id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.822 Rolnummer: A. 154960/VII-37422 Zaak: Arrest 201822 - Monumenten en Landschappen - 11/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:27 Fiche Arrest nr 201.822 van 11 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 201.822 van 11 maart 2010 in de zaak A. 154.960/VII-37.422. In zake: Charles ROEX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Geelen kantoor houdend te Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te Antwerpen Grotehondstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 augustus 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 30 april 2004 waarbij enerzijds het woonhuis, gelegen aan de Rechtestraat 19 te Dilsen-Stokkem, als monument beschermd wordt en waarbij anderzijds de dienstgebouwen horende bij Rechtestraat 19, gelegen aan de Snapstraat te Dilsen-Stokkem, als monument beschermd worden. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. VII-37.422-1/13 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris Schijns, die loco advocaat Koen Geelen verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Elisa Van Broeck, die loco advocaat Olivier Onghena verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. In een nota van 29 januari 2003 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om de woning, dienstgebouwen en opslagplaats, gelegen aan de Rechtestraat 19 te Dilsen-Stokkem, te beschermen als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, meer bepaald architectuurhistorische en industrieel-archeologische waarde. 3.2. Deze onroerende goederen zijn eigendom van de verzoeker. 3.3. Op 13 mei 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om het bovenvermelde woonhuis en de dienstgebouwen als monument op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. 3.4. Een afschrift van dat voorlopig beschermingsbesluit wordt bij brief van 12 september 2003 naar de verzoeker verstuurd. VII-37.422-2/13 3.5. Op 20 oktober 2003 dient de verzoeker bij het stadsbestuur van Dilsen-Stokkem een bezwaarschrift in dat als volgt luidt : "Betreffende de aanvraag van de afdeling ROHM - Limburg - Monumenten en Landschappen, Minderbroederstraat 6 te St.-Truiden om een openbaar onderzoek de commodo et incommodo in te stellen van het woonhuis (...) en dienstgebouwen (...) om deze eigendom op te nemen op de lijst van ontwerp voor bescherming van vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, volgens ministerieel besluit van 13/05/2003. Bij deze brengen wij u ter kennis dat wij het volle genot van onze eigendom willen behouden en alzo deze aanvraag afwijzen". 3.6. Het voorlopig beschermingsbesluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 januari 2004, waarna de verzoeker op 2 februari 2004 zijn bezwaar in herinnering brengt bij de stad Dilsen-Stokkem. 3.7. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen verleent op 4 maart 2004 een voor de bescherming gunstig advies. 3.8. Met een brief van 17 maart 2004 meldt de afdeling Monumenten en Landschappen aan de verzoeker dat hij het volle genot van zijn eigendom blijft behouden en dat zijn bezwaarschrift geen enkel gefundeerd argument bevat dat de intrinsieke kwaliteiten van het pand aanvecht. 3.9. Op 30 april 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het woonhuis en de bijhorende dienstgebouwen als monument te beschermen. Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. In zijn eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 2, 2/, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene VII-37.422-3/13 beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het materieel motiveringsbeginsel. 