id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.604 Rolnummer: A. 169629/IX-5190 Zaak: Arrest 201604 - Tucht (openbaar ambt) - 08/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 201.604 van 8 maart 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.604 van 8 maart 2010 in de zaak A. 169.629/IX-5190 In zake : Debby DE BOT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE BRASSCHAAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo SEBREGHTS kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 januari 2006, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 21 november 2005 van de korpschef van de politiezone Brasschaat, waarbij aan Debby De Bot de tuchtstraf van de waarschu- wing wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-5190-1/19 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 maart
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Olivier Verhulst, die loco advocaat Hugo Sebreghts verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster is hoofdinspecteur van politie bij de politiezone Brasschaat. 3.
- Op 14 september 2005 richt de korpschef volgende vraag aan de personeelsconsulente en de assistente planning: “Graag had ik van jullie, en dit voor wat jullie takenpakket betreft, een volledig overzicht gekregen van eventuele dysfuncties of niet toepassing van de interne en externe regelgeving inzake: - afhandeling afwezigheid wegens ziekte - afhandeling wijzigingen aan de geplande dienstregeling - afhandeling verlofaanvraag of recuperatie - afhandeling dienstwissels - eventueel ontbrekende documenten of plichtsverrichtingen van de mede- werkster: DE BOT Debby.” 3.
- Op 19 september 2005 bezorgen de personeelsconsulente en de assistente planning het gevraagde overzicht. 3.
- Op 10 oktober 2005 deelt de korpschef aan de verzoekster een inleidend tuchtverslag mee waarin hij het voornemen uit de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen voor de volgende feiten: IX-5190-2/19 “Naar aanleiding van een ziektemelding van hoofdinspecteur De Bot Debby dd. 6 september 2005 word ik op 12 september 2005 op de hoogte gebracht dat er nog steeds, ondanks de verplichting dit binnen de 24 uur uit te voeren, geen medisch attest is binnen gebracht. Eveneens wordt mij ter kennis gebracht dat dit reeds herhaaldelijk is gebeurd en dat ondanks aandringen van de personeels- dienst er ofwel laattijdig ofwel geen gevolg aan gegeven wordt. Ik geef opdracht om een gedetailleerd overzicht op te stellen van eventuele gelijkaardi- ge en mogelijks andere dysfuncties voor wat betreft de dienst planning en personeelsdienst, in het bijzonder de dienstregeling, verlofaanvraag, ziekteaf- handeling, niet voorziene afwezigheden, eventuele, ontbrekende documenten. Uit dit verslag blijkt dat het regelmatig voorkomt dat medische getuigschriften laattijdig worden ingediend, dat zij de planning niet of onvolledig informeert over haar afwezigheden wegens ziekte. Eveneens blijkt dat ze zonder voorafgaande aanvraag haar dagdiensten wijzigt en dat ook de procedure verlofaanvraag niet gevolgd wordt.” 3.
- Op 14 oktober 2005 bevestigt de verzoekster de ontvangst van een eensluidend verklaarde kopie van haar tuchtdossier. De inventaris van dat dossier luidt als volgt: “1) Inventaris 2) Inleidend verslag (GTO) 3) Verzoek van de korpschef aan de dienst BEON ivm overzicht van eventuele dysfuncties 4) Verslag van dienst BEON 5) Prestatiestaat maand augustus 2005.” 3.
- Eveneens op 14 oktober 2005, bezorgt de verzoekster een verklaring aan de gewone tuchtoverheid: - waarin zij de naam en het adres van twee syndicale verdedigers opgeeft met de mededeling dat één van deze verdedigers voor haar zal optreden; - waarin zij die verdediger een mandaat met volledige bevoegdheid geeft, met de vraag de briefwisseling in het dossier rechtstreeks aan haar verdediger over te maken. Zij vraagt ook om gehoord te worden. 3.
- Met een brief van 26 oktober 2005 deelt de korpschef aan de verzoekster mee dat hij kennis heeft genomen van haar verzoek om de briefwisse- ling in het dossier rechtstreeks over te maken aan haar twee tuchtverdedigers en dat hij aan haar verzoek om gehoord te worden gevolg zal geven op 7 november 2005 om 8 u. IX-5190-3/19 3.
