← België

Arrest 201718 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.718 Rolnummer: A. 89179/X-9361 Zaak: Arrest 201718 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:26 Fiche Arrest nr 201.718 van 9 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.718 van 9 maart 2010 in de zaak A. 89.179/X-

  1. In zake: Victor LAHAYE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joseph Peeters kantoor houdend te 3400 LANDEN Brugstraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieve Dehaese kantoor houdend te 3500 HASSELT Luikersteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 24 januari 2000, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 19 november 1999 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende verwerping van het beroep van de verzoeker ingesteld tegen het besluit van 23 juni 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de vergunning is geweigerd voor het veranderen van gevels aan de Magnebois 33 te Voeren, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 521/k. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. X-9361-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari
  4. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joseph Peeters, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Meral Kalin, die loco advocaat Lieve Dehaese verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De verzoeker dient op 29 juni 1998 (datum van het ontvangstbewijs) bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren een aanvraag in tot het veranderen van gevels aan een hoeve gelegen te Voeren, Magnebois 33, op een perceel kadastraal bekend, sectie B, nr. 521/k. Het betrokken perceel is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 5 april 1977 vastgestelde gewestplan Sint-Truiden - Tongeren, gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Door de verwerende partij wordt niet betwist dat de verzoeker ook zijn woonplaats heeft in de gemeente Voeren.
  7. Op 29 september 1998 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies over de aanvraag, dat luidt als volgt: “ONGUNSTIG voor veranderen van gevels. Door de voorziene bestemming, inplanting, en architectuur brengt de ontworpen constructie de goede ordening van de plaats in het gedrang. De bedoeling van de aanvraag is onduidelijk. Het veranderen van de raamopeningen hangt samen met de wijzigingen aan het binnenvolume. Derhalve is het dossier onvolledig inzake de mogelijke bestemmingswijziging die gepaard gaat met deze verbouwing. X-9361-2/6 Nu reeds kan gesteld worden dat een verbouwing enkel mogelijk is binnen de bepalingen van artikel 43, § 2, vanaf het 6e lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  8. Het omvormen van het complex tot meerdere woningen is zeker niet aanvaardbaar gezien de geïsoleerde ligging in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Derhalve is de vergunning te weigeren”.
  9. Op 9 oktober 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren de vergunning overeenkomstig het ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar.
  10. Op 23 juni 1999 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg het door de verzoeker ingestelde administratief beroep niet in te willigen en de gevraagde vergunning niet te verlenen.
  11. Op 26 juli 1999 stelt de raadsman van de verzoeker administratief beroep in tegen het voormelde weigeringsbesluit. In het in het Nederlands opgestelde beroepschrift wordt gevraagd de beroepsprocedure verder in het Frans af te handelen.
  12. Bij het bestreden besluit van 19 november 1999 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media wordt het administratief beroep van de verzoeker verworpen. IV. De regelmatigheid van de rechtspleging
  13. De verzoeker heeft op zijn verzoekschrift tot nietigverklaring zegels ter waarde van 185,92 euro gekleefd. Op het verzoekschrift tot nietigverklaring dienden slechts zegels ter waarde van 173,53 euro te worden gekleefd. Derhalve werd 12,39 euro ten onrechte betaald. Er bestaat aanleiding toe dit bedrag terug te betalen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  14. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 36, §§ 2 en 3 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: GWHI) en van artikel 12, laatste lid van de wetten op het X-9361-3/6 gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna: taalwet bestuurszaken). De verzoeker stelt dat hij als inwoner van een taalgrensgemeente in zijn beroepschrift uitdrukkelijk verzocht om de behandeling in het Frans en dat dit verzoek ten onrechte werd genegeerd. Het bestreden besluit is bijgevolg nietig.
  15. De verwerende partij repliceert dat de diensten van de Vlaamse regering zich overeenkomstig artikel 12, laatste lid van de taalwet bestuurszaken wenden tot inwoners van de taalgrensgemeenten in het Nederlands of in het Frans, naargelang de taal “waarvan de betrokkenen zich hebben bediend of het gebruik hebben gevraagd”. Zij moeten zich niet wenden tot deze personen in de taal waarvan zij zich hebben bediend én in de taal waarvan zij het gebruik hebben gevraagd. De verzoeker heeft reeds bij het indienen van de bouwaanvraag en gedurende de hele beroepsprocedure de Nederlandse taal gebruikt. Ook het beroepschrift waardoor het dossier werd aanhangig gemaakt bij de minister, werd in het Nederlands gesteld. Aangezien de verzoeker zich in het Nederlands heeft gewend tot de minister, moesten de diensten van de Vlaamse regering zich tot de verzoeker in het Nederlands wenden. Bovendien heeft de verzoeker geen belang bij het middel, gelet op zijn uitdrukkelijke keuze voor de Nederlandse taal bij het indienen van het beroepschrift.
