← België

Arrest 201602 - Accountants en Belastingconsulenten - 08/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.602 Rolnummer: A. 160274/IX-4819 Zaak: Arrest 201602 - Accountants en Belastingconsulenten - 08/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 201.602 van 8 maart 2010 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.602 van 8 maart 2010 in de zaak A. 160.274/IX-4819 In zake: René VANOVERSCHELDE wonend te Diksmuide Ploemeurlaan 11 tegen: het INSTITUUT VAN DE ACCOUNTANTS EN DE BELASTINGCONSULENTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Lebbe kantoor houdend te Brussel Louizalaan 81 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 23 februari 2005, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van de commissie van beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten van 13 december 2004, waarbij het hoger beroep van de verzoeker tegen de beslissing van de raad van het genoemde instituut van 3 februari 2003, waarbij hem de hoedanigheid van belastingconsulent wordt geweigerd, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 maart
  3. IX-4819-1/20 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, en advocaat Pieter Callebaut, die loco advocaat Martin Lebbe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Wettelijk kader 3.
  5. De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen (hierna: de wet van 22 april 1999) strekt er luidens de memorie van toelichting toe om, “enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglemente- ren, en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn”. 3.
  6. Artikel 2 van de wet van 22 april 1999 richt het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (hierna: het IAB) op. Dit instituut, dat in de rechten en verplichtingen van het door de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat opgerichte Instituut der Accountants treedt, heeft luidens artikel 3 van de genoemde wet in het bijzonder als opdracht “toe te zien op de opleiding, en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen, waarvan het Instituut de organisatie kan controleren en bijsturen, met alle noodzakelijke waarborgen qua bekwaamheid, onafhankelijkheid en professione- le rechtschapenheid”. 3.
  7. Krachtens de artikelen 16 en 17 van de wet van 22 april 1999 is het voeren van de titel van accountant en/of belastingconsulent voorbehouden aan de natuurlijke personen of de vennootschappen waaraan het IAB die hoedanigheid heeft verleend. Het IAB verleent de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt, indien hij aan IX-4819-2/20 de voorwaarden bepaald in artikel 19 van de genoemde wet voldoet, waaronder onder meer Belg zijn of zijn woonplaats in België hebben, in het bezit zijn van het vereiste diploma, de stage beëindigd hebben, en geslaagd zijn voor het bekwaam- heidsexamen. Artikel 23 van de genoemde wet bepaalt dat de belanghebbende tegen elke beslissing van het IAB tot weigering of intrekking van de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent hoger beroep kan instellen bij de commissie van beroep bedoeld in artikel 7 van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten (hierna: de tuchtwet van 22 april 1999). 3.
  8. Artikel 38 van de wet van 22 april 1999 omschrijft de functie van belastingconsulent als volgt: “De functie van belastingconsulent bestaat erin: 1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen.” 3.
  9. Artikel 60 van de wet van 22 april 1999 machtigt de Koning onder meer om, voor de periodes waarvan hij de duur bepaalt en die samen een duur van drie jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet (op 29 juni 1999) niet mogen overschrijden, op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of de beroepservaring van de kandidaat, toegangsvoorwaarden tot de titel van belasting- consulent te bepalen die afwijken van deze wet (§ 1). Tijdens deze periodes neemt de raad van het IAB de individuele beslissingen betreffende het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent op advies van een commissie die het instituut opricht en waarvan het de samenstelling en de werking bepaalt en die moet nagaan of de kandidaat de voorwaarden vervult die door de Koning bepaald zijn voor de toegang tot de titel van belastingconsulent (§ 3). 3.
  10. Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (hierna: het koninklijk besluit van 4 mei 1999) regelt de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen gedurende de overgangsperiode. Aldus stelt artikel 2 van dit koninklijk besluit, in uitvoering van artikel 60, § 1, van de wet van 22 april 1999, vrij van de bij artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van die wet vastgestelde voorwaarden inzake IX-4819-3/20 diploma, stage en bekwaamheidsexamen, elke persoon die binnen een termijn van achttien maanden, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de wet, zijn kandidatuur stelt en die hetzij aan de in artikel 2 bepaalde voorwaarden van beroepservaring voldoet en ingeschreven is op de lijst van accountants, hetzij aan de in artikel 2 bepaalde voorwaarden van beroepservaring en diploma voldoet. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 maart 2002 tot toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen op grond van beroepservaring (hierna: het koninklijk besluit van 18 maart 2002) stelt, eveneens in uitvoering van artikel 60, § 1, van de wet van 22 april 1999, vrij van de bij artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van die wet vastgestelde voorwaarden inzake diploma, stage en bekwaamheidsexamen, elke persoon: “- die zijn kandidatuur overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van voornoemd koninklijk besluit van 4 mei 1999 niet heeft ingediend wegens de onontvankelijkheid verbonden aan het vereiste diploma of, die een dossier heeft ingediend dat afgewezen werd door de Raad om reden van het gebrek aan het vereiste diploma, - en uiterlijk op 15 april 2002 zijn kandidatuur stelt, - en het bewijs levert gedurende ten minste vijftien jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet uit te oefenen.” IV. Feiten 4.
  11. De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing eerstaanwe- zend inspecteur bij de federale overheidsdienst (hierna: FOD) Financiën. 4.
  12. In het kader van de overgangsregeling bedoeld in artikel 60, § 1, van de wet van 22 april 1999 en het koninklijk besluit van 18 maart 2002, dient de verzoeker op 11 april 2002 bij het IAB een toetredingsaanvraag in, teneinde ingeschreven te worden op de lijst van de belastingconsulenten. In deze aanvraag verwijst hij onder meer naar zijn loopbaan bij het ministerie van Financiën (thans: de FOD Financiën). 4.
