit tot het verlenen van een milieuvergunning voor een rundveefokkerij met 200 runderen en een versnijderij vernietigd wordt. Er werd in het besluit, voor wat betreft de versnijderij, overwogen dat ‘de uitsnijderij in strijd is met het gewestplan’. Niettemin werd toch de vergunning verleend omdat het een bestaande inrichting betrof die verenigbaar is met de omgeving. In haar arrest wijst de Raad van State erop dat ‘de bindende en verordenende kracht van de plannen van aanleg er zich tegen verzet dat een milieuvergunningsaanvraag die door de vergunningverlenende overheid in strijd wordt geacht met het gewestplan, en waarvan tevens gesteld wordt dat ze niet onder een decretale afwijkingsmogelijkheid valt, toch wordt ingewilligd omdat het ‘een bestaande inrichting (is) die verenigbaar is met de omgeving’, of om enige andere reden overigens’. Betreffende uitsnijderij werd vervolgens mee opgenomen in een sectoraal BPA ‘zonevreemde bedrijven’ waarbij de uitsnijderij werd ingekleurd als ‘zone voor ambachtelijke activiteiten’. Terwijl betreffende inrichting betrekking had op 200 runderen en een versnijderij, voorziet huidig dossier van mevr. Martele een uitsnijderij op een hoeve waar een 178-tal runderen gekweekt worden en de toelevering van mestkalveren van verschillende bedrijven. Volgens de gegevens van beroepster zouden er zo’n 3000-tal dieren verwerkt worden in de uitsnijderij. Het betreft hier wel degelijk een grootschalige versnijderij en groothandelsactiviteit, die niet meer kan gelinkt worden aan de hoeve waar ze gelokaliseerd is. De X-12.873-6/11 inrichting kan namelijk volledig autonoom bestaan en heeft weinig of geen band met de inrichting zelf. Dergelijke activiteit hoort niet thuis in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. b. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Het betreft een bestaande, vergunde loods. De aanvraag tot functiewijziging naar vleesversnijderij met bijhorend verkoopspunt zal op zich dan ook een verwaarloosbare impact hebben op de omgeving. Nochtans moet er hier wel op gewezen worden dat de loods in een landelijke omgeving is ingeplant en slechts door een minimaal groenscherm omgeven is. Bovendien bevindt er zich voor de loods een grote verharde oppervlakte”. IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste en tweede middel Uiteenzetting van het eerste en tweede middel
  16. De verzoekster roept in een eerste middel de schending in van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 houdende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : het inrichtingsbesluit) : “Doordat, het bestreden besluit stelt dat een inrichting voor het versnijden en verkopen van eigen landbouwproducten weliswaar bestaanbaar is met de voor het landbouwgebied geldende voorschriften van het Gewestplan zoals opgenomen in artikel 11 van het inrichtingsbesluit dd. 28 december 1972, doch enkel voor zover deze inrichting, die zij ‘hoeveslachterij’ noemt kleinschalig is, waardoor niet zou kunnen worden verantwoord dat in dergelijke inrichting producten worden verwerkt die hoewel door de exploitant van de inrichting voortgebracht, afkomstig zijn van verschillende vestigingsplaatsen, Terwijl, in het bestreden besluit het advies dat de Afdeling Land van Aminal over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning uitbracht niet wordt bestreden, waarin uitdrukkelijk wordt aanvaard dat bij het bestaande professionele landbouwbedrijf de nodige voorzieningen en installaties worden voorzien voor de verwerking en de verkoop van de eigen landbouwproductie, zoals de verwerking en de afzet van rundsvlees, En terwijl, het door de bestendige deputatie niet bestreden advies van de Afdeling Land de verwerking en verkoop van eigen landbouwproducten aldus principieel als agrarische activiteit aanvaardt, los van de schaal waarop dit gebeurt, doch er met betrekking tot de door beroepster ingediende aanvraag enkel tot bewijs van het tegendeel vanuit gaat dat gelet op de omvang van de inrichting de verwerking die in de inplanting plaatsvindt omvangrijker is dan die kan toegeleverd worden door het landbouwbedrijf van de aanvrager, En terwijl, beroepster in de loop van de administratieve procedure de nodige stukken heeft voorgebracht waaruit blijkt dat alle vlees dat in de betrokken inrichting wordt versneden wel degelijk wordt aangeleverd door het eigen bedrijf, zij het vanop de verschillende vestigingsplaatsen, X-12.873-7/11 En terwijl, in het bestreden besluit de bestendige deputatie niet betwist dat alle vlees dat in de betrokken inrichting wordt versneden, voortkomstig is van het bedrijf van beroepster, En terwijl, uit het advies van de Afdeling Land kan worden afgeleid, dat, eens dit bewijs geleverd, de Afdeling Land van Aminal tegen de doorgevoerde functiewijziging geen bezwaar heeft En terwijl conform artikel 11.4.
