← België

Arrest 201564 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.564 Rolnummer: A. 174677/X-12931 Zaak: Arrest 201564 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 201.564 van 5 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.564 van 5 maart 2010 in de zaak A. 174.677/X-12.

  1. In zake: Anton HANSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christiaan Lesaffer kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Oudeleeuwenrui 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. de gemeente ZOERSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stany Wens kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Quinten Matsijslei 34 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes kantoor houdend te 2550 KONTICH Mechelsesteenweg 160 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Steven MARTENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Sebreghts kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 7 juli 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 24 januari 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel waarbij aan Steven Martens de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een werkhuis op een terrein gelegen aan de Bethaniënlei 133 te Zoersel, kadastraal bekend sectie I, nr. 120/t. X-12.931-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 november
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari
  7. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christiaan Lesaffer, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Anneleen Claes, die loco advocaat Johan Claes verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Hugo Sebreghts, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt, daartoe gemachtigd bij beslissing van 2 april 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten
  9. Op 26 november 2004 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij een aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen X-12.931-2/12 van de gemeente Zoersel voor een stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een werkhuis van 8 bij 21 m, met een kroonlijsthoogte van 4 m, een oppervlakte van 168 m² en een volume van 672 m³. Het werkhuis zou worden opgericht op een terrein van ca. 16.781 m² gelegen aan de Bethaniënlei 133 te Zoersel, kadastraal bekend sectie I, nrs. 120/s en 120/t. Nabij de Bethaniënlei en tegen de rechterperceelgrens van het terrein bevindt zich de woning van de tussenkomende partij. Voor het overige betreft het voornamelijk een diepe tuin, met daarin het hierna besproken werkhuis en een houten afgescheiden bijgebouw (door de tussenkomende partij bestempeld als paardenstal) van beperktere omvang dan dit werkhuis. Volgens het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout ligt het terrein deels in woongebied (het gedeelte dat grenst aan de Bethaniënlei) en deels in woonuitbreidingsgebied (het dieperliggende gedeelte). Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of binnen dat van een behoorlijk vergunde en nog niet vervallen verkaveling, maar het is wel omgeven door verscheidene verkavelingen. In het gebied van één van deze verkavelingen bevindt zich een perceel met de woning van verzoeker, gelegen aan het Stoppelveld 65 te Zoersel. De rechterkant van dit perceel ligt in het verlengde van de linkerkant van het voormelde perceel met tussenin een aardeweg van ongeveer 1 m breed.
  10. Gelet op het schriftelijke akkoord van de linkerbuur met de aanvraag, wordt geen openbaar onderzoek georganiseerd. Op 6 december 2004 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel een gunstig advies over de aanvraag.
  11. Op 17 januari 2005 geeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een gunstig advies over de aanvraag, luidend als volgt: “De aanvraag betreft het bouwen van een werkhuis. Het goed ligt in het gewestplan Turnhout (Koninklijk besluit van 30 september 1977). Het goed ligt, volgens dit van kracht zijn de gewestplan, in een woongebied i.f.v. de Bethaniënlei en in een dieperliggend woonuitbreidingsgebied. De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor over deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. X-12.931-3/12 Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving (artikel 5 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen). De woonuitbreidingsgebieden zijn uitsluitend bestemd voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor (artikel 5 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen). Het goed is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Het blijft de bevoegdheid van de overheid de aanvraag te toetsen aan de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde gewestplan. De aanvraag is principieel in overeenstemming met het geldende plan, zoals hoger omschreven. (...) Het voorgenomen werkhuis meet ongeveer 8m bij 21m en wordt ingeplant op de linkerperceelsgrens. Alle gevels worden afgewerkt met rood paramentmetselwerk. De kroonlijsthoogte van het werkhuis met plat dak bedraagt 4m. In de omgeving komen vooral vrijstaande ééngezinswoningen met bijgebouwen op een gelijkaardige diepte voor. Gelet op de omgeving en de schaal, materiaalgebruik, uitzicht en karakter van het ontwerp integreert het voorgenomen werkhuis zich op voldoende wijze binnen de onmiddellijke omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede plaatselijke ordening. (...)”.