  13. Met een brief van 29 april 2002 meldt het IAB aan de verzoeker de ontvangst van zijn aanvraag tot het verkrijgen van de hoedanigheid van belastingconsulent. IX-4819-4/20 4.
  14. Op 23 januari 2003 brengt de erkenningscommissie van het instituut een gunstig advies uit over verzoekers aanvraag, “aangezien aan de wettelijke voorwaarden werd voldaan”. In een bijgevoegde nota van 26 maart 2002 betreffende de verenigbaarheid van de titel van belastingconsulent met de hoedanigheid van ambtenaar van de fiscale administratie, stelt de erkenningscommissie dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de wet van 22 april 1999 en het koninklijk besluit van 4 mei 1999 dat de overgangsmaatregelen bepaalt en waarop de bevoegdheid van de commissie is gebaseerd. Wat de ambtenaren van de fiscale administratie betreft, bestaat er volgens de commissie geen twijfel over dat velen ervan aan de voorwaarden van het koninklijk besluit voldoen en bijgevolg zouden moeten worden toegelaten tot het voeren van de titel, zoals elke andere kandidaat die aan de wettelijke voorwaarden voldoet. De bezwaren inzake een mogelijke onverenigbaarheid vallen volgens de commissie niet onder haar bevoegdheid. Terwijl de omschrijving van de fiscale activiteiten van de belastingconsulent in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 inderdaad lijkt aan te duiden dat het voeren van de titel moet worden voorbehouden aan diegenen die optreden als vertegenwoor- diger van de belastingplichtigen of in het kader van een met hen gesloten arbeids- overeenkomst, lijken -zo vervolgt de commissie- “de bewoordingen van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 [...], met betrekking tot verworven rechten, allen die, gelet op de vereiste professionele ervaring, de bekwaamheid hebben, [...] gelijk [...] te stellen en dit enkel gedurende de overgangsperiode om vroeg of laat te mogen handelen voor rekening van de belastingplichtige”. 4.
  15. Op 3 februari 2003 wijst de raad van het IAB de vraag van de verzoeker tot het verkrijgen van de hoedanigheid van belastingconsulent af. De raad herneemt daartoe de volgende motivering, vermeld in de notulen van de vergadering van 6 mei 2002: “De voorschriften van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoud- kundige en fiscale beroepen bepalen niet uitdrukkelijk dat er een onverenig- baarheid zou bestaan tussen een door de overheid bezoldigde functie en de functie van belastingconsulent. Er dient evenwel opgemerkt te worden dat de finaliteit en het wezen zelf van de functie van belastingconsulent en deze van ambtenaar niet verenigbaar zijn. Een ambtenaar is iedere burger die op permanente wijze aan de uitoefening van de openbare macht deelneemt (sensu lato) of de persoon die werkzaam is in overheidsdiensten en daardoor gebonden is aan statutaire bepalingen (sensu IX-4819-5/20 strictu) (J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het publiek recht, nr. 950, p. 504; MAST, ALEN, DUJARDIN, Overzicht van het Belgisch administratief recht, nr. 138). De algemene beginselen, die de basis vormen van de statuten van de verschillende soorten ambtenaren, zijn vervat in het koninklijk besluit van 26 september
  16. Op grond van deze beginselen dient een ambtenaar op een loyale en integere wijze, onder het gezag van een hiërarchisch overste, zijn ambt uit te oefenen. Hij is gehouden om nauwgezet de hem opgelegde dienstverplichtingen na te komen en kent een discretieplicht, in de mate dat deze vereist is voor de goede werking van de openbare dienst. De ambtenaar is verder onderworpen aan een tuchtstatuut, waardoor hem tuchtsancties kunnen opgelegd worden, o.m. wanneer hij de financiële belangen van de overheid zou schaden. De functie van een belastingconsulent wordt omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999, zijnde: 1/ adviesverstrekking in alle belastingaangele- genheden; 2/ bijstand verlenen aan belastingplichtigen bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen en 3/ het vertegenwoordigen van belastingplichtigen. Het lijkt de Raad evident dat, gelet op de functieomschrijving, de belasting- consulent de belastingplichtige bijstaat in diens verhouding tot de belastinghef- fende overheden, m.a.w. in diens verhouding tot de openbare macht, die handelt door haar ambtenaren. Waar de louter adviserende functie (artikel 38, 1/) op zich niet totaal onverenigbaar lijkt met de functie van ambtenaar, meent de Raad dat minstens beide andere activiteiten (de bijstandsverlening en de vertegenwoordiging) onverenigbaar zijn met de functie van een ambtenaar, gelet op de principiële tegenstrijdigheid van belangen die bestaat tussen de overheid enerzijds en de belastingplichtigen anderzijds. De Raad wijst er op dat deze fundamentele onverenigbaarheid tussen beide functies ook gebleken is tijdens de parlementaire hoorzittingen omtrent de noodzaak tot wettelijke regeling van het fiscaal beroep (Parl. St., Senaat, nr. I-1302/3, bijlage 5, p. 10, 25, 31en 33). In de Memorie van Toelichting wordt eveneens duidelijk gestipuleerd dat ‘de reglementering van het fiscaal beroep (...) zowel op kwalitatief als op deontologische vlak (zal) leiden tot een betere bescherming van de belastingplichtige, en in het bijzonder met name tot een ordentelijker verloop van diens relaties met de belastingheffende overheden’ (Memorie van Toelichting, Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 13 januari 1999, 1923/1, 98/99). Uit zowel de functieomschrijving als uit de parlementaire hoorzittingen en de Memorie van Toelichting is gebleken dat de functie van belastingconsulent wettelijk geregeld werd met het oog op het creëren van een eigen onafhankelij- ke en volwaardige gesprekspartner tegenover de fiscus. Omwille van de specifieke functie van een ambtenaar waarbij hij moet handelen onder het gezag van de overheid, in het belang van de overheid en zonder de belangen van de overheid, onder meer op financieel vlak, te benadelen, heeft de uitoefening door de ambtenaar van fiscale werkzaamheden niets te maken met de uitoefening van een fiscaal beroep, en evenmin met de betere bescherming van de belasting- plichtige ten opzichte van de overheid. Integendeel, het statuut van ambtenaar impliceert noodzakelijk dat hij de belangen van de overheid moet behartigen en niet deze van de belastingplichtige. Bovendien, indien de ambtenaar de belangen van de overheid niet zou behartigen, dan kan hij hiervoor door de overheid tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden. IX-4819-6/20 Uit de vaststelling dat een persoon gerechtigd is om de titel van belasting- consulent te voeren, mag de belastingplichtige afleiden dat de betrokken persoon aan alle vereisten voldoet om het beroep van belastingconsulent uit te oefenen. De hoedanigheid en titel van belastingconsulent toekennen aan een ambtenaar zou voor de burger misleidend zijn, nu dit de indruk zou wekken dat de ambtenaar ook instaat voor de bescherming van de belangen van de belastingplichtige, quod non. Bijgevolg meent de Raad dat een ambtenaar de titel van belastingconsulent niet kan bekomen, gezien zijn specifiek statuut niet verenigbaar is met de functie en de titel van belastingconsulent.” De verzoeker wordt met een aangetekende brief van 11 maart 2003 in kennis gesteld van deze beslissing om hem de hoedanigheid van belastingconsulent niet toe te kennen. 4.