  17. §3 van de Ministeriële Omzendbrief dd. 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, met betrekking tot het inhoudelijk landbouwkundig aspect van de aanvraag wordt gesteld dat dit vaak buiten de appreciatiemogelijkheid van de stedenbouwkundige overheid is gelegen, en het advies van de Afdeling Land van Aminal dan ook richtinggevend dient te zijn, En terwijl, uit het bestreden besluit niet blijkt op welke wettelijke of reglementaire bepaling de bestendige deputatie zich baseert om te stellen dat de verwerking van eigen productie op het landbouwbedrijf kleinschalig dient te zijn, En terwijl, uit de rechtspraak van Uw Raad blijkt dat Uw Raad van oordeel is dat een activiteit die principieel als bestaanbaar met de agrarische bestemming van het betrokken gebied wordt beschouwd, niet alleen omwille van de schaal waarop deze activiteit plaatsvindt als onbestaanbaar met het gebied moet worden beschouwd (...); Zodat, het bestreden besluit door te stellen dat de kwalificatie van de betrokken inrichting als verkoopspunt van eigen landbouwproducten onmogelijk is enkel omwille van de schaal waarop dit gebeurt artikel 11 van het inrichtingbesluit schendt”.
  18. De verzoekster roept in een tweede middel de schending in van artikel 11 van het inrichtingsbesluit en van artikel 53, § 2 van “de bij decreet dd. 22 oktober 1996 gecoördineerde Stedenbouwwet” : “Doordat, in het bestreden besluit onder verwijzing naar rechtspraak van Uw Raad wordt gesteld dat de inrichting waarop het bestreden besluit slaat niet als para-agrarische inrichting zou kunnen worden bestempeld, nu uit deze rechtspraak naar voor zou komen dat vleesverwerkende bedrijven ontoelaatbaar zijn in agrarisch gebied, Terwijl, artikel 11 van het Inrichtingsbesluit dd. 28 december 1972 bepaalt dat de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin, waaronder para-agrarische bedrijven, En terwijl, conform de bepalingen van de Ministeriële Omzendbrief dd. 8 juli 1997 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen para-agrarische bedrijven bedrijven zijn die zich bezighouden met de onmiddellijke behandeling van landbouwproducten, onontbeerlijk vooraleer deze producten aan de commercialisatiesector worden toevertrouwd, En terwijl, in de betrokken inrichting de dieren die in het bedrijf van beroepster worden gekweekt na slachting, louter worden versneden alvorens naar de afnemers te worden gebracht, zodat het in casu gaat om een onmiddellijke behandeling van landbouwproducten, onontbeerlijk vooraleer deze aan de commercialisatiesector worden toevertrouwd, zodat deze behandeling zonder meer te beschouwen is als een para-agrarische activiteit; En terwijl, uit de rechtspraak van de Raad van State duidelijk blijkt dat het begrip para-agrarisch bedrijf breed moet worden geïnterpreteerd, nu Uw Raad reeds een inrichting voor de fabricatie en herstel van landbouwgereedschap (...), X-12.873-8/11 een aardappelverwerkend bedrijf(...) en een bedrijf voor de verwerking en conditionering van groenten (...), En terwijl, in het bestreden besluit de bestendige deputatie volstrekt ten onrechte verwijst naar de Arresten van de Raad van State waarin zou zijn gesteld dat inrichtingen die bestemd zijn voor vleesverwerkende activiteiten ontoelaatbaar zijn in agrarisch gebied, nu de betreffende inrichting geen ‘vleesverwerkend’ bedrijf is, maar een loutere versnijderij, waar de activiteiten beperkt zijn tot het louter versnijden van de karakassen, en zonder dat het vlees enige ‘verwerking’ ondergaat, En terwijl, de arresten die de bestendige deputatie in het bestreden besluit vermeldt en die specifiek handelen over vleesuitsnijderijen (...), helemaal niet met zoveel woorden vaststellen dat een vleesversnijderij niet bestaanbaar zou zijn met de argrarische bestemming van het gebied, doch in tegendeel louter vaststellen dat deze door de overheid beweerde onbestaanbaarheid door de verzoekende partijen niet wordt betwist, zodat de Raad van State in deze arresten over dit punt dan ook geen uitspraak doet, En terwijl, enkel uit het door de bestendige deputatie geciteerde arrest (...), dat bijna twintig jaar oud is kan worden afgeleid dat de Raad van State van oordeel is dat een uitsnijderij geen para-agrarisch bedrijf is, doch dit arrest niet kan opwegen tegen de evolutie van de rechtspraak ter