← België

Arrest 201822 - Monumenten en Landschappen - 11/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.822 Rolnummer: A. 154960/VII-37422 Zaak: Arrest 201822 - Monumenten en Landschappen - 11/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:27 Fiche Arrest nr 201.822 van 11 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 201.822 van 11 maart 2010 in de zaak A. 154.960/VII-37.422. In zake: Charles ROEX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Geelen kantoor houdend te Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te Antwerpen Grotehondstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 augustus 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 30 april 2004 waarbij enerzijds het woonhuis, gelegen aan de Rechtestraat 19 te Dilsen-Stokkem, als monument beschermd wordt en waarbij anderzijds de dienstgebouwen horende bij Rechtestraat 19, gelegen aan de Snapstraat te Dilsen-Stokkem, als monument beschermd worden. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. VII-37.422-1/13 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris Schijns, die loco advocaat Koen Geelen verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Elisa Van Broeck, die loco advocaat Olivier Onghena verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. In een nota van 29 januari 2003 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om de woning, dienstgebouwen en opslagplaats, gelegen aan de Rechtestraat 19 te Dilsen-Stokkem, te beschermen als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, meer bepaald architectuurhistorische en industrieel-archeologische waarde. 3.2. Deze onroerende goederen zijn eigendom van de verzoeker. 3.3. Op 13 mei 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om het bovenvermelde woonhuis en de dienstgebouwen als monument op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. 3.4. Een afschrift van dat voorlopig beschermingsbesluit wordt bij brief van 12 september 2003 naar de verzoeker verstuurd. VII-37.422-2/13 3.5. Op 20 oktober 2003 dient de verzoeker bij het stadsbestuur van Dilsen-Stokkem een bezwaarschrift in dat als volgt luidt : "Betreffende de aanvraag van de afdeling ROHM - Limburg - Monumenten en Landschappen, Minderbroederstraat 6 te St.-Truiden om een openbaar onderzoek de commodo et incommodo in te stellen van het woonhuis (...) en dienstgebouwen (...) om deze eigendom op te nemen op de lijst van ontwerp voor bescherming van vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, volgens ministerieel besluit van 13/05/2003. Bij deze brengen wij u ter kennis dat wij het volle genot van onze eigendom willen behouden en alzo deze aanvraag afwijzen". 3.6. Het voorlopig beschermingsbesluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 januari 2004, waarna de verzoeker op 2 februari 2004 zijn bezwaar in herinnering brengt bij de stad Dilsen-Stokkem. 3.7. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen verleent op 4 maart 2004 een voor de bescherming gunstig advies. 3.8. Met een brief van 17 maart 2004 meldt de afdeling Monumenten en Landschappen aan de verzoeker dat hij het volle genot van zijn eigendom blijft behouden en dat zijn bezwaarschrift geen enkel gefundeerd argument bevat dat de intrinsieke kwaliteiten van het pand aanvecht. 3.9. Op 30 april 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het woonhuis en de bijhorende dienstgebouwen als monument te beschermen. Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. In zijn eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 2, 2/, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene VII-37.422-3/13 beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het materieel motiveringsbeginsel. 4.1. In een eerste onderdeel stelt hij dat het algemeen belang dat de bescherming verantwoordt, wordt gemotiveerd door de verwijzing naar het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van de intrinsieke waarden, waarbij wordt verwezen naar de historische waarde, de historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde en de industrieel-archeologische waarde. Artikel 2, 2/, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten definieert een monument als een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen. Uit die definitie van een monument blijkt, volgens de verzoeker, dat de bescherming van het betrokken onroerend goed van algemeen belang moet zijn. In de bestreden beslissing wordt het algemeen belang verantwoord door de verwijzing naar "het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van volgende intrinsieke waarden" en vervolgens naar de historische waarde, de historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde en de industrieel- archeologische waarde. Waarin het algemeen belang als dusdanig bestaat blijkt, aldus de verzoeker, niet uit de beslissing. Nochtans