← België

Arrest 201565 - Milieu bescherming - Reglementen - 05/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.565 Rolnummer: A. 184042/X-13335 Zaak: Arrest 201565 - Milieu bescherming - Reglementen - 05/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 201.565 van 5 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.565 van 5 maart 2010 in de zaak A. 184.042/X-13.

  1. In zake: Alex MAES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Vanden Berghe kantoor houdend te 8500 KORTRIJK President Kennedypark 4a bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN
  3. de gemeente ZWEVEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Truus Vandendurpel kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 18 juni 2007, strekt tot de nietigverklaring van : - het besluit van 18 december 2006 van de gemeenteraad van Zwevegem houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijke ruimtelijk uitvoeringsplan “Landelijk gebied Kreupel-Knokke”, bestaande uit een bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, en - het besluit van 22 februari 2007 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende de gedeeltelijke goedkeuring van het voornoemd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-13.335-1/8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober
  6. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Vanden Berghe, die verschijnt voor de verzoekende partij, adjunct-adviseur Pieter De Wulf, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Jan Merckx, die loco advocaat Truus Vandendurpel verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. De verzoeker is de eigenaar van twee percelen, gelegen langs de Bellegemstraat te Zwevegem, kadastraal bekend sectie C, nr. 698/d en sectie D, nr. 694/c. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november 1977, is het perceel 694/c grotendeels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen en voor een klein deel in woongebied. Volgens hetzelfde gewestplan is het perceel 698/d deels in woongebied gelegen, deels in agrarisch gebied.
  9. Op 17 juli 2006 beslist de gemeenteraad van de gemeente Zwevegem tot de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan “Landelijk gebied Kreupel-Knokke”. Enerzijds wordt voor het volledige ruimtelijk uitvoeringsplan een perimeter afgebakend. Anderzijds voorziet het ruimtelijk uitvoeringsplan in drie detailplannen, waaronder het detailplan X-13.335-2/8 “Lokaal woongebied”, dat het perceel 698/d van de verzoeker omvat. Het perceel 694/c van de verzoeker behoort niet tot het voornoemde detailplan, maar valt wel binnen de perimeter van het ontwerp. De toelichting bij het ontwerp bevat onder meer het volgende: “Perimeter-RUP met behoud gewestplanbestemming. De methodiek bestaat erin dat de bestemmingen van het gewestplan worden behouden. Deze bestemmingen worden aangevuld met specifieke voorschriften waardoor de zonevreemde constructies bepaalde ontwikkelingsperspectieven krijgen. Het is dus geen gebiedsdekkend plan waarbij de bestemmingen van het gewestplan worden gewijzigd of verfijnd. Dergelijk RUP wordt een perimeter-RUP genoemd. Door de landbouwfunctie als hoofdfunctie in het gebied te behouden, worden de afstandsregels voor land- en tuinbouwbedrijven niet strenger zodat de landbouwbedrijfsvoering niet aangetast wordt. Detailplannen. Uitzondering hierop vormen de gebieden waarvooreen specifiek detailplan wordt opgemaakt waarbij de bestemmingen wel worden gezoneerd; het gewestplan wordt hier niet behouden maar verfijnd en gewijzigd”. De verordenende stedenbouwkundige voorschriften bij het algemeen plan bepalen onder meer: “De bestemmingen en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften die voor het plangebied van dit ruimtelijk uitvoeringsplan zijn vastgesteld in het gewestplan of, in voorkomend geval, een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan op het ogenblik van de vaststelling van dit plan, blijven onverminderd van kracht, tenzij deze door een detailplan worden gewijzigd (...)”.
  10. Tijdens het openbaar onderzoek dat over het ontwerp van het ruimtelijk uitvoeringsplan word gehouden, formuleert de verzoeker een bezwaar tegen de beslissing om zijn perceel nr. 694/c niet in het detailplan “Lokaal woongebied” op te nemen. De verzoeker stemt in met de opname van zijn perceel nr. 698/d in datzelfde detailplan.
