← België

Arrest 201713 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.713 Rolnummer: A. 193963/X-14397 Zaak: Arrest 201713 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-18 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:26 Fiche Arrest nr 201.713 van 9 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.713 van 9 maart 2010 in de zaak A. 193.963/X-14.

  1. In zake:
  2. Jan VAN MELKEBEKE,
  3. Pieter DE MULDER,
  4. Filip UYTTEBROECK,
  5. Chantal BELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 LEUVEN Vaartstraat 68-70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  6. de stad LEUVEN, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 LEUVEN Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen
  7. de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 TERVUREN Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. EXTENSA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2600 ANTWERPEN Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  8. De vordering, ingesteld op 14 september 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van : a. het besluit van 28 mei 2009 van de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “GGR-H1 Parkveld” te Leuven, zoals definitief vastgesteld door X-14.397-1/11 de gemeenteraad bij besluit van 20 april 2009, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een grafisch plan, stedenbouwkundige voorschriften en een toelichtingsnota (B.S. 14 juli 2009), en, b. het besluit van 20 april 2009 van de gemeenteraad van Leuven houdende definitieve vaststelling van voornoemd gemeentelijk gebiedsgericht ruimtelijk uitvoeringsplan GGR-H1 “Parkveld”. II. Verloop van de rechtspleging
  9. De verwerende partijen hebben een nota ingediend. Auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 februari
  10. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Verstraeten, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Liesbeth Peeters, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Ive Van Giel, die loco advocaat Els Empereur verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  11. X-14.397-2/11 III. Tussenkomst
  12. Met een op 9 november 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de n.v. EXTENSA om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. IV. Feiten
  13. De verzoekende partijen zijn eigenaar c.q. bewoner van eigendommen in en nabij het gebied “Parkveld” aan de Geldenaaksebaan te Heverlee, in de buurt van het researchpark Haasrode en de militaire kazerne van Heverlee.
  14. Het gebied heeft volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven de bestemming agrarisch gebied, en voor een kleiner stuk woongebied. Het gebied ligt ingeklemd tussen het gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen van het researchpark Haasrode aan de op- en afrit van de E40 in zuidelijke richting, het militair domein van de kazerne van Heverlee in het westen, de Leuvense agglomeratie met onder meer de verkavelingen Vinkenbosstraat en Petrusberg in het noorden, en een ander agrarisch gebied met daarin het in gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen gelegen Sint-Albertuscollege in oostelijke richting.
  15. Bij ’s Raads arrest nr. 59.236 van 25 april 1996 wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 tot herziening van het gewestplan Leuven, waarbij de terreinen van het Parkveld worden omgevormd tot regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter, bevolen. Het geschorste besluit wordt vervolgens ingetrokken bij besluit van de Vlaamse regering van 27 mei
  16. Bij ’s Raads arrest nr. 106.421 van 7 mei 2002 wordt het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot herziening van het gewestplan Leuven, waarbij het Parkveld deels tot regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter, deels tot bufferzone en deels tot agrarisch gebied wordt bestemd, vernietigd nadat de tenuitvoerlegging ervan werd geschorst bij arrest nr. 85.242 van 9 februari
  17. X-14.397-3/11
  18. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Leuven wordt de site Parkveld geselecteerd als “strategisch project” en als woonontwikkelingsgebied. In het bindend gedeelte is het Parkveld geselecteerd als gebied met geïntegreerde bebouwing waar de natuurwaarde nevengeschikt is aan de gebruikswaarde, als bedrijventerrein en als groencorridor.
  19. Met een besluit van 23 november 2007 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven de eigen dienst ruimtelijke planning aan te duiden als ontwerper van het ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP) GGR- H1 “Parkveld”, het voorontwerp ervan goed te keuren en voor advies voor te leggen aan verschillende instanties. Op 16 januari 2008 wordt een plenaire vergadering gehouden. Op 31 maart 2008 verleent de dienst MER een ontheffing van de verplichting om een plan-MER op te maken.