- Met een 30 oktober 2005 gedateerde en aan de korpschef gerichte brief, die op 3 november 2005 per e-mail door één van de tuchtverdedigers naar de korpschef wordt verstuurd, voert de andere tuchtverdediger aan dat de hoorzitting is gepland op 7 november 2005 maar dat de bij artikel 35 bedoelde termijn nog niet verstreken is. Hij vraagt dan ook om een nieuwe datum vast te stellen. Naar aanleiding van dat e-mailbericht deelt de adjunct-korpschef aan de tuchtverdedigers mee dat de korpschef met verlof is tot en met 6 november 2005, dat het hem correct lijkt de hoorzitting uit te stellen naar een latere datum en dat hij hun verzoek op 7 november zal voorleggen aan de korpschef. 3.
- Op 8 november 2005 deelt de korpschef aan de verzoekster mee dat hij de hoorzitting uitstelt en dat hij, zoals telefonisch afgesproken op 8 november 2005, bevestigt dat de hoorzitting zal doorgaan op 10 november 2005 om 16 u. Op één exemplaar van die brief vermeldt de korpschef: “Kennisgeving op 8/11/05 14.45', weigert te tekenen. Neemt wel originele brief”. Een ander exemplaar van die brief wordt naar de verzoekster ter post aangetekend verzonden op 8 november 2005; die brief wordt door de verzoekster niet afgehaald. Diezelfde brief wordt op 8 november 2008 ter post aangetekend verzonden naar de twee tuchtverdedigers. Hij wordt die dag eveneens per e-mailbericht naar één van de tuchtverdedigers gestuurd. 3.
- Eveneens op 8 november 2005, richt één van de tuchtverdedigers een brief aan de burgemeester van de gemeente Brasschaat (de hogere tuchtoverheid van de verzoekster) waarin hij aanvoert dat hij die dag contact heeft opgenomen met de korpschef, dat de korpschef hem meedeelt dat de hoorzitting zal plaats hebben op 10 november 2005 om 16 uur, dat hij daartegen inbrengt “dat dit gelet de zeer drukke agenda niet mogelijk is”, maar dat de korpschef elke toegeving aangaande een andere datum weigert. Hij stelt ook dat dit gegeven zich ook herhaald heeft ten overstaan van de verzoekster, die op 10 november 2005 “nacht af” is, dat de korpschef hierdoor de rechten van verdediging schendt, dat de hoorzitting op een rechtmatige manier werd gevraagd en dat zij erop staat het woord te mogen voeren en dat haar vertrouwen in een objectieve en zorgvuldige rechtspleging vanwege de IX-5190-4/19 korpschef geschonden is. De verdediger vraagt dan ook dat de hogere tuchtoverheid de zaak zou evoceren en een hoorzitting plannen. 3.
- Op 9 november 2005 verzendt de korpschef het volgend e-mailbericht naar de verzoekster: “Gezien ik de brief inzake hoorzitting van 10/11/05, u overhandigd op 8/11/05, terug op mijn bureau vind, bevestig ik hiermee dat deze afspraak doorgaat.” Diezelfde avond antwoordt de verzoekster: “Hierbij bevestig ik dat ik zoals gezegd onmogelijk aanwezig kan zijn. Na uw telefonisch onderhoud met De Feu Guido op 08/11/2005 weet u dat deze ook niet aanwezig kan zijn.” 3.
- Op 10 november 2005 stelt de korpschef een “proces-verbaal van niet verschijnen” op. 3.
- Met een op 21 november 2005 opgemaakt document “Tucht - Kennisgeving van een lichte tuchtstraf” deelt de korpschef aan de verzoekster zijn beslissing mee om haar de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van het onderhavig beroep tot nietigverkla- ring, wordt op 22 november 2005 ter post aangetekend naar de verzoekster verzonden. Blijkens de verklaring van de verzoekster heeft zij de beslissing ontvangen op 23 november
- 3.
- Met een brief van 27 november 2005 vraagt één van de tuchtverdedigers de burgemeester “om uitleg over de werkwijze van de korpschef, werkwijze welke duidelijk een gebrek aan respect vertoont, naar zowel het personeelslid als naar de verdediging, die geenszins rekening houdt met de rechten van de verdediging”. Met een brief van 30 november 2005 antwoordt de burgemeester dat het hem voorkomt dat de korpschef in dit dossier correct is opgetreden en dat rekening moest gehouden worden met de in de wet voorziene vervaltermijnen, die de procedure zonder voorwerp hadden gemaakt indien ze niet werden nageleefd. 3.
