← België

Arrest 201669 - Naamsveranderingen - 08/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.669 Rolnummer: A. 191491/IX-6228 Zaak: Arrest 201669 - Naamsveranderingen - 08/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:26 Fiche Arrest nr 201.669 van 8 maart 2010 Justitie - Naamsveranderingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.669 van 8 maart 2010 in de zaak A. 191.491/IX-6228 In zake : Bruno NEESEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tanja Ghysens kantoor houdend te Lennik Karel Keymolenstraat 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yannick De Smet kantoor houdend te Brussel Havenlaan 86c bus 113 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 februari 2009, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 18 december 2008 van de minister van Justitie houdende de weigering van de aanvraag van Bruno Neesen tot naamsverandering van Neesen naar De Graeve. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-6228-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
  3. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sarah Vandewiele, die loco advocaat Tanja Ghysens verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Caroline Segers, die loco advocaat Yannick De Smet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker werd op 24 oktober 1987 geboren tijdens het huwelijk van Roger Neesen met Marie-Anne De Graeve. De ouders gingen uit elkaar in november
  6. Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 12 juni 1990 werd de echtscheiding uitgesproken. De ouders gingen kort nadien samenwonen, waaraan een einde kwam op 17 april 2006, na een hevige ruzie tussen de verzoeker en zijn vader. 3.
  7. Met een brief van 23 augustus 2007 aan de minister van Justitie vraagt de verzoeker de verandering van zijn familienaam Neesen in de naam De Graeve. In de aanvraag wordt gewezen op de problematische relatie tussen de verzoeker en diens vader en op de wens van de zoon om alle feitelijke banden met zijn vader te verbreken zodat hij een nieuwe start kan nemen. De problematische verhouding tussen de beiden wordt met een gedetailleerd feitelijk relaas beschreven waarbij de vader als een autoritaire persoonlijkheid wordt omschreven. De verzoeker stuurt ter ondersteuning van zijn aanvraag tot naamswijziging een brief op van 14 juli 2008 waarbij aanvullende feiten worden aangevoerd die de problematische verhouding tussen beiden moet aantonen. Bij deze brief wordt onder meer een proces-verbaal van verhoor van 28 april 2006 met IX-6228-2/14 een verklaring van de verzoeker omtrent een klacht ingediend door de moeder lastens de vader voor bedreigingen ten aanzien van de zoon, gevoegd. 3.
  8. Op 10 mei 2008 wordt Roger Neesen op verzoek van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep van Brussel gehoord door de lokale politie van Brussel. Uit het proces-verbaal blijkt dat Roger Neesen zich verzet tegen de naamsverandering. Aan zijn verklaringen voegt hij een uitgebreide stukkenbun- del toe. 3.
  9. Met een nota van 12 december 2008 stelt de dienst naamsverande- ringen van de FOD Justitie aan de minister voor om de naamsverandering te weigeren. 3.
  10. Op 18 december 2008 weigert de minister van Justitie de naamsverandering. Die beslissing steunt onder meer op de volgende overwegingen: “Onder verwijzing naar de in rubriek vermelde zaak heb ik de eer U mede te delen dat het toekennen van een naamsverandering krachtens de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, onderworpen is aan strikte voorwaarden. Gelet op het principe van de vastheid van naam kan de naamsverandering slechts uitzonderlijk door Z.M. de Koning worden toegestaan en op voorwaarde dat het verzoek gesteund is op behoorlijk bewezen ernstige redenen; bovendien mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet kunnen schaden (artikel 3, lid 2, van vermelde wet). Tot slot wens ik te preciseren dat de toelating om van naam te veranderen wettelijk beschouwd wordt als een gunst verleend aan