dient volgens de rechtspraak van de Raad van State de vereiste van een algemeen belang van de bescherming duidelijk onderscheiden te worden van een mogelijke artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde. Het algemeen belang kan dus niet verantwoord worden door louter te verwijzen naar de historische waarde, meer bepaald architectuurhistorische waarde en de industrieel-archeologische waarde. VII-37.422-4/13 Het belang, dat dan bovendien nog een algemeen belang dient te zijn, dient afzonderlijk gemotiveerd te worden, wat in dezen volgens de verzoeker niet het geval is. 4.2. In een tweede onderdeel stelt hij dat het woonhuis als monument wordt beschermd omwille van zijn historische en historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde. De historische waarde van de woning wordt in de bestreden beslissing verantwoord door het feit dat de woning getuige is van de Stokkemse korverij en een visueel herkenbaar element is van het historisch stadsweefsel. Dergelijke motivering kan volgens de verzoeker de bescherming omwille van de historische waarde niet verantwoorden. Hij stelt hierbij wat volgt : "Het verband tussen het woonhuis en de korverij-nijverheid, waarvan Stokkem in de 19de eeuw blijkbaar het centrum is geweest in Limburg, is zeer zwak - zelfs onbestaande: - Het feit dat er geen link is tussen de korverij-nijverheid en het woonhuis, kan worden afgeleid uit de historische en architecturale omschrijving van het woonhuis. Het woonhuis wordt in het besluit omschreven als een 'Limburgs burgerhuis uit het midden van de 19de eeuw, met alle kenmerken van dien: het volume, de rechthoekige vensters voorzien van hardstenen latei en lekdrempel, de rechthoekige deur in een hardstenen omlijsting op neuten, voorzien van een geprofileerde druiplijst'. De algemene bewoordingen van deze omschrijving laten verstaan dat dergelijke huizen ook elders in Limburg aanwezig zijn zonder dat ze verband houden met de korverij. - Er is bovendien een duidelijke scheiding tussen het woonhuis enerzijds en de opslagplaats en dienstgebouwen anderzijds. - Het woonhuis is gelegen op een perceel aan de Rechtestraat terwijl de opslagplaats en de dienstgebouwen gelegen zijn op percelen aan de Snapstraat. Er is een afstand van een 60tal meter tussen het woonhuis en de opslagplaats en dienstgebouwen. - Bovendien is er geen enkele fysieke verbinding tussen het woonhuis en de opslagplaats en de dienstgebouwen. In de ruimte tussen het woonhuis en de opslagplaats en dienstgebouwen bevindt zich nog een toonzaal die qua stijl niet aansluit bij het woonhuis noch bij de opslagplaats en dienstgebouwen. Bij nazicht van het verslag dat ten behoeve van de bescherming werd opgesteld, zal Uw Raad kunnen vaststellen dat er geen foto*s van de binnenkoer tussen de woning en de opslagplaatsdienstgebouwen gemaakt werden, minstens dat deze niet in het verslag werden opgenomen. (...) VII-37.422-5/13 Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist op zijn minst dat een verslag - op basis waarvan de Minister een beslissing neemt - foto's bevat van de ruimte tussen diverse gebouwen (de binnenkoer) - die gezamenlijk in éénzelfde besluit beschermd worden. Het verband tussen de korverij en het woonhuis is dus onvoldoende aanwe- zig, zowel vanuit historisch-architecturaal oogpunt als vanuit ruimtelijk oog- punt: Het woonhuis vertoont geen kenmerken die eigen zijn aan de korverij. Het mandenmaken gebeurde daarenboven in de opslagplaats en dienstge- bouwen die losstaan van het woonhuis. Het feit dat de woning een visueel herkenbaar element is van het historisch stadsweefsel. Noch uit het verslag dat naar aanleiding van de voorlopige bescherming werd opgesteld, noch uit (het) bestreden besluit kan afgeleid worden in welk opzicht de woning als dusdanig visueel herkenbaar zou zijn". Met betrekking tot de architectuurhistorische waarde, stelt de verzoeker dat de omschrijving ervan zeer summier is. Een verwijzing naar de datum van oorsprong van een gebouw en een beschrijving van het gebouw kunnen niet volstaan als motivering om een gebouw als monument te beschermen. De verzoeker ziet niet in hoe het volume en de rechthoekige vorm van de deur en van de vensters het gebouw een bijzondere architectuurhistorische waarde verschaffen. 4.3. In een derde onderdeel ten slotte stelt de verzoeker dat de dienstgebouwen als monument beschermd worden omwille van hun industrieel- archeologische waarde. De motivering van de waarde van de opslagplaats en de dienstgebouwen is volgens hem "nog summierder" dan deze van het woonhuis. Ook voor wat deze gebouwen betreft, kunnen een verwijzing naar de datum van oorsprong van het gebouw en een beschrijving van het gebouw niet volstaan als motivering om een gebouw als monument te beschermen. Er wordt, steeds volgens de verzoeker, niet aangetoond "dat het hoog gebouw en het lager, langgestrekt gedeelte enige industrieel-archeologische waarde hebben - in welk opzicht dit een typische industriële architectuur zou zijn - en zeker niet dat de architectuur ervan op één of andere manier in verband zou staan met de korverij-nijverheid - een typisch gebouw zou zijn waarin korverij-nijverheid zou plaatsvinden". 