id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.566 Rolnummer: A. 181513/X-13202 Zaak: Arrest 201566 - Plannen van aanleg - 05/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-17 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 201.566 van 5 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.566 van 5 maart 2010 in de zaak A. 181.513/X-13.
- In zake:
- Carl VAN MARCKE
- Alexis d’OULTREMONT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Honoré kantoor houdend te 8500 KORTRIJK President Kennedypark 4 a bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de gemeente KRUISHOUTEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Roelandts en Eva De Witte kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 maart 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 8 december 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg nr. 10 “Sint-Elooiskeer” van de gemeente Kruishoutem, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 175.441 van 8 oktober 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-13.202-1/14 De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009, datum waarop de zaak in voortzetting wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 4 december
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie Rodts, die loco advocaat Rik Honoré verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Eva De Witte, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Wim Lammens, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het gebied dat betrekking heeft op het bestreden besluit ligt ten oosten van de dorpskern van de gemeente Kruishoutem. De gronden zijn volgens het op 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde gelegen in een X-13.202-2/14 landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en wat het meest noordelijk gelegen deel betreft in een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, waarin de huidige gemeentelijke begraafplaats is gelegen. 3.
- Op 19 april 2004 neemt de gemeenteraad van Kruishoutem in het kader van het lopende gemeentelijke structuurplanningsproces het principebesluit om voor het voormelde gebied een bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) “Sint-Elooiskeer” op te maken. Daarbij ligt de bedoeling voor om het daar gelegen gemeentelijk containerpark uit te breiden teneinde een meer doorgedreven selectieve inzameling van afval te kunnen organiseren, en om de gemeentelijke technische diensten te herlocaliseren. 3.
- Op 14 februari 2005 wordt het ontwerp van bijzonder plan van aanleg “Sint-Elooiskeer” door de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem voorlopig aanvaard. Het voorgestelde BPA bestaat uit vier zones: een zone voor begraafplaats, een zone voor openbaar nut, een zone voor groenbuffer en een zone voor wegenis. De “zone voor begraafplaats” omvat de huidige begraafplaats en een uitbreiding die gedeeltelijk in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gerealiseerd wordt. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat loopt van 7 maart 2005 tot 6 april 2005, dienen onder meer de verzoekers een bezwaarschrift in. 3.
- Op 9 mei 2005 gaat de gemeenteraad van Kruishoutem over tot de definitieve aanvaarding van het BPA “Sint-Elooiskeer”. De stedenbouwkundige voorschriften bij het BPA vermelden onder meer het volgende: “2 Zone 2: zone voor openbaar nut 2.1 Bestemmingsomschrijving De zone voor openbaar nut is bestemd voor diensten in functie van het openbaar nut zoals onder meer een containerpark en een gemeentelijke technische dienst. Gebouwen mogen worden opgericht voor zover ze verband houden met de functie van openbaar nut. Ook verplaatsbare containers en andere accommodatie zijn hierbij toegestaan. 2.2 Bebouwingsvoorschriften 2.2.1 Terreinbezetting De gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen bedraagt maximum 20% van de oppervlakte van deze zone. 2.2.2 Bouwhoogte en inplanting X-13.202-3/14 Het volume van de gebouwen kan ten opzichte van de zonegrens op een bouwvrije afstand van 4,00m binnen een hoek van 45/ toenemen tot een maximale hoogte van 8,00m. Deze richtlijn geldt evenwel niet voor bijzondere constructies, zoals een silo-toren, voor zover ze beperkt blijven in oppervlakte en mits ze ingeplant worden op minimum dezelfde afstand van de zonegrens als hun hoogte. 2.2.3 Contextuele inpassing Het bouwvolume, de dakvorm en de aard en de kleur van de materialen moeten een optimale integratie van de gebouwen in de omgeving garanderen. 