  11. Op 13 november 2006 beslist de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: GECORO) de bezwaren van de verzoeker met betrekking tot zijn perceel nr. 694/c niet bij te treden. Met betrekking tot het perceel nr. 698/d adviseert de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening, in antwoord op andere bezwaren: “(...) duidelijke randvoorwaarden op te nemen in de verordenende voorschriften en de bebouwing op dit perceel te beperken tot max. één

(1)woning in de noordelijke helft van het perceel, op te richten op min. 8m van de noordelijke en westelijke perceelsgrens (aan te planten als groenscherm) en met een max. gabariet van één bouwlaag met plat dak”. X-13.335-3/8
  1. Op 18 december 2006 stelt de gemeenteraad van Zwevegem het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Landelijk gebied Kreupel-Knokke”, bestaande uit een bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, definitief vast. Dit is de eerste bestreden beslissing. Uit deze beslissing blijkt dat de gemeenteraad zich, wat betreft het perceel nr. 694/c, aansluit bij het advies van de GECORO. Wat betreft het perceel nr. 698/d wijkt de gemeenteraad evenwel af van het advies van de GECORO en beslist zij het perceel op te nemen bij het achterliggende bouwvrije agrarisch gebied, waarbij de stedenbouwkundige voorschriften als volgt worden aangevuld: “8.2.2.
  2. In het bouwvrij agrarisch gebied gel(d)t een absoluut bouwverbod met uitzondering voor de schuilhokken voor dieren. Voor zover zij verenigbaar zijn met het absoluut bouwverbod mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd indien zij betrekking hebben op landbouw in de ruime zin”.
  3. Bij besluit van 22 februari 2007 keurt de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het voormeld gemeenteraadsbesluit van 18 december 2006 gedeeltelijk goed. Dit is het tweede bestreden besluit. IV.Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  4. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: het decreet integraal waterbeleid). De verzoeker stelt dat zijn woning gelegen is op de overgang van een hoger naar een lager gelegen gebied en vraagt zich af wat de gevolgen zullen zijn van bijkomende verharding in het plangebied voor waterafvloeiing naar zijn erf. Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bevat geen toetsing van de doelstellingen en beginselen van het algemeen waterbeleid, in strijd met de aangehaalde decretale bepaling.
  5. De eerste verwerende partij stelt dat het ontbreken van de watertoets te dezen irrelevant is, vermits noch de percelen van de verzoeker, noch de omgevende percelen in een risicozone voor overstroming zijn gelegen. De watertoets moet bovendien ook bij de er op volgende stedenbouwkundige aanvragen doorgevoerd worden. X-13.335-4/8
  6. De tweede verwerende partij betwist vooreerst het belang van de verzoeker bij dit middel. In de eerste plaats kan de verzoeker geen nadeel kan inroepen dat zijn oorzaak vindt in het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, aangezien dit plan een loutere consolidatie is van de gewestplanbestemming als woongebied. In de tweede plaats kan het middel de verzoeker evenmin een voordeel opleveren, aangezien de stedenbouwkundige beperkingen die het ruimtelijk uitvoeringsplan oplegt in geval van vernietiging zouden verdwijnen en het gewestplan zonder die stedenbouwkundige beperkingen zou gelden. Bovendien strijdt het belang van de verzoeker bij dit middel met zijn belang bij het annulatieberoep, omdat de verzoeker enerzijds het ruimtelijk uitvoeringsplan verwijt de mogelijkheid te bieden om stukken akker- en tuinbouwland te verkavelen, terwijl hij het plan anderzijds verwijt zijn eigen bouwmogelijkheden op dezelfde plaats te ontnemen. Ten gronde repliceert de tweede verwerende partij dat de verzoeker ten onrechte beweert dat zijn woning lager gelegen is, zodat geen sprake kan zijn van afvloeiing naar zijn woning. Het risico van afvloeiing van water naar het terrein van de verzoeker is onbestaande, vermits de woning van de verzoeker gelegen is op minstens 200 meter van de dichtstbijgelegen grond die voor bebouwing in aanmerking komt en er tussen de woning van de verzoeker en dit stuk grond reeds 15 andere woningen staan.