betrokkene en niet als een recht voor deze laatste. Na een grondig onderzoek van uw dossier moet ik U tot mijn spijt meedelen dat er in uw geval geen afdoende ernstige motieven in de zin van bovenvermel- de wet voorhanden bevonden zijn om aan Z.M. de Koning voor te stellen U toelating te verlenen uw naam te veranderen in die van 'De Graeve'. De naam wordt verkregen op de bij de wet opgelegde wijze (dit is in regel op grond van de afstamming), hij kan niet vrij gekozen worden. Een procedure tot naamsverandering op basis van de wet van 15 mei 1987 is louter administratief en doet geen afbreuk aan de afstammingsband tussen vader en kind. Het feit dat er momenteel geen contact meer is tussen de heer Neesen Roger en Uzelf zich geen reden om af te wijken van het principe van de vastheid van naam. Bovendien stel ik vast dat uw vader zich niet akkoord kan verklaren met het door U ingediende verzoek. IX-6228-3/14 Overeenkomstig het tweede lid van artikel 3 van de voormelde wet van 15 mei 1987 mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring. Er wordt getracht door de naamsverandering de indruk te wekken dat enkel de moederlijke afstamming vaststaat en U geen vader heeft, daar waar ten aanzien van Uzelf zowel de vaderlijke als moederlijke afstamming vaststaat. Kinderen wiens afstamming langs beide zijden vaststaat dragen overeenkomstig de toepasselijke regels (art. 335, § 1, Burgerlijk Wetboek) de naam van hun vader.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  11. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), van het motiverings- en van het vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat de verwerende partij zich in de motivering beperkt tot het opsommen van een aantal abstracte en vormelijke stijlformules. Zo maakt de bestreden beslissing geen melding van een aantal feitelijke overwegingen die de verzoeker in zijn verzoek heeft opgesomd, zoals zijn jarenlange systematische fysieke en psychologische mishandeling door zijn vader, die na de beslissing van de verzoeker om definitief met hem te breken, hem nog steeds psychologisch parten speelt. Evenmin wordt geantwoord op het aangevoerde feit dat de verzoeker door zijn vader met een wapen werd bedreigd. Het motief dat het gebrek aan contact tussen Roger Neesen en de verzoeker geen reden is om af te wijken van het principe van vastheid van naam, is volgens de verzoeker geen afdoende weergave van de door hem aangehaalde feitelijke overwegingen. Het motief dat de wijziging naar de moederlijke familienaam aanleiding kan geven tot verwarring omtrent de afstammingsband, is volgens de verzoeker een nietszeggende stijlformule, temeer daar de verwerende partij in een aantal zaken wel de moederlij- ke naam aan een aantal verzoekers heeft toegekend. De verwerende partij oordeelt volgens de verzoeker ten onrechte dat het zijn intentie is om de indruk te wekken dat enkel de moederlijke afstamming vaststaat en hij geen vader heeft, daar waar zowel de moederlijke als de vaderlijke afstamming ten opzichte van de verzoeker vaststaat. De verzoeker verklaart dat hij niet systematisch geconfronteerd wil worden met het feit dat hij de achternaam draagt van een man die hem van kindsbeen af emotioneel, psychologisch en fysiek heeft gekleineerd, vernederd en gemanipuleerd en dit nu nog steeds doet. Voorts stelt hij dat de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen IX-6228-4/14 en voornamen (hierna: de wet van 15 mei 1987) nergens als voorwaarde voor het toekennen van een naamsverandering het akkoord van de vader van de verzoeker vermeldt. Door aldus te oordelen wordt aan de vader van de verzoeker een absoluut vetorecht toegekend, hetgeen ingaat tegen de letter en de geest van de wet. Uit de motivering moet blijken dat de argumenten omtrent de naamsverandering zijn onderzocht en tegen elkaar afgewogen. Dit is niet gebeurd waardoor de bestreden beslissing steunt op een verkeerde beoordeling, minstens heeft de minister de aangehaalde argumenten niet onderzocht en alleszins niet beantwoord.
