← België

Arrest 201823 - Monumenten en Landschappen - 11/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.823 Rolnummer: A. 155046/VII-37432 Zaak: Arrest 201823 - Monumenten en Landschappen - 11/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-22 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:27 Fiche Arrest nr 201.823 van 11 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 201.823 van 11 maart 2010 in de zaak A. 155.046/VII-37.

  1. In zake: Mercedes DEL MARMOL (overleden) rechtsgeding hervat door :
  2. Yolande THILLAYE DU BOULLAY
  3. Hughes THILLAYE DU BOULLAY
  4. Marc THILLAYE DU BOULLAY
  5. Nathalie THILLAYE DU BOULLAY
  6. Benedicte THILLAYE DU BOULLAY
  7. Thierry THILLAYE DU BOULLAY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Driessen kantoor houdend te Tongeren Sint-Catharinastraat 54 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te Antwerpen Grotehondstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  8. Het beroep, ingesteld op 25 augustus 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 30 april 2004 waarbij de voormalige jeneverstokerij, gelegen aan de Reselt 1 te Dilsen-Stokkem (Rotem), als monument beschermd wordt en "wegens samenhang" van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 13 mei 2003 houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten waarbij de voormalige jeneverstokerij, gelegen aan de Reselt 1 te Dilsen-Stokkem (Rotem), als monument op deze lijst wordt opgenomen. VII-37.432-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  9. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de oorspronkelijke verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De gedinghervattende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 februari
  10. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris Schijns, die loco advocaat Jo Driessen verschijnt voor de gedinghervattende partijen, en advocaat Elisa Van Broeck, die loco advocaat Olivier Onghena verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  11. III. Hervatting van het geding
  12. Met een verzoekschrift van 9 juli 2008 vragen Yolande Thillaye du Boullay, Hughes Thillaye du Boullay, Marc Thillaye du Boullay, Nathalie Thillaye du Boullay, Benedicte Thillaye du Boullay en Thierry Thillaye du Boullay in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen Mercedes del Marmol, het geding te mogen hervatten. VII-37.432-2/10 De oorspronkelijke verzoekster is overleden op 9 oktober 2006 en de verzoekende partijen tonen aan dat zij de wettige erfgenamen zijn van de oorspronkelijke verzoekster, zodat hen akte wordt gegeven van de hervatting van het geding. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  13. Het beroep in zoverre het gericht is tegen het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 13 mei 2003 houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten waarbij de voormalige jeneverstokerij, gelegen aan de Reselt 1 te Dilsen-Stokkem (Rotem), als monument op deze lijst wordt opgenomen, is niet ontvankelijk wegens laattijdigheid. Dit bestreden besluit is immers aan de oorspronkelijke verzoekster betekend met een aangetekend schrijven van 12 september 2003 en is bovendien gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 januari 2004, zodat haar beroep ingesteld op 25 augustus 2004 tegen dit besluit buiten de beroepstermijn valt. V. Feiten 5.
  14. De oorspronkelijke verzoekster was eigenares van de percelen en gebouwen gelegen aan de Reselt 1 te Dilsen-Stokkem (Rotem), kadastraal bekend Dilsen-Stokkem, 2de afdeling, sectie B, perceel nrs. 1582D en 1583D. 5.
  15. In een nota van 30 januari 2003 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor de voormalige jeneverstokerij, gelegen op de voornoemde percelen, te beschermen als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, meer bepaald architectuurhistorische en industrieel- archeologische waarde. 5.
  16. Op 13 mei 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om de bovenvermelde voormalige jeneverstokerij als monument op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. VII-37.432-3/10 5.