  17. Tegen deze beslissing stelt de verzoeker op 9 april 2003 hoger beroep in bij de commissie van beroep van het IAB. Hij argumenteert onder meer dat de voorschriften van de wet van 22 april 1999 een bezoldigde overheidsfunctie niet uitsluiten van de titel en de hoedanigheid van belastingconsulent, dat voor de toekenning van die titel en hoedanigheid enkel dient te worden nagegaan of de kandidaat aan de wettelijke vereisten voldoet en dat de erkenningscommissie heeft bevestigd dat hij daaraan voldoet. Volgens de verzoeker is de weigering van de titel en de hoedanigheid van belastingconsulent op grond van de toezichthoudende en controlerende aard van de werkzaamheden in de openbare sector ongegrond en onwettig. 4.
  18. Nadat de verzoeker op 15 november 2004 voor de Nederlandstali- ge kamer van de commissie van beroep is verschenen, beslist deze kamer op 13 december 2004 dat het beroep van de verzoeker ontvankelijk, maar ongegrond is. Dit is de bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd: “[...] Een natuurlijk persoon mag de titel van belastingconsulent enkel voeren, wanneer hem door het Instituut de hoedanigheid is verleend van belastingcon- sulent (artikel 16 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen). IX-4819-7/20 Het Instituut verleent aan een natuurlijke persoon, die hierom verzoekt, de hoedanigheid van belastingconsulent indien hij voldoet aan de in de wet opgesomde voorwaarden (artikel 19, wet 22 april 1999). De functie van belastingconsulent bestaat erin advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden, belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen en belastingplichtigen te vertegenwoordigen (artikel 38, wet 22 april 1999). Voor de periodes waarvan Hij de duur bepaalt en die samen een duur van drie jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet niet mogen overschrijden, kan de Koning op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of de beroepservaring van de kandidaat, toegangsvoorwaarden tot de titel van belastingconsulent bepalen die afwijken van de wet (artikel 60, § 1, wet 22 april 1999). In uitvoering daarvan heeft de Koning, bij besluit van 18 maart 2002 tot toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen op grond van beroepservaring, vrijgesteld van sommige wettelijke voorwaarden elke persoon die beantwoordt aan welbepaalde, opgesomde voorwaarden, waaronder het stellen van zijn kandidatuur uiterlijk op 15 april 2002, en het leveren van het bewijs ‘gedurende ten minste vijftien jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet uit te oefenen’ (artikel 2, koninklijk besluit van 18 maart 2002). De natuurlijke persoon aan wie de hoedanigheid van belastingconsulent is toegekend, is lid van het Instituut (artikel 4, wet 22 april 1999) en wordt opgenomen op het tableau (artikel 5, wet 22 april 1999). Uit deze wettelijke bepalingen blijkt dat het Instituut de titel van belasting- consulent moet toekennen aan elke natuurlijke persoon die verzoekt om de hoedanigheid van belastingconsulent en die voldoet aan de wettelijke voorwaarden, desgevallend beroep doend op zekere vrijstellingen die hem bij koninklijk besluit worden toegekend, en dat deze toekenning leidt tot een opname op het tableau. In die omstandigheden kan de hoedanigheid van belastingconsulent niet worden geweigerd, aan een natuurlijk persoon die voldoet aan de voorwaarden, enkel en alleen omdat hij ambtenaar is. Het statuut van het rijkspersoneel wordt geregeld bij koninklijk besluit van 2 oktober 1937, dat herhaaldelijk is gewijzigd en meer bepaald grondig bij koninklijk besluit van 22 december
  19. Krachtens dit statuut dient de ambtenaar zijn ambt uit te oefenen op loyale, zorgvuldige en integere wijze, onder het gezag van zijn hiërarchische meerdere, met naleving van onder meer de nadere gedragsregels inzake deontologie van de overheid, en inzonderheid te waken over de financiële belangen van de overheid. Onverenigbaar met het statuut van ambtenaar is elke bezigheid die het vervullen van zijn ambtsver- plichtingen in de weg kan staan. Uit de voorbereidende werken van de wet van 22 april 1999 blijkt dat de wetgever de bedoeling had om de uitoefening te regelen van het beroep van belastingconsulent zoals het voordien werd uitgeoefend door gespecialiseerde kabinetten, bedienden in vennootschappen, advocaten, bedrijfsrevisoren, accountants, boekhouders en notarissen. Deze reglementering streefde ernaar op kwalitatief en deontologisch vlak de belastingplichtige beter te