id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.598 Rolnummer: Zaak: Arrest 201598 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-16 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 201.598 van 8 maart 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Samenvoeging Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.598 van 8 maart 2010 in de zaken A. I. 175.540/IX-5387 II. 178.418/IX-5460 III. 179.720/IX-5524 In zake : Jozef BUYSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bertrand Asscherickx kantoor houdend te Brussel Ninoofsesteenweg 643 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kaat Leus en Wendy Depester kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen (in de zaak A. 175.540/IX-5387) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kaat Leus kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen (in de zaken A. 178.418/IX-5460 en A. 179.720/IX-5524) Tussenkomende partij : Alain WINANTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alfons Vastersavendts en Yoeri Vastersavendts kantoor houdend te Asse Steenweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen (in de zaak A. 179.720/IX-5524) --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.
- Het eerste beroep, ingesteld op 3 augustus 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 7 juni 2006 waarbij de kandidatuur van de verzoeker voor het mandaat van administrateur- IX-5387-1/37 generaal van de Veiligheid van de Staat niet wordt “weerhouden” (zaak A. 175.540/IX-5387). 1.
- Het tweede beroep, ingesteld op 10 november 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 13 september 2006 waarbij de kandidatuur van de verzoeker voor het mandaat van administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat voor de tweede selectieronde niet wordt “weerhouden” (zaak A. 178.418/IX-5460). 1.
- Het derde beroep, ingesteld op 22 december 2006, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 27 oktober 2006 waarbij Alain Winants wordt aangewezen in de hoedanigheid van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat voor een termijn van vijf jaar (zaak A. 179.720/IX-5524). II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft in de drie zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft in de drie zaken een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft in de zaak A. 179.720/IX-5524 een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 14 maart
- Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft over de drie zaken een verslag opgesteld. De verzoeker heeft in de drie zaken een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in de drie zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. IX-5387-2/37 Advocaten Bertrand Asscherickx en Liesbeth Peeters, die verschijnen voor de verzoeker, advocaat Kaat Leus, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Yoeri Vastersavendts, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft met dit arrest advies verleend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 7 maart 2006 wordt in het Belgisch Staatsblad een oproep tot kandidaten voor de vacante betrekking van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat bekendgemaakt. In deze oproep worden de toelatingsvoorwaarden opgenomen om als administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat te kunnen worden aangewezen. De betrokkene moet: 1/ Belg zijn; 2/de burgerlijke en politieke rechten genieten; 3/ houder zijn van een diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten dat is uitgereikt door een universiteit van de Europese Gemeenschap; 4/ ten minste vijfendertig jaar zijn; 5/ in België gedurende ten minste tien jaar een gerechtelijke, academische of administratieve functie hebben uitgeoefend of over zes jaar managementervaring beschikken in het domein van de veiligheid; 6/ een grondige kennis van het Nederlands en het Frans, alsmede een voldoende kennis van het Duits en het Engels bezitten; 7/ doen blijken van voldoende ervaring in de behandeling van dossiers betreffende georganiseerde misdaad, spionage en terrorisme; 8/ ervaring hebben inzake de internationale betrekkingen. 3.
- Bij aangetekend schrijven van 24 maart 2006 stelt de verzoeker zich kandidaat bij de minister van Justitie voor deze functie van administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat. IX-5387-3/37 3.
- Bij schrijven van 30 maart 2006 meldt de minister van Justitie de goede ontvangst van voornoemd aangetekend schrijven met verzoekers kandidaat- stelling. 3.
- Bij aangetekend schrijven van 31 maart 2006 deelt de minister van Justitie de verzoeker mee te hebben besloten een commissie in te stellen die belast zal zijn met het onderzoeken van de verschillende kandidaturen en die haar over elke kandidatuur een uitvoerig rapport zal bezorgen. Bij ministerieel besluit van 4 april 2006 houdende aanwijzing van een selectiecomité belast met de evaluatie van de kandidaturen voor de post van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 april 2006 - 2e editie, wordt dit comité opgericht (artikel 1), wordt de samenstelling ervan bepaald (artikel 2) en wordt dit comité belast met het opmaken van een geheel van criteria om de kwaliteit van de kandidaturen te beoordelen en te rapporteren aan de minister van Justitie. Het rapport dient de lijst van de kandidaturen die niet-ontvankelijk zijn verklaard en de motivatie van de onontvankelijkheid, de lijst van de ontvankelijke kandidaturen en de objectieve appreciatie van de professionele- en managersgeschiktheid van elke kandidaat wiens kandidatuur ontvankelijk werd verklaard, te omvatten (artikel 3). 3.
- Door middel van een nota deelt het selectiecomité op 7 april 2006 de minister van Justitie mee de drie Nederlandstalige kandidatendossiers te hebben gescreend op hun formele ontvankelijkheid en de vier Franstalige kandidaturen onontvankelijk te hebben bevonden aangezien enkel Nederlandstalige kandidaten in aanmerking komen; tijdens het overleg van 7 april 2006 wordt tevens de aanpak en de werkwijze uitgestippeld voor de selectie; de planning, de aanpak en de methodologie worden vastgelegd en goedgekeurd. Aan de hand van deze nota verduidelijkt het selectiecomité de methodologie voor de selectie; die bestaat uit drie testen en daaropvolgend uit taaltesten Frans, Engels en Duits. In een eerste test, de CSA-competentietest, worden de drie competenties Business Analyses (deze oefening peilt naar het vermogen om snel en doeltreffend juiste conclusies te trekken uit professionele tabellen en grafieken), Business Understanding (deze oefening meet het vermogen om juiste interpretaties IX-5387-4/37 te maken en juiste beslissingen te nemen op basis van informatie in korte bedrijfsre- levante teksten) en Business Attitudes (deze vragenlijst meet persoonlijkheidseigen- schappen die relevant zijn in de professionele context van hoger geschoolden) getest. In een tweede test, die bestaat uit een praktijkgeval en een presentatie, worden vooral de generieke competenties gemeten. Een derde test, die bestaat uit een inhoudelijk praktijkgeval met presentatie en de motivatie van de kandidaatstellingen en die wordt gekoppeld aan een diepte-interview, meet de technische kennis, de visie en de motivatie van de kandidaat. Op basis van voornoemde testen worden een aantal competenties onderzocht. 3.
- De verzoeker doorloopt de drie voornoemde testen en de taaltesten. De door hem behaalde resultaten van de afzonderlijke testen worden in een door het selectiecomité opgesteld rapport uiteengezet. Dit rapport wordt afgesloten met een algemene motivatie en, wat de verzoeker betreft, luidt die als volgt: “De kandidaat is vertrouwd met de structuur van de Veiligheid van de Staat en met de maatschappelijke en politieke context binnen dewelke deze dienst moet functioneren. Hij uit zich op een voorzichtige manier en weet op een diplomatische wijze knelpunten uit de weg te gaan. Hij wekt evenwel teveel de indruk terug te zullen vallen op de situatie zoals hij die destijds (2001-2003) heeft gekend en op de ingrepen die hij indertijd nodig achtte om moeilijkheden binnen de dienst op te lossen. Zijn visie op een eventuele reorganisatie van de dienst is duidelijk nog niet gestoeld op het uitgangspunt van een integraal veiligheidsbeleid dat door verschillende partners -waarvan de Veiligheid van de Staat er slechts 1 is- op een geïntegreerde manier wordt uitgebouwd. Kenschetsend in dit verband is het feit dat zijn ervaringen uit het verleden hem eerder sceptisch doen staan tegen de rol van het college van inlichtingen en veiligheid. Waar deze kandidaat technisch ongetwijfeld goed of naar behoren scoort, ontbreekt het hem nochtans aan het charisma van de nieuwe leidinggevende ambtenaar die over voldoende visie en overtuigingskracht beschikt om de Veiligheid van de Staat in de hedendaagse structuur een prominente rol te laten spelen.” 3.
- Bij aangetekend schrijven van 7 juni 2006 wordt de beslissing van de minister van Justitie dat verzoekers kandidatuur voor de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat niet kan worden “weer- IX-5387-5/37 houden”, aan de verzoeker ter kennis gebracht. Ook wordt hem het evaluatieverslag van het selectiecomité overgemaakt. Dit is de bestreden beslissing van het eerste beroep. De brief van 7 juni 2006 luidt als volgt: “U heeft zich op 24 maart 2006 per brief kandidaat gesteld voor de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. Zoals u weet heb ik via een ministerieel besluit van 4 april 2006 deze selectieprocedure willen objectiveren door het instellen van een Selectiecomité dat belast werd met de evaluatie van de kandidaturen voor de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. Dit Selectiecomité heeft mij een rapport toegezonden inzake uw kandidatuur en de resultaten die u behaalde op de verschillende tests die het organiseerde. Om u volledig te informeren voeg ik hierbij het rapport dat op u betrekking heeft, evenals de resultaten die u voor de taalproeven behaalde. De functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat vereist een zeer specifiek profiel, met inhoudelijk niet alleen specifieke technische kennis, maar ook reactie-, nadenkings- en aanpassingsvermogen. Het leiden van een dergelijke dienst vereist eveneens reële management- competenties. Met de verschillende aspecten van het functieprofiel werd rekening gehouden via de drie categorieën tests waaraan u werd onderworpen. Uit het geheel van de tests die u heeft afgelegd blijkt dat u een bepaalde vorm van stress vertoont wanneer u beslissingen moet nemen of een groep personen moet leiden. De Veiligheid van de Staat is, zoals zoveel inlichtingen- diensten, een dienst die zichzelf regelmatig in vraag moet stellen en die moet evolueren in functie van talrijke factoren en meer in het bijzonder rekening moet houden met het ontluiken van nieuwe fenomenen, zowel op internationaal als op nationaal vlak. Het is een dagelijkse uitdaging die vereist dat men beschikt over belangrijke anticipatie- en aanpassingsvermogens. Welnu, alhoewel u het werk van de inlichtingendiensten zeer goed kent, evenals de samenwerking van deze diensten met onder meer de politie, tonen de tests aan dat uw opvatting van de werking van een inlichtingendienst niet helemaal afgestemd is op de uitdagingen waarvoor een inlichtingendienst zich vandaag de dag geplaatst ziet. Uw managementkennis is redelijk theoretisch en niet voldoende in lijn met een moderne visie van een dienst die zich constant in vraag moet stellen. Ik stel verder eveneens vast dat uw benadering van de samenwerkingsmechanismen van de inlichtingendiensten, met het College Inlichting en Veiligheid, niet verenigbaar is met de geïntegreerde benadering van de veiligheidsproblemen, zoals dat thans onmisbaar is. Bovendien vereist de functie van administrateur-generaal veel charisma en de capaciteit om toekomstgericht te denken, zodat de dienst steeds nauw IX-5387-6/37 aansluit bij de evolutie van onze maatschappij. Uw tests toonden echter aan dat u niet voldoende beantwoordt aan deze bijzondere vereisten. Indien u echter meer informatie-elementen wenst over de door u afgelegde tests, zal ik zeker het Selectiecomité hierover ondervragen. Ik moet u derhalve tot mijn spijt meedelen dat ik uw kandidatuur voor de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat niet kan weerhouden ondanks de reële waardigheden die u kenmerken.” 3.