  17. Op 10 oktober 2003 dient de oorspronkelijke verzoekster een bezwaarschrift in met de volgende bewoordingen : "Vooreerst dient vastgesteld dat de kennisgeving aan cliënte is gebeurd met miskenning van de substantiële vormvereisten, zoals vastgesteld in o.m. art. 5 § 2 3 /van het Decreet van 3 maart
  18. De beschermingsprocedure werd opgestart zonder cliënte, als eigenares, hierin te kennen, en zonder de minste vorm van voorafgaandelijke informatie of overleg... Uit het dossier blijkt dat men zich onaangekondigd toegang heeft verschaft tot de eigendom van cliënte waarbij buiten haar medeweten en zonder haar toestemming foto's werden genomen... Er wordt thans reeds voorbehoud geformuleerd bij de rechtmatigheid van dit optreden. Voorts werd voor de eigendom van cliënte, en dit in afwijking van de wettelijke bepalingen, een formulier aangebracht houdende 'openbaar onderzoek de commodo et incommodo'. Ook van deze maatregel werd cliënte niet persoonlijk in kennis gesteld... Dergelijke omgangsvormen kunnen bezwaarlijk als normaal en redelijk beschouwd te worden? De 'historische gegevens en beschrijving' zoals vervat in de motiveringsnota zijn speculatief en gebrekkig. De beschrijving is deels onjuist, deels onnauwkeurig. Bij wijze van voorbeeld kan het volgende aangehaald worden: - Er kan geen sprake zijn van Vlaamse pannen noch van kunstleien op het dak van het woonhuis aan de oost-zijde. De dakbedekking daar bestaat uitsluitend uit Canadese 'shingles'. - Evenmin werd het huis geelgeschilderd zoals beweerd wordt. Voor de goede orde dient thans ook reeds opgemerkt dat de volledige zuid- zijde die in de motiveringsnota als 'dienstgebouw' wordt omschreven in werkelijkheid een (historisch vergunde) woonstfunctie heeft. Hoewel in de motiveringsnota gewag gemaakt wordt van een 'bouwfysisch verslag' en van een 'evaluatie' wordt bij deze rubrieken verder niets vermeld? Het is volstrekt onduidelijk op grond waarvan men tot de vaststelling komt dat de jeneverstokerij dateert uit 1763 en dat deze werd uitgebaat in de 19 de eeuw door Julien Kösters. Het is nog minder duidelijk waarom dit een industrieel-archeologische waarde van algemeen belang zou vertegenwoordigen... Vast staat dat ter plaatse geen gebruiksvoorwerpen of machines bewaard bleven die nog verwijzen naar enige industrieel - archeologische activiteit... De bestemming en indeling van de gebouwen werden in de loop der jaren volledig gewijzigd. De preciese nutsfunctie van de onderscheiden gebouwen in hun industrieel- archeologische context blijft volstrekt onbekend. Aan de gebouwen werd inmiddels reeds meer dan een eeuw lang een andere bestemming gegeven. De familie van cliënte heeft doorheen de jaren afdoende bewezen dat zij deze eigendom met respect voor authenticiteit en in goede staat van onderhoud wist te bewaren. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat zij dit niet verder zal blijven doen. Dit is des te meer het geval nu de decretale beperkingen naar (ver)bouwmogelijkheden eigen aan de ligging van de onroerende goederen in zones die zich volgens het gewestplan situeren deels in agrarisch gebied, deels VII-37.432-4/10 in parkgebied, dermate streng zijn dat deze op zich reeds een afdoende waarborg bieden tot behoud van de architecturale eigenheid van deze goederen. Er is dan ook geen enkele noodzaak om over te gaan tot bescherming van deze goederen". 5.
  19. De afdeling Monumenten en Landschappen maakt op 30 januari 2004 een verslag "bezwaarschriften en opmerkingen" op. 5.
  20. Het bezwaarschrift van de oorspronkelijke verzoekster wordt daarin als volgt besproken : "
  21. De kennisgeving aan Mevrouw del Marmol is correct gebeurd conform art.
  22. §2, 3/van het decreet van 3-03-
  23. Voorafgaand overleg is niet opgelegd bij decreet. Trouwens een door notaris Indekeu georganiseerde afspraak met mevrouw del Marmol en met mezelf werd daags voor de afspraak, afgezegd.
  24. Het inventaristeam (mevrouw F. Schlusmans) van de afdeling Monumenten en Landschappen werd door de hond van mevrouw del Marmol van het erf verjaagd voor ze zich kon aankondigen. Een grondig onderzoek van het gebouw kon derhalve niet gebeuren. Dit verklaart trouwens de foutieve vermelding van de dakbedekking aan de oostzijde en de omschrijving van de aanbouw als 'dienstgebouw'. Het gebouw heeft trouwens wel een okerkleurige kalielaag in tegenstelling met wat Meester Driessen beweert.
  25. Het openbaar onderzoek commodo en incommodo werd cfr. art. 5 § 2 punt 2 aangeplakt zoals aangeduid op het plan bij het ontwerp van lijst, d.i. aan voormeld pand. Hier is niets abnormaal of onredelijk.