beschermen, IX-4819-8/20 in het bijzonder door diens relaties met de belastingheffende overheden ordentelijker te laten verlopen. In de huidige stand van de wetgeving omtrent de regulering van de beroepen die aan fiscale dienstverlening doen, geïnterpreteerd in functie van de bedoeling van de wetgever, en in het bijzonder gelet op de onderscheiden functies van belastingconsulent en ambtenaar heeft de Raad van het Instituut van de Accountants en Belastingconsulenten terecht beslist op grond van de functione- le onverenigbaarheden van deze ambten, de hoedanigheid van belastingconsu- lent niet te kunnen verlenen aan de kandidaat zolang hij ambtenaar is bij het ministerie van Financiën. De onverenigbaarheid is objectief en redelijk verantwoord. De bij koninklijk besluit van 18 maart 2002 toegelaten vrijstelling is uitdovend. Het hoger beroep is ongegrond.” Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 6 januari 2005 aan de verzoeker ter kennis gebracht. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste en tweede middel Standpunt van de partijen
  20. De verzoeker voert in het eerste middel aan dat de beweerde onverenigbaarheid van de hoedanigheid van belastingconsulent met deze van fiscaal ambtenaar geen wettig motief is om de hoedanigheid van belastingconsulent te weigeren. Hij betoogt dat zijn toetredingsaanvraag ertoe strekt de hoedanig- heid van belastingconsulent te verkrijgen op grond van beroepservaring. Voor de toekenning van die hoedanigheid moet volgens hem enkel worden nagegaan of de kandidaat aan de wettelijke vereisten voldoet, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de aard van de beroepsactiviteit die hij uitoefent. Hij wijst erop dat de erkenningscommissie heeft bevestigd dat hij aan alle wettelijke vereisten voldoet. Volgens de verzoeker houdt de door het IAB ingeroepen onverenigbaarheid geen steek, nu het instituut zelf bevestigt dat de wet van 22 april 1999 een bezoldigde overheidsfunctie niet uitsluit van de titel en hoedanig- heid van belastingconsulent en dat de louter adviserende functie van de belasting- consulent niet onverenigbaar lijkt met de functie van ambtenaar. De verzoeker voegt IX-4819-9/20 hieraan toe dat ook de opdrachten van de belastingconsulent bedoeld in arti- kel 38, 2/, van de wet van 22 april 1999 tot de bevoegdheid van de fiscale ambtenaren behoren. De verzoeker betwist dat de werkzaamheden van de fiscale ambtenaren niets te maken zouden hebben met de uitoefening van een fiscaal beroep en de beoogde betere bescherming van de belastingplichtigen ten aanzien van de overheid. Volgens hem hebben de adviserende en controlerende opdrachten hetzelfde doel, namelijk de belangen van zowel de overheid als de belastingplichti- gen op een correcte wijze te behartigen door enkel de wettelijk verschuldigde belastingen te heffen. Weliswaar behoren bepaalde werkzaamheden uitsluitend tot de bevoegdheid van de belastingconsulent in de privé-sector en mogen deze om deontologische redenen niet door de ambtenaar worden uitgevoerd, maar dit sluit niet uit dat aan een ambtenaar bij een fiscaal bestuur die aan alle wettelijke vereisten voldoet, de titel en hoedanigheid van belastingconsulent wordt verleend. De verzoeker benadrukt voorts dat de commissie van beroep zelf het argument van de functionele onverenigbaarheid in twijfel trekt waar zij overweegt dat uit de wettelijke bepalingen blijkt dat het IAB de titel van belasting- consulent moet toekennen aan elke natuurlijke persoon die daarom verzoekt en aan de wettelijke voorwaarden daartoe voldoet. De verzoeker betoogt ten slotte dat onverenigbaarheden enkel kunnen slaan op werkzaamheden bij de uitoefening van de functies. Een natuurlijke persoon die meerdere “bekwaamheidstitels” bezit, moet zich bij de uitvoering ervan eventueel beperken tot de cumuleerbare “functietitels”. Desgevallend zal aan een ambtenaar geen cumulatiemachtiging worden verleend. Een eventuele beroepskeuze tussen het openbaar ambt en een beroepsactiviteit in de privé-sector kan evenwel slechts worden gemaakt na de toekenning van de bekwaamheidstitel, die vervolgens toegang geeft tot de uitoefening van de functie.
  21. De verzoeker voert in het tweede middel aan dat de commissie van beroep het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt, doordat zij hem het recht op de titel en hoedanigheid van belastingconsulent ontneemt op de enkele grond dat hij belastingambtenaar is, en zij aldus een bijkomende voorwaarde stelt waarin niet door de wet is voorzien.