- Daar de selectieprocedure die volgde op deze eerste oproep tot kandidaten, tot de vaststelling leidt dat geen enkele kandidaat aan het profiel voor het uitoefenen van de functie van administrateur-generaal beantwoordt, wordt in het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2006 een tweede oproep tot kandidatuurstelling voor die functie bekendgemaakt. 3.
- Bij aangetekend schrijven door de minister van Justitie ontvangen op 4 juli 2006 stelt de verzoeker zich opnieuw kandidaat en voegt hij bijkomend een aantal stukken toe. De verzoeker wijst er in dit schrijven op de beslissing van 7 juni 2006 van de minister van Justitie te betwisten en deze te zullen aanvechten voor de Raad van State. 3.
- Bij aangetekend schrijven van 6 juli 2006 meldt de minister van Justitie de goede ontvangst van voornoemd aangetekend schrijven met verzoekers nieuwe kandidaatstelling en deelt zij de verzoeker mee deze kandidatuur te hebben overgemaakt aan het selectiecomité. 3.
- Naast de verzoeker stellen Alain Winants en een derde Nederland- stalige persoon zich kandidaat voor de betrekking. 3.
- Het selectiecomité maakt naar aanleiding van de tweede selectieronde op 4 augustus 2006 een nota over aan de minister van Justitie waarin het meedeelt de drie ontvangen Nederlandstalige kandidatendossiers te hebben gescreend op hun formele ontvankelijkheid. Alle drie de kandidaturen worden ontvankelijk bevonden en toegelaten tot de selectieprocedure. De derde Nederlandstalige kandidaat trekt zijn kandidatuur in. IX-5387-7/37 Voorts stelt het selectiecomité in zijn nota te hebben beslist om dezelfde methodologie en aanpak te volgen als bij de eerste oproep. Zowel de verzoeker als Alain Winants doorlopen de drie testen en de taaltesten. De door hen behaalde resultaten van de afzonderlijke testen worden in een door het selectiecomité opgesteld rapport uiteengezet. Deze rapporten worden afgesloten met een algemene motivatie die wat de verzoeker betreft luidt als volgt: “Kandidaat presenteert zich voor de tweede keer voor deze vacature op korte termijn. De commissie kan enkel in grote mate herhalen wat ze de vorige keer vaststelde: ‘De kandidaat is vertrouwd met de structuur van de Veiligheid van de Staat en met de maatschappelijke en politieke context binnen dewelke deze dienst moet functioneren. Hij uit zich op een voorzichtige manier en weet op een diplomatische wijze knelpunten uit de weg te gaan. Hij wekt evenwel teveel de indruk terug te zullen vallen op de situatie zoals hij die destijds (2001-2003) heeft gekend en op de ingrepen die hij indertijd nodig achtte om moeilijkheden binnen de dienst op te lossen. Zijn visie op een eventuele reorganisatie van de dienst is duidelijk nog niet gestoeld op het uitgangspunt van een integraal veiligheidsbeleid dat door verschillende partners -waarvan de Veiligheid van de Staat er slechts 1 is- op een geïntegreerde manier wordt uitgebouwd. Kenschetsend in dit verband is het feit dat zijn ervaringen uit het verleden hem eerder sceptisch doen staan tegen de rol van het college van inlichtingen en veiligheid. Waar deze kandidaat technisch ongetwijfeld goed of naar behoren scoort, ontbreekt het hem nochtans aan charisma van de nieuwe leidinggevende ambtenaar die over voldoende visie en overtuigingskracht beschikt om de Veiligheid van de Staat in de hedendaagse structuur een prominente rol te laten spelen’. Evenwel stelt de commissie vast dat de kandidaat zijn aanpak en inhoudelij- ke benadering hier en daar bijgestuurd en geactualiseerd heeft. Zodoende heeft hij ingespeeld op de vorige vaststellingen van de jury onder meer naar de rol van het college van inlichtingen en veiligheid. Naar managementcompetenties twijfelt de jury niet over de theoretisch uitgebreide kennis van de kandidaat, maar wel over de realistische hantering ervan.” 3.
- Bij aangetekend schrijven van 13 september 2006 wordt de verzoeker er door de minister van Justitie van in kennis gesteld dat zijn kandidatuur voor de tweede selectieprocedure door haar niet “weerhouden” werd. Dit is de bestreden beslissing van het tweede beroep. De brief luidt als volgt: IX-5387-8/37 “Het Selectiecomité dat bij ministerieel besluit van 4 april 2006 werd opgericht, heeft me op 4 augustus 2006 de resultaten overgemaakt van de proeven die u aflegde in het kader van de selectieprocedure voor de kandidaten voor het mandaat van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. Deze resultaten leiden naar dezelfde conclusies die het Selectiecomité reeds naar voor schoof bij uw deelname aan de eerste selectieprocedure georganiseerd in april en mei
- Deze conclusies zijn: ‘Kandidaat presenteert zich voor de tweede keer voor deze vacature op korte termijn. De commissie kan enkel in grote mate herhalen wat ze de vorige keer vaststelde: ‘De kandidaat is vertrouwd met de structuur van de Veiligheid van de Staat en met de maatschappelijke en politieke context binnen dewelke deze dienst moet functioneren. Hij uit zich op een voorzichtige manier en weet op een diplomatische wijze knelpunten uit de weg te gaan. Hij wekt evenwel teveel de indruk terug te zullen vallen op de situatie zoals hij die destijds (2001-2003) heeft gekend en op de ingrepen die hij indertijd nodig achtte om moeilijkheden binnen de dienst op te lossen. Zijn visie op een eventuele reorganisatie van de dienst is duidelijk nog niet gestoeld op het uitgangspunt van een integraal veiligheidsbeleid dat door verschillende partners -waarvan de Veiligheid van de Staat er slechts 1 is- op een geïntegreerde manier wordt uitgebouwd. Kenschetsend in dit verband is het feit dat zijn ervaringen uit het verleden hem eerder sceptisch doen staan tegen de rol van het College van inlichtingen en veiligheid. Waar deze kandidaat technisch ongetwijfeld goed of naar behoren scoort, ontbreekt het hem nochtans aan charisma van de nieuwe leidinggevende ambtenaar die over voldoende visie en overtuigingskracht beschikt om de Veiligheid van de Staat in de hedendaagse structuur een prominente rol te laten spelen.’ Evenwel stelt de commissie vast dat de kandidaat zijn aanpak en inhoudelij- ke benadering hier en daar bijgestuurd en geactualiseerd heeft. Zodoende heeft hij ingespeeld op de vorige vaststellingen van de jury onder meer naar de rol van het College van inlichtingen en veiligheid. Naar managementcompetenties twijfelt de jury niet over de theoretisch uitgebreide kennis van de kandidaat, maar wel over de realistische hantering ervan’. Hoewel u uw prestatie bij deze tweede selectieprocedure kon verbeteren in het bijzonder rekening houdend met het feit dat u reeds toegang heeft gehad tot een eerste selectieverslag dat betrekking had op u, blijkt echter dat uw algemene benadering van wat een inlichtingendienst hoort te zijn, nog sterk blijft aanleunen bij uw ervaring uit het verleden als adjunct-administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat en niet voldoende kadert in een dynamische visie van wat een inlichtingendienst thans hoort te zijn, rekening houdend met de internationale en nationale ontwikkelingen. Ook heeft het Selectiecomité ernstige twijfels over uw bekwaamheid om een instelling als de Veiligheid van de Staat op lange termijn te besturen terwijl een dienst als deze -zoals u weet- nood heeft aan duidelijke beleidslijnen op lange termijn. Als we overigens uw wetenschappelijke loopbaan vergelijken met deze van de andere kandidaat, heer Alain Winants, advocaat-generaal bij het hof van beroep te Brussel, dan blijkt zijn belangstelling veeleer en zeer snel uit te gaan naar de problematiek van de zware criminaliteit, het terrorisme, de financiering van het terrorisme, de witteboordcriminaliteit en het witwassen van geld. Het betreft hier onderwerpen die zeer nauw verbonden zijn met de activiteiten van de Veiligheid van de Staat. IX-5387-9/37 De proeven van de heer Winants tonen ook aan dat hij in staat is uitdaging- en aan te gaan en beleidslijnen te heroriënteren wanneer deze niet meer aangepast zijn aan de behoeften en noodzakelijkheden van het moment. Ook op taalkundig vlak ligt het kennisniveau van de heer Winants, met name voor het Engels en het Frans, hoger dan het uwe. Onder deze omstandigheden heeft het Ministerieel Comité voor in- lichting(en) en veiligheid -dat op 8 september 2006 bijeenkwam- besloten dat het profiel van de heer Alain Winants beter aansluit bij de eisen die verbonden zijn aan de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. Dit Comité heeft me bijgevolg verzocht u te laten weten dat uw kandidatuur voor deze tweede selectieronde niet weerhouden werd.” 3.