2.3 Inrichtingsvoorschriften 2.3.1 Verhardingen Verhardingen bestemd voor onder andere ontsluiting, parking en opslagplaatsen zijn toegestaan voor zover de afwatering van het hemelwater gebeurt naar de niet verharde delen, of naar een eigen opvang, of dat er gebruik gemaakt wordt van waterdoorlatende materialen. Alle afvalwater en water afkomstig van de parkeerplaatsen voor vrachtwagens, worden volgens de geldende milieuwetgeving afgevoerd naar de openbare riolering. 2.3.2 Afsluitingen Rondom de zone kan een draadafsluiting, al dan niet in combinatie met levend groen, levende hagen, struwelen, hoog- of laagstammig streekeigen en standplaatsgebonden groen, met een maximum hoogte van 2,50m worden aangelegd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met aspecten zoals esthetisch voorkomen en afscherming ten opzichte van de omgeving. 2.3.3 Inrichtingsplan Bij de eerste bouwaanvraag binnen deze zone moet een globaal inrichtingsplan worden gevoegd van het terrein waarop, hetzij als bestaande toestand, hetzij als ontworpen toestand, minstens de volgende gegevens dienen aangeduid te worden: • de toegangen naar de openbare weg; • de interne circulatie van personenwagens en vrachtwagens; • de plaatsing van de gebouwen en containers; • de lay-out van de gebouwen in relatie tot het functioneren van de site; • het materiaalgebruik van de gebouwen en afsluitingen; • de voorzieningen voor brandbestrijding; • de voorzieningen voor milieusanering en -hygiëne; • de voorzieningen voor afwatering; • de verharde en niet -verharde ruimten; • een gedetailleerd beplantingsplan. Indien bij een volgende bouwaanvraag wordt afgeweken van het eerste globaal inrichtingsplan, dan dient een nieuw globaal inrichtingsplan te worden toegevoegd aan de desbetreffende bouwaanvraag. 2.3.4 Diversen • Bij de inrichting van bouwvrije stroken dient rekening te worden gehouden met de toegankelijkheid voor hulpdiensten. X-13.202-4/14 • Het stapelen en opslaan van goederen in open lucht is toegestaan voor zover dit uit het zicht van de openbare wegen wordt onttrokken. Het stapelen van goederen is beperkt tot maximum 4,00m hoogte. • Het plaatsen van industriële breekinstallaties is verboden. • Reliëfwijzigingen kunnen worden toegestaan indien dit nodig is voor het functioneren van de activiteiten. • Verlichting van het terrein is toegestaan voor zover lichtpollutie wordt voorkomen. • Er dient voor het containerpark een gescheiden op- en afrit te worden voorzien. • Het containerpark dient aansluitend op het bestaande gedeelte te worden uitgebreid”. 3.
- Op 14 juli 2005 geeft de deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen een gunstig advies. 3.
- Op 8 december 2006 keurt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het BPA goed. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “Overwegende dat de gemeente met dit plan de nodige ruimte wenst te voorzien voor het uitbreiden van het bestaand gemeentelijk containerpark en van de begraafplaats en voor de locatie van de gemeentelijke technische dienst; Overwegende dat het plangebied zich volgens het gewestplan bevindt in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut; Overwegende dat het huidig gemeentelijk containerpark te klein is om te voldoen aan de normeringen inzake afvalverzameling; dat de gemeente het containerpark wenst uit te breiden tot een oppervlakte van 5.000 m²; dat bij de locatie-afweging voor het containerpark aansluitend bij de kern Kruishoutem - die in het provinciaal ruimtelijk structuurplan Oost-Vlaanderen werd geselecteerd als hoofddorp - naast de weerhouden locatie enkel de bestaande locatie van de gemeentelijke technische dienst in beeld kwam; dat een uitbreiding van het huidig containerpark de bestaande sport- en recreatievoorzieningen in het gedrang zou brengen; Overwegende dat de gemeentelijke technische dienst momenteel verspreid is over drie verschillende locaties; dat de werking niet enkel door deze ruimtelijke spreiding wordt bemoeilijkt, maar ook door een gebrek aan ruimte voor loods en opslag; dat voorliggend plan van aanleg voorziet in voldoende ruimte om alle activiteiten te bundelen en te voorzien in loodsen en opslag in open lucht; dat de toekomstige ontwikkelingsperspectieven voor de bestaande loodsen in de toelichtingsnota worden omschreven en dienen meegenomen te worden in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplanningsproces; Overwegende dat een uitbreiding van de bestaande begraafplaats wordt ingegeven vanuit de toenemende vraag naar alternatieve