  12. De verwerende partij antwoordt dat in geval van een verzoek tot naamswijziging, de motiveringsplicht onder de motiveringswet minder uitgebreid is dan wanneer de overheid beschikt over de volledige beoordelingsbevoegdheid. Zij stelt dat zij geenszins de feiten omtrent de fysieke en psychologische mishande- ling en de bedreiging met een wapen door de vader tracht te minimaliseren, maar in de bestreden beslissing de kern van de zaak vermeldt die aan de basis ligt van de aanvraag tot naamsverandering, met name het gebrek aan contact tussen de verzoeker en zijn vader. De verwerende partij kon terecht oordelen dat dit geen uitzonderlijke situatie is in de zin van de wet van 15 mei
  13. Het feit dat de bestreden beslissing zou lijken op andere beslissingen inzake naamswijzigingen, kan niet tot gevolg hebben dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd. Er rust immers op de overheid de plicht om het uitzonderlijk karakter van de naamswijziging te bewaren. Het is moeilijk een negatieve beslissing anders te verklaren dan door verwijzing naar een vaste praktijk. De eis van afdoende motivering houdt in dat moet worden verwezen naar de betrokken wettelijke normen. Omtrent het verzet van de vader merkt de verwerende partij op dat de ascendenten in eerste graad steeds op de hoogte worden gebracht over de aanvraag tot naamswijzing door het parket of door de politie. De vermelding van het verzet toont aan dat de verwerende partij de voorliggende situatie heeft onderzocht en alle voorliggende elementen tegenover elkaar heeft afgewogen om de beslissing te nemen. Dit motief is niet doorslaggevend maar louter een beoordelingselement. De verzoeker toont in het licht van de aangevoerde schending van het vertrouwensbe- ginsel niet aan dat in andere concrete gevallen een naamswijziging werd toegestaan wegens de wil tot het verbreken van contact met de vader. Het is een vaste praktijk om enkel in geval van ernstige redenen een naamswijziging toe te staan gelet op het wettelijk verankerde principe van vastheid van naam. De verzoeker kan geen enkele administratieve praktijk terzake aanvoeren en kan dus geen aanspraak maken op een door het bestuur gewekte verwachting. De verwerende partij wijst er ten slotte nog IX-6228-5/14 op dat zij terzake geen volledige discretionaire bevoegdheid heeft, nu zij gebonden is door het wettelijk principe van vastheid van naam. De Raad van State beschikt dienaangaande slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid. De verzoeker toont niet aan dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is.
  14. De verzoeker verduidelijkt in zijn memorie van wederantwoord dat hij de naamsverandering niet vraagt omdat hij gebroken heeft met zijn vader, maar wel om dezelfde redenen waarom hij met zijn vader heeft gebroken, met name de jarenlange fysieke en mentale terreur. Ook nu nog weigert de vader van de verzoeker te aanvaarden dat zijn zoon geen contact met hem wil. Het verzoek kadert in de behandeling van een post-traumatisch stresssyndroom ten gevolge van de extreem strenge en autoritaire opvoedingswijze van de vader. In de bestreden beslissing werd aan deze redenen voorbij gegaan. Omtrent het verzet van de vader tegen de naamswijziging stelt de verzoeker nog aanvullend dat vaststaat dat zijn vader alles zou doen om zijn ultieme beslissingsmacht te doen gelden ten opzichte van het leven en de toekomst van de verzoeker. Een simpele verwijzing naar het verzet is geen afdoende motivering. Het motief dat de wijziging naar de moederlijke familienaam aanleiding kan geven tot verwarring omtrent de afstammingsband, kan volgens de verzoeker niet als motief worden toegelaten omdat het aan de wettelijke vereisten een bijkomende voorwaarde oplegt. Een dergelijk argument kan niet worden aanvaard omdat elke wijziging verwarring zal scheppen over de juridische afstamming. De verzoeker besluit dat vast staat dat hij in de bestreden beslissing niet kan terugvinden waarom de verwerende partij de argumenten afwijst dat de verzoeker jarenlang heeft geleden onder psychologische en fysieke geweldplegingen van zijn vader die tot op heden hun sporen nalaten. De verwerende partij geeft overigens zelf toe dat het verzet van de vader geen dragend motief voor de beslissing is. Beoordeling
  15. Luidens artikel 2 van de formele motiveringswet moeten de individuele bestuurshandelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De beslissing die aan de betrokkene wordt meegedeeld, moet niet enkel het dictum bevatten, maar eveneens de redenen op grond waarvan de beslissing werd genomen. In de beslissing moet echter niet op elk argument dat door de betrokkene wordt aangevoerd, afzonderlijk worden geantwoord. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden. IX-6228-6/14 Artikel 3 van de motiveringswet bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn. Dit laatste betekent dat de motivering pertinent moet zijn, wat inhoudt dat de motivering duidelijk met de bestreden beslissing moet te maken hebben, en dat zij draagkrachtig moet zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De betrokkene moet in de hem aanbelangende beslissing de motieven kunnen lezen op grond waarvan ze werd genomen zodat hij kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. De motivering moet de betrokkene in staat stellen om met kennis van zaken te oordelen of het zinvol is de beslissing met een annulatiebe- roep te bestrijden.