- Na het eensluidend advies van de Procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel van 12 oktober 2006, na het positief advies van de Nationale Veiligheidsoverheid van 17 oktober 2006 en na het eensluidend advies van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 oktober 2006, wordt Alain Winants, op voordracht van de minister van Justitie en na advies van de Ministerraad, bij koninklijk besluit van 27 oktober 2006 aangewezen in de hoedanigheid van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat voor een termijn van vijf jaar. Dit koninklijk besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 30 oktober
- Dit is de bestreden beslissing van het derde beroep. De motivering hiervan luidt als volgt: “Overwegende dat drie personen hun kandidatuur hebben gesteld; dat de heer Alain Winants één van deze kandidaten is; Overwegende dat de Heer Alain Winants de tests heeft afgelegd om zijn managementvaardigheden te onderzoeken alsook de juridische en technische kennis ten behoeve van het te vervullen mandaat en dat deze tests werden georganiseerd door het selectiecomité overeenkomstig het bovenvermelde ministerieel besluit van 4 april 2006; dat het selectiecomité een rapport heeft opgesteld met de resultaten van de proeven en de kandidatuur van de heer Winants heeft gepresenteerd als zijnde deze die het best beantwoordt aan de vereisten van de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat; Overwegende dat de heer Alain Winants een lange ervaring als magistraat heeft, dat hij achtereenvolgens de functies heeft uitgeoefend van gerechtelijk stagiair bij het parket van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, van substituut-procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en van substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel en tenslotte van advocaat-generaal bij het hof van beroep te Brussel; IX-5387-10/37 Overwegende dat de Heer Alain Winants in zijn carrière al vele dossiers heeft behandeld betreffende de strijd tegen verschillende vormen van criminaliteit, met name internationale criminaliteit, georganiseerde misdaad, economische, financiële en fiscale criminaliteit en meer in het bijzonder inzake terrorisme; dat hij bovendien beschikt over een zeer goede kennis betreffende interferentie tussen terrorisme, groot banditisme en financiële delinquentie; Overwegende dat de Heer Alain Winants betrokken was bij de permanente vorming van de magistraten door het geven van verschillende opleidingen met name inzake uitlevering, Europees aanhoudingsmandaat en internationale rogatoire commissies; Overwegende dat de Heer Alain Winants beschikt over een goede kennis van de onderzoeksmethoden van de politie in het kader van verschillende soorten van criminaliteit; Overwegende dat het professioneel parcours van de heer Alain Winants en zijn ervaring hem de kans hebben gegeven om een goede beheersing te verwerven betreffende internationale relaties, met name in juridische zaken; dat hij bovendien in het kader van de permanente vorming van de magistraten de functie uitgeoefend heeft van coördinator van het programma gewijd aan de internationale samenwerking in strafzaken; Overwegende dat de kennis en ervaring die de heer Alain Winants heeft vergaard als lid van de Commissie voor de bescherming van het privé-leven hem in de mogelijkheid zullen stellen om informatie te vergaren, te analyseren en te gebruiken overeenkomstig de juridische reglementering; Overwegende dat de heer Alain Winants ook een wetenschappelijke carrière bij de VUB heeft waar hij sindsdien de functie van assistent in strafrecht vervult; Overwegende dat de Heer Alain Winants beschikt over de nodige kwaliteiten die vereist zijn voor het management van de Veiligheid van de Staat, met name bezit hij een goede zin voor verantwoordelijkheid, hij is resultaatsgericht, stressbestendig, georganiseerd, hij heeft een luisterend oor voor de medewerkers en slaagt erin beslissingen te nemen bij gevoelige materies; hij heeft een goede operationele visie met oog voor de doelstellingen op middellange en lange termijn; hij ondervindt geen moeilijkheden bij het delegeren; Overwegende dat de Heer Alain Winants over de nodige managementcom- petenties beschikt voor zijn aanstelling tot administrateur-generaal bij de Veiligheid van de Staat; Overwegende dat de Heer Alain Winants (...) een grondige kennis (heeft) van het Frans en het Engels en een goede kennis van het Duits; Gelet op het omstandig en positief advies van het selectiecomité van 4 augustus 2006; Gelet op het eensluidend advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel gegeven op 12 oktober 2006; Gelet op het positief advies van de nationale veiligheidsoverheid gegeven op 17 oktober 2006; IX-5387-11/37 Gelet op het eensluidend advies van de Minister van Binnenlandse Zaken verleend op 27 oktober 2006;” IV. Samenhang
- In het belang van een goede rechtsbedeling is er grond om de beroepen samen te voegen. V. Onderzoek van de ontvankelijkheid en het middel in het eerste beroep Ontvankelijkheid
- De verzoeker heeft weliswaar zijn kandidatuur ingediend naar aanleiding van de tweede oproep doch hij heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat hij niet akkoord ging met de ministeriële beslissing van 7 juni 2006 en dat hij deze met een annulatieberoep bij de Raad van State zou aanvechten. Zijn kandidatuur bij de tweede oproep kan dan ook niet aanzien worden als een berusting in de ministeriële beslissing van 7 juni
- Enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert als enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van de algemene principes van behoorlijk bestuur, meer bepaald de formele en materiële motiveringsplicht. De verzoeker is van oordeel dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is, hoewel de beslissing sterk gemotiveerd dient te zijn gelet op het belang van de beslissing enerzijds en de discretionaire manier waarop deze tot stand is gekomen anderzijds. Volgens hem is de bestreden beslissing namelijk uitermate belangrijk zowel voor hem als voor de Belgische Staat, daar de te begeven post het hoogste ambt binnen de Veiligheid van de Staat betreft. Bovendien handelt het in casu om een zeer brede discretionaire bevoegdheid. IX-5387-12/37 De bestreden beslissing bevat volgens de verzoeker weinig of geen nauwkeurige en concrete motieven waaruit blijkt dat hij niet zou voldoen aan de vereisten noodzakelijk voor het vervullen van het ambt van administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat. De beslissing beperkt zich namelijk tot het opsommen van vijf vage punten van kritiek op de karakteriële en cognitieve mogelijkheden zoals die volgens de verwerende partij zouden blijken uit het onderzoek van het selectiecomité, meer bepaald: - zou de verzoeker “een bepaalde vorm van stress vertonen” wanneer hij beslis- singen moet nemen; - zijn zijn opvattingen omtrent de werking van een inlichtingendienst “niet helemaal afgestemd” op de uitdagingen waarvoor de dienst zich geplaatst ziet; - zou zijn managementkennis “redelijk theoretisch” zijn en “niet in voldoende lijn met een moderne visie van een dienst”; - is zijn benadering met betrekking tot de samenwerkingsmechanismen van de inlichtingendiensten met het college van inlichting en veiligheid “niet verenig- baar met de geïntegreerde benadering van de veiligheidsproblemen”; - zou hij onvoldoende “charismatisch” zijn en niet de vereiste capaciteit hebben om “toekomstgericht” te denken. Deze motivering is volgens de verzoeker niet duidelijk aangezien hij weliswaar wordt vergeleken met het abstract profiel van een administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat zoals dat er volgens de verwerende partij moet uitzien. De concrete invulling die verwerende partij voor ogen heeft, is voor de verzoeker niet duidelijk. De verzoeker stelt dat niet alleen de formele motiveringsplicht is geschonden, maar ook de materiële motiveringsplicht. In casu zijn de motieven waarop de beslissing is gebaseerd volgens hem feitelijk niet juist, zoals blijkt na lezing van het voorafgaandelijk advies dat de verwerende partij met betrekking tot zijn kandidatuur aan het selectiecomité heeft gevraagd. De verzoeker stelt alleen maar te kunnen vaststellen dat de verwerende partij in de bestreden beslissing zelf expliciet verwijst naar het advies van het selectiecomité, maar dat zij op bepaalde punten een met dit advies volkomen tegenstrijdige positie inneemt zonder dit nader uit te leggen. Zo stelt de verwerende partij in de bestreden beslissing dat uit de tests die het selectiecomité heeft uitgevoerd, zou blijken dat de verzoeker stress IX-5387-13/37 vertoont als hij beslissingen moet nemen, terwijl het selectiecomité de verzoeker als uitermate stressbestendig bestempelde. In zijn advies wordt namelijk vermeld: “- ‘Hij is weinig optimistisch, maar zeer stressbestendig’ - ‘Sterk ontwikkelde punten
(3): verantwoordelijkheidszin en initiatief nemen: hij is zeer stressbe- stendig’”. Voorts verwijt de verwerende partij de verzoeker nog een gebrek aan toekomstgericht denken, terwijl het advies van het selectiecomité stelt: “- ‘Visie en integrerend vermogen: hij bekijkt de dingen voornamelijk in strategisch perspectief op de lange termijn. Hij heeft voldoende kritische ingesteldheid. ...’” De verzoeker leidt hieruit af dat de bestreden beslissing afwijkt van het advies van het selectiecomité en de beslissing dienvolgens niet rechtsgeldig is gemotiveerd. Indien een beslissing afwijkt van een advies dat werd gemaakt op vraag van het bestuur, dienen de resultaten hiervan correct in de beslissing te worden weergegeven. Indien het bestuur hieromtrent een andere mening heeft, dient zij deze afwijkende mening op een correcte en onderbouwde manier te motiveren. 7.
- De verwerende partij repliceert dat de verzoeker op de hoogte is van de inhoudelijke motieven van de bestreden beslissing, aangezien deze motieven uitdrukkelijk in de bestreden beslissing worden veruitwendigd en de verzoeker deze motieven in zijn verzoekschrift aanhaalt. In zoverre het enige middel steunt op de schending van zowel de formele als de materiële motiveringsplicht, werpt de verwerende partij de onontvankelijkheid van het middel op. De formele motiveringsplicht heeft tot doel een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing zodat degene ten aanzien van wie de beslissing wordt genomen, in staat is op een degelijke wijze te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. Diegene die de motieven van een formeel te motiveren beslissing kent, kan zich niet op de schending van de formele motiveringsplicht beroepen. Het doel van die plicht, namelijk het doen kennen van de motieven van de beslissing, is dan bereikt. Men kan dan ook niet tegelijk de schending inroepen van de materiële en de formele motiveringsplicht. Wanneer een verzoeker in staat IX-5387-14/37 is inhoudelijk kritiek te uiten op de motieven van een beslissing, bewijst hij immers die motieven te kennen, zodat in zijnen hoofde aan het doel van de formele motiveringsplicht is voldaan en hij zich niet over een schending van de formele motiveringsplicht kan beklagen. Door inhoudelijk kritiek te leveren op de bestreden beslissing toont de verzoeker in casu dan ook aan dat hij op de hoogte is van de motieven van de bestreden beslissing. Het staat derhalve vast dat aan de ratio legis van de formele motiveringsplicht is voldaan. In zoverre het middel op de formele motiveringsplicht berust, heeft de verzoeker volgens de verwerende partij dan ook geen belang bij zijn middel en is het enige middel niet ontvankelijk. 7.