begraafmogelijkheden en de nood aan bijkomende ruimte voor grafzerken; Overwegende dat voorliggend plan van aanleg voorziet in een dubbele ontsluiting van het containerpark, aangezien naast de ontsluiting vanuit Sint Elooiskeer wordt voorzien in een doortrekking van de Pastorijstraat naar Sint Elooiskeer; X-13.202-5/14 Overwegende dat een landschappelijke inpassing en voldoende afscherming van de aanliggende woningen wordt nagestreefd door de aanleg van een groenbuffer; Overwegende dat het plan vergezeld is van een onteigeningsplan; dat de gemeente onteigeningsmachtiging bij hoogdringendheid vraagt voor vijf percelen met als motivering dat de problematiek van het containerpark en de begraafplaats dringend dienen opgelost te worden teneinde in aanmerking te komen voor subsidiëring voor het containerpark en in orde te zijn met het geldend decreet op begraafplaatsen en lijkbezorging; Overwegende dat met dit bijzonder plan van aanleg een gedeelte van het bijzonder plan van aanleg ‘Markt en omgeving’, goedgekeurd op 17 oktober 2001, wordt gewijzigd. Overwegende dat de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschriften op een behoorlijke wijze door de GECORO werden weerlegd of aanvaard; dat in navolging van enkele bezwaarschriften de GECORO de aandacht vestigt op de volgende punten: er dient maximaal rekening gehouden te worden met de watertoets en de verkeershinder ten gevolge van deze activiteiten dient maximaal beperkt te worden; Overwegende dat in verband met de watertoets de gemeenteraad bij de definitieve aanvaarding van het plan een bijkomende toevoeging voor de toelichtingsnota heeft goedgekeurd; Overwegende dat de gemeenteraad omtrent de verkeersontsluiting stelt dat er inderdaad een lichte stijging van het verkeer tijdens de werkdagen zal zijn, maar dat de bestaande wegenis en de nieuwe ontsluiting tussen Pastorijstraat en Sint Elooiskeer voldoende zullen uitgerust zijn; Overwegende dat de waterbeheerplannen die basis vormen voor de watertoets zoals bedoeld in het decreet betreffende het algemeen waterbeleid nog niet beschikbaar zijn, dat de adviesgevende instantie nog niet is aangeduid; Overwegende dat het plangebied op de overstromingskaarten niet is gesitueerd in een risicozone; dat het plan hoofdzakelijk voorziet in de aanleg van openlucht voorzieningen en dat in de stedenbouwkundige voorschriften voldoende randvoorwaarden met betrekking tot een degelijke waterhuishouding zijn opgenomen; dat bijgevolg in alle redelijkheid geoordeeld kan worden dat eventuele schadelijke effecten beperkt zullen blijven”. IV. Ontvankelijkheid van de vordering A. De aangevoerde exceptie
- De eerste verwerende partij werpt de volgende exceptie op: “Het is vaste rechtspraak van uw Raad dat er voor het aanwezig zijn in hoofde van de verzoekende partij van het rechtens vereiste belang twee voorwaarden dienen vervuld te zijn. Enerzijds dient de verzoekende partij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijden. Anderzijds moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van de beslissing aan de verzoekende partij een direct en persoonlijk voordeel verschaffen (...). (...) In elk geval kan de verwerende partij nergens in het verzoekschrift duidelijk ontwaren welke (beweerde funeste) impact de werken hebben op de leefsituatie van de verzoekende partijen. • In eerste instantie kan de verwerende partij (...) zich niet van de indruk ontdoen dat de (wettigheids)kritiek van de verzoekende partijen zich niet X-13.202-6/14 richt op de uitbreiding van het bestaande containerpark en begraafplaats (en de aanleg van een technische dienst), maar duidelijk slaat op de inplanting en het functioneren zelf van die inrichtingen. Feit is evenwel dat zowel de begraafplaats als het containerpark reeds geruime tijd zijn gevestigd op de betrokken locatie. Enkel de ruimte tussen deze beide gemeenschapsvoorzieningen zal bijkomend worden ingenomen, dit voor de optimalisatie van het bestaande containerpark (er wordt met andere woorden geen uitbreiding van de capaciteit beoogt) en de vestiging van de technische dienst van de gemeente. • Ook de verwijzing naar de rechtspraak van uw Raad waarin wordt aangegeven dat elk aanpalend bouwwerk de naaste buur aanbelangt, kan in casu niet het belang van de verzoekende partijen aantonen. Feit is immers dat de verzoekende partijen geenszins als naaste buren van het plangebied kunnen worden aangemerkt. Nu verzoekende partijen dit zelf nalaten, zijn wij zo vrij uw Raad een kleine situatieschets te