  26. Het bouwfysisch verslag en de evaluatie werden inderdaad niet bijgevoegd, doch door het feit dat het domein ontoegankelijk was, kon de inventarisploeg van de AML zich onvoldoende informeren.
  27. De gegevens i.v.m. de jeneverstokerij en de uitbating door Julien Kösters, werden ons bezorgd door de plaatselijke geschied- en heemkundige kring. Het feit dat het gebouw inmiddels herbestemd is en geen machines meer herbergt, doet niets af aan de industrieel-archeologische waarde van het complex.
  28. De heer Driessen spreekt zichzelf tegen door enerzijds te beweren dat de bestemming én de indeling volledig gewijzigd werden en anderzijds door te stellen dat de familie 'doorheen de jaren de eigendom met respect voor authenticiteit in goede staat van onderhoud wist te bewaren'. Bovendien is de ligging deels in een agrarisch, deels in een parkgebied hiervoor een goede garantie, dixit Meester Driessen. Een bescherming als monument is o.i. een bijkomende garantie. In dit bezwaar wordt het algemeen belang van de bescherming nergens in vraag gesteld. Derhalve kan de procedure verder gezet worden". 5.
  29. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) verleent op 4 maart 2004 haar advies. 5.
  30. Op 30 april 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken de voormalige VII-37.432-5/10 jeneverstokerij als monument te beschermen wegens de historische, meer bepaald architectuurhistorische en industrieel-archeologische waarde. VI. Onderzoek van de middelen Derde middel Standpunt van de partijen
  31. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van de artikelen 5 en 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van het algemeen rechtsbeginsel dat een beslissing naar recht en redelijkheid gemotiveerd dient te zijn. Zij achten ook de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging geschonden. In een eerste onderdeel zetten zij uiteen dat naar aanleiding van het nemen van het beschermingsbesluit een openbaar onderzoek werd georganiseerd en dat de oorspronkelijke verzoekster gebruik heeft gemaakt van haar bezwaarrecht en haar opmerkingen betreffende de voorgenomen te beschermen onroerende goederen heeft laten geworden. Uit het bestreden besluit van 30 april 2004 blijkt niet dat de verwerende partij kennis nam van deze bezwaren en dat zij hiermee rekening heeft gehouden. De verplichting om een openbaar onderzoek te houden en het recht van de betrokkenen om een bezwaar in te dienen, brengen voor de overheid de verplichting mee om de regelmatigheid en de gegrondheid van de aangevoerde bezwaren te onderzoeken. Een zorgvuldig bestuur moet steeds oog hebben voor de argumenten van personen die rechtstreeks worden getroffen door een administratieve rechtshandeling, dit teneinde met volledige kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen. Zulks moet uit de bestreden akte zelf blijken. VII-37.432-6/10 In het bestreden besluit van 30 april 2004 wordt weliswaar verwezen naar het advies van de KCML van 4 maart 2004 doch, hoewel dit geacht wordt deel uit te maken van het ministerieel besluit, werd dit niet aan de oorspronkelijke verzoekster betekend. Zodoende kon zij niet nagaan of haar bezwaren werden behandeld. De verzoekende partijen stellen dat dit des te meer het geval is nu de oorspronkelijke verzoekster op 30 juni 2004 een faxschrijven heeft gestuurd samen met een gewone postbrief waarin zij uitdrukkelijk verzocht een kopij te mogen ontvangen van dit advies. Zij verkreeg hierop nooit een antwoord. Uit het bestreden besluit blijkt niet, aldus de verzoekende partijen, dat de verwerende partij de regelmatigheid en de gegrondheid van de aangevoerde bezwaren van de oorspronkelijke verzoekster heeft onderzocht en dat zij aldus het nut van een openbaar onderzoek in haar essentie heeft miskend. De verwerende partij heeft geen rekening gehouden met de particuliere belangen van de oorspronkelijke verzoekster, zodat haar beslissing niet steunt op alle relevante feiten, zoals ze blijken uit het administratief dossier. Dit is, steeds volgens de verzoekende partijen, een schending van het materiële motiveringsbeginsel. Hun rechten van verdediging werden miskend doordat de oorspronkelijke verzoekster weliswaar bezwaar vermocht in te dienen, doch dit zinloos blijkt te zijn geweest aangezien hieraan toch geen aandacht besteed werd.
