id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.501 Rolnummer: A. 195472/XII-6107 Zaak: Arrest 201501 - Overheidsopdrachten - 04/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:24 Fiche Arrest nr 201.501 van 4 maart 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 201.501 van 4 maart 2010 in de zaak A.195.472/XII-6107 In zake:
(8)vereiste, niet rechtsgeldig kon oordelen dat de NV HYE aan de vereisten van het bestek inzake technische bekwaamheid en economische en financiële draagkracht beschikte en, vervolgens, de opdracht voor de ontpoldering en realisatie van de sigmadijk aan die bieder kon toewijzen”. Dit middel wordt over acht bladzijden nader toegelicht. Aldus stelt de verzoekende partij dat de opdracht voor de ontpoldering en realisatie van de Sigmadijk voor 62% uit werken van categorie G bestaat. De verzoekende partijen berekenen zulks uit de omschrijving van de deelcontracten waarvan er 3 van de 6 spreken van grondwerken en uit de opdeling die zij op grond van hun eigen meetstaat maken van de werken tussen categorie B, (algemene aannemingen van waterbouwkundige werken) en G (de reeds genoemde algemene aannemingen van grondwerken). Zij besluit dan dat, op grond van de artikelen 18 en 19 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, en artikel 5, § 7, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, en blijkbaar ook op grond van het bedrag waaraan finaal is toegewezen, de verwerende partij dan ook had moeten besluiten dat omwille van de werkelijke aard van de werken de inschrijvers over een erkenning in categorie G moesten beschikken die met klasse 7 overeenkwam, terwijl de uiteindelijk gekozen inschrijver nv Hye voor de categorie G evenwel slechts over een erkenning in klasse 5 beschikt. Beoordeling 8.
- Overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996 kan de financiële en economische draagkracht, respectievelijk de technische bekwaamheid van de aannemer worden aangetoond XII-6107-7\13 door één of meer van de daar vermelde referenties, “onverminderd de bepalingen betreffende de erkenning van aannemers van werken”. Overeenkomstig artikel 3, §1, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, mogen opdrachten voor aanneming van werken, waarvan de omvang het bedrag overschrijdt vastgesteld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, slechts worden gegund aan aannemers, zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke personen, die op het ogenblik van de gunning hetzij hiervoor erkend zijn, hetzij de bewijzen hebben geleverd dat zij voldoen aan de voorwaarden gesteld door of krachtens deze wet. Het wordt niet betwist dat de opdracht in kwestie dit in artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 26 september 1991 bepaalde bedrag van 75.000 euro (zonder btw) voor de in categorieën en 50.000 euro (zonder btw) voor de in ondercategorieën ingedeelde werken bereikt. 8.
- Werken worden overeenkomstig hun aard ingedeeld in de in artikel 4 van het voornoemde koninklijk besluit van 26 september 1991 bepaalde categorieën en ondercategorieën, die door de bevoegde minister nader kunnen worden bepaald. Bij het bepalen in welke categorie of ondercategorie de werken, die het voorwerp van de opdracht uitmaken, moeten worden ingedeeld moet ook rekening worden gehouden met artikel 5, § 7, van het voornoemde koninklijk besluit van 27 september
- Luidens dat artikel 5, § 7, eerste lid, is “de categorie of ondercategorie waarin een aanneming die werken omvat die in verscheidene categorieën en/of ondercategorieën gerangschikt zijn, moet worden gerangschikt, [...] die waartoe het gedeelte van de uit te voeren werken behoort waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigt”. In geval de aanneming werken van verschillende aard omvat waarvan de relatieve belangrijkheid ongeveer gelijk is, mag zij, luidens artikel 5, § 7, tweede lid, “gerangschikt worden in meerdere van de betreffende categorieën of ondercategorieën. De inschrijver dient evenwel slechts erkend te zijn in één van de voorgeschreven categorieën of ondercategorieën”. XII-6107-8\13 8.