geven met aanduiding van de exacte ligging van de woningen van verzoekende partijen. (...) Hieruit blijkt dat beide verzoekende partijen op een ruime afstand van het betrokken plangebied wonen. De 1ste verzoekende partij woont op ruim 200 m van de bestaande begraafplaats en op 500 m van het bestaande containerpark. De afstand van de woning van de 2de verzoekende partij ten opzichte van de begraafplaats bedraagt ruim 350 m, terwijl de afstand tot het bestaande containerpark zelf eveneens ruim 500 m bedraagt. Dat de verzoekende partijen op ruime afstand wonen van het containerpark zelf eveneens ruim 500 m bedraagt. Dat de verzoekende partijen op ruime afstand wonen van het plangebied wordt ook in het schorsingsarrest van uw Raad onderschreven. Gelet op de ruime afstanden ten opzichte van het plangebied, staat vast dat de verzoekende partijen geen blijk geven van het rechtens vereiste belang. • Ten overvloede dient nog opgemerkt dat het bestreden besluit geen aantasting van de woonkwaliteit zal meebrengen voor de verzoekende partijen Vermeende zichthinder : Nu zowel de begraafplaats als het containerpark reeds geruime tijd op de betrokken locatie aanwezig is en gelet op het feit dat een voldoende ruime groenbuffer zal worden aangelegd omheen het containerpark, kan bezwaarlijk worden gesteld dat de verzoekende partijen enige zichthinder ondervinden. Temeer gelet op de ruime afstand van het plangebied tot hun eigendommen (...). Dit standpunt wordt ook in het arrest van uw Raad omtrent de schorsing van de bestreden beslissing ingenomen ‘Overwegende dat de eerste verzoeker geen zichthinder aanvoert en dat voor de tweede verzoeker de zichthinder uiterst beperkt is, gelet op de voornoemde vaststellingen en gelet op het niet betwiste gegeven dat de gemeentelijke begraafplaats is gelegen in een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen en planologisch bijgevolg een zone-eigen karakter heeft’ Vermeende verkeershinder : Ook deze hinder wordt in het arrest van uw Raad omtrent de schorsing niet weerhouden. De verwerende partij wenst nog op te merken dat het BPA net een oplossing wenst te bieden voor het huidige verkeersprobleem, dit door het aanleggen van een interne weg en door het uitbreiden van het containerpark om meer wagens tegelijk op het park toe te laten. Vermeende geluids- stof en geurhinder : Ook wat deze hinder betreft, dient vast gesteld dat deze voortvloeit uit de exploitatie van het containerpark en de nieuw op te richten loods zelf. Op geen enkele wijze tonen de verzoekende partijen aan dat er ten gevolge van het bestreden besluit enige bijkomende X-13.202-7/14 hinder zou zijn. Ook dit wordt onderschreven door het arrest van uw Raad omtrent de schorsing. Gelet op de bovenstaande vaststellingen dient te worden besloten dat de verzoekende partijen geen blijk geven van het rechtens vereiste belang”. B. Beoordeling
- In hun memorie van wederantwoord verduidelijken de verzoekers aan de hand van een kadasterplan en een luchtfoto dat er tussen hun woonpercelen en het plangebied weiland ligt en geen gebouwen die de “negatieve effecten die de uitvoering van het BPA op de leefwereld van de verzoekende partijen” veroorzaakt zouden kunnen “bufferen”. De tussenkomende partij toont het tegendeel niet aan. Het vereiste belang kan ook niet gelijkgesteld worden met de schorsingsvereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De verwijzing naar de verwerping van de vordering tot schorsing op grond van het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is dan ook niet dienend.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekers voeren in hun eerste middel een schending aan van artikel 14, 1 lid, 2e en 4e van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, e gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het rechtszekerheids- beginsel.
- In het verzoekschrift wordt het middel als volgt uiteengezet: “
- Artikel 14, le lid, 2/ en 4/ van het Stedenbouwdecreet luidt als volgt: Het bijzonder plan van aanleg geeft voor het deel van het gemeentelijk grondgebied aan: 1/ de bestaande toestand; 2/ de gedetailleerde bestemming van de in sub 2/ van artikel 13 bedoelde gebiedsdelen; 3/ het tracé van alle in het bestaande verkeersnet te brengen wijzigingen; 4/ de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen. (...) X-13.202-8/14 Een bijzonder plan van aanleg dient aldus op gedetailleerde en op concrete wijze de bestemming en de inrichting van de verschillende zones van het plangebied te bepalen.