- Indien het enige middel toch ontvankelijk is in zoverre het aan een schending van de formele motiveringsplicht is ontleend, is volgens de verwerende partij de formele motiveringsplicht in casu niet geschonden. De motieven, zoals ze werden veruitwendigd, schragen zowel in rechte als in feite de beslissing om de kandidatuur van de verzoeker niet te weerhouden. De bestreden beslissing ligt, volgens de verwerende partij, volledig in lijn met de inhoud van het rapport van het selectiecomité, dat op zichzelf eveneens afdoende is gemotiveerd. De verwerende partij beperkte zich te dezen in de bestreden beslissing niet tot de enkele verwijzing naar dit rapport. Zij hernam integendeel in de bestreden beslissing de doorslagge- vende redenen die ertoe strekten te beslissen de kandidatuur van de verzoeker niet te weerhouden, weliswaar in haar eigen bewoordingen. De bestreden beslissing is voldoende gemotiveerd zodat de verzoeker op de hoogte is van de motieven die de verwerende partij ertoe hebben gebracht zijn kandidatuur niet te weerhouden. De gegrondheid van het middel kan volgens de verwerende partij dan ook enkel worden onderzocht in zoverre het op een beweerde schending van de materiële motiveringsplicht berust. De verwerende partij wijst erop het rapport van het selectiecomité helemaal niet naast zich neer te hebben gelegd. Zij heeft haar beslissing integendeel laten leiden door en volledig gebaseerd op de resultaten van dat rapport. Volgens de verwerende partij dienden de in aanmerking komende kandidaten voor de invulling van de vacante functie van administrateur-generaal van IX-5387-15/37 de Veiligheid van de Staat zeer goed te scoren op het geheel van de vier testen, waaruit de selectieprocedure bestond. Wat de verzoeker betreft, blijkt volgens de verwerende partij uit het rapport dat het selectiecomité heeft gewezen op zijn op meerdere punten middelmatig beoordeeld profiel. Wat de resultaten van de CSA-test betreft, blijkt namelijk uit het algemeen beeld dat de verzoeker overwegend “gemiddeld” scoort. Zo blijkt onder meer een zwak analytisch vermogen, een gemiddelde besluitvaardig- heid (“hij overweegt een groot aantal opties vooraleer een definitieve oplossing te kiezen”) en een gemiddelde resultaatgerichtheid. Wat de tweede test betreft die peilt naar de generieke competenties, wordt melding gemaakt van meer dan één zwakke score, met name qua analytisch vermogen, flexibel en vernieuwend denken, zwak ontwikkeld leidinggevend vermogen wat de manier van omgang binnen een HR- omgeving betreft, althans voor grote groepen zoals een gedecentraliseerde organisatie van 1.000 personen, een gebrek aan sturing, het ontwijken van een tegensprekelijk debat en het onvoldoende kunnen overtuigen van zijn publiek. Wat de derde test aangaande de technische competenties betreft, wordt ondermeer gewezen op een veeleer theoretische managementkennis doch ook op een gebrek aan (vernieuwende) visie op de noodzakelijke ontwikkeling voor zijn organisatie. Ten slotte wijst de verwerende partij op het afsluitend advies van het selectiecomité dat de resultaten van de verschillende testen integreert, en waarin ondermeer vermeld wordt dat verzoekers visie op een eventuele reorganisatie van de dienst duidelijk nog niet gestoeld is op het uitgangspunt van een integraal veiligheidsbeleid dat door verschillende partners op een geïntegreerde manier wordt uitgebouwd en dat het de verzoeker ontbreekt aan het charisma van de nieuwe leidinggevend ambtenaar die over voldoende visie en overtuigingskracht beschikt om de Veiligheid van de Staat in de hedendaagse structuur een prominente rol te laten spelen. De verwerende partij leidt uit een vergelijking van deze tekst met de motieven van de bestreden beslissing af dat zij zich bij het nemen van haar beslissing duidelijk heeft laten leiden door hetgeen in het evaluatierapport van het selectiecomité werd bepaald. Zij sluit zich daar volledig bij aan, zij het in haar eigen doch gelijkluidende bewoordingen. De verwerende partij stelt voorts dat de verzoeker zich fixeert op de resultaten van de eerste CSA-test. Wat het algemeen beeld betreft wordt inderdaad vermeld dat de verzoeker “zeer stressbestendig” is. Die stressbestendig- heid wordt volgens de verwerende partij in verband gebracht met het criterium IX-5387-16/37 “verantwoordelijkheidszin en initiatief nemen”. De verwerende partij wijst erop dat in de algemene (eind)evaluatie wat de verzoeker betreft echter helemaal geen melding meer wordt gemaakt van zijn beweerde stressbestendigheid. Uit de tweede test blijkt integendeel dat de verzoeker wel kan coachen en leiding geven in kleinere groepen, maar zwakker presteert als het grote groepen betreft zoals vereist is voor een gedecentraliseerde organisatie van 1.000 personen. In de algemene motivatie wordt geconstateerd dat de verzoeker te veel de indruk wekt terug te zullen vallen op de situatie zoals hij die destijds heeft gekend en op de ingrepen die hij indertijd nodig achtte om moeilijkheden binnen de dienst op te lossen. De verwerende partij heeft zich bij het nemen van haar beslissing aangesloten bij de vaststelling in het rapport met betrekking tot het gebrekkig vermogen van de verzoeker om leiding te geven aan grotere groepen, met betrekking tot een zekere onbeslistheid of gemiddelde besluitvaardigheid (“hij overweegt een groot aantal opties vooraleer een definitieve oplossing te kiezen”) of met betrekking tot een gebrekkig vermogen om zich aan te passen of de drang om op het oude vertrouwde terrein te blijven. De verwerende partij heeft dit echter geformuleerd als een bepaalde vorm van stress wanneer hij beslissingen moet nemen of een groep personen moet leiden en dat is vereist dat men beschikt over belangrijke anticipatie- en aanpassingsvermogens. Gelet op het voorgaande, interpreteert de verzoeker het evaluatierapport volgens de verwerende partij op een foutieve wijze, daar hij zich slechts concentreert op de eerste test waar zijn stressbestendigheid werd gerelateerd aan verantwoordelijk- heidszin en het nemen van initiatief. De daaropvolgende tests tonen echter aan dat de generieke competenties van de verzoeker (zoals het nemen van beslissingen en het leiden van een groep) zwakheden vertonen. Gelet op de omvang en het strategisch belang van de functie, werd zijn gemiddelde score niet goed genoeg beoordeeld om een vijfjarig mandaat in die functie tot een goed einde te brengen. Wat verzoekers visie en integrerend vermogen betreft, wijst de verwerende partij erop dat ook hier niet alleen de resultaten van de eerste test in ogenschouw moeten worden genomen. Uit de resultaten van de tweede test blijkt immers dat hij te weinig tot een inhoudelijke visie komt en geen vernieuwende visie op zijn organisatie formuleert. Dit is voor het selectiecomité van doorslaggevend belang geweest zoals blijkt uit de algemene conclusie in zijn rapport. Ook de verwerende partij heeft deze vaststelling in haar beslissing opgenomen. De verwerende partij stelt dat zij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt om een kandidaat te benoemen in de functie van IX-5387-17/37 administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. Gelet op de woelige periode waaruit de dienst komt, het strategisch nationaal en internationaal belang van de functie en de omvang van de organisatie, achtte zij de gemiddelde score van de verzoeker niet sterk genoeg voor de betrokken functie. In de mate dat de Raad van State van oordeel zou zijn dat bepaalde motieven uit de bestreden beslissing niet uit het rapport van het selectieco- mité kunnen worden afgeleid, dienen volgens de verwerende partij deze motieven als overtollig te worden beschouwd. Er zijn volgens de verwerende partij voldoende determinerende en in de bestreden beslissing veruitwendigde motieven voorhanden die de beslissing kunnen dragen en die ook voorkomen in het rapport van het selectiecomité. Het betreft met name het gegeven dat de managementkennis van de verzoeker redelijk theoretisch is en niet voldoende in lijn ligt met een moderne visie van een dienst die zich constant in vraag moet stellen, dat verzoekers benadering van de samenwerkingsmechanismen van de inlichtingendiensten met het college van inlichting en veiligheid niet verenigbaar is met de geïntegreerde benadering van de veiligheidsproblemen zoals thans onmisbaar is en dat de verzoeker over onvoldoen- de charisma en capaciteit beschikt om toekomstgericht te denken. 8.
- De verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat het principiële onderscheid tussen de formele en de materiële motiveringsplicht, minstens op het vlak van de motiveringswet, moet worden genuanceerd. Doordat de motivering volgens die wet “afdoende” moet zijn, wordt een verband gelegd met de draagkrachtvereiste van de materiële motiveringsplicht. Een formele motivering die alleen motieven bevat die niet terzake doen, is geen “afdoende” formele motivering, zodat het onderzoek naar de formele en de materiële motivering duidelijk met elkaar verweven zijn. De verzoeker is van oordeel wel degelijk de schending van de motiveringswet te kunnen inroepen, daar hij heeft aangevoerd dat de motieven vermeld in de bestreden beslissing niet “afdoende” zijn en de beslissing niet kunnen dragen. Volgens de verzoeker kan de formele en materiële motiveringsverplichting aldus gelijktijdig worden aangevoerd. In de mate waarin de schending van de formele en de materiële motiveringsplicht tegelijk wordt ingeroepen, is het enige middel wel ontvankelijk. 8.