- Op 14 december 2005 dient de tuchtverdediger namens de verzoekster een verzoek tot herziening in bij de burgemeester. Op 2 maart 2006 IX-5190-5/19 verstrekt de korpschef zijn advies daaromtrent. Hij concludeert dat er geen nieuwe elementen, noch motieven, noch bewijzen worden aangehaald die een herziening noodzakelijk zouden maken en dat de aanvraag onontvankelijk is. Het blijkt niet dat definitief over de herzieningsaanvraag beslist werd. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij stelt dat zij het belang van de verzoekster niet betwist, maar dat, nu de verzoekster ook om de herziening van de tuchtstraf gevraagd heeft, toch vragen rijzen bij haar “volgehouden belang” bij het bestrijden van de tuchtstraf. Zij betwist aldus het actueel belang van de verzoekster.
- Artikel 57bis, tweede lid, van de tuchtwet laat de politieambte- naar, die bestraft is met een lichte tuchtstraf, toe -zonder dat zulks aan enige termijn gebonden is- een aanvraag tot herziening van de tuchtstraf in te dienen bij de hogere tuchtoverheid voor zover hij een nieuw element aantoont. Met deze procedure tot herziening heeft de wetgever beoogd het bestuur in de mogelijkheid te stellen voorbij te gaan aan het definitief karakter van een tuchtstraf wanneer een nieuw feit plaatsvindt of een element aan het licht komt dat niet gekend was op de dag van de eindbeslissing en dat twijfel doet rijzen over de schuld van het gestrafte personeels- lid (Parl. St. Kamer, 2000-2001, stuk 50-1173/001, p. 16). De procedure tot herziening is een uitzonderlijke procedure die het bestuur de mogelijkheid biedt terug te komen op tuchtstrafbeslissingen, ook wanneer zij definitief geworden zijn. Het is geen nieuwe beroepsmogelijkheid tegen een opgelegde tuchtstraf maar een procedure die volledig losstaat van de genomen eindbeslissing en waarop enkel een beroep kan worden gedaan wanneer zich een nieuw feit voordoet met betrekking tot de schuldvraag van de gestrafte ambtenaar. Het indienen van een herzieningsaanvraag heeft derhalve geen invloed op de termijn om de eindbeslissing met een annulatieberoep te bestrijden en is ook niet relevant voor de beoordeling van het belang bij het annulatieberoep tegen de eindbeslissing, aangezien in de herzieningsprocedure enkel de vraag naar de schuld van de gestrafte ambtenaar aan bod komt.
- De exceptie wordt niet aangenomen. IX-5190-6/19 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert de schending aan van het onpartijdigheidsbe- ginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel evenals van de rechten van de verdedi- ging. Zij stelt dat zij zelf op 8 november 2005 met de verwerende partij heeft moeten telefoneren om de datum te kennen waarop het verhoor zou kunnen doorgaan, dat de verwerende partij geen enkel initiatief genomen heeft om haar in kennis te stellen van de datum van het verhoor en dat het verhoor dan op zeer korte termijn -twee dagen- georganiseerd is. De houding van de verwerende partij toont aan dat de korpschef vooringenomen was en niet wenste te luisteren naar de argumenten van de verdediging.
- De verwerende partij antwoordt dat artikel 35 van de tuchtwet niet geschonden werd omdat die bepaling niet belet dat het bestuur een hoorzitting organiseert alvorens de termijn voor het indienen van een verweerschrift verstreken is, zeker nu de verzoekster geen verweerschrift ingediend heeft. Volgens haar is ook het recht om gehoord te worden niet miskend, aangezien de verzoekster in het inleidend verslag gewezen werd op haar rechten, er daadwerkelijk een hoorzitting gepland werd op 7 november 2005 en de verzoekster correct van die hoorzitting verwittigd is. Op de vraag tot uitstel van de hoorzitting kon niet volledig worden ingegaan, aangezien het bestuur rekening moet houden met artikel 37 van de tuchtwet en de raadsman van de verzoekster medegedeeld had dat hij “de eerste weken met agendaproblemen geconfronteerd was”. Overigens waren de tenlasteleg- gingen “zo precies en gedetailleerd” dat de verzoekster niets meer moest doen dan ze weerleggen en was de verzoekster vertegenwoordigd door verschillende raadgevers waarvan één op de zitting aanwezig kon zijn. Tenslotte wordt het onpartijdigheidsbeginsel ook niet geschonden wanneer een door de wet aangestelde overheid een laakbare gedraging van een personeelslid bestraft.
