id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.599 Rolnummer: A. 173481/IX-5335 Zaak: Arrest 201599 - Personeel van de griffies en parketten - 08/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-16 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 201.599 van 8 maart 2010 Justitie - Personeel van de griffies en parketten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.599 van 8 maart 2010 in de zaak A. 173.481/IX-5335 In zake : Chantal SCHIPPERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Luyckx en Kris Lardenoit kantoor houdend te Brussel A. Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Cottyn kantoor houdend te Aalst Leopoldlaan 32A, bus 1-2 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Sonja VERBEKEN wonende te Antwerpen Ringlaan 63 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 220, bus 14 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 mei 2006, strekt tot de nietigverkla- ring van het koninklijk besluit van 28 maart 2006 waarbij Sonja Verbeken benoemd wordt tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Boom. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 164.236 van 30 oktober 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. IX-5335-1/13 De verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 januari
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 maart
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat John Avenel, die loco advocaat Chris Luyckx verschijnt voor de verzoekster, advocaat Wendy Van Laethem, die loco advocaat Marc Cottyn verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-5335-2/13 III. Feiten 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 3 juni 2005 wordt de vacature bekendgemaakt van de betrekking van hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Boom. 3.
- Tien personen, onder wie de verzoekster en de tussenkomende partij, stellen zich kandidaat. De verzoekster is sinds 1 januari 2004 griffier bij het vredegerecht van het kanton Boom waar de betrekking van hoofdgriffier te begeven is. Voordien was zij griffier bij de Krijgsraad te Brussel. De tussenkomende partij was op dat ogenblik griffier bij het vredegerecht van het negende kanton Antwerpen, waar zij sinds 6 januari 2004 is aangesteld als waarnemend hoofdgriffier. 3.
- Met betrekking tot de kandidatuur van de verzoekster worden volgende adviezen gegeven: De vrederechter van het kanton Boom geeft op 5 september 2005 een zeer gunstig advies, in de volgende bewoordingen: “POSITIEF: - Goede staat van dienst met voldoende ervaring met betrekking tot het griffiewerk op een vredegerecht; - Vertrouwd met de Boomse Griffie; - Duidelijk bekwaam om leiding te geven : in de specifieke Boomse situatie heeft zij in korte tijd voldoende autoriteit opgebouwd tegenover het griffiepersoneel, zodat de feitelijke leiding van de Boomse Griffie bij haar berust; - Zeer gemotiveerd voor de opdracht met zin voor initiatief en structuur; - Goed voorkomen; - Taalvaardig en communicatief; NEGATIEF: - Nihil EINDCONCLUSIE: - Zeer gunstig - Ik beschouw haar als de meest geschikte kandidate voor de functie.” De procureur des Konings te Antwerpen sluit zich op 6 december 2005 bij dit advies aan. IX-5335-3/13 3.
- Met betrekking tot de kandidatuur van de tussenkomende partij worden volgende adviezen gegeven: De vrederechter van het kanton Boom geeft op 5 september 2005 een gunstig advies, in de volgende bewoordingen: “POSITIEF: - Goede staat van dienst met veel ervaring met betrekking tot het werk op een vredegerecht en ook met leiding geven op de griffie; - Goed voorkomen; - Taalvaardig en communicatief; - Sociaal geëngageerd; - Gemotiveerd voor de opdracht; NEGATIEF: - Nihil EINDCONCLUSIE: - Gunstig.” De tussenkomende partij stelt tegen het gunstig advies van de vrederechter beroep in bij de raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep te Antwerpen. De raad van beroep beslist eenparig het beroep gegrond te verklaren en het advies te wijzigen in “zeer gunstig” op grond van volgende overwegingen: “De Raad stelt vast dat betrokkene reeds sedert geruime tijd (vanaf begin 2004) als plaatsvervanger het ambt van hoofdgriffier waarneemt. Zij heeft in deze minder sterke positie van waarnemend functionaris getoond aan de griffie van het vredegerecht goede leiding te kunnen geven, het team ter griffie te kunnen motiveren en een goede dienstverlening aan de vrederechter en de rechtzoekenden te kunnen organiseren en deze zelfs te kunnen verbeteren. Betrokkene heeft ernstige inspanningen gedaan om door specifieke opleidingen de vereiste kennis voor de vervulling van haar ambt te willen bijschaven en ontwikkelen. Zij maakt aannemelijk dat zij de permanente vorming ook in het kader van het beoogde ambt zal blijven verzorgen. Haar kandidaatstelling voor het ambt van hoofdgriffier van een vredegerecht verkreeg recent tot driemaal toe in diverse omstandigheden een ‘zeer gunstig’ advies. De positieve beoordeling in het bestreden advies, en de afwezigheid