5.1. De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel dat in tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert er geen algemene regel geldt dat de VII-37.422-6/13 aangegeven beschermingswaarden altijd onderscheiden dienen te worden van het algemeen belang van het monument. Het algemeen belang dient niet onderscheiden te worden van de beschermingswaarden, maar daarentegen moet worden aangetoond waarom de beschermingswaarden van het monument in concreto van algemeen belang zijn. Uit de motivering van het besluit blijkt volgens de verwerende partij wel degelijk waarom de beschermingswaarden in concreto van algemeen belang zijn. In het besluit wordt expliciet vermeld dat het bedrijf een unieke getuige is van de bloeitijd van de korverij die zich van oudsher in de stad had ontwikkeld terwijl deze nijverheid volledig verdween na de Tweede Wereldoorlog en dit vrijwel zonder sporen na te laten. Het behoort volgens de verwerende partij bovendien niet tot de bevoegdheid van de Raad van State om bij de beoordeling van de waarde van de aangevoerde kenmerken en eigenschappen van het monument zich in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is in de uitoefening van het wettigheidstoezicht enkel bevoegd na te gaan of de overheid bij de beoordeling van de waarde van het goed is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Enkel een marginale toetsing is hierbij aan de orde en een controle op de juistheid van de aangehaalde feiten en elementen. De verzoeker toont volgens de verwerende partij niet aan dat de motivering van het algemeen belang kennelijk tekort schiet. 5.2. Op het tweede onderdeel van het middel antwoordt de verwerende partij dat de argumentatie van de verzoeker met betrekking tot de historische waarde van het woonhuis niet dienend is omdat het zonder meer duidelijk is dat het woonhuis bij de dienstgebouwen met opslagplaats hoort, gezien het gebruik dat er in het verleden aan gegeven werd. De verwerende partij stelt hierbij dat zij duidelijk kennis heeft van de feitelijke toestand die duidelijk aangeeft dat er een verband is tussen de gebouwen, zodat de verzoeker geen belang heeft. Het is ook niet noodzakelijk dat er een verband bestaat tussen het woonhuis en de dienstgebouwen opdat er sprake zou kunnen zijn van de historische waarde van het woonhuis. Het woonhuis is een typisch voorbeeld van een Limburgs burgerhuis met de kenmerken die in het besluit VII-37.422-7/13 zijn aangegeven. De fysische kenmerken van het huis verantwoorden de bescherming. Met betrekking tot de architectuurhistorische waarde stelt de verwerende partij dat de motivering afdoende en duidelijk is, omdat de opgegeven kenmerken van het gebouw eigen zijn aan de bouwstijl van het midden van de 19de eeuwse burgerhuizen. 5.3. Op het derde onderdeel antwoordt de verwerende partij dat de motivering "afdoende en draagkrachtig (

  1. is)en in verhouding tot het belang dat er van uit gaat". Beoordeling 6.1. Wanneer de overheid een onroerend goed als monument of als stads- of dorpsgezicht beschermt dient zij, om te voldoen aan de door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen opgelegde motiveringsverplichting, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden waarop het is gesteund. Het besluit moet bijgevolg aangeven om welke redenen van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde de overheid van oordeel is dat het beschermde goed van algemeen belang is. In tegenstelling tot wat de verzoeker argumenteert, kan het algemeen belang bijgevolg wel degelijk verantwoord worden door te verwijzen naar de waarden zoals opgenomen in het bestreden besluit. Het is evenwel vereist dat die motivering concrete gegevens bevat waaruit op afdoende wijze het "algemeen belang" van de bescherming blijkt. Het eerste onderdeel van het eerste middel, waarbij de verzoeker aanvoert dat het algemeen belang afzonderlijk dient te worden gemotiveerd, los van de opgegeven waarden in het besluit, is bijgevolg niet gegrond. 