← België

Arrest 201607 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 08/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.607 Rolnummer: A. 174568/IX-5363 Zaak: Arrest 201607 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 08/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-16 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:25 Fiche Arrest nr 201.607 van 8 maart 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.607 van 8 maart 2010 in de zaak A. 174.568/IX-5363 In zake: Frank RAYMAEKERS wonend te Mechelen Koningin Astridlaan 81 waar woonplaats wordt gekozen tegen: de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 juli 2006, strekt tot de nietigverklaring van: “- de beslissing van onbekende datum van OVAM om Kristof Mathys toe te laten tot de statutaire stage voor aanwerving op niveau B betrekking vanaf december 2003 op de vrijgekomen plaats van [L.V.] die tewerkgesteld was op de afdeling afvalstoffenbeheer. [...] - de beslissing van onbekende datum van OVAM om Kristof Mathys vast te benoemen in de hierboven vermelde niveau B betrekking. [...] - de impliciete weigering om verzoeker toe te laten tot de stage en vast te benoemen in de hierboven vermelde niveau B betrekking bij OVAM (afdeling Afvalstoffenbeheer)”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-5363-1/9 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 maart
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is sinds 18 oktober 1999 personeelslid van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: de OVAM). Hij is vast benoemd medewerker, niveau C, in de afdeling Afvalstoffenbeheer. 3.
  6. In 1999 neemt de verzoeker deel aan het vergelijkend examen met nummer ANV99031 voor de aanwerving van deskundigen (rang B1) bij de diensten van de Vlaamse Regering (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Wetenschappelijke instellingen) en sommige Vlaamse Openbare Instellingen. Met een brief van 12 januari 2000 van het Vast Wervingssecretariaat (thans: het Selectiebureau van de federale overheid) wordt hij ervan in kennis gesteld dat hij geslaagd is voor het genoemde examen. Hij bekleedt plaats nr. 89 in de rangschikking. Het Vast Wervingssecretariaat meldt dat de wervingsreserve geldig blijft tot en met 8 november
  7. IX-5363-2/9 3.
  8. De wervingsreserve waarvan de verzoeker deel uitmaakt, wordt achtereenvolgens verlengd tot 8 november 2004, 8 november 2005 en 8 november
  9. 3.
  10. Vanaf 1 februari 2001 worden er bij de afdeling Afvalstoffenbeheer van de OVAM statutaire betrekkingen van het niveau B vacant, onder meer deze van de personeelsleden P.H. en L.V. 3.
  11. Bij besluit van de administrateur-generaal van de OVAM van 5 december 2003 wordt Kristof Mathys met ingang van 8 december 2003 toegelaten tot de stage bij de OVAM in de graad van deskundige. Kristof Mathys, die als contractueel werknemer van de OVAM werkzaam is bij het permanent secretariaat van de Interregionale Verpakkingscommissie (IVC), is geslaagd voor het vergelijkend wervingsexamen voor deskundigen met nummer ANV
  12. Het proces-verbaal van dit examen werd ondertekend op 10 februari
  13. De toelating van Kristof Mathys tot de stage in de graad van deskundige is de eerste bestreden beslissing. 3.
  14. Bij besluit van de administrateur-generaal van de OVAM van 4 oktober 2004 wordt Kristof Mathys met ingang van 8 september 2004 vast benoemd in de graad van deskundige bij de OVAM. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  15. De verzoeker onderkent in de eerste en de tweede bestreden beslissing de impliciete weigering om hem toe te laten tot de stage in de graad van deskundige bij de OVAM en hem vervolgens in die graad vast te benoemen. Deze impliciete weigering is de derde bestreden beslissing. IX-5363-3/9 IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
  16. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het beroep niet ontvankelijk is, onder meer omdat het laattijdig werd ingesteld. Zij betoogt in dit verband dat de verzoeker minstens op 3 februari 2006 heeft vernomen dat de eerste bestreden beslissing en -in het geval van een positief verloop van de stage van Kristof Mathys- ook de tweede bestreden beslissing waren genomen. Volgens de verwerende partij is het zelfs onwaarschijnlijk dat de verzoeker niet reeds eerder op de hoogte is geweest van de bestreden beslissingen, aangezien de afdelingen Afvalstoffenbeheer en IVC inzake werving en bevordering binnen de OVAM als één geheel moeten worden beschouwd. Volgens de verwerende partij kende de verzoeker tevens de context waarin de bestreden beslissingen tot stand waren gekomen, namelijk nadat een betrekking van rang B vacant was geworden ingevolge het ontslag van L.V. in september
  17. Zij besluit dat het verzoekschrift tot nietigverklaring, dat op 4 juli 2006 aangetekend werd verzonden, is ingediend na het verstrijken van de beroepstermijn van zestig dagen bepaald in artikel 4 van het algemeen procedurereglement van de Raad van State.