van negatieve opmerkingen, tonen aan dat er sedert het meest recente advies (‘zeer gunstig’) in 2005 geen elementen bestaan die tot minder dan een ‘zeer gunstig’- advies zouden moeten doen besluiten. De Raad is ertoe gehouden de adviesaanvraag op haar eigen verdiensten te beoordelen in het licht van de kwaliteiten van de kandidaat tot het vervullen van het beoogde ambt, ongeacht de adviezen door de adviesverlener aan andere kandidaten verstrekt.” De procureur des Konings te Antwerpen geeft in een brief van 19 december 2005 aan de vrederechter van het kanton Boom het volgende advies: IX-5335-4/13 “De kandidate voldoet aan de voorwaarden gesteld in art. 263 § 1 Ger. Wb. Ik kan mij aansluiten bij uw advies, dat door de Raad van Beroep voor het rechtsgebied (van het) Hof van Beroep te Antwerpen gewijzigd werd in ‘zeer gunstig’. Volledigheidshalve - en zonder dat dit in de huidige stand van zaken een oordeel inhoudt over de verantwoordelijkheid hiervoor - vermeld ik wel nog dat op de huidige werkplaats van de kandidate, het vredegerecht van het 9e kanton, een zeer gespannen werksituatie bestaat sedert ongeveer twee jaar. Zowel mevrouw Verbeken als mevrouw de vrederechter van voormeld kanton hebben, tegen elkaar, diverse klachtbrieven gericht aan diverse instanties.” 3.
- Bij koninklijk besluit van 28 maart 2006 wordt de tussenkomende partij benoemd tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Boom. Het benoemingsbesluit berust op volgende motieven: “[...] Gelet op de zeer gunstige adviezen van de rechterlijke overheden; Overwegende dat mevr. Verbeken Sonja van de twee kandidaten die een zeer gunstig advies verkregen reeds in dienst is bij een vredegerecht sinds december 1995 en zich bijgevolg onderscheidt doordat ze beschikt over de langste ervaring in een vredegerecht; Overwegende dat betrokkene reeds sedert februari 2004 overeenkomstig artikel 328 Ger. W. de functies van hoofdgriffier van het vredegerecht van het negende kanton Antwerpen, waarneemt; Overwegende dat betrokkene een goede staat van dienst heeft, met veel ervaring met betrekking tot het werk op een vredegerecht en ook met leiding geven op de griffie; Overwegende dat betrokkene taalvaardig, communicatief en sociaal geëngageerd is; Overwegende dat betrokkene een goed voorkomen heeft; Overwegende dat betrokkene gemotiveerd is om de functie van hoofdgrif- fier te vervullen; Overwegende dat betrokkene de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult.” Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij betoogt IX-5335-5/13 dat benoemingen naar keuze steeds moeten geschieden op grond van een objectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten, maar dat de overwegin- gen van het bestreden besluit niet toelaten uit te maken waarom de tussenkomende partij zich van de verzoekster onderscheidt. Immers uit het dossier blijkt dat de vrederechter - onder meer op basis van de ervaringen van beide kandidates op een griffie van een vredegerecht - de verzoekster de meest geschikte kandidate achtte. De verwerende partij kon dat advies, dat de voorrang geeft aan de verzoekster niet zomaar naast zich neerleggen, zeker nu de vrederechter het heeft over “de specifieke Boomse situatie” en de procureur des Konings gewag maakt van ernstige problemen op het 9e kanton van Antwerpen tussen de vrederechter aldaar en de benoemde kandidate. De specifieke situatie waarin de griffie van het kanton Boom zich bevond, ontstond na de pensionering van de vorige hoofdgriffier, toen de waarne- mende hoofdgriffier deze functie feitelijk niet uitoefende en deze verantwoordelijk- heid op de schouders van de verzoekster berustte, hetgeen zij overigens tot grote voldoening van het voltallige griffiepersoneel en de heer vrederechter gedaan heeft. In het advies van de vrederechter wordt daarom ook gesteld dat de verzoekster in korte tijd voldoende autoriteit opgebouwd heeft tegenover het griffiepersoneel. Volgens de verzoekster is het kennelijk onredelijk om enkel het aantal jaren werkervaring op een griffie van een vredegerecht als benoemingscriterium te hanteren, wanneer uit de adviezen van de vrederechter voor de twee kandidates blijkt dat dit verschil in jaren geen uitstaans heeft met de werkelijke ervaring. Dergelijk criterium kan niet in aanmerking genomen worden om twee kandidaten van elkaar te onderscheiden. Daarenboven blijkt uit het advies van de procureur des Konings dat de verstandhouding tussen de tussenkomende partij en de vrederechter van het negende kanton Antwerpen ernstig verstoord was, waardoor minstens de indruk ontstaat dat de tussenkomende partij in de vacante betrekking benoemd werd om een einde te stellen aan deze verstoorde verstandhouding, eerder dan de beste kandidate te benoemen voor de functie van hoofdgriffier van het kanton Boom. Indien dit de werkelijke motieven zouden zijn, dan heeft de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel geschonden, doordat de beslissing alleszins niet genomen werd in het algemeen belang.