  16. Artikel 3, tweede lid, van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen luidt als volgt: “De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden.” Uit die bepaling blijkt dat om een naamsverandering te verkrijgen aan twee cumulatieve voorwaarden moet worden voldaan: enerzijds moet het verzoek tot naamsverandering op ernstige redenen steunen; anderzijds mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet schaden. De onveranderlijkheid van de familienaam is immers noodzakelijk om personen doeltreffend te kunnen identificeren in hun sociale relaties en is een waarborg voor stabiliteit, die slechts bij wijze van uitzondering mag worden verstoord. Bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 1987 werd bevestigd dat de onveranderlijkheid van de naam de regel moet blijven en de naamsverandering de uitzondering. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot de wet van 15 mei 1987 heeft geleid, werd immers gesteld : “Daarentegen moet voor de verandering van naam de onveranderlijkheid de regel blijven en de verandering de uitzondering. Derhalve moeten de verzoeken, waarvan na onderzoek blijkt dat zij niet berusten op een ernstige reden, verworpen worden, zelfs als de gevraagde naam niemand schade berokkent” (Parl. St., Kamer, 1983-84, nr. 966/1, pp. 4-5). IX-6228-7/14 Bij de bespreking van het ontwerp werd door de vertegenwoordi- ger van de minister onder meer verklaard: “De verandering van naam moet op een duidelijk omschreven en ernstige reden steunen” (Parl. St., Senaat, 1986-87, nr. 701/2, p. 8). De Koning beschikt over een discretionaire bevoegdheid. Het komt de Raad van State niet toe om zich in de plaats van de overheid te stellen bij de beoordeling van de motieven op basis waarvan de naamsverandering al dan niet kan worden toegestaan. Hij kan wel nagaan of de beoordeling van de overheid steunt op feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven en of die beoordeling binnen de grenzen van de redelijkheid blijft.
  17. De aanvraag tot naamswijziging van de verzoeker is gesteund op zijn wens om zich van zijn vader te distantiëren als gevolg van een problematische relatie. Het kwam aan de verwerende partij toe om te oordelen of deze reden voldoende ernstig is om af te wijken van het principe van onveranderlijkheid van naam en om te oordelen of de nieuwe naam aanleiding geeft tot verwarring, zoals vastgelegd in artikel 3 van de wet van 15 mei 1987 waarnaar het bestreden besluit verwijst. De verwerende partij heeft de opgegeven redenen niet aanvaard. De weigeringsbeslissing maakt onder meer melding van de toepasselijke wet, van het principe van de vastheid van naam, van het gebrek aan afdoende ernstige motieven, van de wijze waarop de naam wordt verkregen. Eveneens staat in de beslissing te lezen dat de naam niet vrij kan gekozen worden; dat de toelating om de naam te veranderen een gunst is; dat het gegeven dat er momenteel geen contact meer is tussen de vader en de verzoeker op zich nog geen reden is om af te wijken van het principe van de vastheid van naam; dat de vader zich niet akkoord kan verklaren met de aanvraag tot naamswijziging; dat een procedure tot naamsverandering louter administratief is en geen afbreuk doet aan de afstammingsband tussen vader en kind; dat de gevraagde naamsverandering de indruk kan wekken dat enkel de moederlijke afstamming vaststaat en dat de zoon geen vader heeft, hoewel voor de zoon zowel de vaderlijke als de moederlijke afstamming vaststaat. De bestreden beslissing geeft aldus duidelijk, dit is op een voor de betrokkene begrijpelijke wijze, de determinerende motieven aan op grond waarvan zij werd genomen. De motivering is ook afdoende aangezien de motieven pertinent zijn en zij, mede gelet op het uitzonderlijk karakter van een naamsverande- IX-6228-8/14 ring, volstaan om de beslissing te dragen. De motivering is bijgevolg geenszins een stijlformule. De stelling van de verzoeker dat de verwerende partij voorbijgaat aan de door hem in zijn aanvraag aangevoerde problematische relatie met zijn vader kan niet worden bijgevallen. Dit blijkt uit het motief dat het gebrek aan contact tussen de vader en de verzoeker nog geen reden is om af te wijken van het principe van de vastheid van naam. Dit blijkt ook uit de nota aan de minister waarbij de administratie stilstaat bij de hevige ruzie tussen de verzoeker en zijn vader en de wens van de verzoeker om alle banden met zijn vader te verbreken. Anders dan de verzoeker