  12. Op 24 januari 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, die gemotiveerd is als volgt: “Het goed ligt in het gewestplan Turnhout (Koninklijk besluit van 30 september 1977). Het goed ligt, volgens dit van kracht zijn de gewestplan. in een woongebied i.f.v. de Bethaniënlei en in een dieperliggend woonuitbreidingsgebied. (...) Het goed is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Het blijft de bevoegdheid van de overheid de aanvraag te toetsen aan de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde gewestplan. De aanvraag is principieel in overeenstemming met het geldende plan, zoals hoger omschreven. (...) X-12.931-4/12 Gelet op de omgeving en de schaal, materiaalgebruik, uitzicht en karakter van het ontwerp integreert het voorgenomen werkhuis zich op voldoende wijze binnen de onmiddellijke omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede plaatselijke ordening”. Dit is het bestreden besluit.
  13. Op 25 augustus 2005 dient de tussenkomende partij een aanvraag in tot toekenning van een milieuvergunning voor een hinderlijke inrichting klasse 2, omdat hij het vergunde werkhuis wenst te gebruiken als een schrijnwerkerij. Deze aanvraag leidde tot een schorsing van de stedenbouwkundige vergunning van 24 januari
  14. Naar aanleiding van de milieuvergunningsaanvraag werd een openbaar onderzoek gehouden, waarbij evenwel geen bezwaarschriften werden ingediend.
  15. Op 21 november 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel de gevraagde milieuvergunning. Dit besluit werd niet aangevochten voor de Raad van State.
  16. Op 1 februari 2010 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel een nieuwe stedenbouwkundige vergunning voor het betrokken werkhuis en trekt het de bestreden vergunning in. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Tijdigheid van het beroep Standpunt van de partijen
  17. De twee verwerende partijen, alsook de tussenkomende partij betwisten de tijdigheid van het ingestelde beroep tot nietigverklaring. Zij argumenteren dat het bestreden besluit dateert van 24 januari 2005, terwijl het verzoekschrift door de Raad van State werd ontvangen op 10 juli 2006, bijna 18 maanden later. Ook in de veronderstelling dat de bouwaanvraag niet werd bekendgemaakt, gelet op het akkoord van de linkerbuur, werd toch gedurende een ruime periode zowel de milieuvergunningsaanvraag als het bestreden besluit door X-12.931-5/12 aanplakking bekendgemaakt. De verzoeker had, gelet op de op hem rustende zorgvuldigheidsplicht, tijdig de nodige informatie moeten inwinnen.
  18. De verzoeker stelt dat hij eerst in mei 2006, bij de aanvang van de bouwwerken, kon vermoeden dat er een stedenbouwkundige vergunning was afgegeven. Het gemeentebestuur bevestigde hem op 10 mei 2006 het bestaan van vergunningen. De aanplakking in verband met het openbaar onderzoek over de milieuvergunningsaanvraag gebeurde aan de andere kant van het terrein van de tussenkomende partij, aan de Bethaniënlei, waar de bewoners van de achtergelegen wijk Stoppelveld niet courant voorbijkomen. Om die reden was de aanplakking iedereen ontgaan. Over de bouwaanvraag was er geen openbaar onderzoek. Niets wijst er bijgevolg op dat de verzoeker voor 10 mei 2006 op de hoogte was van het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning. Beoordeling
  19. De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking X-12.931-6/12 staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning, bijvoorbeeld van de mogelijkheid die hem door het tot 30 september 2005 geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen.