6.2. In het tweede en derde onderdeel van het middel betwist de verzoeker enerzijds de motieven en anderzijds het afdoende gemotiveerd zijn van het bestreden besluit. VII-37.422-8/13 Het bestreden besluit luidt met betrekking tot het algemeen belang als volgt : "Art.2. Het algemeen belang dat de bescherming verantwoordt, wordt door het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van de volgende intrinsieke waarden gemotiveerd: Historische waarde: Door zijn gave bewaring is dit voormalig mandenmakersbedrijf- woonhuis in de Rechtestraat en dienstgebouwen in de Snapstraat - een unieke getuige van de bloeitijd van de Stokkemse korverij die zich van oudsher in de stad had ontwikkeld, maar vooral vanaf de 18de eeuw een grote bloei kende. In de 19de eeuw was Stokkem het centrum van deze nijverheid in Limburg. De grootste productie werd bereikt in de tweede helft van de 19de eeuw met massaverpakkingen voor margarine en Haspengouws fruit. Deze nijverheid verdween volledig na de Tweede Wereldoorlog, vrijwel zonder sporen na te laten. Het huis is bovendien van belang als een visueel als dusdanig herkenbaar element van het historische stadsweefsel, waarin slechts een paar elementen nog herinneren aan de bloei van dit Maasstadje. Historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde: Gaaf bewaard Limburgs burgerhuis uit het midden van de 19de eeuw, met alle kenmerken van dien: het volume, de rechthoekige vensters voorzien van hardstenen latei en lekdrempel, de rechthoekige deur in een hardstenen omlijsting op neuten, voorzien van een geprofileerde druiplijst. Industrieel-archeologische waarde: Opslagplaats en dienstgebouwen uit de tweede helft van de 19de eeuw bestaande uit een hoog gebouw en een lager, langgestrekt gedeelte". Ten aanzien van de motivering van de historische waarde overweegt het bestreden besluit uitdrukkelijk dat het woonhuis in de Rechtestraat en de dienstgebouwen in de Snapstraat samen het voormalig mandenmakersbedrijf vormen. De verzoeker betwist deze vaststelling ook niet. Met voorliggend bestreden besluit wordt duidelijk het geheel beschermd. In tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, is het dan ook niet manifest onredelijk of onjuist dat de historische waarde van het woonhuis ook verantwoord wordt vanuit het oogpunt van de nijverheid. Bovendien bepaalt het bestreden besluit de historische waarde van het woonhuis ook vanuit een eigen beoordeling op zich door vast te stellen dat het huis van belang is als "een visueel als dusdanig herkenbaar element van het historische stadsweefsel, waarin slechts een paar elementen nog herinneren aan de bloei van dit Maasstadje". De stelling van de verzoeker dat uit deze overweging niet kan worden afgeleid in welk opzicht de woning als dusdanig visueel herkenbaar is, wordt door die duidelijke vaststelling bijgevolg niet aangenomen. De architectuurhistorische waarde van het woonhuis en de industrieel-archeologische waarde van de opslagplaats en de dienstgebouwen dienen VII-37.422-9/13 niet op zich het algemeen belang, en bijgevolg de bescherming, te verantwoorden. Uit het bestreden besluit blijkt dat het algemeen belang gevormd wordt door het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van de intrinsieke waarden, zijnde de historische, de architectuurhistorische en de industrieel-archeologische waarde. De door de verzoeker aangevoerde argumenten zijn, rekening houdend met het geheel van de motieven, niet van aard aan te tonen dat het bestreden besluit niet afdoende of onjuist gemotiveerd is. 7. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 8. Als tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 1, lid 2, van het aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hij stelt hierbij dat de definitieve bescherming als monument het gebruik van zijn eigendom aantast en hij niet meer het volle genot van zijn eigendom heeft. Hij licht dit middel als volgt toe : "In het tweede lid van artikel 1 van het Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden de Verdragsluitende Staten ertoe gemachtigd om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang. De overheid mag op basis van deze bepaling gebruiksreglementering in het leven roepen. Men spreekt van gebruiksreglementering wanneer de eigenaar zijn eigendom behoudt maar het gebruik daarvan door een eenzijdige maatregel wordt beperkt. In casu behoudt verzoekende partij de eigendom van het woonhuis en de dienstgebouwen maar worden hem beperkingen opgelegd met betrekking tot het gebruik van zijn eigendom. Gebruiksreglementering van goederen is toegelaten voor zover 3 cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: 1. De reglementering is noodzakelijk om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang. 2. De reglementering is bij wet opgelegd. 