  22. De verwerende partij antwoordt op het eerste middel dat een beschermde titel niet kan worden toegekend aan een persoon die omwille van zijn functie of statuut niet in aanmerking komt voor het dragen van die titel, zoals een IX-4819-10/20 ambtenaar van de fiscale administratie, ook al zou hij voldoen aan alle voorwaarden van artikel 19 van de wet van 22 april 1999 of artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 maart
  23. De fiscale ambtenaar treedt op als tegenpartij van de belasting- plichtige, terwijl de titel van belastingconsulent bestemd is voor de beoefenaar van het fiscaal beroep dat erin bestaat de belastingplichtige te adviseren, bij te staan en te vertegenwoordigen, teneinde zowel op kwalitatief als deontologisch vlak tot een betere bescherming van de belastingplichtige te komen, met name tot een ordentelij- ker verloop van diens relaties met de belastingheffende overheden. Bovendien zou een ambtenaar van de fiscale administratie, die de tegenpartij is van de belasting- plichtige op het vlak van zijn fiscale verplichtingen, objectief gezien niet op een onafhankelijke wijze de functie van belastingconsulent kunnen uitoefenen, omdat de belangen van de belastingplichtige niet noodzakelijk dezelfde zijn als deze van de fiscale overheid. Daarnaast is volgens de verwerende partij de drager van de titel van belastingconsulent op grond van artikel 32 van het koninklijk besluit van 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van plichtenleer der accountants, gehouden tot een discretieplicht, zodat de fiscale ambtenaar aan wie een belasting- plichtige vertrouwelijke feiten en gegevens meedeelt omdat hij ook de titel van belastingconsulent draagt, deze gegevens niet aan de fiscale administratie of aan zijn hiërarchische meerdere mag meedelen, hetgeen strijdig zou zijn met de deontologie van ambtenaren die hun ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze moeten vervullen onder het gezag van hun hiërarchische meerderen en dus elk gegeven of feit dat de belangen van de schatkist zou kunnen dienen aan de fiscale administratie of aan hun hiërarchische meerderen moeten meedelen. Voorts laat de verwerende partij gelden dat het niet is omdat een persoon voldoet aan alle vereisten van artikel 19 van de wet van 22 april 1999 of artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 maart 2002, dat hij automatisch recht heeft op de titel van belastingconsulent. Het komt aan de verwerende partij toe om de titel toe te kennen en zij kan dat niet doen aan een persoon die objectief gezien niet alle waarborgen biedt onder meer op het vlak van onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid. Volgens de verwerende partij is de bescherming van de beroepstitel bedoeld om de uitoefening van het beroep te regelen en niet om een titel toe te kennen aan personen die, alhoewel bekwaam op fiscaal vlak, het beroep niet effectief zelf zullen of kunnen uitoefenen na de toekenning van de titel. Het toekennen van de titel van belastingconsulent aan personen, bekwaam op fiscaal vlak, die de functie van belastingconsulent niet uitoefenen, zou volgens haar ook IX-4819-11/20 ingaan tegen de bedoeling van de wetgever om de belastingconsulenten te onderscheiden van andere dienstverleners op de fiscale dienstenmarkt. De verwerende partij wijst erop dat alleen al het dragen van de titel van belastingconsulent verplichtingen en gevolgen met zich brengt, zoals de discretieplicht en het deontologisch toezicht voor alles wat betreft de fiscale beroepsuitoefening, zodat een probleem rijst wanneer de drager van de titel een functie of statuut heeft dat daarmee niet strookt, ook al oefent hij de functie van belastingconsulent niet effectief uit. Zij merkt op dat bepaalde ambtenaren van de fiscale administra- tie, waaronder de verzoeker, van oordeel zijn dat zij in hun functie van ambtenaar, tevens de functie van belastingconsulent uitoefenen, meer bepaald de functie van advies en bijstand. Indien dit inderdaad zo zou zijn, dan kan hen volgens de verwerende partij zeker de titel van belastingconsulent niet worden toegekend, omdat zij dan als dragers van die titel en als ambtenaren van de fiscale administratie werkzaamheden van belastingconsulent uitoefenen, terwijl die twee hoedanigheden met elkaar in strijd zijn, nu men niet terzelfder tijd enerzijds de belastingplichtige advies kan verlenen, bijstaan en vertegenwoordigen, en anderzijds de tegenpartij of zelfs de rechter van de belastingplichtige kan zijn. Het andere oordeel van de erkenningscommissie heeft volgens de verwerende partij geen enkele wettelijke grondslag. Aangezien de belastingconsulent tot taak heeft de belastingplichti- gen te adviseren, bij te staan en te vertegenwoordigen, en geen andere taken heeft, is er volgens verwerende partij van meet af aan een objectieve en totale onverenig- baarheid tussen het statuut van ambtenaar en de titel van belastingconsulent. Het IAB moet in die omstandigheden de titel van belastingconsulent aan ambtenaren weigeren, tenzij deze laatsten afstand doen van hun statuut van ambtenaar. De verwerende partij betoogt ten slotte dat uit artikel 39 van de wet van 22 april 1999, dat betrekking heeft op de inschrijving op de deellijst van externe belastingconsulenten, van elke natuurlijke persoon aan wie de hoedanigheid van belastingconsulent is verleend, wanneer hij alle of sommige van de in artikel 38 bedoelde werkzaamheden op exclusieve wijze, in hoofdzaak of in bijkomende orde, uitoefent of dat voornemens is, “buiten het kader van een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking”, geen argument a contrario kan worden IX-4819-12/20 afgeleid ter ondersteuning van de stelling dat een ambtenaar de titel van belasting- consulent kan verkrijgen, nu de verwijzing in die wetsbepaling naar een door de overheid bezoldigde betrekking een ruimere betekenis heeft dan het begrip “ambtenaar”. Er zijn immers tal van personen die een bezoldigde functie bij de overheid hebben, zonder daarom in een overheidsdienst werkzaam of ambtenaar te zijn (bv. experten, hulpverleners, personen belast met bepaalde controles, zoals geneesheren). Met de woorden “buiten het kader van een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking” is, zo stelt de verwerende partij, in feite bedoeld dat de externe belastingconsulent, zelfstandig buiten iedere gezagsver- houding om, of met andere woorden volledig onafhankelijk moet handelen.