zake, waarin in recentere en constante rechtspraak duidelijk wordt aanvaard dat een para-agrarisch bedrijf een ambachtelijk en zelfs industrieel karakter kan hebben, zolang de activiteiten maar onmiddellijk bij de landbouw aansluiten en erop gericht zijn, wat met betrekking tot de inrichting die het voorwerp is van het bestreden besluit onmogelijk kan ontkend worden, Zodat, het bestreden besluit, door te stellen dat de inrichting die het voorwerp is van het bestreden besluit niet kan beschouwd worden als een para-agrarsich bedrijf, en door ter motivering van deze stelling te verwijzen naar arresten van de Raad van State die betrekking hebben op vleesverwerkende bedrijven, of die niet oordelen dat een uitsnijderij geen para-agrarisch karakter heeft, een verkeerde toepassing maakt van artikel 11 van het inrichtingsbesluit, en zich hiervoor baseert op inpertinente of onjuiste motieven en daardoor de in het middel aangegeven bepalingen schendt”. Beoordeling
  19. Het kwestieuze perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 5 februari 1979 vastgestelde gewestplan Diksmuide - Torhout, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
  20. Artikel 11, 4.1, van het inrichtingsbesluit luidt als volgt : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter X-12.873-9/11 betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. Artikel 15,4.6.1, van hetzelfde besluit luidt als volgt : “De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in het gevaar brengen”. Uit de samenlezing van artikel 11, 4.
  21. en 15, 4.6.
  22. moet worden afgeleid dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst : 1) een planologisch, hetwelk onderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en 2) een esthetisch, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap.
  23. Uit het bestreden besluit blijkt dat het motief van het niet vervuld zijn van het planologisch criterium, te weten dat de gevraagde activiteit geen landbouwbedrijf of para-agrarisch bedrijf uitmaakt in de zin van artikel 11 van het inrichtingsbesluit, het decisief weigeringsmotief van het bestreden besluit uitmaakt.
  24. Noch het aangehaalde artikel 11, noch enige andere bepaling van het inrichtingsbesluit definieert het begrip “para-agrarische bedrijven”. Bij ontstentenis van nadere omschrijving ter zake moet de term “para-agrarisch bedrijf” dan ook in zijn spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen. Daaronder moet worden verstaan bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op is afgestemd.
  25. Na te hebben vastgesteld dat de kwestieuze “uitsnijderij” betrekking heeft op “een hoeve waar een 178-tal runderen gekweekt worden”, dat in “de toelevering van verschillende bedrijven” wordt voorzien, en dat “volgens de gegevens van beroepster (...) er zo’n 3000-tal dieren verwerkt (zouden) worden in de uitsnijderij”, wordt in het bestreden besluit overwogen dat de inrichting “een grootschalige versnijderij en groothandelsactiviteit (betreft) die niet meer kan X-12.873-10/11 gelinkt worden aan de hoeve waar ze gelokaliseerd is”, dat “de inrichting (...) namelijk volledig autonoom (kan) bestaan en (...) weinig of geen band (heeft) met de inrichting zelf” en dat “een dergelijke activiteit niet thuis (hoort) in landschappelijk waardevol agrarisch gebied”. Op grond van de omstandigheid dat de te versnijden dieren overwegend van op andere plaatsen worden aangeleverd, heeft de verwerende partij terecht kunnen besluiten dat het kwestieuze bedrijf niet onmiddellijk bij de landbouw aansluit of er is op afgestemd en derhalve geen para- agrarisch bedrijf uitmaakt. De omstandigheid dat de verzoekster eigenares is van de aangeleverde dieren, doet hieraan geen afbreuk. De kwestieuze versnijderij van in hoofdzaak aangeleverde dieren wordt door de verwerende partij voorts terecht niet als een landbouwbedrijf, gericht op de eigenlijke veeteelt, aangemerkt. Het bestreden besluit motiveert op afdoende wijze de strijdigheid van het gevraagde met artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit. De middelen zijn ongegrond. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het beroep.
  27. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.873-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.500 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.