- De verzoeker stelt dat de formele motiveringsplicht is geschonden gezien het niet voorhanden zijn van voldoende afdoende motieven. De materiële motiveringsplicht is geschonden, daar de beslissing niet gedragen wordt door IX-5387-18/37 motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn en die de beslissing voldoende dragen. Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij in de bestreden beslissing enkel met een aantal mindere punten uit het rapport van het selectiecomité rekening gehouden, zonder dat wordt uitgelegd waarom precies deze aspecten en criteria doorslaggevend zijn voor het beoordelen van de kandidaten en niet de andere criteria waarop de verzoeker positief scoorde. In de bestreden beslissing wordt niet gemotiveerd waarom de in hoofde van de verzoeker aangewezen criteria zo essentieel zijn voor het belang van de vacante functie en waarom de andere criteria waarop de verzoeker positief scoorde, van geen of minder belang zijn. De door de verwerende partij ingeroepen criteria in de bestreden beslissing zijn volgens de verzoeker uiterst subjectief en de beoordeling ervan in zijnen hoofde is uitermate subjectief en niet afdoende gemotiveerd. De verzoeker stelt dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom zijn managementkennis niet voldoende in lijn ligt met de moderne visie van een dienst die zich constant in vraag moet stellen en waarom zijn opvatting van de werking van een inlichtingendienst niet helemaal is afgestemd op de uitdagingen waarover een inlichtingendienst zich vandaag de dag geplaatst ziet. Evenmin wordt gemotiveerd wat de opvatting van de verwerende partij is over de werking van de inlichtingendienst en welke de opvatting van de weerhouden kandidaat moet zijn, waarom zijn benadering van samenwerkingsmechanismen van de inlichtingendiensten met het college van inlichting en veiligheid niet verenigbaar is met de geïntegreerde benadering van de veiligheidsproblemen, waarom de verzoeker niet het vereiste charisma en de capaciteit zou hebben om toekomstgericht te denken en welk charisma de weerhouden kandidaat dan wel moet hebben voor de functie. De verzoeker stelt dat in de bestreden beslissing geen rekening werd gehouden met de eigenlijke argumenten en bewijsstukken van zijn kandidaatstelling. Beoordeling
- De formele motiveringsplicht, vervat in de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet heeft tot doel de belanghebbende in kennis te stellen van de redenen waarom de desbetreffende administratieve overheid tot de bestreden beslissing is gekomen zodat de betrokkene in staat is te weten of het wenselijk is zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. IX-5387-19/37 Luidens artikel 3 van de motiveringswet moeten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en moeten deze afdoende zijn. De motivering moet juist en pertinent zijn en dient tevens concreet en precies te zijn, toegespitst op de concrete situatie. In zijn uiteenzetting van het middel stelt de verzoeker onder meer dat “de bestreden beslissing weinig of geen nauwkeurige en concrete motieven bevat waaruit op een gefundeerde manier blijkt dat hij niet zou voldoen aan de vereisten noodzakelijk voor het vervullen van het ambt van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat”. Hiermee steunt de verzoeker zijn middel op een schending van de formele motiveringsplicht, meer bepaald het afdoende karakter ervan. Daarnaast roept de verzoeker de schending in van de materiële motiveringsplicht in zoverre de bestreden beslissing, mede in acht genomen de gegevens van het dossier, niet steunt op motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn. De verzoeker is gerechtigd de schending van de formele motiveringsplicht op ontvankelijke wijze aan te voeren nu te dezen de door hem aangevoerde schending van de materiële motiveringsplicht een andere grondslag heeft dan de door hem aangevoerde schending van de motiveringswet.
- Gelet op het feit dat de verwerende partij beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de aanwijzing van een administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat en het onderzoek van de kandidaturen hiertoe, dient ze de beslissing tot het niet voordragen van een kandidaat des te meer afdoende te motiveren.
- In de bestreden beslissing zelf wordt uitdrukkelijk gewezen op het zeer specifiek profiel dat de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat vereist. Meer bepaald wordt uitdrukkelijk vermeld dat inhoudelijk niet alleen specifieke technische kennis is vereist, maar ook reactie-, nadenkings- en aanpassingsvermogen en dat het leiden van een dergelijke dienst reële management- competenties vereist. In de bestreden beslissing wordt voorts vermeld dat een selectiecomité belast werd met de evaluatie van de kandidaturen en wordt verwezen IX-5387-20/37 naar het rapport inzake verzoekers kandidatuur, dat aan de verzoeker ter kennis is gebracht. Vervolgens wordt in de bestreden beslissing aangegeven op grond van welke overwegingen, die de verwerende partij heeft afgeleid uit het geheel van de tests die zijn georganiseerd door het selectiecomité, verzoekers kandidatuur niet kan worden weerhouden. Hierbij geeft de verwerende partij concreet aan aan welke competenties, vereist voor de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, de verzoeker niet beantwoordt. Aldus vermeldt de verwerende partij dat de verzoeker aan een bepaalde stress onderhevig is, dat zijn opvatting van de werking van een inlichtingendienst niet helemaal is afgestemd op de uitdagingen waarvoor een inlichtingendienst zich vandaag geplaatst ziet, dat zijn management- kennis redelijk theoretisch is en niet voldoende in lijn ligt met een moderne visie van een dienst die zich constant in vraag moet stellen, dat zijn benadering van de samenwerkingsmechanismen van de inlichtingendiensten met het college van inlichting en veiligheid niet verenigbaar is met de geïntegreerde benadering van de veiligheidsproblemen en dat hij niet voldoende beantwoordt aan de vereisten van charisma en de capaciteit om toekomstgericht te denken. De motiveringsplicht gaat niet zover dat de verwerende partij verplicht zou zijn de motieven van de motieven weer te geven. In zoverre de verzoeker opmerkt dat niet duidelijk blijkt hoe volgens de verwerende partij het profiel van een administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat concreet dient te worden ingevuld, blijkt echter uit het voorgaande dat de verwerende partij, voorafgaand aan de verschillende over- wegingen op grond waarvan verzoekers kandidatuur niet werd weerhouden, de specifieke vereisten van het zeer specifieke profiel van een administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat heeft vermeld. Vervolgens heeft de verwerende partij bij de verschillende overwegingen op grond waarvan verzoekers kandidatuur niet werd weerhouden aangegeven wat een dienst als de Veiligheid van de Staat of de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat dan wel vereist. In zoverre de verzoeker de schending van de motiveringswet aanvoert, is het middel ongegrond. IX-5387-21/37
- Wat de kritiek van de verzoeker betreft dat de bestreden beslissing op bepaalde punten zou afwijken van het advies van het selectiecomité, met name wat zijn stressbestendigheid en zijn toekomstgericht denken betreft, dient vooreerst te worden opgemerkt dat deze twee elementen slechts een gedeelte vormen van de beweegredenen in de bestreden beslissing. De andere motieven worden door de verzoeker niet betwist. Hij toont voorts ook niet aan dat de andere motieven de bestreden beslissing niet of onvoldoende kunnen schragen, noch, omgekeerd, dat deze twee motieven essentieel bepalend zijn voor de bestreden beslissing.
- Voor zover de verzoeker aanvoert dat in de bestreden beslissing gesteld wordt dat hij “een bepaalde vorm van stress vertoont wanneer hij beslissin- gen moet nemen” wijl in het rapport van het selectiecomité vermeld wordt dat de verzoeker zeer stressbestendig is, dient te worden opgemerkt dat het comité deze stressbestendigheid vermeldt bij de eerste test en dit in verband met het criterium “Verantwoordelijkheidszin en initiatief nemen”. Bij deze test wordt echter ook vermeld dat de verzoeker niet veranderingsgericht is en wordt bij het criterium “flexibel en vernieuwend denken” vermeld dat hij liever bij het oude vertrouwde blijft, regelmaat verkiest boven afwisseling en een groot aantal opties overweegt vooraleer een definitieve beslissing te nemen. Bij de tweede test wordt aangaande hetzelfde criterium “flexibel en vernieuwend denken” vermeld dat dit zwak was. Het is dan ook in dit kader dat de verwerende partij in de bestreden beslissing heeft vastgesteld dat de verzoeker “een bepaalde vorm van stress vertoont wanneer hij beslissingen moet nemen”. Het is dan ook niet onredelijk dat de verwerende partij in de bestreden beslissing deze vaststellingen hertaald heeft tot de conclusie dat de verzoeker “een bepaalde vorm van stress vertoont wanneer hij beslissingen moet nemen”.
- Voor zover de verzoeker aanvoert dat in de bestreden beslissing gesteld wordt dat hij niet voldoende beantwoordt aan de vereiste van de capaciteit om toekomstgericht te denken, wijl in het rapport van het selectiecomité naar aanleiding van de eerste test vermeld wordt dat de verzoeker “de dingen voorname- lijk in strategisch perspectief op de lange termijn” bekijkt en “voldoende kritische ingesteldheid” heeft, dient vooreerst te worden opgemerkt dat dit slechts één enkele vermelding uitmaakt in het volledig rapport. Bij de tweede test vermeldt het rapport dat de verzoeker inzake visie te weinig komt tot een inhoudelijke visie en “geen echte vernieuwende visie op zijn organisatie” formuleert; zo ook wordt bij hem een gebrek aan vertaling van de strategie in haalbare actieplannen vastgesteld. Bij de IX-5387-22/37 derde test vermeldt het rapport dat de verzoeker geen kijk heeft op een actueel, integraal veiligheidsbeleid; zo ook wordt bij hem qua management vastgesteld dat hij niet komt tot een vernieuwende visie op de noodzakelijke ontwikkeling voor zijn organisatie. In de algemene motivatie merkt het selectiecomité op dat verzoekers visie op een eventuele reorganisatie van de dienst duidelijk niet gestoeld is op het uitgangspunt van een integraal veiligheidsbeleid. Het is op basis van de lezing van het rapport in zijn geheel dat de verwerende partij in de bestreden beslissing redelijkerwijze tot de voornoemde stelling kon komen.