  20. Met een besluit van 1 september 2008 stelt de gemeenteraad van de stad Leuven het ontwerp van gemeentelijk RUP GGR-H1 “Parkveld” voorlopig vast. Aan de zijde van het researchpark Haasrode en het op- en afrittencomplex van de E40 voorziet het plan in een omvorming van circa 15 hectare agrarisch gebied naar zone voor lokale bedrijvigheid, te organiseren in 4 bouwblokken. Via een dubbele ontsluiting zou dit deelgebied bereikbaar zijn van in de Meerdaalboslaan (N25), die ook rechtstreeks toegang geeft tot de autosnelweg. Langs de Geldenaaksebaan worden de woningen die nu nog in het agrarisch gebied liggen -waaronder ook de woningen van de derde en de vierde verzoekende partij- ondergebracht in woongebied, dat van de nieuwe zone voor lokale bedrijvigheid wordt gescheiden door een 30 meter brede bufferzone en een zone voor openbare wegenis. Aan de andere zijde van het gebied wordt, palend aan de verkaveling van de Vinkenbosstraat, een woonontwikkelingsgebied ingekleurd met een na te streven woondichtheid van 23 woningen per hectare. Het gebied wordt gekenmerkt door open en halfopen bebouwing, met aan de rand gesloten bebouwing van het bel-étagetype. Dit gebied moet ontsloten worden via een nieuwe Parkweg, die de verlenging vormt van de Vinkenbosstraat en die via een slingerend tracé aan de andere zijde zal aansluiten op de Geldenaaksebaan ter hoogte van de verkaveling Petrusberg. X-14.397-4/11 Tussen de nieuwe bedrijvenzone en de nieuwe woonwijk wordt voorzien in een strook zone voor bospark, die bestemd is voor groenaanleg met parkkarakter en die moet ingericht en onderhouden worden om integraal publiek toegankelijk te zijn. Tevens wordt vooropgesteld dat dit gebied moet fungeren als “corridor” tussen het Heverleebos en de site van de abdij van het Park en verder de Molenbeekvallei. Aan de zijde van de Geldenaaksebaan wordt in deze zone ook ruimte voorzien voor de bouw van 8 dwars te plaatsen woonblokken voor in totaal 100 tot 125 terrasappartementen, waarvan de hoogte van maximaal 16 meter aan de Geldenaaksebaan trapsgewijs moet afnemen in de richting van het bospark. Deze zone voor bospark wordt van de bedrijvenzone nog gescheiden door een zone voor “sport en spel”, waar de parkaanleg en het groen beperkt gecombineerd kunnen worden met recreatieve en sportinfrastructuur.
  21. Aan het RUP is ook een onteigeningsplan gekoppeld, waarin de woningen en eigendommen van de eerste en de tweede verzoeker zijn opgenomen (innemingen 1-4 op de tabel der onteigeningen).
  22. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek dat gehouden wordt van 15 september tot en met 14 november 2008 worden 123 bezwaarschriften ingediend, waaronder door de verzoekende partijen.
  23. De deputatie en de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar verlenen elk een gunstig advies.
  24. De GECORO bespreekt de bezwaren en de adviezen op 3 februari
  25. Op 20 april 2009 stelt de gemeenteraad van Leuven het gemeentelijk RUP GGR-H1 “Parkveld”, met inbegrip van het onteigeningsplan, definitief vast.
  26. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant keurt het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP GGR-H1 “Parkveld” goed bij besluit van 28 mei
  27. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juli
  28. X-14.397-5/11 V. Ontvankelijkheid van de vordering
  29. De eerste verwerende partij en de tussenkomende partij bestwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Onderzoek van de vordering