- Uw Raad heeft deze regel meermaals bevestigd: ***Artikel 14 van het Stedenbouwdecreet vereist dat in het bijzonder plan van aanleg zelf, vooraf en op concrete wijze, de inrichting van de te voorziene zones wordt vastgelegd, na kennisname van de resultaten van het openbaar onderzoek. ***Uit artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, volgt dat een bijzonder plan van aanleg ertoe strekt voor het ganse beheersingsgebied ervan een gedetailleerde bestemming vast te leggen, met inbegrip van de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, de binnenplaatsen en tuinen.
- In casu blijkt dat de verschillende zones van het BPA geen gedetailleerde bestemming hebben gekregen en er daarenboven geen concrete inrichtingsmodaliteiten zijn vastgelegd. Het blijft voor verzoekers een raadsel welke gebouwen in de verschillende zones kunnen verwezenlijkt worden en waar deze zullen opgericht worden. a. Uit de stedenbouwkundige voorschriften van de zone voor begraafplaats kan men op geen enkele wijze de concrete inrichting van de begraafplaats afleiden (...). De voorschriften luiden als volgt: 1.1 Bestemmingsomschrijving De zone voor begraafplaats heeft betrekking op een reeds bestaande en nog in te richten begraafplaats. Het betreft een zone voor een begraafplaats waar alle werken, noodzakelijk voor het functioneren van de begraafplaats, zijn toegelaten. Ook het oprichten van eventuele nutsgebouwen ter ondersteuning van de begraafplaats en constructies eigen aan begraafrituelen (bv. urnenmuur) zijn hierbij toegestaan. 1.2 Bebouwingsvoorschriften 1.2.1 Terreinbezetting De gezamenlijke oppervlakte van de nutsgebouwen en de constructies bedraagt maximum 150 m². 1.2.2 Bouwhoogte De maximale hoogte van het bouwvolume is beperkt tot 6,00 m met een maximale kroonlijsthoogte van 4,00 m. Deze richtlijn geldt evenwel niet voor bijzondere constructies, zoals een schouw, voor zover ze beperkt blijven in oppervlakte en mits ze ingeplant worden op minimum dezelfde afstand van de zonegrens als hun hoogte. 1.2.3 Inplanting De nutsgebouwen of constructies worden op minimum 3,00 m afstand van de zonegrenzen geplaatst. 1.2.4 Contextuele inpassing Het bouwvolume, de dakvorm en de aard en de kleur van de materialen moeten een optimale integratie van de gebouwen of constructies in de omgeving garanderen. 1.3 Inrichtingsvoorschriften 1.3.1 Verhardingen Maximum 20% van deze zone mag verhard worden in functie van ontsluiting, parking en wandelpaden voor zover de afwatering van het hemelwater gebeurt naar de niet verharde delen, of naar een eigen opvang, of dat er gebruik gemaakt wordt van waterdoorlatende materialen. Voor de wandelpaden is het gebruik van waterdoorlatende materialen verplicht. 1.3.2 Afsluitingen X-13.202-9/14 Rondom de zone kan een draadafsluiting al dan niet in combinatie met levend groen, levende hagen, struwelen, hoog- of laagstammig streekeigen en standplaatsgebonden groen met een maximum hoogte van 2,50 m worden aangelegd. Hierbij dien rekening te worden gehouden met aspecten zoals esthetisch voorkomen en afscherming ten opzichte van de omgeving. 1.3.3 Groenvoorzieningen De niet-bebouwde oppervlakte wordt hoofdzakelijk ingericht met streekeigen en standplaatsgebonden groenvoorzieningen, die verspreid over de zone worden aangelegd en worden gekaderd binnen een totaalconcept waarin een beeld wordt gecreëerd van de toekomstig wenselijke ontwikkelingen inzake groenaanleg en vormgeving van de begraafplaats. Hierbij staat de integratie in het landschap steeds voorop. 