- In zijn memorie van wederantwoord merkt de verzoeker op dat de bestreden beslissing niet motiveert waarom de voor hem negatieve elementen van het rapport de bovenhand hebben op de positieve en dat de negatieve elementen onvoldoende gemotiveerd worden. In de bestreden beslissing echter worden ook de voor de verzoeker positieve elementen vermeld doch wordt uiteengezet waarom hij desondanks niet voorgedragen wordt. Zo wijst de verwerende partij in haar bestreden beslissing op het feit dat de verzoeker het werk van de inlichtingendienst en de samenwerking ervan met onder meer de politie zeer goed kent, doch stelt ze hier tegenover dat de opvatting van de verzoeker over de werking van een inlichtingendienst niet helemaal is afgestemd op de uitdagingen waarvoor een inlichtingendienst zich vandaag de dag geplaatst ziet. Andere elementen die negatief uitvielen voor de verzoeker op basis van het rapport van het selectiecomité, zijn evenzeer in de bestreden beslissing opgenomen zoals het feit dat hij in bepaalde omstandigheden aan stress lijdt, dat zijn managementcapaciteiten onvoldoende zijn en dat hij over onvoldoende charisma en capaciteit beschikt om toekomstgericht te denken. De Raad van State dient te dezen vast te stellen dat de motieven van de in de bestreden beslissing opgenomen negatieve elementen afgeleid kunnen worden uit het rapport van het selectiecomité dat formeel niet door de verzoeker wordt bekritiseerd; de algemene motivatie van het rapport is globaal trouwens IX-5387-23/37 minder gunstig voor de verzoeker. De kritiek van de verzoeker dat de voor hem negatieve elementen in de bestreden beslissing onvoldoende toegelicht worden, kan dan ook niet worden bijgevallen.
- Het enig middel is ongegrond en het beroep tegen de beslissing van 7 juni 2006 dient te worden verworpen. VI. Onderzoek van de ontvankelijkheid en het middel in het tweede beroep Ontvankelijkheid
- De verwerende partij merkt op dat de verzoeker nagelaten heeft het koninklijk besluit van 27 oktober 2006 houdende de aanwijzing van Alain Winants voor het mandaat van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat aan te vechten met een annulatieberoep en dat dienvolgens deze aanstelling definitief is. Het beroep van de verzoeker tegen de beslissing van de minister van Justitie van 13 september 2006 waarbij zijn kandidatuur voor het mandaat niet in aanmerking wordt genomen, is dienvolgens zonder belang nu een gebeurlijke vernietiging van dit besluit hem geen voordeel meer kan opleveren. Beoordeling
- De verzoeker heeft het koninklijk besluit van 27 oktober 2006 houdende de aanwijzing van Alain Winants voor het mandaat van administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat aangevochten met het voorliggende derde beroep. Dit koninklijk besluit is derhalve nog niet definitief zodat de verzoeker zijn belang bij het voorliggende tweede beroep behouden heeft. De exceptie wordt verworpen. Enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van de algemene principes van behoorlijk bestuur, meer bepaald de formele en materiële motiveringsplicht. IX-5387-24/37 De verzoeker meent dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is, hoewel de beslissing sterk gemotiveerd diende te zijn gelet op het belang van de beslissing enerzijds en de discretionaire manier waarop deze tot stand is gekomen anderzijds. Volgens hem is de bestreden beslissing namelijk uitermate belangrijk zowel voor hem als voor de Belgische Staat, daar de te begeven post het hoogste ambt binnen de Veiligheid van de Staat betreft. Bovendien handelt het in casu om een zeer brede discretionaire bevoegdheid. De bestreden beslissing bevat volgens de verzoeker weinig of geen nauwkeurige en concrete motieven waaruit blijkt dat hij niet zou voldoen aan de vereisten, noodzakelijk voor het vervullen van het ambt van administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat. De beslissing beperkt zich namelijk tot het opsommen van enkele vage punten van kritiek. De verzoeker betwist de verwijzing in de bestreden beslissing naar de door het selectiecomité geuite twijfels over zijn bekwaamheid om een instelling als de Veiligheid van de Staat op lange termijn te besturen, gelet op een aantal bevindingen van het selectiecomité en zoals opgenomen in het rapport. Hij wijst erop dat de bevindingen die blijken uit het rapport van het selectiecomité tegenstrij- dig zijn met de conclusies van het selectiecomité en met de motivering van de bestreden beslissing. Bovendien zijn de conclusies van het selectiecomité en de motieven van de bestreden beslissing onvoldoende geconcretiseerd. Het is voor de verzoeker dan ook onduidelijk waarop de verwerende partij zich heeft gebaseerd om tot dergelijke conclusies te komen. Volgens de verzoeker wordt noch door de verwerende partij noch door het selectiecomité afdoende gemotiveerd waarom er ernstige twijfels worden geuit over zijn bekwaamheid om de Veiligheid van de Staat op lange termijn te besturen. Hij verwijst hierbij naar zijn kandidatuur in 2002 waarin hij zijn ideeën over de nieuwe structuur van de Staatsveiligheid uiteenzette en stelt de vraag of hij hiermee dan zijn beleidsinzichten op lange termijn niet heeft aangetoond. Met betrekking tot de algemene benadering van wat een inlichtingendienst hoort te zijn, verwijst de verwerende partij in de bestreden beslissing naar de ervaring van de verzoeker uit het verleden als adjunct- IX-5387-25/37 administrateur-generaal, maar stelt de verwerende partij dat hij geen dynamische visie over de inlichtingendienst zou hebben. De verwerende partij toont volgens de verzoeker niet aan wat zij verstaat onder de “dynamische visie van wat een inlichtingendienst thans hoort te zijn rekening houdend met de internationale en nationale ontwikkelingen”. Dit motief is dan ook algemeen en vaag en niet gesteund door concrete motieven zodat het niet als afdoende kan worden beschouwd. De verzoeker beweert een zeer dynamische visie te hebben van wat een inlichtingendienst thans hoort te zijn rekening houdend met de internationa- le en nationale ontwikkelingen. Wat de verwijzing in de bestreden beslissing naar zijn ervaring uit het verleden betreft, verwijt de verzoeker de verwerende partij dat zij hem de kans heeft ontnomen om voldoende ervaring op te doen door op 29 september 2002 Koenraad Dassen aan te wijzen in de hoedanigheid van administrateur-generaal en verzoekers kandidatuur op onwettige wijze te verwerpen en door op 15 januari 2003 zijn mandaat van adjunct-administrateur-generaal op te heffen. Dit kan dan ook niet tegen hem worden ingeroepen. Wat de vergelijking van de verzoeker met Alain Winants betreft, stelt de verzoeker dat de bestreden beslissing ten onrechte concludeert dat Alain Winants beter aansluit bij de eisen verbonden aan de functie van administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat. De verzoeker wijst erop dat de ervaring van Alain Winants met betrekking tot de problematiek van de zware criminaliteit, het terrorisme, de financiering van het terrorisme, de witteboordcriminaliteit en het witwassen van geld niet opweegt tegen zijn ervaring als adjunct-administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat. Deze onderwerpen werden door Alain Winants vanuit zijn hoedanigheid van advocaat-generaal bij het hof van beroep te Brussel namelijk vanuit een volstrekt ander perspectief en met andere doelstellingen bekeken en aangepakt. Bovendien is de kennis van de verzoeker groter dan de belangstelling waarvan sprake in de bestreden beslissing voor voornoemde onderwerpen van Alain Winants, daar de verzoeker van juni 2001 tot januari 2003 adjunct-administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat was en de Belgische regering tevens zijn kandidatuur had ingediend bij het secretariaat-generaal van de Europese Unie als nationaal expert inzake de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Voorts wordt volgens de verzoeker niet aangetoond waarom Alain Winants beter in staat zou zijn uitdagingen aan te gaan en beleidslijnen te heroriënteren die meer aangepast zijn aan de behoeften en noodzakelijkheden van het moment. Tot slot merkt de verzoeker op, wat het kennisniveau van Alain IX-5387-26/37 Winants voor Engels en Frans betreft, dat de actuele kennis van het Frans in hoofde van Alain Winants niet op basis van dezelfde criteria werd getoetst als de kennis van de verzoeker. De criteria voor het taalexamen van magistraat, waarvoor Alain Winants als advocaat-generaal bij het hof van beroep te Brussel is geslaagd, zijn volgens de verzoeker niet vergelijkbaar met de test die hij heeft moeten afleggen in het kader van de selectieprocedure. De verzoeker stelt dan ook de vraag hoe de verwerende partij zijn kennis van het Frans met deze van Alain Winants kan vergelijken op basis van dezelfde criteria. De verzoeker merkt nog op dat de door hem afgelegde proeven over de grondige kennis van het Frans aantonen dat hij er een zeer goede kennis van heeft. Uit de bestreden beslissing blijkt volgens de verzoeker niet dat met deze positieve resultaten rekening werd gehouden en waarom en in welke mate de resultaten van Alain Winants beter zouden zijn. De verzoeker stelt ten slotte dat de in de bestreden beslissing geciteerde conclusies van het selectiecomité niet afdoende zijn gemotiveerd. Zo wordt volgens hem niet afdoende gemotiveerd waarom het hem zou ontbreken aan het charisma van de nieuwe leidinggevende ambtenaar en waarom zijn visie nog niet zou gestoeld zijn op het uitgangspunt van een integraal veiligheidsbeleid. Het betreft een vage, algemene en onduidelijke motivering die zelfs strijdig is met het geciteerde verslag van het selectiecomité. De verzoeker stelt dat niet alleen de formele motiveringsplicht is geschonden, maar ook de materiële motiveringsplicht. In casu zijn de motieven waarop de beslissing is gebaseerd volgens hem feitelijk niet juist, zoals blijkt na lezing van het voorafgaandelijk advies dat de verwerende partij met betrekking tot zijn kandidatuur aan het selectiecomité heeft gevraagd. Wanneer de verwerende partij zich niet aansluit bij dit advies, moet in de motivering van haar beslissing worden vermeld waarom het advies niet werd gevolgd.