  30. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel
  31. De verzoekende partijen voeren het volgende aan in het verzoekschrift: “2.
  32. Vooreerst kan verwezen worden naar de uiteenzetting hierboven met betrekking tot het BELANG, dat als herhaald kan worden beschouwd. De vier verzoekende partijen zijn woonachtig in het RUP. Eerste en tweede verzoekende partijen zijn natuurlijke personen die onteigend zullen worden naar aanleiding van de bestreden Besluiten, de bestemming van hun percelen wijzigt van agrarisch landbouwgebied naar ambachtelijke zone; Derde en vierde verzoekende partijen zijn natuurlijke personen die wonen in hun huis, onmiddellijk grenzend aan de percelen waar in het RUP een ambachtelijke zone wordt voorzien; Dit blijkt uit de kaarten waar met kleur is aangeduid waar verzoekers woonachtig zijn en waar de locatie van de woningen op de Geldenaaksebaan evenals het geplande bedrijvenpark is aangeduid. (...) Uit deze kaarten blijkt dat eerste en tweede verzoekende partijen wonen op de percelen die in het RUP voorzien zijn voor een lokale bedrijvigheid. Verzoekende partijen brengen hun eigendomsakten bij (...) Verzoekers hebben ook allen een uitgebreid en stevig onderbouwd bezwaarschrift ingediend. (...) Aangezien een onteigening de meest fundamentele inbreuk op het eigendomsrecht is. X-14.397-6/11 Aangezien de tenuitvoerlegging van de bestreden Besluiten en de daarmee samengaande onteigening aan verwerende partijen, een nadeel zal toebrengen dat zeer ernstig is. 2.2.Ernstig nadeel Ten gevolge van de uitvoering van het RUP zal de ontwikkeling en realisatie van het bedrijvenpark mogelijk worden. Verwijzende naar de hieronder geciteerde arresten van Uw Raad in vergelijkbare zaken wenst verzoekende partij op te merken dat door deze bestemmingswijziging de rechtsgrond wordt verleend voor de realisatie van het bedrijvenpark. De nadelen hieraan verbonden vinden hun rechtstreekse oorzaak in deze wijziging. Met betrekking tot de eerste en de tweede verzoekers staat het staat buiten kijf dat door het RUP en de gepaard gaande onteigening zij een ernstig nadeel ondergaan. Door het RUP wordt de rechtsgrond verleend voor het bedrijvenpark en zullen verzoekers moeten verhuizen. De wijziging is dan ook bijzonder drastisch te noemen Dit zal onvermijdelijk een ernstige invloed hebben op de leefwereld van verzoekende partijen, die wensen te genieten van hun oudere dag, samen met familie, vrienden, kleinkinderen in een open, groene omgeving maar door het RUP, de onteigening, op zoek zullen moeten gaan naar een betaalbare woning. Dit is een bijzonder uitermate ernstig nadeel voor de tweede verzoekende partij die reeds samen met zijn vrouw de leeftijd van 77 jaar heeft bereikt. De kans bestaat dat zij zich in een andere en onbekende streek moeten vestigen, verder verwijderd van kinderen, kleinkinderen en vrienden. Zij wonen er sedert 1962... Het ‘ontwortelen’ van mensen van 77 jaar is op zijn minst een ernstig nadeel. Deze heeft ook een bezwaarschrift geschreven van 41 bladzijden... Hetzelfde ontwortelen is uiteraard ook van toepassing op eerste verzoekende partij. Door het RUP wordt ook ten aanzien van hem de rechtsgrond verleend waarop hij niet langer daar zal kunnen blijven wonen. Voor zover zij daar nog een tijd zullen wonen, in afwachting van een onteigening, zullen ze mogelijk omringd of omsloten worden door bedrijven met dezelfde hinder als derde en vierde verzoekende partij. De derde en vierde verzoekende partijen zullen eveneens onmiskenbaar in hun onmiddellijke omgeving geconfronteerd worden met volgende vormen van ernstig nadeel, ernstige hinder : 1.verzoekende partijen wonen nu in hun woning op de Geldenaaksebaan, aanpalend aan de percelen van het bedrijvenpark. (...) Dit zal onomstotelijk leiden tot toenemende verkeersoverlast op een baan die nu reeds de toenemende verkeersstroom niet langer kan slikken.