- De verwerende partij antwoordt daarop : in tegenstelling tot wat de verzoekster stelt, moeten in een benoemingsbesluit enkel de redenen worden aangegeven die bepalend zijn geweest voor de keuze van de overheid. Het koninklijk besluit van 28 maart 2006 laat de verzoekster toe de motieven te achterhalen waarom de tussenkomende partij boven haar werd verkozen. Uit de IX-5335-6/13 motieven van het bestreden besluit blijkt dat de benoemende overheid, gelet op de zeer gunstige adviezen voor twee kandidaten, de kandidaat gekozen heeft met de meeste anciënniteit in een vredegerecht en de meeste anciënniteit als waarnemend hoofdgriffier. Het bestreden besluit voldoet zodoende aan de formele motiverings- plicht. Wat de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, wijst de verwerende partij op de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State en op de ruime bevoegdheid van de benoemende overheid om te kiezen tussen de kandidaten die aan de voorwaarden van bekwaamheid, geschikt- heid en moraliteit voldoen. Eens is komen vast te staan dat de kandidaten zich op vergelijkba- re titels en verdiensten kunnen beroepen, heeft de benoemende overheid de vrije keuze onder de kandidaten. In casu waren de adviezen van zowel de magistraat- korpsoverste als van de procureur des Konings te Antwerpen voor beide kandidaten “zeer gunstig”. Rekening houdend met de vergelijkbare titels en verdiensten van de kandidaten, is het niet onredelijk dat de benoemende overheid de kandidaat onderscheidt op basis van de grotere anciënniteit van één van hen. Het bestreden besluit werd genomen in het algemeen belang en schendt geenszins het redelijkheidsbeginsel. Dat de tussenkomende partij in de vacante betrekking benoemd werd om een einde te stellen aan de verstoorde verstandhouding tussen haar en de vrederechter van het negende kanton te Antwerpen is niets meer dan een loutere bewering die door niets wordt gestaafd. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden, aangezien het administratief dossier de “lijst van de kandidaten, voorgelegd aan mevrouw de minister” bevat, met voor elke kandidaat de opgave van zijn professionele situatie, de aard van de adviezen die over hem werd uitgebracht, alsmede inlichtingen betreffende hun dienstanciënniteit, hun anciënniteit ter plaatse en hun graadanciënniteit. Na vergelijkend onderzoek werd de keuze gemaakt op basis van dezelfde criteria, meer bepaald de dienstanciënniteit. IX-5335-7/13
- In haar memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekster dat uit het advies van de procureur des Konings te Antwerpen blijkt dat de verstandhou- ding tussen de benoemde kandidate en de vrederechter van het negende kanton te Antwerpen ernstig verstoord was, waardoor de indruk ontstaat dat de tussenkomen- de partij in de vacante betrekking benoemd werd om een einde te stellen aan de verstoorde verstandhouding en niet de beste kandidaat werd benoemd. Indien dit de werkelijke motieven zouden blijken te zijn, dan heeft de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat de beslissing dan niet genomen werd in het algemeen belang.