  24. Met betrekking tot het tweede middel laat de verwerende partij gelden dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden doordat geweigerd wordt aan ambtenaren van de fiscale administratie die aan de voorwaarden van de overgangsregeling voldoen, de hoedanigheid van belastingconsulent toe te kennen, aangezien er een objectief verschil bestaat tussen die ambtenaren en andere kandidaten die eveneens aan die voorwaarden voldoen. De eerste categorie vertegenwoordigt immers de fiscale administratie, die de tegenpartij is van de belastingplichtigen, terwijl dit voor de tweede categorie niet het geval is. Uit de weerlegging van het eerste middel blijkt volgens de verwerende partij dat het redelijk verantwoord en niet onevenredig met de doelstelling van de wetgever is om aan de eerste categorie niet de titel van belastingconsulent toe te kennen en aan de tweede categorie in principe wel. De verwerende partij stelt dat het IAB bovendien steeds heeft aangenomen dat uit de algemene economie van de wet van 22 april 1999 volgt dat erkende boekhouders en boekhouders-fiscalisten, die lid zijn van het Beroepsinsti- tuut voor Erkende Boekhouders en Fiscalisten, evenmin de titel van belastingconsu- lent kunnen verkrijgen, zelfs indien zij aan de voorwaarden daartoe voldoen, zolang zij geen afstand doen van hun eerste titel. In zijn arrest nr. 5/2001 van 25 januari 2001 stelt het Arbitragehof (thans: het Grondwettelijk Hof) dat zulks niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en dat de coherentie van de wet van 22 april 1999 zou vervallen indien erkende boekhouders en boekhouders-fiscalisten tevens de titel van belastingconsulent zouden mogen dragen. De verwerende partij concludeert hieruit dat het te dezen strijdig zou zijn met de geest van de wet van 22 april 1999 en de bedoeling van de wetgever om aan fiscale ambtenaren de titel van belastingconsulent te verlenen. IX-4819-13/20 De verwerende partij betoogt ten slotte dat het zelfs evident is dat de beoefenaars van bepaalde beroepen en de dragers van bepaalde titels niet in aanmerking kunnen komen om ook de titel van belastingconsulent te dragen en dat zij dan ook de hoedanigheid van belastingconsulent niet kunnen verkrijgen zolang zij hun beroep uitoefenen.
  25. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord met betrekking tot het eerste middel dat de verwerende partij de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent, zijnde de bekwaamheidstitel die toegang verleent tot het beroep, afhankelijk stelt van de beroepsactiviteiten van de kandidaat. Te dezen strekt de aanvraag tot de toekenning van de hoedanig- heid van belastingconsulent op grond van beroepservaring. Daarvoor moet enkel worden nagegaan in welke mate de kandidaat aan de wettelijke vereisten voldoet, ongeacht de aard van de beroepsactiviteit die hij uitoefent. Een kandidaat moet eerst de hoedanigheid van belastingconsulent verkrijgen vooraleer hij, op eigen verzoek, kan worden ingeschreven op de lijst van de externe belastingconsulenten teneinde het beroep uit te oefenen. De verzoeker merkt op dat de verwerende partij te kennen geeft dat aan een ambtenaar van een niet-belastingheffende overheid die aan de bekwaamheidsvereisten voldoet, wel de titel van belastingconsulent zou worden verleend. Hij stelt dat in het geval van functionele onverenigbaarheden de uitoefening van het beroep van belastingconsulent uiteraard verboden kan worden. Zo zal een ambtenaar die bij een belastingheffende overheid is tewerkgesteld, geen cumulatiemachtiging verkrijgen om het beroep van belastingconsulent uit te oefenen. Maar het verbod om het beroep van belastingconsulent uit te oefenen wegens functionele onverenigbaarheden, doet volgens de verzoeker geen afbreuk aan het recht om de titel en de hoedanigheid van belastingconsulent te verkrijgen indien aan alle voorwaarden is voldaan, ook al is de kandidaat in kwestie ambtenaar bij een fiscaal bestuur. De weigering van de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan de boekhouders-fiscalisten acht de verzoeker onterecht, aangezien zij verplicht tot een beroepskeuze, die eigenlijk slechts na het verlenen van de bekwaamheidstitel van belastingconsulent moet worden gemaakt.
  26. Met betrekking tot het tweede middel herhaalt de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat de verwerende partij ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de bekwaamheidstitel en de beschermde beroepstitel van belastingcon- IX-4819-14/20 sulent, en dat de functionele onverenigbaarheden pas aan de orde zijn bij het verzoek tot inschrijving op de deellijst van het IAB om het beroep van belastingconsulent effectief uit te oefenen. Deze onverenigbaarheden doen geen afbreuk aan het recht van de natuurlijke personen die aan alle bekwaamheidsvereisten voldoen, om de titel en de hoedanigheid van belastingconsulent te verkrijgen. De uitsluiting van de bekwaamheidstitel op basis van eventuele toekomstige functionele onverenigbaarhe- den strookt volgens de verzoeker niet met de wettelijke vereisten voor het verkrijgen van de hoedanigheid van belastingconsulent op grond van beroepservaring of bekwaamheid. Het stellen van een bijkomende voorwaarde aan een ambtenaar van een belastingheffende overheid is een duidelijke schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
  27. De verzoeker herhaalt in zijn laatste memorie met betrekking tot het eerste middel dat hij aan alle wettelijke voorwaarden heeft voldaan en dat de weigering om hem de hoedanigheid van belastingconsulent toe te kennen bijgevolg enkel gebaseerd is op functionele onverenigbaarheden bij de uitoefening van het beroep voor zover hij ambtenaar blijft bij de FOD Financiën. De verzoeker volhardt dat de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent enkel mag afhangen van het al dan niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden, zonder rekening te houden met de beroepsactiviteiten die de aanvrager op het ogenblik van de indiening van zijn aanvraag uitoefent. Hij stelt voorts dat functionele onverenigbaarheden enkel na het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent kunnen bestaan. Aangezien de beoordeling van die onverenigbaarheden slechts kan gebeuren na de toekenning van de titel van belastingconsulent, is het door de verwerende partij aangevoerde weigeringsmotief niet rechtsgeldig. De verzoeker merkt ten slotte op dat, sinds zijn pensionering op 1 februari 2006, de ingeroepen functionele onverenigbaarheid zonder voorwerp is geworden.