1.3.4 Diversen - De minimale afstand tussen een graf en de zonegrens van de begraafplaats bedraagt 1,00 m. Wat blijkt, alle opties aangaande plaatsing, grootte en welstand van de gebouwen worden open gehouden, dit in tegenstelling tot wat overeenkomstig artikel 14 vereist is voor BPA’s. Aangaande de inplanting van de nutsgebouwen of constructies wordt louter aangegeven dat zij op een minimum afstand van 3,00 m van de zonegrenzen dienen geplaatst. Verzoekers menen nochtans dat overeenkomstig artikel 14 de plaats van de urnenmuur, nutsgebouwen, strooiweide etc reeds diende aangeduid te worden op het plan. Welke soorten gebouwen toegelaten zijn wordt niet gespecifieerd: het wordt een plaats voor graven maar ook voor eventuele nutsgebouwen of bijzondere constructies. Bijzondere constructies worden niet gedefinieerd. Verder wordt wat betreft het uitzicht van de gebouwen louter richtinggevend gesteld dat de maximale hoogte van het bouwvolume beperkt is tot 6,00 m met een maximale kroonlijsthoogte van 4,00m. Onmiddellijk erna wordt echter al een uitzondering gemaakt voor bijzondere constructies zonder deze limitiatief op te sommen zodat vaststaat dat iedere grotere constructie als een bijzondere constructie kan beschouwd worden. Besluit. Gezien nergens concreet en gedetailleerd wordt aangegeven welke gebouwen mogen opgericht worden en op welke plaats ze dienen gebouwd te worden is niet voldaan aan de vereist van artikel 14, le lid, 2/ en 4/ van de Stedenbouwwet b. Ook voor wat betreft de zone voor openbaar nut is niet voldaan aan de vereisten van artikel 14, le lid van het Stedenbouwdecreet (...). Vooreerst is de bestemming ‘openbaar nut’ zeer ruim en kan allerlei bestemmingen omvatten. Om tegemoet te komen aan de vereisten van artikel 14, le lid, 2/ van het Stedenbouwdecreet diende het BPA minstens een onderscheid te maken in een zone voor containerpark en een zone voor gemeentelijke diensten. Verder is ook niet voldaan aan artikel 14, le lid, 4/ van het Stedenbouwdecreet daar voorzien is in de opmaak van een inrichtingsplan. Letterlijk wordt het volgende voorgeschreven: Bij de eerste bouwaanvraag binnen deze zone moet een globaal inrichtingsplan worden gevoegd van het terrein waarop, hetzij als bestaande toestand, hetzij als ontworpen toestand, minstens de volgende gegevens dienen aangeduid te worden: • De toegangen naar de openbare weg; • De interne circulatie van personenwagens en vrachtwagens; • De plaatsing van de gebouwen en containers; • De lay-out van de gebouwen in relatie tot het functioneren van de site; • Het materiaalgebruik van de gebouwen en afsluitingen; X-13.202-10/14 • De voorzieningen voor brandbestrijding; • De voorzieningen voor milieusanering en —hygiëne; • De voorzieningen voor afwatering; • De verharde en niet-verharde ruimten; • Een gedetailleerd beplantingsplan. Indien bij een volgende bouwaanvraag wordt afgeweken van het eerste globaal inrichtingsplan, dan dient een nieuw globaal inrichtingsplan te worden toegevoegd aan de desbetreffende bouwaanvraag. Dergelijk inrichtingsplan is, zoals meermaals bevestigd door Uw rechtspraak, onverenigbaar met de bedoeling van de decreetgever om in het BPA zelf rechtszekerheid te verschaffen over de gedetailleerde rechtstoestand van de gronden die in het beheersingsgebied van het BPA gelegen zijn. Een gedetailleerde rechtstoestand omvat een duidelijke weergave van de plaatsing van de gebouwen en containers, omvat ook een weergave van de toegangen naar de openbare weg,... De afwezigheid van dergelijke concrete voorschriften veroorzaakt rechtsonzekerheid bij de rechtsonderhorigen wat niet getolereerd wordt. Bovendien worden via de opmaak van een inrichtingsplan belangrijke discussies over bepaalde projecten aan het geëigende planningsprocédé onttrokken. Het volstaat een globaal inrichtingsplan op te stellen dat voldoet aan de algemene eisen van het BPA. Gezien het project binnen de grenzen van een BPA is gelegen is de rechtsbescherming voor de belanghebbenden minder stringent. -Vooreerst is er - in tegenstelling tot percelen waarvoor het gewestplan als beoordelingsgrond dient - geen inspraakmogelijkheid (openbaar onderzoek) voorzien; -Ten tweede wordt in het licht van een draagkrachtige en formele motiveringsplicht doorgaans volstaan met de loutere vaststelling dat de aanvraag met de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA in overeenstemming is; -Tenslotte dient geen voorafgaand advies van de gemachtigd ambtenaar te worden ingewonnen. De gemachtigd ambtenaar beschikt op basis van artikel 44 van het Stedenbouwdecreet juncto artikel 2 van het voornoemde KB dd. 6 februari 1971 enkel over een schorsingsrecht in geval van niet-overeenstemming van de vergunning met het BPA.