- De verwerende partij werpt in dezelfde bewoordingen als bij het eerste beroep op dat de verzoeker geen belang heeft bij het middel en het derhalve onontvankelijk is, in zoverre het op de formele motiveringsplicht berust. Zoals de verwerende partij reeds heeft uiteengezet in het kader van het beroep tot nietigverklaring met betrekking tot de beslissing waarbij verzoekers kandidatuur naar aanleiding van de eerste oproep tot kandidaten niet werd weerhouden, wijst zij er ook in het kader van voorliggend beroep tot nietigverklaring op dat de gegrondheid van het middel enkel kan worden onderzocht in zoverre het op een beweerde schending van de materiële motiveringsplicht berust. IX-5387-27/37 De verwerende partij wijst erop dat zij, in tegenstelling met wat de verzoeker beweert, het rapport van het selectiecomité helemaal niet naast zich heeft neergelegd. Zij heeft haar beslissing integendeel laten leiden door en volledig gebaseerd op de resultaten van dat rapport. Volgens de verwerende partij dienden de in aanmerking komende kandidaten voor de invulling van de vacante functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat zeer goed te scoren op het geheel van de vier testen, waaruit de selectieprocedure bestond. Wat de verzoeker betreft blijkt volgens de verwerende partij uit het algemeen beeld in het rapport met betrekking tot de resultaten van de CSA-test dat de verzoeker “gemiddeld” scoort. Zo blijkt ondermeer een zwak analytisch vermogen, een gebrek aan samenwerking en uitbouw van netwerken en een gemiddeld realiseren van doelstellingen. Wat de tweede, generieke, test betreft wordt melding gemaakt van meer dan één zwakke score, met name qua analytisch vermogen, flexibel en vernieuwend denken, een zwak ontwikkeld leidinggevend vermogen wat de manier van omgang binnen een HR-omgeving betreft, althans voor grote groepen zoals een gedecentraliseerde organisatie van 1.000 personen, een gebrek aan sturing, het ontwijken van een tegensprekelijk debat en het onvoldoende kunnen overtuigen van zijn publiek, een anekdotische aanpak, enzovoort. Wat de derde test inzake de technische competenties betreft, wordt geconcludeerd tot de aanwezigheid van een grondige technische competentie, doch ook een gebrek aan detailkennis inzake de nieuwste informatie inzake actualiteit, een onevenwicht in het beleven van het spanningsveld tussen de bescherming van de privacy van de burger en de belangen van de maatschappij en een veeleer theoretische managementkennis met een gebrek aan (vernieuwende) visie op de noodzakelijke ontwikkeling voor zijn organisatie. Ten slotte wijst de verwerende partij op het advies van het selectiecomité dat de resultaten van de verschillende testen integreert. De verwerende partij leidt uit een vergelijking van deze tekst met de motieven van de bestreden beslissing af dat zij zich bij het nemen van haar beslissing duidelijk heeft IX-5387-28/37 laten leiden door hetgeen in het evaluatierapport van het selectiecomité werd bepaald. Zij sluit zich daar overigens volledig bij aan. De verwerende partij stelt dat de verzoeker eenzijdig de positieve punten, zoals die naar voren komen in de deelconclusies in het juryrapport, benadrukt, doch dat hij voorbijgaat aan de negatieve opmerkingen in die deelrappor- ten en in de globale appreciatie met betrekking tot het gehele profiel. Zij is van oordeel dat het algemeen eindoordeel, dat een globale beoordeling inhoudt, van doorslaggevend belang is en niet de partiële conclusies met betrekking tot de afzonderlijke testen. Er kan dan ook niet worden gesuggereerd dat een tegenstrijdig- heid zou bestaan tussen het rapport van het selectiecomité en de conclusies van het selectiecomité. In zoverre de verzoeker kritiek uit op de eindconclusie van het selectiecomité, merkt de verwerende partij op dat de selectiejury zijn oordeel moest baseren op de resultaten van de verschillende selectieproeven en niet op de beweerde capaciteiten van de verzoeker zoals die zouden moeten blijken uit voorstellen ter verbetering van de werking van de Veiligheid van de Staat die hij zou hebben geformuleerd naar aanleiding van een eerdere kandidatuur. De verwerende partij merkt nog op dat de proeven op zich consistent zijn. Dit blijkt uit het feit dat de door de verzoeker behaalde resultaten van de proeven naar aanleiding van zijn tweede kandidatuur volledig in lijn liggen met de resultaten van de proeven naar aanleiding van zijn eerste kandidatuur. In zoverre volgens de verzoeker ten onrechte werd geconcludeerd dat Alain Winants beter aansluit bij de eisen verbonden aan de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, merkt de verwerende partij vooreerst op dat de verzoeker slechts belang heeft bij de huidige procedure en a fortiori bij dit deel van zijn argumentatie, voor zover hij ook de benoeming van Alain Winants aanvecht, wat volgens haar niet is gebeurd. Indien de verzoeker toch belang zou hebben bij deze argumenta- tie, wijst de verwerende partij erop dat zij haar reeds omstandig toegelichte beslissing bijkomend heeft gemotiveerd door te verwijzen naar de kandidatuur van Alain Winants opdat verzoeker de motieven van de beslissing nog beter zou kunnen begrijpen. IX-5387-29/37 De bestreden beslissing motiveert ook volgens de verwerende partij waarom het profiel van Alain Winants beter aansluit bij de vereisten van de vacante betrekking. Ten eerste is zijn wetenschappelijk profiel nauw verbonden met de activiteiten van de Veiligheid van de Staat en gaat zijn belangstelling uit naar activiteiten die nauw aansluiten bij de kerntaken van de Veiligheid van de Staat. Ten tweede blijkt hij in staat te zijn om professionele uitdagingen aan te gaan en de beleidslijnen te heroriënteren in geval zij niet langer aansluiten bij de behoeften en de noodwendigheden van de dienst. Ten slotte heeft hij een betere talenkennis. Zijn grondige kennis van het Frans blijkt volgens de verwerende partij onomstotelijk uit het feit dat hij het taalexamen van magistraat heeft afgelegd. De verwerende partij stelt dat zij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt om een kandidaat te benoemen in de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. Nadat zij zich behoorlijk en zorgvuldig heeft laten inlichten omtrent de kandidaatstellingen, heeft zij geoordeeld dat de verzoeker niet over het geschikte profiel beschikt. Dit blijkt volgens haar nog overtuigender wanneer de verzoeker wordt vergeleken met Alain Winants, wiens profiel beter aansluit bij de vereisten voor de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. Gelet op de woelige periode waaruit de dienst komt, het strategisch nationaal en internationaal belang van de functie en de omvang van de organisatie, achtte de verwerende partij de gemiddelde score van de verzoeker niet sterk genoeg voor de betrokken functie. Zij heeft dan ook gekozen voor de kandidatuur van Alain Winants, die een meer geschikt profiel in competenties heeft. In de mate dat de Raad van State van oordeel zou zijn dat bepaalde motieven uit de bestreden beslissing niet uit het rapport van het selectieco- mité kunnen worden afgeleid, dienen volgens de verwerende partij deze motieven als overtollig te worden beschouwd. Er zijn immers voldoende determinerende en in de bestreden beslissing veruitwendigde motieven voorhanden die de beslissing kunnen dragen en die ook voorkomen in zowel de deelconclusies als in de algemene conclusie van het rapport van het selectiecomité. Het betreft met name het gegeven dat de managementkennis van de verzoeker redelijk theoretisch is en niet voldoende in lijn ligt met een moderne visie van een dienst die zich constant in vraag moet stellen en dat hij over onvoldoende charisma en capaciteit beschikt om toekomstge- richt te denken. IX-5387-30/37
- In zijn memorie van wederantwoord betwist de verzoeker in dezelfde bewoordingen als in het eerste beroep de door de verwerende partij aangehaalde exceptie van onontvankelijkheid van het middel in zoverre het op de formele motiveringsplicht berust. Hij betoogt dat de formele motiveringsplicht is geschonden gezien het niet voorhanden zijn van voldoende afdoende motieven; de materiële motiveringsplicht is geschonden, daar de beslissing niet gedragen wordt door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn en de beslissing voldoende dragen. Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij in de bestreden beslissing enkel met een aantal mindere punten uit het rapport van het selectiecomité rekening gehouden, zonder dat wordt uitgelegd in de bestreden beslissing waarom precies deze aspecten en criteria doorslaggevend zijn voor het beoordelen van de kandidaten en niet de andere criteria waarop de verzoeker positief scoorde. De door de verwerende partij ingeroepen criteria in de bestreden beslissing zijn volgens hem uiterst subjectief en de beoordeling ervan in zijnen hoofde is uitermate subjectief en niet afdoende gemotiveerd. Met betrekking tot een aantal door de verwerende partij in haar memorie van antwoord opgesomde en door het selectiecomité vastgestelde resultaten in hoofde van de verzoeker op de eerste, de tweede en de derde test, stelt de verzoeker dat deze zogezegde zwakke scores niet zijn gemotiveerd in de bestreden beslissing en niet zijn gebaseerd op objectieve elementen. De verzoeker wijst er voorts op dat de zwakke scores ook in het evaluatierapport niet worden gemotiveerd en evenmin worden verantwoord op basis van objectieve elementen. Aldus blijft de bestreden beslissing onvoldoende formeel en materieel gemotiveerd. In zoverre de verwerende partij stelt dat het resultaat van het evaluatierapport gebaseerd is op de afgelegde testen en de resultaten van de selectieproeven, naar aanleiding van de tweede kandidatuur, volledig in lijn liggen met de resultaten van zijn eerste kandidatuur, antwoordt de verzoeker dat noch in het evaluatierapport van het selectiecomité noch in de bestreden beslissing gemotiveerd wordt waarom uit de resultaten van de selectieproeven deze negatieve punten en negatieve conclusies dienden te worden afgeleid. Het evaluatierapport en de bestreden beslissing beperken zich er volgens de verzoeker toe om een aantal IX-5387-31/37 beweerde negatieve punten vast te stellen, zonder te motiveren waaruit deze negatieve scores blijken en zonder te verwijzen naar de eventueel slechte resultaten van de testen, zodat de bestreden beslissing enerzijds onvoldoende formeel gemotiveerd is en anderzijds de inhoud ervan niet gebaseerd is op objectieve elementen die kunnen worden aangetoond. Wat het gebrek aan belang betreft, dat door de verwerende partij is ingeroepen omwille van het niet aanvechten van de benoeming van Alain Winants, wijst de verzoeker er nogmaals op dat hij deze benoeming wel degelijk heeft aangevochten door middel van een annulatieberoep dat op 22 december 2006 bij de Raad van State werd ingediend. Wat de door de verwerende partij aangehaalde drie motieven betreft waarom het profiel van Alain Winants beter aansluit bij de vereisten van de vacante betrekking, merkt de verzoeker op dat deze beweerde betere scores in de bestreden beslissing enkel worden geponeerd, doch niet worden aangetoond of niet worden gemotiveerd aan de hand van objectieve elementen die zouden blijken uit de selectieproeven. De stellingen dat de managementkennis van de verzoeker redelijk theoretisch is en niet voldoende in lijn ligt met een moderne visie van een dienst die zich constant in vraag moet stellen en dat de verzoeker over onvoldoende charisma en capaciteit beschikt om toekomstgericht te denken, worden volgens hem noch in de bestreden beslissing, noch in het evaluatierapport van het selectiecomité, noch in de memorie van antwoord gemotiveerd op basis van objectieve elementen. Er wordt niet aangetoond waaruit deze negatieve scores zouden blijken. Beoordeling
- Wat de exceptie van de verwerende partij betreft dat de verzoeker geen belang heeft bij het middel in zoverre het op de formele motiveringsplicht berust, kan verwezen worden naar de bespreking onder het randnummer 9 dat van overeenkomstige toepassing is.