- Te dezen worden de werken in de aankondiging van de opdracht en in het bestek gerangschikt in de categorie B en/of G en behorende voor beide categorieën tot de klasse
- Categorie B wordt in artikel 4 van het voornoemde koninklijk besluit van 26 september 1991 omschreven als “Algemene aannemingen van waterbouwkundige werken”; categorie G als “Algemene aannemingen van grondwerken”. In artikel 2 van het ministerieel besluit van 27 september 1991 tot nadere bepaling van de indeling van de werken volgens hun aard in categorieën en ondercategorieën met betrekking tot de erkenning van de aannemers, wordt categorie B “ Algemene aannemingen van waterbouwkundige werken” nader omschreven als: “De complexe opdrachten omvattende allerlei werken die dienen te worden uitgevoerd in zee, aan de waterwegen, onder water of achter een keerdam in rechtstreeks contact met het water, zoals : sluizen, sifons, rivierdammen, overlopen, havenwerken, de bouw van dijken en onderwatertunnels, verzinkingswerken, werken in duikersklokken, de bouw van kademuren, pieren, havenbekkens, droogdokken, overwelvingen van waterlopen, landhoofden en pijlers van bruggen, waarbij het water bij middel van keerdammen moet worden tegengehouden, droogleggingswerken, ontwateringswerken”. Hetzelfde artikel 2 geeft de volgende nadere omschrijving van categorie G “Algemene aannemingen van grondwerken”: “De complexe opdrachten, omvattend alle werken met het oog op de wijziging van het bodemreliëf, zoals uitgravings-, ophogings- en nivelleringswerken, het uitgraven van de bedding van een weg, van een spoorweg, van bekkens en sleuven, met inbegrip van de hydraulische grondwerken”. Aangezien de nv Hye, blijkens de door de verzoekende partijen zelf voorgelegde stukken, erkend is in categorie B, klasse 8, lijkt voldaan aan de erkenningsvereisten zoals gesteld in het bestek. Het feit dat zij in categorie G slechts erkend is in klasse 5 lijkt daarbij niet relevant aangezien geen erkenning in categorie B én G, klasse 8, werd vereist. 8.
- De omstandigheid dat de opdracht wordt gegund aan de gekozen inschrijver die aan de in het bestek gestelde erkenningsvereisten voldoet, belet niet dat die gunningsbeslissing voor onwettig kan worden gehouden indien uit het XII-6107-9\13 onderzoek van het voorwerp van de opdracht blijkt dat de inschrijver niet was erkend in de categorie of de ondercategorie waar het werk in werkelijkheid onder ressorteert. De verzoekende partijen voeren daartoe in essentie aan dat de werken dienen en dienden gerangschikt in categorie G alleen aangezien grond- werken meer dan 60 % van hun meetstaat vormen, en niet in categorie B en/of G. 8.
- Het nemen van een dergelijke beslissing over die rangschikking is in principe niet inpasbaar in een administratief kort geding, zeker in geval zoals te dezen bij uiterst dringende noodzakelijkheid gevoerd, mocht de Raad van State zich al bekwaam achten om zulks zonder deskundig advies te doen. Hierna volgt dan ook slechts een hoogst voorlopige beoordeling op grond van een aantal prima facie vaststellingen. Daarbij dient ook rekening gehouden met de beoordelingsbevoegdheid van de Raad van State, die niet in de plaats van het bestuur kan beslissen en dus enkel kan nagaan of het bestuur redelijkerwijze genoegen kon nemen met een erkenning categorie B, klasse 8, en dit in het licht en mede rekening houdende met de soms ruime omschrijvingen van erkenningscategorieën zoals te dezen waterbouwkundige werken en grondwerken. 8.