  33. geluidshinder ten gevolge van de werkzaamheden van de ambachtenzone en het verkeer van zware vrachtwagens en tewerkgestelden;
  34. visuele hinder: waar verzoekende partijen vroeger uitkeken op een groene open ruimte zullen zij nu geconfronteerd worden met een bedrijvenpark van stalen constructies, containers,...
  35. De toenemende verkeerslast en de nabijheid van een industriepark zal ongetwijfeld de gezondheid van verzoekende partijen schaden in een gebied dat nu reeds zorgwekkend is m.b.t fijn stof. (...)
  36. Verzoekende partijen zullen naar aanleiding van het project een inbreuk op hun privacy ondervinden aangezien de bedrijven uitgerust zullen worden met dakparkings, die een inkijk in de tuin en het huis van de verzoekende partijen creëert. X-14.397-7/11
  37. milieuhinder: uitstoot van milieubelastende bedrijven, fijn stof, geur- of stankhinder, gezien het gaat om bedrijven die elders niet kunnen blijven omdat ze er te hinderlijk zijn. De wijziging is dan ook bijzonder drastisch te noemen Dit zal onvermijdelijk een ernstige invloed hebben op de leefwereld van verzoekende partijen, die wensen te genieten van hun woning, en nu uitzicht hebben op een uiterst rustige, groene omgeving. 2.
  38. Het nadeel is daarenboven moeilijk te herstellen. Het is bij uitstek een nadeel dat niet te herstellen is. Het feit dat men niet kan blijven wonen op deze plaats is niet te herstellen. Dit is bij uitstek een bijzonder zwaar emotioneel nadeel dat niet naar waarde geschat kan worden. Het landschap, toch totnogtoe als zijnde landschappelijk waardevol agrarisch gebied wordt volledig omgetoverd in de onmiddellijke omgeving. De hinder van het RUP en meer bepaald het bedrijvenpark is niet te herstellen (uitzicht, lawaaihinder, verkeer, uitstoot van schadelijke stoffen, geurhinder ...) Ook met deze plannen is het de bedoeling dat dezelfde milieubelastende industrieën (als in de vorige schorsingszaak) worden gebracht naar dit terrein. Zie daarbij het advies van de Gecoro, p.1 ‘voor de herlocalisatie van storende bedrijven uit de woonkernen’, met andere woorden bedrijven die elders storen, hinderlijk zijn. (...) Dat uw Raad reeds stelde (...): ‘dat de omvorming van een landbouwgebied tot een researchpark van ± 20 ha onmiskenbaar een indrukwekkende en als zeer nadelig aan te merken weerslag heeft op de aard en de aanleg van de wijk waarin alle verzoekende partijen wonen of werkzaam zijn en deze weerslag en de daaraan verbonden nadelen hun rechtstreekse oorzaak vinden in de gewijzigde bestemmingsvoorschriften die door de bestreden besluiten worden vastgesteld;’ (...) Dat Uw Raad eveneens stelde (...): ‘dat gelet op die uiterst kleine afstand, en de aard van de inrichting, geen lang betoog nodig is om te stellen dat in redelijkheid moeilijk kan betwist worden dat de geplande installatie de leefkwaliteit van de verzoekende partijen op zeer ernstige en nadelige wijze dr(ei)gt te beïnvloeden(...) Dat dit nadeel van aard is dat echt door een later tussen te komen vernietigingsarrest niet meer op adequate wijze kan worden hersteld;’ (...) Dat Uw Raad eveneens stelde in de vorige schorsingszaak in verband met hetzelfde gebied: ‘Overwegende dat, wat de tweede door artikel 17, 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde betreft, verzoekster laat gelden dat zij eigenaar en bewoner is van een woning gelegen aan de Geldenaaksebaan 396 te Leuven (Heverlee), dat haar eigendom ingevolge de bestreden gewestplanwijziging tot regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter wordt bestemd, daar waar het betrokken gebied voorheen tot agrarisch gebied was bestemd, dat het gaat om de omvorming van 3,7 ha woongebied en 15 ha agrarisch gebied naar 1,2 ha bufferzone, 1,2 ha agrarisch gebied en 16,3 ha regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter, dat er geen bufferzone is voorzien tussen haar woning en het regionaal bedrijventerrein, dat zij geconfronteerd zal worden met de ontwikkeling en realisatie van zeer hinderlijke bedrijven die onmiddellijk zullen grenzen aan haar eigendom, dat in tegenstelling tot de huidige landbouwactiviteit industriële en X-14.397-8/11 ambachtelijke bedrijven (artikel 7), vervuilende industrieën (artikel 8, 2.1.1.), milieubelastende industrieën (artikel 8, 2.1.2.) zich zullen komen vestigen, welke ontegensprekelijk veel hinder zullen veroorzaken, onder meer vervuilende luchtemissies, geluidshinder, verkeershinder, enz...; dat verzoekster in haar uiteenzetting voldoende concrete gegevens aanvoert die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen’. (...) Dit kan alleen voorkomen worden indien Uw Raad beslist tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het betrokken Besluit. Aldus is er een moeilijk te herstellen ernstig nadeel”.