- De verzoekster repliceert dat de verwerende partij, door de hoorzitting te plannen binnen de termijn waarbinnen de betrokkene zich kan verweren en dus te verhinderen dat hij de termijn volledig benut, onzorgvuldig gehandeld heeft en haar rechten van verdediging miskend heeft. Zij benadrukt IX-5190-7/19 voorts dat zij in het middel aanstuurt op de vaststelling dat de korpschef zich partijdig opgesteld heeft, aangezien hij zich “vooringenomen uitgelaten” heeft en niet de vereiste onpartijdigheid aan de dag gelegd heeft. Beoordeling
- Artikel 29, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), bepaalt dat geen enkele straf mag worden uitgesproken zonder dat betrokkene ingelicht werd over zijn recht om mondeling gehoord te worden. Artikel 35 van de tuchtwet bepaalt: “Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de dag die volgt op die van de ontvangst van het inleidend verslag. Eens die termijn verstreken is, wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen voeren.” Deze bepalingen van de tuchtwet zijn uitgevoerd door de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: het tuchtbesluit), die luiden: - Artikel 8: “Het personeelslid dat gehoord wenst te worden bij toepassing van artikel 29, tweede lid, van de tuchtwet, vermeldt dit in zijn verweerschrift of dient een aanvraag, tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, in bij de bevoegde tuchtoverheid. [...] De datum en het uur van het verhoor bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd door de met het dossier belaste tuchtoverheid of de door haar aangewezen overheid.” - Artikel 9, eerste lid: “Het verhoor bedoeld in artikel 8 moet: 1/ worden aangevraagd, in voorkomend geval in het verweerschrift, ten laatste vóór het einde van de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 35 (...) van de tuchtwet; [...].” IX-5190-8/19
- Uit de samenlezing van de voormelde bepalingen volgt dat het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid of zijn verdediger, te rekenen vanaf de dag die volgt op die van de ontvangst van het inleidend verslag, over een termijn van dertig dagen beschikt om ofwel enkel een schriftelijk verweer, ofwel een schriftelijk verweer én een vraag om te worden gehoord, ofwel enkel een vraag om te worden gehoord in te dienen. Dat laat hem toe gedurende die termijn zijn schriftelijk, mondeling of schriftelijk én mondeling verweer voor te bereiden. Het betrokken personeelslid moet derhalve, ook wanneer hij ervoor opteert om zich enkel mondeling te verweren en ongeacht het tijdstip waarop hij zijn vraag om gehoord te worden tot de tuchtoverheid richt, over de volle termijn kunnen beschikken die door de wet wordt voorzien om zijn verdediging voor te bereiden, tenzij hij zich met die verkorting akkoord verklaart.
- In de onderhavige zaak ontving de verzoekster het inleidend verslag op 10 oktober 2005, zodat de bij artikel 35 van de tuchtwet bedoelde termijn verstreek op 9 november 2005 om 24 uur. Door de datum van het verhoor vast te leggen op 7 november 2005, verkortte de tuchtoverheid zonder de instemming van de verzoekster de termijn waarover zij beschikte om zich op die hoorzitting voor te bereiden en schond de verwerende partij wel degelijk de rechten van verdediging en, in die zin bekeken, ook de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht. Er dient evenwel vastgesteld dat de hoorzitting uiteindelijk niet is doorgegaan op 7 november 2005 en dat de datum ervan werd vastgelegd op 10 november 2005 te 16 uur; dit is na het verstrijken van de bij artikel 35 bedoelde termijn van dertig dagen en bijgevolg kan de verzoekster zich niet meer nuttig op de schending van artikel 35 van de tuchtwet beroepen.
- Artikel 9, tweede lid, van het tuchtbesluit bepaalt: “De procedure van verhoor schorst in geen geval de lopende tuchtprocedu- re.” Artikel 37 van de tuchtwet bepaalt: “Op grond van het volledige dossier en het verweer, deelt de gewone tuchtoverheid, bij afgifte tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, aan het betrokken personeelslid de uitspraak mee. De uitspraak kan ofwel zijn dat zij beslist heeft geen tuchtstraf op te leggen, ofwel dat zij beslist heeft de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen op te leggen. De uitspraak wordt uiterlijk IX-5190-9/19 vijftien dagen na het einde van de in artikel 35 bedoelde termijn van dertig dagen, meegedeeld aan het betrokken personeelslid. Indien geen uitspraak wordt gedaan binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 36 toe te passen, dan wordt de gewone tuchtoverheid geacht af te zien van vervolging voor de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd.” Artikel 57ter van de tuchtwet bepaalt: “Alle aan een personeelslid krachtens deze wet gerichte stukken, door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven, worden geacht medegedeeld te zijn, zelfs indien het personeelslid daar geen ontvangst van bevestigt, zodra bedoelde stukken hem tweemaal werden voorgelegd.”