  32. De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel van dit middel dat in een beschermingsbesluit niet expliciet dient te worden geantwoord op alle bezwaren die door de betrokkene werden gemaakt en dat een dergelijke verplichting niet voortvloeit uit de motiveringswet. De rechtspraak van de Raad van State bevestigt wel dat de overheid de verplichting heeft om de gegrondheid en de regelmatigheid van de bezwaren te onderzoeken, maar dat dit niet moet blijken uit het besluit zelf. VII-37.432-7/10 De verwerende partij stelt voorts dat uit het administratief dossier en de weerlegging van het bezwaarschrift van de oorspronkelijke verzoekster wel degelijk blijkt dat de overheid de bezwaren grondig onderzocht en weerlegd heeft. Er bestaat, steeds volgens de verwerende partij, geen enkele wettelijke verplichting het advies van de KCML samen met het beschermingsbesluit te betekenen. Verder betwist zij dat de oorspronkelijke verzoekster bij brief heeft verzocht om een kopie van het advies van de KCML.
  33. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat zij slechts naar aanleiding van de ontvangst van de memorie van antwoord van de verwerende partij kennis hebben kunnen nemen van het onderzoek van de ingediende bezwaren en dat in het bestreden besluit weliswaar werd verwezen naar een advies van de KCML, doch dat dit advies niet aan de verzoekende partijen ter kennis is gebracht. Ook blijkt in het geheel niet dat de ingediende bezwaren door de KCML werden onderzocht, aangezien in dat advies slechts is overwogen : "Gelet op het verslag van Frieda Schlusmans, Ambtenaar voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting zoals het werd opgenomen in de agenda van de vergadering". De verzoekende partijen stellen zich ten slotte ook de vraag of het verslag waarnaar wordt verwezen wel hetzelfde verslag is als datgene dat voorlag aan de KCML. Hoe dan ook blijkt niet dat de KCML een eigen beoordeling heeft gegeven, zelfs niet dat de KCML de weerlegging van de bezwaren door de afdeling Monumenten en Landschappen tot de hare heeft gemaakt. Beoordeling
  34. Wanneer de overheid een monument van algemeen belang beschermt, moet zij, om te voldoen aan voormeld artikel 3 van de motiveringswet, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen vermelden waarop het gesteund is. Deze formele motiveringseis verplicht de administratieve overheid er niet toe in de akte expliciet de opmerkingen en bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming zijn ingebracht. Het is voldoende, maar wel noodzakelijk dat het besluit opgeeft om welke artistieke, VII-37.432-8/10 wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde monument van algemeen belang is. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij de geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De gegeven motivering moet draagkrachtig zijn en de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat aan de oorspronkelijke verzoekster het ontwerp van lijst van 13 mei 2003 bij brief van 12 september 2003 is overgemaakt en dat zij nadien, op 10 oktober 2003, bezwaren indiende. Voorts blijkt dat het bestreden besluit in zijn aanhef enkel verwijst naar het advies van de KCML en dat bevat geen onderzoek van de ingediende bezwaren. Aan het bestreden beschermingsbesluit is een raadpleging vooraf- gegaan, onder meer van de oorspronkelijke verzoekster. De verwerende partij is er toe gehouden de ingediende adviezen, opmerkingen en bezwaren te onderzoeken én bij haar beoordeling te betrekken. De verzoekende partijen konden pas vaststellen dat hun bezwaren zijn onderzocht nadat zij, onder meer op grond van een vermeende afwezigheid van dergelijk onderzoek, een annulatieberoep instelden waarna zij kennis konden nemen van het administratief dossier en waaruit voor hen slechts dan voor de eerste maal is gebleken dat hun bezwaren waren onderzocht. Het gaat dan ook niet op om in de gegeven omstandigheden aan te nemen dat de verzoekende partijen voldoende op de hoogte van de motieven van de eindbeslissing zijn en derhalve in de mogelijkheid om met kennis van zaken tegen het bestreden besluit op te komen. VII-37.432-9/10
  35. Het eerste onderdeel van het derde middel is gegrond. BESLISSING
  36. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 30 april 2004 waarbij de voormalige jeneverstokerij, gelegen aan de Reselt 1 te Dilsen-Stokkem (Rotem), als monument beschermd wordt. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  37. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  38. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf maart tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.432-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.