  18. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij effectief pas op 3 februari 2006 kennis heeft gekregen van de eerste bestreden beslissing, door middel van een e-mail van Liesbet Peeters, en dat hij van de tweede bestreden beslissing kennis heeft gekregen via een mondelinge mededeling van de personeelsdienst. Het op 4 juli 2006 ter post aangetekend verzonden verzoekschrift is volgens de verzoeker evenwel niet laattijdig. Hij verwijst daarvoor naar artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, krachtens hetwelk de beroepstermijn bij de Raad van State slechts begint te lopen indien bij de betekening van de beslissing met individuele strekking het bestaan van de IX-5363-4/9 beroepsmogelijkheid bij de Raad van State wordt vermeld, evenals de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen. Hij laat gelden dat de eerste bestreden beslissing hem op 3 februari 2006 ter kennis werd gebracht via e-mail, zonder dat hierbij melding werd gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. De beroepstermijn heeft volgens de verzoeker dan ook geen aanvang genomen. Wat de tweede bestreden beslissing betreft, stelt de verzoeker dat deze hem enkel mondeling ter kennis werd gebracht. Aangezien deze beslissing niet aan hem werd betekend, noch werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, is volgens de verzoeker de beroepstermijn tegen deze beslissing nooit beginnen lopen.
  19. In zijn laatste memorie laat de verzoeker nog gelden dat artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van toepassing is, omdat de bestreden beslissingen hem wel degelijk moesten worden betekend. Hij argumenteert dat het op grond van de geldende wetgeving automatisch aan hem, als geslaagde van een vroeger examen, toekwam om in het niveau B te worden benoemd en dat zijn rechtspositie, doordat hij niet is benoemd, is gewijzigd. Hij wijst voorts nog op de rechtspraak van de Raad van State luidens dewelke het resultaat van de benoemingsprocedure aan alle kandidaten moet worden betekend. Hij betoogt tevens dat zijn kennisneming van de tweede bestreden beslissing wel degelijk in de tijd kan worden gesitueerd. Hij stelt dat hij van deze beslissing feitelijk kennis heeft genomen door middel van een e-mail van 20 juni 2006 van een vakbondsmilitant. Volgens de verzoeker is te dezen bovendien sprake van een complexe administratieve verrichting, waardoor de vernietiging van het resultaat van de gehele verrichting kan worden gevorderd op grond van de onregelmatigheid van één van de samenstellende delen. In dat geval, zo stelt de verzoeker, is het voldoende dat het resultaat van de verrichting wordt aangevochten. Volgens hem is de benoeming van Kristof Mathys tijdig aangevochten. Voor de duidelijkheid van het rechtsverkeer zou het dan aangewezen zijn ook de eerste bestreden beslissing te vernietigen. Ten slotte betwist de verzoeker dat wanneer de beroepstermijn zou hebben gelopen vanaf de feitelijke kennisname van de bestreden beslissingen, hij onredelijk lang zou hebben gewacht met het instellen van zijn beroep. Ter adstructie verwijst hij naar de vigerende tekst van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidens dewelke, indien geen kennis is gegeven van de beroepsmogelijkheid en van de daarbij in acht te nemen termijn IX-5363-5/9 en vormvoorschriften, de beroepstermijn een aanvang neemt vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of van de beslissing met individuele strekking. Beoordeling
  20. Artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidde ten tijde van de bestreden beslissingen als volgt: “De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt.” Deze bepaling is van toepassing wanneer een administratieve overheid ertoe verplicht is om een individuele beslissing ter kennis te brengen van de betrokkene. Dit is slechts het geval wanneer een normatieve bepaling die kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene voorschrijft of wanneer de beslissing van zodanige aard is dat zij de rechtstoestand van de persoon op wie zij betrekking heeft, bepaalt of wijzigt. De verzoeker wijst geen enkele normatieve bepaling aan die de kennisgeving van de bestreden beslissingen aan hem zou opleggen. Voorts moet worden vastgesteld dat de toelating van een derde tot de stage en diens daaropvolgende vaste benoeming geen beslissingen zijn die als zodanig de rechtstoestand van de verzoeker hebben bepaald of gewijzigd, ook niet nu de verzoeker meent dat de toelating tot de stage en vervolgens de vaste benoeming hem toekwamen. Deze beslissingen dienden dan ook niet aan de verzoeker te worden betekend. De verzoeker verwijst tevergeefs naar de rechtspraak van de Raad van State volgens dewelke het resultaat van een benoemingsprocedure aan alle gegadigden die zich uitdrukkelijk kandidaat hebben gesteld, moet worden ter kennis gebracht. Te dezen blijkt immers niet dat de bestreden beslissingen het resultaat zijn van een benoemingsprocedure waarvoor de verzoeker zich uitdrukkelijk kandidaat heeft gesteld. De eerste en de tweede bestreden beslissing vallen dan ook buiten het toepassingsgebied van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De derde bestreden beslissing valt ook buiten het toepassingsgebied van de genoemde wetsbepaling, aangezien zij wegens haar impliciet karakter -zij IX-5363-6/9 werd niet uitdrukkelijk verwoord, maar ligt vervat in de eerste en de tweede bestreden beslissing- evenmin moest worden betekend.