3. De reglementering respecteert het evenredigheidsbeginsel. Deze voorwaarden werden niet nageleefd: - Verzoekende partij verwijst naar de toelichting die hij bij het eerste middel heeft gegeven, en waar hij heeft aangetoond dat er geen algemeen belang VII-37.422-10/13 aanwezig is dat de bescherming verantwoordt en dat bovendien de historische, historische en meer bepaald de architectuurhistorische waarde en industrieel- archeologische waarde niet aanwezig zijn. Er is derhalve geen algemeen belang aanwezig dat een gebruiks- reglementering - bescherming als monument - verantwoordt. - Het evenredigheidsbeginsel wordt evenmin gerespecteerd. De zwaarwichtigheid van de opgelegde last moet in verhouding zijn met het algemeen belang en de statelijke beoordelingsmarge. Dit houdt in dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen van een wet niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot (het) met die wet nagestreefde doel. Artikel 1 van het Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden vergt dat er een evenredigheidsverband is tussen het eigendomsrecht van het individu en de belangen van de gemeenschap. De naleving van artikel 1 van het Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden vereist een redelijk(
  2. e)evenredigheid tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel, deze voorwaarde wordt niet vervuld indien de betrokken persoon 'een bijzondere en buitensporige last' wordt opgelegd. In casu wordt aan de verzoekende partij een last opgelegd die niet evenredig is met het nut van de bescherming als monument. De waarde vermindert zeer sterk enkel door het feit van de bescherming, in het bijzonder deze van de dienstgebouwen. De dienstgebouwen hebben een immers louter industriële bestemming. Door de bescherming daalt de waarde van de dienstgebouwen aanzienlijk: een bescherming heeft immers een negatieve invloed op de waarde van het gebouw: De mogelijkheden tot verbouwing worden zeer sterkt beperkt terwijl voor een potentiële koper het visuele aspect van een industrieel gebouw normalerwijze geen meerwaarde zal zijn. De hypothecaire waarborgmogelijkheid daalt eveneens. Deze waardevermindering zal voor de verzoekende partij of zijn opvolgers een impact hebben op het voortbestaan van de zaak. Het voordeel van een bescherming weegt niet op tegen de last ervan voor verzoekende partij". 9. De verwerende partij antwoordt dat conform de artikelen 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet de Raad van State niet bevoegd is om uitspraak te doen over geschillen inzake eigendomsrechten. Zij stelt voorts dat uit de bescherming van een monument beperkingen volgen die rechtens geen onteigening zijn en evenmin een eigendomsberoving zijn en dat de overheid deze beperkingen kan opleggen om die wetten toe te passen welke zij noodzakelijk acht om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang. Zij verwijst hierbij naar artikel 1, lid 2, van het aanvullend protocol van 20 maart 1952, waaruit een beperking van het recht op ongestoord genot kan blijken. VII-37.422-11/13 Beoordeling 10. Uit een bescherming als monument vloeien beperkingen voort die rechtens geen onteigening en evenmin een eigendomsberoving zijn, doch wel als een beperking van het "recht op het ongestoord genot van hun eigendom", zoals het wordt omschreven in artikel 1 van het voornoemd aanvullend protocol van 20 maart 1952, dienen te worden aangemerkt. Een beperking van "het ongestoord genot" van het eigendom maakt evenwel op zich geen schending uit van artikel 1 van het aanvullend protocol van 20 maart 1952. Artikel 1, lid 2, bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot "op geen enkele wijze het recht aantast(
  3. en)dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang (...)". Het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten maakt de bescherming van een monument mogelijk "omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel- archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang (...)". Dit decreet heeft tot doel de bescherming en het behoud van monumenten, stads- en dorpsgezichten omdat "de grote bevolkings- en bewoningsdichtheid, de snel voortschrijdende industrialisering en de vlugge verstedelijking van het gehele grondgebied dit patrimonium (het materieel kunstpatrimonium) meer en meer bedreigen" (Memorie van Toelichting, Parl. St., Ned. Cult. R., 1973-1974,122/1, p 1). Een beschermingsbesluit zoals te dezen om reden van de historische, architectuurhistorische en industrieel-archeologische waarde kan dan ook worden ingepast in artikel 1, lid 2, van het voornoemd aanvullend protocol van 20 maart 1952. Zoals bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld, is het algemeen belang in het bestreden besluit op een afdoende wijze aangetoond. Ten slotte maakt de verzoeker niet aannemelijk dat de vermeende waardevermindering van de dienstgebouwen, aangenomen dat er een waardevermindering zou zijn, kennelijk onevenredig zou zijn met het doel van het algemeen belang en het algemeen nut zoals omschreven in het bestreden besluit. 11. Het tweede middel is niet gegrond. VII-37.422-12/13 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf maart tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.422-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.822 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.