4.1. In een eerste onderdeel stelt hij dat het algemeen belang dat de bescherming verantwoordt, wordt gemotiveerd door de verwijzing naar het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van de intrinsieke waarden, waarbij wordt verwezen naar de historische waarde, de historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde en de industrieel-archeologische waarde. Artikel 2, 2/, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten definieert een monument als een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen. Uit die definitie van een monument blijkt, volgens de verzoeker, dat de bescherming van het betrokken onroerend goed van algemeen belang moet zijn. In de bestreden beslissing wordt het algemeen belang verantwoord door de verwijzing naar "het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van volgende intrinsieke waarden" en vervolgens naar de historische waarde, de historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde en de industrieel- archeologische waarde. Waarin het algemeen belang als dusdanig bestaat blijkt, aldus de verzoeker, niet uit de beslissing. Nochtans dient volgens de rechtspraak van de Raad van State de vereiste van een algemeen belang van de bescherming duidelijk onderscheiden te worden van een mogelijke artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde. Het algemeen belang kan dus niet verantwoord worden door louter te verwijzen naar de historische waarde, meer bepaald architectuurhistorische waarde en de industrieel-archeologische waarde. VII-37.422-4/13 Het belang, dat dan bovendien nog een algemeen belang dient te zijn, dient afzonderlijk gemotiveerd te worden, wat in dezen volgens de verzoeker niet het geval is. 4.2. In een tweede onderdeel stelt hij dat het woonhuis als monument wordt beschermd omwille van zijn historische en historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde. De historische waarde van de woning wordt in de bestreden beslissing verantwoord door het feit dat de woning getuige is van de Stokkemse korverij en een visueel herkenbaar element is van het historisch stadsweefsel. Dergelijke motivering kan volgens de verzoeker de bescherming omwille van de historische waarde niet verantwoorden. Hij stelt hierbij wat volgt : "Het verband tussen het woonhuis en de korverij-nijverheid, waarvan Stokkem in de 19de eeuw blijkbaar het centrum is geweest in Limburg, is zeer zwak - zelfs onbestaande: - Het feit dat er geen link is tussen de korverij-nijverheid en het woonhuis, kan worden afgeleid uit de historische en architecturale omschrijving van het woonhuis. Het woonhuis wordt in het besluit omschreven als een 'Limburgs burgerhuis uit het midden van de 19de eeuw, met alle kenmerken van dien: het volume, de rechthoekige vensters voorzien van hardstenen latei en lekdrempel, de rechthoekige deur in een hardstenen omlijsting op neuten, voorzien van een geprofileerde druiplijst'. De algemene bewoordingen van deze omschrijving laten verstaan dat dergelijke huizen ook elders in Limburg aanwezig zijn zonder dat ze verband houden met de korverij. - Er is bovendien een duidelijke scheiding tussen het woonhuis enerzijds en de opslagplaats en dienstgebouwen anderzijds. - Het woonhuis is gelegen op een perceel aan de Rechtestraat terwijl de opslagplaats en de dienstgebouwen gelegen zijn op percelen aan de Snapstraat. Er is een afstand van een 60tal meter tussen het woonhuis en de opslagplaats en dienstgebouwen. - Bovendien is er geen enkele fysieke verbinding tussen het woonhuis en de opslagplaats en de dienstgebouwen. In de ruimte tussen het woonhuis en de opslagplaats en dienstgebouwen bevindt zich nog een toonzaal die qua stijl niet aansluit bij het woonhuis noch bij de opslagplaats en dienstgebouwen. Bij nazicht van het verslag dat ten behoeve van de bescherming werd opgesteld, zal Uw Raad kunnen vaststellen dat er geen foto*s van de binnenkoer tussen de woning en de opslagplaatsdienstgebouwen gemaakt werden, minstens dat deze niet in het verslag werden opgenomen. (...) VII-37.422-5/13 Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist op zijn minst dat een verslag - op basis waarvan de Minister een beslissing neemt - foto's bevat van de ruimte tussen diverse gebouwen (de binnenkoer) - die gezamenlijk in éénzelfde besluit beschermd worden. Het verband tussen de korverij en het woonhuis is dus onvoldoende aanwe- zig, zowel vanuit historisch-architecturaal oogpunt als vanuit ruimtelijk oog- punt: Het woonhuis vertoont geen kenmerken die eigen zijn aan de korverij. Het mandenmaken gebeurde daarenboven in de opslagplaats en dienstge- bouwen die losstaan van het woonhuis. Het feit dat de woning een visueel herkenbaar element is van het historisch stadsweefsel. Noch uit het verslag dat naar aanleiding van de voorlopige bescherming werd opgesteld, noch uit (het) bestreden besluit kan afgeleid worden in welk opzicht de woning als dusdanig visueel herkenbaar zou zijn". Met betrekking tot de architectuurhistorische waarde, stelt de verzoeker dat de omschrijving ervan zeer summier is. Een verwijzing naar de datum van oorsprong van een gebouw en een beschrijving van het gebouw kunnen niet volstaan als motivering om een gebouw als monument te beschermen. De verzoeker ziet niet in hoe het volume en de rechthoekige vorm van de deur en van de vensters het gebouw een bijzondere architectuurhistorische waarde verschaffen. 