  7. De verzoeker dupliceert aangaande de opgeworpen exceptie dat hij wel degelijk belang heeft bij het middel, vermits het tot de vernietiging van de bestreden besluiten kan leiden. Zijn belang bij het middel en bij het annulatieberoep is niet tegenstrijdig, aangezien de vraag om zijn bouwmogelijkheden overeenkomstig het gewestplan te respecteren, hem niet het recht ontneemt om een goede watertoets te zien plaatsvinden. De feitelijke argumenten die aantonen dat een plan de watertoets doorstaat moeten in de vergunningsbeslissing zelf worden weergegeven en er kan enkel met die motieven rekening worden gehouden. Het bestreden plan noch de bestreden goedkeuringsbeslissing bevatten ter zake enige motivering. Met de argumenten die in de loop van de procedure worden aangevoerd kan derhalve geen rekening worden gehouden. Om dezelfde reden kan de plannende overheid niet afzien van de watertoets omdat er bij het afleveren van vergunningen nog een watertoets moet worden uitgevoerd. De straat en de aanpalende bebouwing vormen het hoogste punt van de woonzone “Kreupel” en zijn woning bevindt zich lager, waaruit blijkt dat het belang van een watertoets niet kan worden betwist. X-13.335-5/8 Beoordeling
  8. De verzoeker ontleent zijn belang enerzijds aan de wijziging van de bestemming van een deel van zijn eigendommen van woongebied naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied (perceel nr. 694/c) en naar bouwvrij agrarisch gebied (perceel nr. 698/d), en anderzijds aan het risico van waterafvloeiing naar zijn erf. In tegenstelling tot wat de tweede verwerende partij voorhoudt, zijn deze twee aspecten van het belang van de verzoeker niet intern tegenstrijdig. Voorts kan de vernietiging van het bestreden besluit de verzoeker wel degelijk een voordeel opleveren, nu de heroverweging van het bestreden plan door de bevoegde overheid kan leiden tot een beperking of het verdwijnen van het risico van waterafvloeiing. De exceptie is niet gegrond.
  9. Artikel 8, § 1, eerste lid van het decreet integraal waterbeleid bepaalt onder meer dat de overheid die, zoals te dezen, over een plan moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van het plan of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in bepaalde gevallen, gecompenseerd. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat de watertoets niet verder gaat dan het onderzoeken of een voorgenomen plan “schadelijke effecten”, in de zin van artikel 3, § 1, 17° van het decreet integraal waterbeleid doet ontstaan. De watertoets strekt met andere woorden tot het onderzoeken van het causaal verband tussen het aan te nemen of goed te keuren ruimtelijk uitvoeringsplan en de schadelijke effecten in de zin van het voornoemde artikel 3, § 1, 17°. Artikel 8, § 2, tweede lid van het decreet bepaalt dat de beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. Uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een plan wordt aangenomen of goedgekeurd, een formele motivering moet bevatten waaruit blijkt dat de in artikel 8, § 1 van het decreet bedoelde watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit de ordening die met het plan wordt beoogd geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 3, § 2, 17° van het decreet, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. Uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van het decreet integraal waterbeleid (Parl. St., Vl. Parl., 2002-03, nr. 1730-1, p. 23) blijkt nog dat X-13.335-6/8 de watertoets moet worden opgevat als een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van, onder meer, plannen op het watersysteem, zodat deze toets als een belangrijk preventief instrument fungeert.
  10. Noch het besluit houdende de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, noch het goedkeuringsbesluit bevat een motivering inzake de watertoets. Evenmin blijkt uit enig ander stuk van het administratief dossier dat een afdoende watertoets werd doorgevoerd. Bijgevolg is niet voldaan aan de bepalingen van artikel 8, § 1 en 2 van het decreet integraal waterbeleid. De gegevens dat de woning van de verzoeker niet lager gelegen is dan de aangeklaagde bouw- en verkavelingsmogelijkheden, dat de overlast van de afvloeiing van water onbestaande is vermits het dichtst bijgelegen akkerland dat voor bebouwing in aanmerking komt op minstens 200 meter van de woning van de verzoeker gelegen is en er zich tussen dit stuk grond en die woning reeds 15 andere woningen bevinden, en dat, tot slot, noch de percelen van de verzoeker, noch de omgevende percelen, in een risicozone voor overstroming zijn gelegen, doen hieraan geen afbreuk. Deze motieven dienden immers, overeenkomstig artikel 8, § 2 van het decreet integraal waterbeleid, uit het bestreden besluit zelf te kunnen worden afgeleid, vermits enkel met de in dat besluit formeel uitgedrukte motieven rekening mag worden gehouden. De watertoets kan om dezelfde redenen evenmin worden afgeschoven naar de nadien te verlenen stedenbouwkundige vergunningen. Het middel is gegrond. BESLISSING
  11. De Raad van State vernietigt : - het besluit van 18 december 2006 van de gemeenteraad van Zwevegem houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijke ruimtelijk uitvoeringsplan “Landelijk gebied Kreupel-Knokke”, bestaande uit een bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, en - het besluit van 22 februari 2007 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende de gedeeltelijke goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Landelijk gebied Kreupel- Knokke”. X-13.335-7/8
  12. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het tweede vernietigde besluit.
  13. De tweede verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.335-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.565 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.