- De termijn van 15 dagen waarbinnen het bestuur de betrokkene in kennis moet stellen van een besluit is door de wetgever ingesteld als een vervaltermijn. Aangezien de procedure van verhoor in geen geval de lopende tuchtprocedure schorst, omdat de tuchtoverheid er uiteraard toe verplicht is hetgeen tijdens een verhoor te berde wordt gebracht bij haar besluitvorming te betrekken en aangezien de tuchtoverheid ook niet uit het oog mag verliezen dat het betrokken personeelslid niet steeds onmiddellijk in kennis kan worden gesteld van de beslissing van het bestuur zodat zij, opdat het wettelijk vermoeden waarin artikel 57ter voorziet zou kunnen spelen, hem de beslissing een tweede keer (persoonlijk of ter post aangetekend) zal moeten aanbieden, kan aan de tuchtoverheid niet verweten worden dat zij, om tijdverlies te vermijden, de datum van de hoorzitting vastlegt op de eerste dag na het verstrijken van de bij artikel 35 bedoelde termijn van dertig dagen. Er zou slechts sprake kunnen zijn van de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van verdediging wanneer zij, gelet op de motieven die door het betrokken personeelslid voor een uitstel worden aangevoerd, in redelijkheid aan die vraag tot uitstel niet voorbij zou kunnen gaan of wanneer het betrokken personeelslid een alternatieve datum voorstelt die het naleven van de vervaltermijn van vijftien dagen niet in het gedrang brengt.
- In zijn brief van 30 oktober 2005 verzocht één van de verdedigers van de verzoekster om een nieuwe datum voor het verhoor vast te stellen, ditmaal buiten de termijn van artikel
- De tuchtoverheid is op dat verzoek ingegaan, maar IX-5190-10/19 heeft geen tegenvoorstel gedaan, omdat de korpschef afwezig was tot 7 november
- Op 8 november 2005 wordt de verzoekster en haar raadsman verwittigd dat “zoals telefonisch afgesproken” - hetgeen de verzoekster niet ontkent- de hoorzitting zal doorgaan op 10 november 2005 om 16 uur. De raadsman van de verzoekster heeft daarop gereageerd met de mededeling dat het verhoor niet kon doorgaan “gelet de zeer drukke agenda”. Hij beargumenteerde op dat ogenblik evenwel zijn standpunt niet en deed ook geen tegenvoorstel omtrent een datum die dan wel zou passen binnen zijn werkschema. Bovendien maakte de betrokken tuchtverdediger op dat ogenblik ook geen gewag van de onmogelijkheid voor de andere tuchtverdediger om het geplande verhoor bij te wonen en de verdediging van de verzoekster op zich te nemen. En de verzoekster zelf blijkt wel aan de korpschef medegedeeld te hebben dat de datum van 10 november 2005 haar niet schikte “wegens te kort” en zij wijst er ook op dat zij op 10 november 2005 “wacht af” was, maar die elementen tonen niet aan dat de korpschef zich tegenover haar onredelijk opgesteld heeft, inzonderheid omdat de verzoekster zich reeds geruime tijd op het tuchtverhoor kon voorbereiden -zij ontving het inleidend verslag op 10 oktober 2005 en kreeg inzage van het tuchtdossier op 14 oktober 2005- en omdat een nachtdienst niet zonder meer verhindert dat voldaan kan worden aan een oproeping ’s namiddags om 16 uur. Het argument dat de tuchtoverheid geen enkel initiatief heeft genomen om de datum van 10 november 2005 ter kennis te brengen is niet van aard om alsnog tot een andere conclusie te komen, vermits uit de stukken blijkt dat zij tot en met 6 november 2005 met verlof was en de vraag tot uitstel haar dus ten vroegste op 7 november kon worden voorgelegd.