- Besluit. Niet alleen staat vast dat het BPA geen concrete inrichting van het beheersingsgebied voorschrijft en er derhalve niet voldaan is aan artikel 14, eerste lid, bovendien blijkt dat de voorziene inrichtingsprocedure het bezwaar- en adviesrecht van de belanghebbenden en de gemachtigd ambtenaar ondermijnt zodat het eerste middel ernstig overkomt”. Beoordeling
- Het geschonden geachte artikel 14, 1e lid, 2e en 4e van het gecoördineerde decreet luidt als volgt: “Het bijzonder plan van aanleg geeft voor het deel van het gemeentelijk grondgebied aan: (...) 2° de gedetailleerde bestemming van de in sub 2° van artikel 13 bedoelde gebiedsdelen; (...) X-13.202-11/14 4° de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen”. Het voormelde artikel 13, eerste lid, 2e van het gecoördineerde decreet stelt: “Het algemeen plan van aanleg geeft voor het gehele grondgebied aan: (...) 2e de algemene bestemming van verschillende delen van het grondgebied voor bewoning, nijverheid, landbouw of enig ander gebruik”.
- Uit de voormelde bepalingen volgt dat een bijzonder plan van aanleg ertoe strekt voor het ganse beheersingsgebied ervan een gedetailleerde bestemming vast te leggen, met inbegrip van de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, de binnenplaatsen en tuinen. Na kennisname van de resultaten van het openbaar onderzoek dient het bijzonder plan van aanleg zelf, vooraf en op concrete wijze de inrichting van de te voorziene zones vast te leggen.
- Het bestreden besluit keurt een “zone voor openbaar nut” goed die, volgens de stedenbouwkundige voorschriften, bestemd is “voor diensten in functie van het openbaar nut zoals onder meer een containerpark en een gemeentelijke technische dienst”. De in het voorschrift opgenomen woorden “onder meer” wijzen op een niet-limitatieve opsomming. In het bestemmingsplan worden geen aparte zones voor, enerzijds, een containerpark en, anderzijds, een gemeentelijke technische dienst voorzien. Nochtans hebben deze diensten andere doelstellingen en noden. Noch uit de voorschriften inzake de maximale bebouwbare oppervlakte, de bouwhoogte en de ten aanzien van de zonegrens te respecteren bouwvrije afstand, noch uit het voorschrift dat “het containerpark (...) aansluitend op het bestaande gedeelte (dient) te worden uitgebreid”, kan de vereiste gedetailleerde ordening van de “zone voor openbaar nut” afgeleid worden.
- Onder meer wat betreft de toegangen naar de openbare weg en de plaatsing van de gebouwen schuift het bestreden besluit de concretisering van de bestemming van de “zone voor openbaar nut” vooruit naar een “bij de eerste bouwaanvraag” op te maken globaal inrichtingsplan. De stedenbouwkundige X-13.202-12/14 voorschriften laten toe bij een volgende bouwaanvraag van dit inrichtingsplan af te wijken middels een nieuw globaal inrichtingsplan. De verzoekers wijzen er terecht op dat over het opmaken van dergelijk inrichtingsplan geen openbaar onderzoek wordt georganiseerd en dat de in casu gevolgde werkwijze “onverenigbaar (is) met de bedoeling van de decreetgever om in het BPA zelf rechtszekerheid te verschaffen”.
- Het eerste middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 8 december 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg nr. 10 “Sint- Elooiskeer” van de gemeente Kruishoutem, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan.
- Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, ieder voor de helft. X-13.202-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.202-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.566 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.441 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div