4.3. In een derde onderdeel ten slotte stelt de verzoeker dat de dienstgebouwen als monument beschermd worden omwille van hun industrieel- archeologische waarde. De motivering van de waarde van de opslagplaats en de dienstgebouwen is volgens hem "nog summierder" dan deze van het woonhuis. Ook voor wat deze gebouwen betreft, kunnen een verwijzing naar de datum van oorsprong van het gebouw en een beschrijving van het gebouw niet volstaan als motivering om een gebouw als monument te beschermen. Er wordt, steeds volgens de verzoeker, niet aangetoond "dat het hoog gebouw en het lager, langgestrekt gedeelte enige industrieel-archeologische waarde hebben - in welk opzicht dit een typische industriële architectuur zou zijn - en zeker niet dat de architectuur ervan op één of andere manier in verband zou staan met de korverij-nijverheid - een typisch gebouw zou zijn waarin korverij-nijverheid zou plaatsvinden". 5.1. De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel dat in tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert er geen algemene regel geldt dat de VII-37.422-6/13 aangegeven beschermingswaarden altijd onderscheiden dienen te worden van het algemeen belang van het monument. Het algemeen belang dient niet onderscheiden te worden van de beschermingswaarden, maar daarentegen moet worden aangetoond waarom de beschermingswaarden van het monument in concreto van algemeen belang zijn. Uit de motivering van het besluit blijkt volgens de verwerende partij wel degelijk waarom de beschermingswaarden in concreto van algemeen belang zijn. In het besluit wordt expliciet vermeld dat het bedrijf een unieke getuige is van de bloeitijd van de korverij die zich van oudsher in de stad had ontwikkeld terwijl deze nijverheid volledig verdween na de Tweede Wereldoorlog en dit vrijwel zonder sporen na te laten. Het behoort volgens de verwerende partij bovendien niet tot de bevoegdheid van de Raad van State om bij de beoordeling van de waarde van de aangevoerde kenmerken en eigenschappen van het monument zich in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is in de uitoefening van het wettigheidstoezicht enkel bevoegd na te gaan of de overheid bij de beoordeling van de waarde van het goed is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Enkel een marginale toetsing is hierbij aan de orde en een controle op de juistheid van de aangehaalde feiten en elementen. De verzoeker toont volgens de verwerende partij niet aan dat de motivering van het algemeen belang kennelijk tekort schiet. 5.2. Op het tweede onderdeel van het middel antwoordt de verwerende partij dat de argumentatie van de verzoeker met betrekking tot de historische waarde van het woonhuis niet dienend is omdat het zonder meer duidelijk is dat het woonhuis bij de dienstgebouwen met opslagplaats hoort, gezien het gebruik dat er in het verleden aan gegeven werd. De verwerende partij stelt hierbij dat zij duidelijk kennis heeft van de feitelijke toestand die duidelijk aangeeft dat er een verband is tussen de gebouwen, zodat de verzoeker geen belang heeft. Het is ook niet noodzakelijk dat er een verband bestaat tussen het woonhuis en de dienstgebouwen opdat er sprake zou kunnen zijn van de historische waarde van het woonhuis. Het woonhuis is een typisch voorbeeld van een Limburgs burgerhuis met de kenmerken die in het besluit VII-37.422-7/13 zijn aangegeven. De fysische kenmerken van het huis verantwoorden de bescherming. Met betrekking tot de architectuurhistorische waarde stelt de verwerende partij dat de motivering afdoende en duidelijk is, omdat de opgegeven kenmerken van het gebouw eigen zijn aan de bouwstijl van het midden van de 19de eeuwse burgerhuizen. 5.3. Op het derde onderdeel antwoordt de verwerende partij dat de motivering "afdoende en draagkrachtig (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.