- De tussenkomende partij betwist dat de titels en verdiensten van de kandidaten op onvoldoende wijze vergeleken zouden zijn en dat er niet zou aangegeven zijn op grond van welke criteria zij de voorkeur gekregen heeft. Volgens haar is de motivering van het bestreden besluit duidelijk: het preciseert niet alleen dat er een vergelijking werd gemaakt van de titels en de verdiensten, maar stelt dat zij over een veel langere ervaring beschikt in een vredegerecht en zij bovendien sedert februari 2004 overeenkomstig artikel 328 van het Gerechtelijk Wetboek de functies van hoofdgriffier van het vredegerecht van het negende kanton Antwerpen waarneemt. De verzoekster verwijst wel naar haar feitelijke leiding van de griffie van het vredegerecht van het kanton Boom, maar dat doet niets af aan de vaststelling dat zij sedert 1994 als griffier werkt op een vredegerecht en verzoekster slechts sedert 1 januari
- Het bestreden besluit verwijst naar de zeer gunstige adviezen die beide kandidaten hebben gekregen en heeft de voorkeur gegeven aan de kandidaat met zowel de langste ervaring in een vredegerecht als met de langste ervaring als waarnemend hoofdgriffier. Ten onrechte stelt de verzoekster dat het onredelijk is om het aantal jaren werkervaring als een criterium te hanteren. Het is integendeel redelijk dat twee kandidaten die een advies “zeer gunstig” hebben gekregen, worden onderscheiden door het feit dat de ene kandidaat een beduidend langere ervaring heeft. Ook het redelijkheidsbeginsel is volgens haar niet geschonden. De benoemende overheid heeft een discretionaire bevoegdheid bij de keuze van de beste kandidaat. De Raad van State kan die keuze slechts onwettig bevinden wanneer ze kennelijk onredelijk is. Dit is hier niet het geval. Het is ook volkomen ten onrechte dat de verzoekster verwijst naar de verstoorde verstandhouding op het vredegerecht van het negende kanton. Deze IX-5335-8/13 loutere bewering van de verzoekster wordt door niets gestaafd. Er is geen schending van het gelijkheidsbeginsel en de bestreden beslissing werd wel degelijk genomen in het algemeen belang; de benoemende overheid heeft de naar haar mening beste kandidaat benoemd. Beoordeling
- De verzoekster voert aan dat de vrederechter van het kanton Boom haar als de meest geschikte kandidaat beschouwde, maar dat uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid waarom zij niet benoemd werd. De benoemende overheid zou daardoor niet voldaan hebben aan de verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten op een objectieve wijze te vergelijken. Bij het nemen van haar besluit beschikte de verwerende partij over het gemotiveerd advies van de raad van beroep, waarbij de procureur des Konings zich aansloot. In die adviezen werden de vorming, de ervaring, de kwaliteiten van de kandidaten en hun bekwaamheid om het vacante ambt uit te oefenen belicht. Het bestreden besluit motiveert de benoeming van de tussenkomende partij met de overweging “dat mevr. Verbeken Sonja van de twee kandidaten die een zeer gunstig advies verkregen reeds in dienst is bij een vredegerecht sinds december 1995 en zich bijgevolg onderscheidt doordat ze beschikt over de langste ervaring in een vredegerecht”. Bovendien wordt er op gewezen dat zij “reeds sedert februari 2004 overeenkomstig artikel 328 Ger. W. de functies van hoofdgriffier van het vredege- recht van het negende kanton Antwerpen, waarneemt”. Die motivering is duidelijk. Zij steunt op feitelijk juiste gegevens. De verzoekster leest erin waarom, nu de beide kandidaten over een zeer gunstig advies beschikten, de verwerende partij dan toch voor de tussenkomende partij gekozen heeft. Dergelijke motieven verantwoorden ook in rechte de keuze voor de tussenkomende partij.
- De verzoekster stelt dat het kennelijk onredelijk is om alleen maar rekening te houden met het aantal jaren ervaring in een vredegerecht; uit de adviezen van de vrederechter zou immers blijken dat dit criterium geen uitstaans heeft met de werkelijke ervaring van de kandidaten. IX-5335-9/13 De Raad van State kan aan dergelijk argument slechts gevolg geven indien de concrete gegevens van de zaak doen blijken dat de beoordeling kennelijk onredelijk was. Anders dan de verzoekster stelt, kan uit de adviezen van de vrederechter niet worden afgeleid dat de benoemende overheid kennelijk onredelijk zou gehandeld hebben door de voorkeur te geven aan de kandidaat met de langste ervaring in een vredegerecht. Bovendien oefende de benoemde kandidaat reeds sedert februari 2004 de functie uit van waarnemend hoofdgriffier. De omstandigheid dat de verzoekster door de vrederechter als de meest geschikte kandidaat voor de functie van hoofdgriffier werd beschouwd, moest de benoemende overheid niet verhinderen daar anders over te oordelen, zeker nu de raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep te Antwerpen het advies van de vrederechter over de tussenkomende partij van “gunstig” in “zeer gunstig” gewijzigd had.