  39. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partij mag zich in haar uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan.
  40. In zover de eerste en de tweede verzoeker het moeilijk te herstellen ernstig nadeel afleiden uit de geplande onteigening, dient vastgesteld te worden dat het bestreden gemeentelijk RUP op zich geen onteigeningen mogelijk maakt. Krachtens het toentertijd geldende artikel 70, § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wordt een onteigeningsplan dat gekoppeld is aan een gemeentelijk RUP dat ter goedkeuring aan de bestendige deputatie wordt voorgelegd, niet aan die bestendige deputatie maar aan de Vlaamse regering ter goedkeuring voorgelegd, hetgeen pas kan na de X-14.397-9/11 goedkeuring van het gemeentelijk RUP door de bestendige deputatie. De Vlaamse regering beslist over het onteigeningsplan en verleent een onteigeningsmachtiging conform de wetgeving inzake onteigeningen. Het bestreden besluit van de deputatie houdt -zoals overigens wettelijk voorgeschreven- geen goedkeuring in van het onteigeningsplan. Op heden is het betreffende onteigeningsplan nog niet goedgekeurd en derhalve niet uitvoerbaar, zodat het de eerste en de tweede verzoeker geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan veroorzaken.
  41. In zover de verzoekende partijen stellen dat de komst van het bedrijventerrein hen als buren ernstige hinder zal veroorzaken, meer bepaald een toename van verkeer en lawaai, visuele hinder, gezondheidschade, inbreuk op hun privacy, fijn stof, geur- en stankhinder, dient, met de tussenkomende en de verwerende partijen, te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen dit nadeel uiterst vaag en algemeen formuleren zonder stukken die dat beweerde nadeel kunnen aantonen. De “algemene overzichtskaart” in het stukkenbundel van de verzoekende partijen situeert enkel de woonplaats van de derde en de vierde verzoekende partijen maar geeft geen concreet inzicht op bijvoorbeeld de huidige oriëntatie, inplanting of indeling van hun woning en evenmin op hun huidige onmiddellijke leefomgeving. Daar staat tegenover dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat door het bestreden gemeentelijk RUP het zonevreemd karakter van hun woningen wordt weggenomen, tussen hun eigendommen en het bedrijventerrein een 30 meter brede “zone voor buffer” en een “zone voor openbare wegenis” wordt aangelegd en de ontsluiting van het bedrijventerrein is voorzien niet langs de Geldenaaksebaan maar langs de Meerdaalboslaan naar de op- en afrit van de autosnelweg. De verzoekende partijen maken het de Raad van State derhalve onmogelijk om de ernst en het moeilijk te herstellen karakter van het beweerde nadeel te beoordelen.
  42. Gelet op het voorgaande komt het in de gegeven omstandigheden niet aannemelijk voor dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten de verzoekende partijen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent of dreigt te berokkenen. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. X-14.397-10/11 BESLISSING
  43. Het verzoek van de n.v. EXTENSA tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  44. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-14.397-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.713 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.