- Dat de tuchtoverheid zich op 8 november 2005 “zeer partijdig uitliet” en stelde “dat hij geen enkel nut zag in een hoorzitting”, zijn blote beweringen waarop de Raad van State geen acht kan slaan. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekster wel aan “dat nadien nog gebleken is dat de verwerende partij reeds in juni 2005 alle nodige documenten had verzameld teneinde een mogelijkheid te bekomen om verzoekster te tergen”. Zij doelt daarmee in essentie op een brief van 16 juni 2005 van de korpschef met betrekking tot de herberekening van haar ziektecontingent, waaruit zij afleidt “dat de korpschef reeds IX-5190-11/19 op 16 juni 2005 kennis had van de feiten en dat hij deze kennisname duidelijk heeft verzwegen in zijn inleidend verslag”. De Raad van State stelt wat dat betreft echter vast dat, los van het feit dat de verzoekster geen enkel stuk neerlegt ter staving van hetgeen zij poneert, zij niet tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd omwille van veelvuldige afwezigheden, maar wel omdat zij medische getuigschriften laattijdig indiende, de planning niet of onvolledig informeerde over haar afwezigheden wegens ziekte, haar dagdiensten wijzigde zonder voorafgaande aanvraag en zij ook de procedure voor verlofaanvraag niet gevolgd had.
- Met de gegevens die zij aanbrengt toont de verzoekster geenszins aan dat de korpschef van enige partijdigheid tegen haar verdacht kan worden of dat de opeenvolging van de gebeurtenissen aantonen dat de korpschef vooringenomen zou zijn geweest en elke verduidelijking van harentwege wou negeren. Een en ander doet besluiten dat het middel niet gegrond is. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert aan dat het bestuur zijn beslissingen moet steunen op feiten die terdege zijn vastgesteld en waarvan het zich een correcte voorstelling heeft gevormd. In dit geval heeft de tuchtoverheid slechts een summier onderzoek gevoerd naar de feiten en heeft zij niet alle gegevens over de toestand van de verzoekster verzameld, maar is de korpschef er gewoon vanuit gegaan dat zij een tuchtfout begaan heeft. De ten laste gelegde feiten zijn niet bewezen. Zodoende heeft de verwerende partij ook onzorgvuldig gehandeld.
- De verwerende partij verwijst naar de gedetailleerde uiteenzetting in het verslag van 19 september 2005 van de personeelsconsulente en de assistente planning en naar het feit dat de verzoekster die uiteenzetting nooit betwist heeft.
- De verzoekster repliceert dat het feit dat zij de feiten niet betwist heeft het bestuur niet vrijstelt van de verplichting om zorgvuldig te handelen en een grondig onderzoek te voeren naar de feiten. Zij werd in dit geval zelfs niet gehoord alvorens het inleidend verslag werd opgemaakt. De verwerende partij ging er IX-5190-12/19 duidelijk van uit dat de feiten tuchtvergrijpen vormden en dat zij bewezen waren; zij heeft haar ook duidelijk laten verstaan dat een verhoor niet nodig was. Beoordeling
- Een tuchtstraf kan slechts opgelegd worden voor feiten die terdege bewezen zijn. De Raad van State onderzoekt of uit het hem voorgelegd dossier blijkt dat het bestuur de feiten die het aan een ambtenaar ten laste legt voor bewezen kon houden. Blijkens het inleidend verslag werd de tuchtoverheid, naar aanleiding van een ziektemelding van de verzoekster op 6 september 2005, ervan verwittigd dat er nog steeds, ondanks de verplichting dit binnen de 24 uur uit te voeren, geen medisch attest was binnengebracht en dat dit, ondanks aandringen van de personeelsdienst, reeds herhaaldelijk was gebeurd. Vooraleer voor die feiten een inleidend verslag op te stellen, gaf de tuchtoverheid de diensten “planning” en “personeel” de opdracht een onderzoek uit te voeren naar eventuele dysfuncties of niet toepassing van de interne en externe regelgeving inzake ziekteafhandeling, dienstregeling en verlofaanvraag door de verzoekster. Het is op basis van de door die diensten verstrekte informatie dat de tuchtoverheid haar inleidend verslag heeft opgesteld.