  28. Met betrekking tot het tweede middel volhardt de verzoeker in zijn laatste memorie dat het opleggen van een bijkomende voorwaarde aan een ambtenaar van een belastingheffende overheid duidelijk een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel inhoudt. Beoordeling IX-4819-15/20
  29. De verzoeker stelt met het eerste middel in essentie de vraag aan de orde of de commissie van beroep terecht oordeelde dat in de huidige stand van de wetgeving betreffende de beroepen die aan fiscale dienstverlening doen, de hoedanigheid van belastingconsulent niet kan worden toegekend aan iemand die ambtenaar is bij de FOD Financiën. Hoewel de verzoeker in het middel niet uitdrukkelijk vermeldt welke rechtsregel hij geschonden acht, blijkt genoegzaam uit het middel dat de verzoeker beoogt te laten gelden dat het weigeringsmotief strijdig is met de wet van 22 april 1999 en het koninklijk besluit van 18 maart 2002, die geen onverenigbaar- heid van de hoedanigheid van belastingconsulent met de hoedanigheid van fiscale ambtenaar bevatten. Hij is van oordeel dat, aangezien hij voldeed aan de wettelijke vereisten, hem de hoedanigheid van belastingconsulent moest worden verleend, ongeacht zijn beroepsactiviteit. Indien de voormelde vraag negatief wordt beantwoord, dient de bestreden beslissing om die reden te worden vernietigd en is de in het tweede middel opgeworpen schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zonder voorwerp, aangezien dan het uitgangspunt ervan, dat aan de fiscale ambtenaar een bijkomende voorwaarde wordt gesteld om de hoedanigheid van belastingconsulent te verkrijgen, faalt. Wordt daarentegen geoordeeld dat de commissie van beroep terecht heeft aangenomen dat de hoedanigheid van belastingconsulent niet kan worden verleend aan een fiscaal ambtenaar, dan moet worden onderzocht of, zoals in het tweede middel wordt aangevoerd, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden. In zijn arrest Anthonissen, nr. 167.199 van 29 januari 2007, onderzocht de Raad van State reeds of de wet van 22 april 1999, de tuchtwet van 22 april 1999 en het koninklijk besluit van 4 mei 1999 inhouden dat een functionele onverenigbaarheid bestaat tussen de functie van belastingconsulent en van fiscaal ambtenaar. In het genoemde arrest oordeelde de Raad van State dat “de bestreden beslissing [...] terecht kon aannemen dat een ambtenaar van de FOD Financiën, directeur bij de Bijzondere Belastinginspectie (BBI), gelet op deze hoedanigheid, objectief gezien niet de vereiste structurele onafhankelijkheid biedt om de hoedanigheid van belastingconsulent te verwerven en lid te worden van het Instituut en dat er daarom een onverenigbaarheid is tussen de hoedanigheid van IX-4819-16/20 ambtenaar van de FOD Financiën, directeur bij de BBI, en de titel van belastingcon- sulent, nog daargelaten de vraag naar de verenigbaarheid van de functie van fiscaal ambtenaar zelf met deze van belastingconsulent”. De Raad van State ziet geen reden om in de onderhavige zaak anders te oordelen ten aanzien van de verzoeker, die eerstaanwezend inspecteur was bij de FOD Financiën. Dit impliceert dat de commissie van beroep van het IAB op grond van de wet van 22 april 1999 de hoedanigheid van belastingconsulent niet aan de verzoeker kon verlenen. Het te dezen door de verzoeker ingeroepen koninklijk besluit van 18 maart 2002, uitgevaardigd op grond van artikel 60, § 1 van de wet van 22 april 1999, bevat slechts een afwijking van de voorwaarden van artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van de wet van 22 april 1999 en niet van de andere voorwaarden of andere bepalingen van die wet.
  30. Met het genoemde arrest nr. 167.199 van 29 januari 2007 heeft de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat deze wet in haar geheel dan wel inzonderheid de artikelen 3, 4, 5, 19, 28, 31, 38 en 39 daarvan, zo worden geïnterpreteerd dat een ambtenaar van de FOD Financiën, inzonderheid een ambtenaar belast met controle of taxatie, niet tegelijk de hoedanigheid van belastingconsulent kan worden toegekend, ook al voldoet hij aan de voorwaarden van artikel 19 van die wet, en dat dergelijke ambtenaar ook van de toepassing van de overgangsregeling van artikel 60, § 1 en § 3 van die wet wordt uitgesloten, ook al voldoet hij aan de voorwaarden daarvan, terwijl aan een andere persoon, die geen ambtenaar of geen ambtenaar van de FOD Financiën is, in die omstandigheden wel de hoedanigheid van belastingconsu- lent kan worden toegekend?” In zijn arrest nr. 159/2007 van 19 december 2007 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 19 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, zo geïnterpreteerd dat een ambtenaar van de FOD Financiën niet de hoedanigheid van belastingconsulent kan worden verleend, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Het Grondwettelijk Hof overweegt: “B.
  31. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van de wet van 22 april 1999 betreffende de IX-4819-17/20 boekhoudkundige en fiscale beroepen, in haar geheel genomen dan wel de artikelen 3, 4, 5, 19, 28, 31, 38 en 39 ervan, aldus geïnterpreteerd dat een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën (hierna : FOD Financiën) niet de hoedanigheid van belastingconsulent kan worden verleend, niettegen- staande hij voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 van die wet of aan de door de Koning op grond van artikel 60, § 1, van die wet bepaalde toegangsvoorwaarden. B.