stelt, blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing niet dat de verwerende partij aan de vader van de verzoeker een vetorecht heeft verleend. Het verzet van de vader is slechts één van de elementen in het geheel van motieven en overwegingen die de bestreden weigeringsbeslissing schragen. Waar de verzoeker de deugdelijkheid van het motief betwist dat de gekozen naam de indruk kan wekken dat enkel de moederlijke afstamming vast staat, moet vooreerst worden opgemerkt dat de schending van de artikel 3 van de wet van 15 mei 1987 maar aanleiding kan geven tot vernietiging indien blijkt dat zowel de motivering omtrent de verwarring als die omtrent de ernstige reden niet deugdelijk zijn. Zoals hiervóór gesteld gaat het immers om cumulatieve voorwaar- den. Nu blijkt dat de verzoeker niet aantoont dat de verwerende partij niet op wettige wijze kon aannemen dat het verzoek tot naamswijziging niet op een ernstige reden steunt, kan zijn kritiek op het motief dat de gekozen naam aanleiding kan geven tot verwarring niet meer tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden. Ten andere kan in redelijkheid worden aangenomen dat de voorgestelde naam daadwerkelijk de indruk kan wekken dat enkel de afstamming langs moederskant vaststaat.
  18. Ten slotte roept de verzoeker nog de schending van het vertrouwensbeginsel in. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat het bestuur moet vermijden dat de rechtmatige verwachtingen die de burger uit het bestuursoptreden put, tekort worden gedaan. Dit houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. IX-6228-9/14 Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat de verzoeker op geen enkele wijze aantoont dat er een administratieve praktijk bestaat in zijn voordeel en hij aanspraak kan maken op een door het bestuur gewekte verwachting.
  19. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  20. De verzoeker roept in zijn tweede middel de schending in van de beginselen van behoorlijk bestuur. Hij stelt dat de overheid terzake weliswaar over een discretionaire bevoegdheid beschikt, maar dat de Raad van State via controle op de motieven kan nagaan of het beleidsoordeel van de overheid is gesteund op motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn en of de genomen beslissing niet kennelijk onredelijk is. De verzoeker voert aan dat de beslissing van de minister geenszins rekening heeft gehouden met de door de verzoeker aangehaalde argumenten van jarenlange fysieke en psychologische mishandeling welke het schrikbewind van de vader van de verzoeker kenmerkte en de psychologische noodzaak voor de verzoeker om alle banden met deze man te verbreken teneinde zo weinig mogelijk te worden herinnerd aan dit pijnlijke verleden en te kunnen werken aan een nieuwe start. De verzoeker stelt dat een naamswijziging hiervan een essentieel onderdeel uitmaakt.
  21. De verwerende partij antwoordt dat indien een zelfstandige schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou kunnen worden aangehaald het rechtmatigheidstoezicht van de rechter ontaardt in een beleidstoe- zicht, waardoor de rechter buiten zijn opdracht treedt. Bijgevolg moet steeds de geschonden wettelijke bepaling aangeduid worden. De verzoeker duidt echter geen wettelijke bepaling aan zodat het middel moet worden afgewezen. Indien wordt aangenomen dat de beginselen van behoorlijk bestuur op zelfstandige wijze kunnen worden ingeroepen, moet worden opgemerkt dat het middel niet duidelijk genoeg is gesteld en om die reden moet worden verworpen. Ten slotte stelt de verwerende partij dat zij wel degelijk rekening heeft gehouden met de argumenten van de verzoeker, zoals zij heeft aangetoond bij het eerste middel. Weliswaar werden niet IX-6228-10/14 alle argumenten van de verzoeker overgenomen in de bestreden beslissing, de verwerende partij was daartoe echter niet verplicht.
  22. De verzoeker repliceert dat in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, de Raad van State een beslissing wel degelijk mag toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo kan het redelijkheidsbeginsel worden gezien als een concretisering van de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 1382-1383 B.W., wat eveneens toepasselijk is op openbare besturen, alsook van het verbod van rechtsmisbruik. Beoordeling
  23. De verwerende partij voert aan dat het middel onontvankelijk is omdat de verzoeker geen geschonden wettelijke bepaling heeft aangeduid en omdat het middel niet duidelijk genoeg is gesteld.