  20. De verwerende partijen en de tussenkomende partij betwisten niet dat de milieuvergunningsaanvraag werd aangeplakt aan de kant van het terrein van de tussenkomende partij dat uitgeeft op de Bethaniënlei. De verschillende ontsluiting van het terrein van de tussenkomende partij enerzijds (via de Bethaniënlei) en van de woonplaats van de verzoeker (via het Stoppelveld) anderzijds heeft evenwel tot gevolg dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de verzoeker kennis kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning door deze aanplakking. De verwerende partijen en de tussenkomende partij tonen ook niet aan dat de verzoeker op een andere wijze vóór 10 mei 2006 kennis had van de bestreden vergunning. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de termijn voor het instellen van een beroep voor 10 mei 2006 een aanvang heeft genomen. De exceptie is niet gegrond. B. Belang van de verzoeker Standpunt van de partijen
  21. De twee verwerende partijen, alsook de tussenkomende partij betwisten het belang van de verzoeker. Zij wijzen op de afstand van bijna zestig meter tussen het werkhuis en de woning van de verzoeker, op het feit dat zich X-12.931-7/12 daartussen nog een paardenstal van de verzoeker, een fietspad en een grote boom bevinden, waardoor geen rechtstreeks uitzicht mogelijk is. Het storend karakter van de vergunde constructie wordt op geen enkele wijze uiteengezet. Aangezien de milieuvergunning niet werd aangevochten, kan ook de beweerde overlast van de kleinschalige schrijnwerkerij niet worden aangevoerd. Het betreft hier geen industriële schrijnwerkerij, noch een houtzagerij.
  22. De verzoeker stelt in zijn repliek onder meer dat hij een directe buur is van de tussenkomende partij en dat hij wel degelijk uitzicht heeft op de vergunde constructie, zoals blijkt uit de door hem voorgelegde foto’s. Het feit dat hij de milieuvergunning niet heeft aangevochten, ontneemt hem nog niet het belang bij het beroep tegen de stedenbouwkundige vergunning. Beoordeling
  23. Het perceel van de verzoeker grenst aan dat van de tussenkomende partij en zijn woning bevindt zich in de onmiddellijke omgeving van de vergunde constructie. Alleen al om die reden heeft hij in principe voldoende belang bij de vernietiging van het bestreden besluit. In dit geval wordt het tegendeel niet aangetoond. V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  24. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout en van artikel 5, 1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. De verzoeker stelt dat de vergunde constructie werd opgericht op het achterliggende gedeelte van het terrein, dat gelegen is in woonuitbreidingsgebied. In het bestreden besluit wordt bevestigd dat het niet gelegen is binnen het gebied van een goedgekeurd plan van aanleg, noch binnen het gebied van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Dat betekent dat in principe enkel groepswoningbouw is toegestaan, zolang de overheid zich niet heeft uitgesproken over de concrete ordening van het gebied en geen stappen heeft genomen met het oog op de ontwikkeling van het gebied. De vergunde constructie, die bestemd is voor een houtzagerij, is bijgevolg zonder meer onbestaanbaar met de X-12.931-8/12 betrokken gewestplanbestemming, zoals overigens ook werd opgemerkt door de gemeente-administratie, die om die reden een ongunstig advies gaf over de bouwaanvraag.
  25. De eerste verwerende partij repliceert dat het woonuitbreidingsgebied bijna volledig werd gerealiseerd en dat aldus reeds over de ordening van het gebied beslist is. In het bestreden besluit wordt overigens gestipuleerd dat “het (...) de bevoegdheid van de overheid (blijft) de aanvraag te toetsen aan de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde gewestplan”. Het advies van de gemeente-administratie is een intern en niet bindend advies, dat niet eens werd ondertekend door de bevoegde ambtenaar.
  26. De tweede verwerende partij stelt dat het het achterste deel betreft van een perceel in woonuitbreidingsgebied dat in feite een rest is van een bestemmingsgebied “dat als het ware planologisch vergeten is en langs alle zijden geïsoleerd wordt door effectief gerealiseerd woongebied”. Als “uitbreiding” van het woongebied is dit restant perceel van 15 op 50 m in feite zinledig, aangezien er niet gedacht kan worden aan de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan om definitief over de bestemming uitspraak te doen. Het bestreden besluit hypothekeert niet de mogelijkheid van bebouwing in de richting van het Stoppelveld. De vergunning van het werkhuis is dan ook een evidente mogelijkheid.