  21. Met betrekking tot de tweede bestreden beslissing, laat de verzoeker nog gelden dat deze niet werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Hij wijst evenwel geen enkele normatieve bepaling aan die een dergelijke bekendmaking verplicht stelt. Hij toont ook niet aan dat de bekendmaking van dergelijke beslissingen door de OVAM een vast gebruik is.
  22. Aangezien de bestreden beslissingen niet moesten worden bekendgemaakt, noch aan de verzoeker moesten worden betekend, ging voor hem, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans: de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State, de beroepstermijn in met de feitelijke kennisname van de bestreden beslissingen. De verzoeker bevestigt zelf in zijn memorie van wederantwoord dat hij op 3 februari 2006 “effectief” kennis heeft gekregen van de eerste bestreden beslissing. De verzoeker geeft daarmee zelf aan dat hij toen de inhoud en de draagwijdte van de eerste bestreden beslissing heeft vernomen. De bij het verzoekschrift gevoegde kopieën van het e-mailverkeer dat de verzoeker toentertijd met de personeelsdienst voerde, bevestigen dit. De kennisname van de eerste bestreden beslissing op 3 februari 2006 is dan ook voldoende om de beroepstermijn tegen deze beslissing voor de verzoeker te laten aanvangen. Deze aanvang van de beroepstermijn situeert zich evenwel méér dan zestig dagen voor het indienen van het voorliggende beroep. Wat de tweede bestreden beslissing betreft, stelt de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat hij hiervan slechts in kennis werd gesteld via een mondelinge mededeling van de personeelsdienst. Wanneer deze mondelinge mededeling precies werd gedaan, laat hij in het ongewisse. Uit hetgeen voorafgaat, blijkt echter dat de verzoeker reeds op 3 februari 2006 op de hoogte was van de eerste bestreden beslissing, waarbij de heer Kristof Mathys werd toegelaten tot de stage. Gelet op de grote betrokkenheid die de verzoeker in zijn dossier aan de dag heeft gelegd -waarvan het gevoerde e-mailverkeer getuigt- zou dienvolgens kunnen worden verwacht dat hij zich spoedig heeft geïnformeerd en dat de mondelinge mededeling dat de heer Kristof Mathys vast werd benoemd, kort na 3 februari 2006 IX-5363-7/9 moet zijn tussengekomen. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker evenwel dat hij pas op 20 juni 2006, dit is minder dan zestig dagen voor het instellen van het voorliggende beroep, kennis heeft genomen van de desbetreffende beslissing door middel van een e-mail van 20 juni 2006 van een vakbondsmilitant. Indien dat het geval zou zijn, dan moet worden vastgesteld dat de verzoeker, die reeds op 3 februari 2006 kennis had van de eerste bestreden beslissing en moest weten dat een stage in het geval van een goede beoordeling wordt gevolgd door een vaste benoeming, meer dan vier maanden heeft gewacht om te informeren naar de afloop van die stage. De verzoeker was er nochtans toe gehouden zo snel mogelijk de nodige informatie in te winnen en zich ervan te vergewissen of de benoeming reeds was verleend. Indien ervan wordt uitgegaan, zoals de verzoeker doet, dat hij minder dan zestig dagen voor het instellen van het voorliggende beroep kennis kreeg van de tweede bestreden beslissing, dan moet worden besloten dat hij aan de op hem rustende waakzaamheidsplicht te kort is gekomen. Verzoekers verwijzing in zijn laatste memorie naar het gewijzigde artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is niet dienstig. Hiervóór werd er reeds op gewezen dat die wetsbepaling te dezen niet van toepassing is. Derhalve moet worden aangenomen dat ook wat de tweede bestreden beslissing betreft, de beroepstermijn ten aanzien van de verzoeker méér dan zestig dagen voor het instellen van het voorliggende beroep is aangevangen. Zoals eerder vermeld, ligt de derde bestreden beslissing impliciet vervat in de eerste en de tweede bestreden beslissing. Gelet op hetgeen voorafgaat, moet worden besloten dat ook wat deze beslissing betreft, de beroepstermijn ten aanzien van de verzoeker méér dan zestig dagen voor het instellen van het voorliggende beroep is aangevangen. Het beroep is dan ook laattijdig ingesteld tegen elk van de bestreden beslissingen. De exceptie is gegrond. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-5363-8/9
  24. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5363-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.607 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.