  24. Luidens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State bevat het verzoekschrift “het voorwerp van de aanvraag of van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen”. Onder “middel” in de zin van die bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die regel naar het oordeel van verzoeker door de bestreden handeling wordt geschonden.
  25. Het middel verwijst in zijn titel in het algemeen naar de beginselen van behoorlijk bestuur, wat formeel geen schending is van een welbepaalde rechtsregel. Uit het middel blijkt evenwel duidelijk dat de schending ingeroepen wordt van de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook de verwerende partij heeft dit zo begrepen aangezien ze er zich, weliswaar in subsidiaire orde, heeft tegen verweerd zonder dat zij in haar rechten van verweer is geschaad.
  26. De exceptie van onontvankelijkheid van het middel kan niet worden aangenomen.
  27. De verzoeker voert de schending aan van de materiële motive- ringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk IX-6228-11/14 bestuur doordat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de argumenten van de verzoeker. Zoals bij de beoordeling van het eerste middel is uiteengezet heeft de verwerende partij wel degelijk rekening gehouden met de door verzoeker in zijn aanvraag aangehaalde argumenten.
  28. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  29. De verzoeker voert in zijn derde middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij stelt dat de minister een beslissing heeft genomen zonder erover te waken dat hij beschikte over alle relevante feitelijke en juridische gegevens. De stukken en brieven die de verzoeker heeft overgemaakt werden door de minister niet onderzocht, zodat hij niet met volledige kennis van zaken heeft beslist. Een aantal cruciale door de verzoeker verstrekte gegevens komen niet aan bod. Er werd geen rekening gehouden met alle gegevens van de zaak en met de belangen van de verzoeker.
  30. De verwerende partij antwoordt dat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel niet op zelfstandige wijze kan worden ingeroepen. Aangezien de verzoeker geen geschonden wettelijke bepaling aanduidt, moet het middel worden afgewezen. Indien zou worden aangenomen dat de verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel toch op zelfstandige wijze kan inroepen, betoogt de verwerende partij dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet werd geschonden: de bestreden beslissing duidt duidelijk de verhouding tussen de verzoeker en zijn vader aan en het feit dat deze situatie geen uitzondering toelaat op het principe van de vastheid van naam. Hieruit blijkt dat de aanvraag ter dege werd onderzocht. Het feit dat de verwerende partij in de bestreden beslissing de onderliggende reden samenvat als zijnde de wil tot het verbreken van het contact met de vader, toont niet aan dat de door de verzoeker voorgebrachte stukken niet werden onderzocht.
  31. De verzoeker repliceert dat niet uit de bestreden beslissing opgemaakt kan worden dat de verwerende partij zorgvuldig is opgetreden. IX-6228-12/14 Beoordeling
  32. De verwerende partij werpt op dat het middel onontvankelijk is omdat de verzoeker geen geschonden wettelijke bepaling heeft aangeduid. Deze stelling kan niet worden bijgevallen. De verzoeker kan wel degelijk de schending van de zorgvuldigheidsverplichting als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur als middel inroepen. De exceptie van onontvankelijkheid van het middel kan niet worden aangenomen.
  33. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op een zorgvuldige feitenvinding en een nauwgezette belangenaf- weging zodat het bestuur op basis van een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval tot zijn besluit komt.
  34. Uit de bestreden beslissing en uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij wel degelijk rekening heeft gehouden met de stukken die werden overgemaakt. Dit blijkt uit de nota aan de minister en uit de opdracht aan de Procureur-generaal van het Hof van Beroep van Brussel om de vader te ondervra- gen. De verzoeker toont niet aan met welke gegevens en belangen geen rekening werd gehouden. Er rust geen plicht op de verwerende partij om in het kader van de behandeling van een naamswijziging een psychologisch onderzoek te bevelen teneinde het kwetsend karakter veroorzaakt door het dragen van de naam van de vader, na te gaan.
  35. Het derde middel is niet gegrond. IX-6228-13/14 BESLISSING
  36. De Raad van State verwerpt het beroep.
  37. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6228-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.669 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.