  32. Uit de wet van 22 april 1999, zoals geïnterpreteerd door het verwijzende rechtscollege, vloeit een verschil in behandeling voort tussen, enerzijds, een ambtenaar van de FOD Financiën, aan wie niet de hoedanigheid van belasting- consulent kan worden verleend en, anderzijds, een persoon die geen ambtenaar is van de FOD Financiën, aan wie, voor zover hij voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 van die wet of aan de door de Koning op grond van artikel 60, § 1, van die wet bepaalde toegangsvoorwaarden, die hoedanigheid wel kan worden verleend. B.
  33. Volgens de parlementaire voorbereiding beoogt de wet van 22 april 1999 ‘enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglementeren en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn’ (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1923/1, p. 1). Meer algemeen beoogt de wetgever met de bescherming van beroepstitels een kwaliteitsvolle dienstverlening te waarbor- gen aan degene die een beroep doet op de betrokken beroepsbeoefenaars. Inzonderheid wat de belastingconsulenten betreft, zal de ‘reglementering van het fiscaal beroep […] zowel op kwalitatief als op deontologisch vlak leiden tot een betere bescherming van de belastingplichtige en, in het bijzonder, met name tot een ordentelijker verloop van diens relaties met de belastingheffende overheden. In het verleden kwam het al te vaak voor dat belastingplichtigen te goeder trouw het slachtoffer werden van het amateuristisch werk van sommige incompetente belastingconsulenten’ (ibid., p. 2). Te dien einde voert de in het geding zijnde wet onder meer de beschermde beroepstitel van belastingconsulent in. B.4.
  34. Luidens artikel 38 van de wet van 22 april 1999 bestaat de functie van belastingconsulent erin advies te verlenen in fiscale zaken, belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen en hen te vertegen- woordigen. Bij het uitoefenen van hun beroep dienen belastingconsulenten hoge kwaliteitsnormen en strenge deontologische regels in acht te nemen (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1923/1, p. 14). B.4.
  35. De door de wetgever gewenste betere bescherming van de belasting- plichtige vereist dat de belastingconsulent zich van de hem toevertrouwde opdrachten kan kwijten vanuit een positie van onafhankelijkheid ten aanzien van de belastingheffende overheid. B.4.
  36. Wat de externe belastingconsulenten betreft, bepaalt artikel 28, § 2, 2/, 3/ en 4/, van de wet van 22 april 1999 dat de Raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten erop toeziet dat zij zich met de nodige zorg en volledig onafhankelijk kwijten van de hun toevertrouwde opdrachten, dat zij geen opdrachten aanvaarden onder voorwaarden die een objectieve uitvoering daarvan in het gedrang zouden kunnen brengen, en dat zij geen werkzaamheden uitoefenen die onverenigbaar zijn met de onafhankelijkheid IX-4819-18/20 van hun functie. Artikel 31, 2/, van die wet bepaalt dat externe belastingconsu- lenten geen werkzaamheden mogen uitoefenen die onverenigbaar zijn met de waardigheid of onafhankelijkheid van hun functie. B.4.
  37. Er kan redelijkerwijs worden aangenomen dat een ambtenaar van de FOD Financiën niet de onafhankelijkheid kan bieden die een belastingconsulent aan de dag dient te leggen, vermits de belangen van de belastingplichtige die door de belastingconsulent wordt bijgestaan en vertegenwoordigd, en die van de FOD Financiën, niet noodzakelijk gelijklopend zijn. B.
  38. Bovendien omvat de op belastingconsulenten rustende beroepsdiscretie- plicht de verplichting tot geheimhouding van gegevens die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend in zijn hoedanigheid van belastingconsulent werden toever- trouwd en van de feiten met een vertrouwelijk karakter die hij in de uitoefening van zijn beroep zelf heeft vastgesteld (artikel 32 van het koninklijk besluit van 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van plichtenleer der accoun- tants, in samenhang gelezen met de artikelen 7 en 55, § 1, tweede lid, van de wet van 22 april 1999). Een ambtenaar van de FOD Financiën die ook de hoedanigheid van belastingconsulent zou hebben, zou niet kunnen tegemoetkomen aan voormelde discretieplicht zonder in gebreke te blijven de verplichtingen waaraan hij als ambtenaar is onderworpen, na te komen. Ambtenaren van de FOD Financiën dienen immers hun ambt uit te oefenen op een loyale, zorgvuldige en integere wijze, onder het gezag van hun hiërarchisch oversten (artikel 7 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijksperso- neel). Dit impliceert dat een ambtenaar van de FOD Financiën het bestuur alle gegevens dient mede te delen die de Schatkist tot voordeel zouden kunnen strekken. B.
  39. Uit wat voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde bepalingen, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, redelijk zijn verantwoord. B.
  40. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.” Uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat de wet van 22 april 1999 in de interpretatie aangenomen door de commissie van beroep in de bestreden beslissing, namelijk dat deze een onverenigbaarheid inhoudt tussen de titel van belastingconsulent en de functie van ambtenaar bij de FOD Financiën, niet strijdig is met de in het tweede middel ingeroepen artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
  41. Aldus vloeit de kwestieuze onverenigbaarheid voort uit de reeds door de Raad van State in het genoemde arrest nr. 167.199 van 29 januari 2007 aanvaarde interpretatie van de wet van 22 april 1999, die blijkens het arrest nr. 159/2007 van het Grondwettelijk Hof niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Zowel het eerste als het tweede middel zijn ongegrond. IX-4819-19/20 BESLISSING
  42. De Raad van State verwerpt het beroep.
  43. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4819-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.602 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.