- De verzoekster verduidelijkt niet om welke reden de tuchtover- heid, door aldus te handelen, niet aan een gedegen feitenvinding, minstens aan een onvolledige feitenvinding zou hebben gedaan. De verzoekster stelt zich op het standpunt dat feiten niet als bewezen kunnen worden beschouwd zonder bij de betrokkene persoonlijk inlichtingen ingewonnen te hebben of hem in de gelegenheid gesteld te hebben de stukken over te leggen die zijn eigen voorstelling van de feiten of van zijn toestand geloofwaardig maken. De stelling van de verzoekster wordt niet bijgevallen. Noch zijzelf, noch haar tuchtverdedigers hebben tijdens de tuchtprocedure gebruik gemaakt van de mogelijkheid om, middels een schriftelijk verweer, hetzij stukken over te leggen die haar eigen voorstelling van de feiten of van haar toestand geloofwaardig konden maken, hetzij argumenten ten gunste van de verzoekster aan IX-5190-13/19 te brengen. Ook in haar uiteenzetting in het onderhavig geding komt de verzoekster niet verder dan te beweren dat zij de haar ten laste gelegde feiten niet heeft gepleegd en dat die feiten niet bewezen zijn, zonder ook maar een poging te ondernemen om de waarachtigheid van de in het overzicht van de administratie opgesomde tekortkomingen concreet in vraag te stellen. Bovendien vereist het zorgvuldigheids- beginsel geenszins dat het betrokken personeelslid moet worden gehoord alvorens de tuchtoverheid het inleidend verslag opstelt. En in ieder geval is het argument dat de tuchtoverheid “duidelijk heeft meegedeeld dat hij de mening toegedaan was dat een verhoor niet nodig was”, een blote bewering waarop de Raad van State geen acht kan slaan.
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert aan dat geen tuchtfeit voor bewezen kan worden gehouden zonder dat bij de betrokkene om inlichtingen gevraagd is dan wel in de gelegenheid gesteld werd haar voorstelling van de feiten aan de tuchtoverheid kenbaar te maken. Artikel 29 van de tuchtwet stelt het recht in om mondeling gehoord te worden. Dit veronderstelt een contradictoir debat, maar in dit geval heeft de verzoekster die gelegenheid niet gekregen: niettegenstaande zij zelf het initiatief genomen heeft om gehoord te worden, heeft de tuchtoverheid dit onmogelijk gemaakt door de tuchtzitting op zeer korte termijn te plannen.
- In haar memorie van wederantwoord voegt zij daar nog aan toe dat de korpschef geen voorstander was van een hoorzitting en dat hij de procesgang zo heeft gepland dat het verhoor geen normale doorgang heeft kunnen vinden. Door haar om 10 uur ’s morgens op te roepen terwijl zij nachtdienst gehad had, heeft de korpschef verhinderd dat zij fris en degelijk aan de hoorzitting deel kon nemen. Beoordeling
- Met dit middel wil de verzoekster vastgesteld zien dat de verwerende partij de feiten niet voor bewezen kon houden zonder formeel verhoor van de verzoekster. Die stelling faalt: het bewijs van de feiten kan door alle IX-5190-14/19 bewijsmiddelen geleverd worden en de Raad van State oordeelt of het bestuur in redelijkheid tot het bewezen zijn van de feiten heeft kunnen besluiten. Zoals gesteld bij het onderzoek van het eerste middel beschikte de verwerende partij over voldoende gegevens om, zonder daarvoor nog tot een persoonlijk verhoor te moeten overgaan, het bewijs van de feiten aan te nemen. En de zogenaamde spoed waarmee het verhoor aan de verzoekster opgedrongen zou zijn, dient in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak sterk gerelativeerd te worden, aangezien de verzoekster veel vroeger dan op 8 november 2005 het dossier kende en haar verweer kon voorbereiden.
- Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster stelt dat de korpschef voor het bewijs van het tuchtvergrijp verwijst naar een informatieverslag dat zich niet in het tuchtdossier bevindt. Ook het verslag, opgesteld naar aanleiding van het verzoek tot mobiliteit vanwege de verzoekster en waarin de korpschef de capaciteiten van de verzoekster als meer dan voldoende beoordeelde, bevindt zich niet in het tuchtdossier. Nochtans vereist het recht van de verdediging dat geen stukken aan het tegensprekelijk debat worden onttrokken.
- De verwerende partij antwoordt dat het volledig tuchtdossier aan de verzoekster bezorgd werd en dat zij kennis gekregen heeft van het informatiever- slag waarop het inleidend verslag gebaseerd is. De verklaring opgesteld naar aanleiding van de vraag van de verzoekster tot mobiliteit kon materieel gezien geen deel uitmaken van het tuchtdossier en heeft er ook niets mee te maken. Het bestuur moest in deze de juistheid onderzoeken van de in het verslag van 19 september 2005 vermelde inlichtingen, die op geen enkele wijze door de verzoekster werden tegengesproken en waaromtrent de verzoekster ook niet vroeg om te worden gehoord.