- Volgens de verzoekster zou uit het advies van de procureur des Konings blijken dat de tussenkomende partij tot hoofdgriffier benoemd werd, omdat de verstandhouding op haar vorige werkplaats ernstig was verstoord. Zij toont evenwel niet aan dat dit meer is dan een veronderstelling en geeft dit zelfs formeel toe. Het feit dat met de benoeming van de tussenkomende partij tot hoofdgriffier van het vredegerecht te Boom meteen ook het probleem van de verstoorde verstandhou- ding in het vredegerecht van het negende kanton te Antwerpen werd opgelost, doet niets af aan de vaststelling dat de bestreden benoeming berust op deugdelijke motieven die aan een objectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten zijn ontleend.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert de schending aan van het zorgvuldigheidsbe- ginsel en van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen. Zij stelt dat zij deel uitmaakt van het uitdovingskader van de militaire rechtscolleges, waaraan door artikel 117 van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede het behoud ervan in oorlogstijd, voor bepaalde functies rechtsgevolgen verbonden zijn. Die bepaling verleent aan de IX-5335-10/13 griffiers komende van de afgeschafte krijgsraden voorrang bij het opvullen van vacatures op de griffies van rechtbanken van eerste aanleg en politierechtbanken. Gewis zijn de vredegerechten van het toepassingsgebied van artikel 117 uitgesloten, maar het getuigt toch niet van goed bestuur om dit argument niet in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de kandidaturen voor een betrekking als deze welke hier in het geding is. Uit het dossier blijkt dat de dienst personeelszaken de minister op dit element heeft gewezen. Op de kandidatenlijst die aan de minister werd voorgelegd, werd immers vermeld dat verzoekster als “boventallige eenheid” aan de griffie van Boom werd toegekend en dat de “benoeming van een hoofdgriffier van buitenuit een bijkomend bovental zal veroorzaken”, waardoor opnieuw personeelsverschuivingen dienen te worden doorgevoerd. Dit had kunnen vermeden worden door de - blijkens het advies van de vrederechter - meest geschikte kandidate te benoemen.
- De verwerende partij antwoordt dat de benoemingsprocedure op zorgvuldige wijze en overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek werd gevoerd, dat de kandidaten objectief werden vergeleken en dat uiteindelijk de meest geschikte kandidaat benoemd werd. De overgangsbepalingen van de wet van 10 april 2003 worden ten onrechte ingeroepen, want de vredegerechten zijn van het toepassingsgebied ervan uitgesloten.
- Volgens de tussenkomende partij geeft de wet geen enkele voorrang aan de verzoekster omdat vredegerechten uitdrukkelijk van het toepas- singsgebied uitgesloten zijn. De verzoekster kan bijgevolg niet stellen dat er een schending zou zijn van het beginsel van behoorlijk bestuur want zij verwijst naar een ingebeelde voorrang. Wanneer, tegen de uitdrukkelijke wetsbepaling in, wel rekening zou gehouden zijn met een niet bestaande voorrang, zou het zorgvuldig- heidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden zijn. IX-5335-11/13 Beoordeling
- Artikel 117 van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede het behoud ervan in oorlogstijd, bepaalt: “De griffiers en het personeel van de griffie van de krijgsraad, behorend tot de tijdelijke personeelsformatie, die een opdracht krijgen in de graad waarin ze zijn benoemd om een ambt te vervullen in een griffie of een parket van een rechtbank van eerste aanleg of van een politierechtbank, worden daar met hun instemming benoemd zodra een betrekking vacant wordt en op voorwaarde dat zij de beoordeling ‘zeer goed’ hebben gekregen. [...]. [...] Deze bepaling geldt niet voor de hoofdgriffier.” De bepaling geldt niet voor vacatures bij de griffie van een vredegerecht. Het zorgvuldigheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet worden ingeroepen om de bepalingen van artikel 117 toe te passen op andere rechtscolleges dan de rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbank- en. Overigens, artikel 117 geldt sowieso ook niet voor de benoeming tot hoofdgrif- fier.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro. IX-5335-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5335-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.599 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.236 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div