- De verzoeker kan niet worden gevolgd in zijn bewering dat de bestreden beslissing geen, dan wel weinig, nauwkeurige en concrete motieven bevat IX-5387-32/37 waaruit blijkt dat hij niet zou voldoen aan de vereisten noodzakelijk voor de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. In de bestreden beslissing zelf wordt gewezen op de door het selectiecomité overgemaakte resultaten van de door de verzoeker afgelegde proeven en op de conclusies hiervan, die het selectiecomité reeds naar voor had geschoven bij verzoekers deelname aan de eerste selectieprocedure; vervolgens worden de conclusies van het selectiecomité wat verzoekers kandidatuur betreft opgenomen en wordt uitdrukkelijk aangegeven op grond van welke overwegingen precies verzoekers kandidatuur voor de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat niet kan worden weerhouden. De verwerende partij heeft hierbij ook telkens aangegeven wat een dienst als de Veiligheid van de Staat dan wel vereist. Ook wordt in de bestreden beslissing uiteengezet waarom het profiel van Alain Winants beter aansluit bij de eisen die verbonden zijn aan de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat.
- Voorzover de verzoeker de vaststelling in de bestreden beslissing tracht te weerleggen dat het selectiecomité ernstige twijfels heeft over zijn bekwaamheid om de Veiligheid van de Staat op lange termijn te besturen, dient erop te worden gewezen dat de verzoeker slechts een aantal positieve bevindingen uit het rapport van het selectiecomité opsomt. Hij beperkt zich hierbij slechts tot de bevindingen met betrekking tot de eerste test. De verzoeker verliest daarbij de resultaten van de overige testen, de conclusies hieruit en de algemene motivatie van de jury uit het oog inzonderheid waar gewezen wordt op de noodzaak dat duidelijke beleidslijnen op lange termijn vereist zijn.
- Evenwel bij de lezing van het gehele rapport blijkt dat in redelijkheid kon worden afgeleid dat verzoekers bekwaamheid om de Veiligheid van de Staat te besturen, zoals het algemeen belang het vereist, kan worden betwijfeld.
- In zoverre de verzoeker voorts zijn bekwaamheid om de Veiligheid van de Staat op lange termijn te besturen tracht te bewijzen door de verwijzing naar zijn kandidatuur in 2002, dient met de verwerende partij te worden gesteld dat de beoordeling van de kandidatuur van de verzoeker diende te geschieden aan de hand van het onderzoek, de huidige kandidaatstelling en de huidige selectieprocedure. IX-5387-33/37 Wanneer de verzoeker erop wijst dat de verwerende partij hem de kans ontnomen heeft om ervaring op te doen door enerzijds Koenraad Dassen bij koninklijk besluit van 29 september 2002 als administrateur-generaal aan te wijzen, en anderzijds bij koninklijk besluit van 15 januari 2003 een einde te stellen aan zijn aanwijzing als adjunct-administrateur-generaal, dient te worden opgemerkt dat de verzoeker tegen dit laatste koninklijk besluit geen annulatieberoep heeft ingesteld.
- Verzoekers bewering dat de in de bestreden beslissing geciteerde conclusies van het selectiecomité geen afdoende motivering betreffen die zelfs strijdig zijn met het verslag van het selectiecomité, kan evenmin worden bijgetreden. Hij geeft hier een selectieve lezing aan de resultaten van de test waaraan hij onderworpen werd. De globale conclusie van het verslag van het selectiecomité geeft een correcte weergave van deze testresultaten.
- De verwerende partij zet voorts in de bestreden beslissing uiteen waarom de kandidatuur van Alain Winants beter aansluit bij de eisen verbonden aan de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. De vergelijking met Alain Winants dient te dezen als een overtollig motief te worden aangemerkt, wat in de bestreden beslissing ten andere zelf reeds is aangegeven door middel van het woord “overigens”. De eventuele onwettigheid van dit motief kan op zich niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden.
- In zoverre de verzoeker er in zijn memorie van wederantwoord nog op wijst dat in de bestreden beslissing enkel met de mindere punten uit het rapport rekening wordt gehouden, dient te worden herhaald dat het elementen betreffen die doorheen het rapport van het selectiecomité weerkeren en dewelke aldus doorslaggevende elementen zijn in verzoekers kandidatuur. Aldus heeft de verwerende partij in redelijkheid kunnen oordelen dat er redenen zijn om verzoekers kandidatuur niet in aanmerking te nemen. In zoverre de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord voorts nog opwerpt dat de door de verwerende partij in de bestreden beslissing ingeroepen criteria subjectief zijn en de zwakke scores op de testen niet verantwoord zijn op basis van objectieve elementen, dient te worden opgemerkt dat de bevindin- IX-5387-34/37 gen van het selectiecomité, waarop de bestreden beslissing is gesteund en zoals weergegeven in het rapport, resulteren uit de door de verzoeker afgelegde testen aan de hand waarvan een aantal competenties werden getoetst. De Raad van State ziet niet in in welke mate deze testen en de daaruit afgeleide bevindingen niet objectief zouden zijn. Het enig middel is niet gegrond. VII. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het derde beroep
- In het enig verslag dat de auditeur-verslaggever over de drie beroepen heeft opgemaakt, wordt geconcludeerd dat wanneer de beide annulatiebe- roepen betreffende de beslissingen met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van de kandidatuur van de verzoeker, dit zijn het eerste en het tweede beroep, dienen te worden verworpen, deze beslissingen definitief zijn en dat hieruit voortvloeit dat de verzoeker geen belang meer zou hebben bij het beroep tegen de aanwijzing van Alain Winants als administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, dit is het derde beroep. De verzoeker zou immers geen enkel voordeel meer kunnen halen uit een vernietiging van deze aanwijzing daar hij terecht niet in aanmerking werd genomen voor deze functie. De auditeur-verslaggever besluit dat dit derde beroep dient verworpen te worden bij gebrek aan het rechtens vereiste belang.
- In zijn laatste memorie betwist de verzoeker deze opvatting. Hij wijst erop dat hij in het derde beroep aanvoert dat de verwerende partij zijn kandidatuur en deze van Alain Winants ongelijk heeft behandeld. De beide beslissingen dienen met elkaar te worden vergeleken. Hij wijst uitdrukkelijk op het tweede middel in zijn derde beroep waarin hij de schending inroept van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het materiële motiveringsbeginsel als algemeen rechtsbe- ginsel of beginsel van behoorlijk bestuur en het beginsel van de draagkrachtvereiste, het beginsel van de gelijke toegankelijkheid tot de openbare ambten en de beginselen van behoorlijk bestuur; in dit middel betoogt hij onder meer dat zijn kandidatuur en die van Alain Winants niet op basis van dezelfde criteria werden IX-5387-35/37 vergeleken en dat er door de verwerende partij geen ernstige argumenten worden gegeven om aldus te handelen. De verzoeker wijst er voorts op dat de conclusie van de auditeur- verslaggever leidt tot een gebrek aan rechtsbescherming. Beoordeling
- De eerste selectieronde werd niet afgesloten met de aanwijzing van een mandaathouder. De verwerping van het eerste beroep houdt dan ook in dat deze procedure definitief afgesloten is.
- De tweede selectieronde leidde tot het niet in aanmerking nemen van de kandidatuur van de verzoeker en tot de aanwijzing van Alain Winants als administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. De verwerping van het tweede beroep leidt weliswaar tot de conclusie dat de verzoeker niet kon worden aangewezen doch betekent niet ipso iure dat het derde beroep zonder belang wordt voor de verzoeker. De verzoeker kan tegen de aanwijzing van Alain Winants immers middelen aanvoeren waarbij betoogd wordt dat ook Alain Winants niet kon worden aangewezen en, daar dit uiteindelijk de twee enige kandidaten waren, dat dus niemand kon worden aangewezen, dat de betrekking opnieuw vacant wordt en dat de verzoeker een kans krijgt zich opnieuw kandidaat te stellen. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het derde beroep vergt dienvolgens dat wordt onderzocht of de verzoeker dergelijke middelen aanvoert. Er is dienvolgens grond het derde beroep te onderzoeken. BESLISSING
- De zaken nrs. A. 175.540/IX-5387, 178.418/IX-5460 en 179.720/IX-5524 worden samengevoegd. IX-5387-36/37
- De Raad van State verwerpt de beroepen in de zaken A. 175.540/IX-5387 en A. 178.418/IX-
- De debatten worden heropend in de zaak A. 179.720/IX-
- Het door de auditeur-generaal aan te wijzen lid van het auditoraat wordt belast met een verder onderzoek van de zaak.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de eerste twee beroepen tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5387-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.598 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div