- De verzoekster repliceert dat de verwerende partij een aantal stukken achtergehouden heeft. Het blijkt dat de bedoeling voorlag om haar bij wege IX-5190-15/19 van indisponibiliteit buiten te werken, maar dat zulks wegens een laattijdige aanzegging niet is kunnen doorgaan. Beoordeling
- Artikel 3 van het tuchtbesluit bepaalt: “Het tuchtdossier omvat: 1/ alle stukken die betrekking hebben op de kennisneming en het onderzoek van de ten laste gelegde feiten, alsmede alle stukken die gedurende het verdere verloop van de tuchtprocedure worden opgesteld; 2/ een inventaris van de stukken waaruit het dossier bestaat.”
- Het adviesformulier dat, naar aanleiding van een verzoek tot mobiliteit vanwege de verzoekster, door de korpschef op 10 oktober 2005 werd opgesteld heeft geen betrekking op de kennisneming en het onderzoek van de feiten die haar in het inleidend verslag ten laste worden gelegd. Het moest derhalve geenszins in het tuchtdossier worden opgenomen. Het door de administratie opgesteld informatieverslag moest daarentegen wel degelijk in het tuchtdossier worden opgenomen. En wat dat betreft, kan vastgesteld worden dat de inventaris van het tuchtdossier dat informatieverslag wel degelijk vermeldt en dat de verzoekster zelf het bewijs aanbrengt dat zij op 14 oktober 2005 een voor eensluidend verklaarde kopie van dat verslag heeft ontvangen, aangezien zij dat stuk bij haar verzoekschrift voegt. De verwijzing, in het inleidend verslag en in de bestreden beslissing naar “het verslag van 1 september 2005 opgesteld door de bevoegde dienst” betreft duidelijk een materiële misslag die de verzoekster geenszins heeft kunnen misleiden.
- Het vierde middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster stelt dat de ten laste gelegde feiten en de redenen van haar bestraffing, de gegevens vermeld in het verslag van 10 oktober 2005 omtrent haar mobiliteitsaanvraag tegenspreken en dat die tegenspraak niet verantwoord wordt. Zij kan dan ook niet achterhalen welke feiten het bestuur in IX-5190-16/19 aanmerking genomen heeft, waarom die feiten haar als tuchtinbreuk ten laste gelegd worden en op welke wijze zij de opgelegde straf rechtvaardigen.
- De verwerende partij antwoordt dat de verklaring, afgelegd met betrekking tot de mobiliteitsaanvraag van de verzoekster, opgesteld werd op een ogenblik dat de verzoekster nog niet de gelegenheid gekregen had om zich te verantwoorden over de feiten die haar in de tuchtzaak ten laste gelegd werden. Bovendien kan een advies inzake de mobiliteit niet vergeleken worden met een advies omtrent het functioneren van een ambtenaar. Het niet vermelden van een element dat geen verband houdt met de feiten die beoordeeld moeten worden, vormt geen gebrek in de motivering. De concrete feiten die tot het tuchtstrafbesluit hebben geleid zijn opgenomen in het basisverslag van 19 september 2005; daaruit blijkt dat het wel degelijk gaat om feiten die tuchtrechtelijk strafbaar zijn. Zij voegt daaraan toe dat het gehele tuchtdossier aan de verzoekster bezorgd werd en dat de verzoekster helemaal niet gereageerd heeft zodat zij nu aan het bestuur geen onzorgvuldigheid kan verwijten.
- In haar memorie van wederantwoord stipt de verzoekster, met betrekking tot de argumenten die zij in haar verzoekschrift uiteenzet, nog aan dat het bestuur zich tegenspreekt waar het enerzijds spreekt van disfuncties maar zulks anderzijds ontkent. Beoordeling
- De verzoekster heeft het tuchtdossier kunnen inzien. Het blijkt niet dat het bestuur relevante stukken buiten dat dossier gehouden zou hebben. Wat betreft de argumenten opgenomen in het verslag van 10 oktober 2005 aangaande de aanvraag tot mobiliteit van de verzoekster, kan de Raad van State overigens alleen maar vaststellen dat dit verslag, wat betreft de beoordeling van haar inzet, toch wel genuanceerder is dan de verzoekster laat uitschijnen, zodat er eigenlijk geen aperte tegenstrijdigheid bestaat met de gegevens vermeld in het inleidend verslag. Bovendien stelt de verwerende partij terecht dat op het ogenblik van dat verslag de tuchtprocedure nog maar pas was opgestart en dat de verzoekster zich te dien aanzien nog mocht verweren, zodat de korpschef die gegevens niet als basis voor zijn advies kon laten doorgaan. IX-5190-17/19
- Het middel is niet gegrond. IX-5190-18/19 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5190-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.