  16. De verzoeker antwoordt hierop dat hij reeds voor de bestendige deputatie gevraagd had om de behandeling in het Frans en dat de bestendige deputatie daar niet is op ingegaan. De beslissing van de bestendige deputatie werd in het Nederlands betekend. In het beroepschrift, gericht aan de Vlaamse regering werd andermaal uitdrukkelijk gevraagd om het Frans te gebruiken bij de afhandeling van de beroepsprocedure. Voorts werden de voorwaarden van de omzendbrief BA-97/22 van 16 december 1997 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden betreffende het taalgebruik in gemeentebesturen van het Nederlandse taalgebied strikt nageleefd door de verzoeker, aangezien hij in zijn beroepschrift om het gebruik van het Frans heeft gevraagd. Beoordeling
  17. In de mate dat de verwerende partij het belang van de verzoeker bij het middel in vraag lijkt te stellen “(g)elet op de uitdrukkelijke keuze van de X-9361-4/6 verzoekende partij voor de Nederlandse taal bij het indienen van het beroepschrift”, hangt de beoordeling van deze exceptie samen met de beoordeling van de gegrondheid van het middel.
  18. Artikel 36, §§ 1 en 2 GWHI luidt als volgt: “§
  19. Behoudens de bepalingen van § 2, gebruiken : 1° de diensten van de Vlaamse Regering het Nederlands als bestuurstaal; (...) §
  20. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen. (...)”. Met betrekking tot het gebruik van de talen in bestuurszaken door plaatselijke diensten van de taalgrensgemeente waar de verzoeker zijn woonplaats heeft, bepaalt artikel 12, derde lid van de taalwet bestuurszaken het volgende: “In de taalgrensgemeenten wenden de diensten zich tot de particulieren in die van beide talen - het Nederlands of het Frans - waarvan de betrokkenen zich hebben bediend of het gebruik hebben gevraagd”.
  21. In het beroepschrift, dat in het Nederlands is geredigeerd, vraagt de verzoeker onder meer: “Akte te verlenen aan appellant van zijn uitdrukkelijk verzoek om samen met zijn Raadsman en zijn Architekt gehoord te worden en tevens van zijn verzoek tot afhandeling van de huidige beroepsprocedure in de franse taal”. Deze vraag kan niet anders worden begrepen dan een vraag om het gebruik van de Franse taal overeenkomstig artikel 12, derde lid van de taalwet bestuurszaken. Het feit dat de verzoeker zich van het Nederlands heeft bediend bij het opstellen van het verzoekschrift, kan niet, in tegenstelling tot wat de verwerende partij lijkt voor te houden, worden ingeroepen om geen gevolg te geven aan de uitdrukkelijke vraag van de verzoeker om het Frans te gebruiken in de administratieve beroepsprocedure. Artikel 12, derde lid van de taalwet bestuurszaken laat de taalkeuze immers duidelijk over aan de particulier, waarbij diens uitdrukkelijke keuze niet kan worden genegeerd ten voordele van een veronderstelde stilzwijgende keuze, gebaseerd op de taal waarin het verzoekschrift is opgesteld, des te meer nu de uitdrukkelijke keuze precies in dit verzoekschrift voorkomt. X-9361-5/6 Deze onwettigheid tast de geldigheid van de hele beroepsprocedure voor de Vlaamse regering en van het resulterende bestreden besluit aan. Het middel is ontvankelijk en gegrond. BESLISSING
  22. De Raad van State vernietigt het besluit van 19 november 1999 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende verwerping van het beroep van Victor LAHAYE ingesteld tegen het besluit van 23 juni 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de vergunning is geweigerd voor het veranderen van gevels aan de Magnebois 33 te Voeren, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 521/k.
  23. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. Het door de verzoekende partij op het verzoekschrift tot nietigverklaring onverschuldigd gekweten recht, ten belope van 12,39 euro, dient te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-9361-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.718 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.