- De benaming die in de aankondiging en in het bijzonder bestek aan de opdracht wordt gegeven is “Zeeschelde RO Dijkwerken te Antwerpen. Ontpoldering en realisatie sigmadijk ter hoogte van Fort Lillo fase 1”. Artikel 1.3.1 van het bijzonder bestek omschrijft het doel van de opdracht als volgt: “Deze opdracht heeft tot doel : het ophogen en/of plaatselijk afgraven van een bestaande dijk en de daarbijhorende aanpassingswerken. Deze werken vinden plaats langs de Schelde, rechter oever in het kader van het Sigmaplan en ter bescherming tegen overstromingen van de landswaarts gerichte gebieden. Daarnaast wordt ook een maximalistische invulling aan slikken en schorregebieden nagestreefd [...]”. Luidens artikel 1.3.2 “Beschrijving van de werken” omvatten de werken “hoofdzakelijk de volgende elementen”: “- Het rooien van bomen en struikgewas over het ganse tracé van de werken; XII-6107-10\13 - Het opbreken en herbruiken van de bestaande breuksteenbestorting; - Het afgraven van de historisch aangevulde grond aan de Scheldezijde tot op slikken/schorreniveau (4.5m - 4.0m TAW); - Het aanleggen van nieuwe dijken volgens de beschrijving in dit bestek op Sigmahoogte (+ 11, 00m TAW) volgens het Sigmatypeprofiel; - Het aanleggen van een dienstweg met fietsfunctie op de dijk; - Het aanleggen van een wandelpad; - Het maken van af- en opritten tot de dijk voor dienstvoertuigen en fietsers; - Het uitvoeren van de voorziene bezaaiingen op de kruin en de taluds van de nieuwe dijk; - Het aanleggen van de nodige inbuizing en terugslagklep ter hoogte van de uitwateringsstructuur; - Het plaatsen van straatmeubilair; - Het bouwen van betonnen trappen; - Het uitvoeren van de eventuele bijkomende onvoorziene werken in opdracht van de leidend ambtenaar; - Het leveren van as-built-tekeningen; - Het uitvoeren van oeververstevigingen t.h.v. de Sigmadijk; - Het verzekeren van het onderhoud gedurende de waarborgperiode van 1 kalenderjaar”. In hun verzoekschrift hernemen de verzoekende partijen deze opsomming en stellen zij vervolgens op blz. 3 zelf dat “in werkelijkheid wordt achter een bestaande dijk een nieuwe dijk opgebouwd. Wanneer de nieuwe dijk klaar is, wordt de bestaande dijk weggenomen”. De verwerende partij stelt in de nota (blz. 10): “zoals verzoekende partij in haar verzoekschrift zelf ook opmerkt, wordt er in werkelijkheid een bestaande oever weggegraven (deelcontracten 1 tot 3) en een nieuwe dijk terug opgebouwd en afgewerkt (deelcontracten 4 tot 6)”. Het “bouwen van dijken” is in artikel 2 van het voornoemde ministerieel besluit van 27 september 1991 uitdrukkelijk vermeld als een voorbeeld van algemene aanneming van waterbouwkundige werken. In de huidige stand van het geding, en mede rekening houdend met de voormelde beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Raad van State die niet in de plaats van het bestuur mag beslissen, wordt, in het licht van wat de verzoekende partijen zelf omschrijven als wat er werkelijk gebeurt, om die reden alleen al niet met de vereiste prima facie ernst aangetoond dat het bestuur de opdracht enkel mocht kwalificeren in de categorie “grondwerken” en dus een erkenning in categorie G, klasse 8, diende te vereisen. Die vaststelling lijkt nog te worden ondersteund doordat het bijzonder bestek zoals gezien het doel van de opdracht in eerste instantie omschrijft XII-6107-11\13 als “het ophogen en/of plaatselijk afgraven van een bestaande dijk en de daarbijhorende aanpassingswerken” waarbij “daarnaast ook een maximalistische invulling aan slikken en schorregebied [wordt] nagestreefd” hetgeen de verzoekende partij niet lijkt tegen te spreken. Al evenmin lijkt ze opmerkingen te hebben bij artikel 1.10.10 van het bestek waar onder “werken langs een tijrivier” de volgende waarschuwing wordt gegeven, die manifest met waterinvloed te maken heeft: “De aannemer wordt verondersteld terdege vertrouwd te zijn met de waterhuishouding van de Schelde. Derhalve weet hij dat de uitvoering van de werken afhankelijk is van het getij, en dat er hoge en hoogwaterstanden en laagwaterstanden kunnen optreden welke de werkzaamheden kunnen beïnvloeden. De aannemer dient de nodige schikkingen te treffen om wateroverlast op het werk te vermijden. Ook zal hij vóór de start der werken een gedetailleerde planning voorleggen waaruit blijkt dat met deze tijwerking rekening is gehouden. Hij kan dus geen schadevergoeding, noch prijsaanpassingen bekomen of eisen bij eventuele schade aan uitvoering veroorzaakt door het getij of andere wateroverlast”.
- Uit het voorgaande volgt dat het enig middel niet ernstig is. Aldus is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
- Het verzoek van de nv Hye tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 350 euro, elk voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. XII-6107-12\13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 maart 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6107-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.501 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div