  27. De argumentatie van de tussenkomende partij loopt gelijk met die van de tweede verwerende partij. Zij stelt bovendien nog dat er op het betrokken restant van het perceel geen ontwikkeling voor groepswoningbouw meer mogelijk is en dat bijgevolg het hele perceel moet worden beschouwd als woongebied. Door de omringende verkavelingen is het volledige woonuitbreidingsgebied gerealiseerd. Theoretisch zou het achterliggende gedeelte van haar terrein kunnen worden afgesplitst voor een woning gericht naar het Stoppelveld, aangezien achter het werkhuis nog 54 m overblijft. Er is vanuit stedenbouwkundig oogpunt ook geen andere mogelijkheid dan wat de vergunningverlenende overheid besliste.
  28. De verzoeker stelt dat er over de ordening van het betrokken perceelgedeelte nog geen beslissing is genomen en dat die door het bestreden besluit thans wordt genomen, maar dan wel in strijd met de geldende gewestplanbestemming. X-12.931-9/12 Beoordeling
  29. Het wordt niet betwist dat de door het bestreden besluit vergunde constructie minstens gedeeltelijk overeenkomstig het toepasselijke gewestplan gelegen is in een woonuitbreidingsgebied. Het toentertijd geldende artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt dat de gewestplannen bindende en verordenende kracht hebben en dat er alleen mag van worden afgeweken dan in de gevallen en in de vormen bij dit decreet bepaald, ook wanneer de overheid van oordeel zou zijn dat de desbetreffende bestemming achterhaald is. Artikel 5, 1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen luidt als volgt: “De woonuitbreidingsgebieden zijn uitsluitend bestemd voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor”. Onder “groepswoningbouw” in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gelijktijdig oprichten van meerdere gebouwen bestemd voor bewoning die één samenhangend geheel vormen. Een vergunning voor een werkhuis valt niet onder “groepswoningbouw”. Uit deze bepaling blijkt voorts dat woonuitbreidingsgebieden niet voor andere in woongebieden toegelaten bestemmingen dan “groepswoningbouw” kunnen worden aangewend zolang de bevoegde overheid niet over de ordening van het gebied heeft beslist, m.a.w. de ordening voor dat gebied of voor een onderdeel ervan niet is vastgesteld in een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan of in een globaal verkavelingsplan waarvoor een regelmatige vergunning is afgegeven.
  30. Er blijkt niet dat de bevoegde overheid over de ordening van het betrokken perceelgedeelte heeft beslist in de zin als bedoeld in de voormelde bepaling. Het feit dat recent nog aan de tussenkomende partij een vergunning werd afgeleverd voor de oprichting van een nieuwe woning ter vervanging van de bestaande woning, zoals de tussenkomende partij in haar laatste memorie nog aanvoert, doet daaraan geen afbreuk, nog afgezien van het feit dat die woning X-12.931-10/12 blijkens de vergunning volledig in woongebied is gelegen en niet in woonuitbreidingsgebied. Ook het feit dat het woonuitbreidingsgebied in zijn geheel beschouwd reeds bijna volledig is gerealiseerd door middel van verkavelingsvergunningen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat voor het betrokken terreingedeelte nog niet over de ordening is beslist. De argumentatie dat het kleine perceelgedeelte niet meer benut kan worden voor groepswoningbouw en dat ook na de bestreden vergunning nog bijkomende bebouwing mogelijk is op het achterste perceelgedeelte, in de richting van het Stoppelveld, doet niets af aan de vaststelling dat andere bebouwing dan groepswoningbouw enkel mogelijk is na een beslissing over de ordening van het betrokken perceelgedeelte. Het tweede middel is gegrond. BESLISSING
  31. De Raad van State vernietigt het besluit van 24 januari 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zoersel waarbij aan Steven Martens de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een werkhuis op een terrein gelegen aan de Bethaniënlei 133 te Zoersel, kadastraal bekend sectie I, nr. 120/t.
  32. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro, ieder voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-12.931-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.931-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.564 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.