id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.856 Rolnummer: A. 157067/X-12110 Zaak: Arrest 201856 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:27 Fiche Arrest nr 201.856 van 15 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.856 van 15 maart 2010 in de zaak A. 157.067/X-12.110. In zake: 1. de Vereniging van mede-eigenaars HOF VAN VILLERS 2. Paul LEMMENS 3. Hendrik VANDERVORST 4. Mildred FAULHABER 5. Hilde SCHALTIN 6. Yvonne SCHALTIN 7. Maria CROON 8. Maria VERHAEGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joël Sel kantoor houdend te 2500 LIER Kartuizersvest 115 en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend te 2630 AARTSELAER Karel van de Woestijnelaan 7 tegen: de stad Mechelen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Sebreghts kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de b.v.b.a. WALCO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Engels en Willem Slosse kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Brusselstraat 59 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- X-12.110-1/12 I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 oktober 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 28 juni 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen waarbij aan de b.v.b.a. WALCO de vergunning wordt verleend voor het overdekken van een terras op een boot met textielconstructie gelegen te Mechelen, Persoonshoek 9/13, kadastraal bekend sectie E, nr. 501/M. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 141.536 van 3 maart 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 mei 2005. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. X-12.110-2/12 Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Karolien Bulkmans, die loco advocaat Hugo Sebreghts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 24 februari 2004 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning voor het overdekken met een textielconstructie van een terras op een boot. Het terras maakt deel uit van een horecazaak die wordt uitgebaat op het perceel waar de boot ligt aangemeerd. Dit perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, gelegen in woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. 4. Op 13 april 2004 geeft de stedelijke dienst Monumentenzorg een ongunstig advies over de aanvraag. Het advies luidt als volgt: “De voorgestelde tentconstructie verdringt door zijn omvang en opvallende vorm het beschermde Hof van Villers naar de achtergrond en leidt alle aandacht volledig naar de aangemeerde boot. Vanuit het oogpunt monumentenzorg lijkt een minder exuberante vormgeving (die bij voorkeur aansluit bij het terrassenbeleid voor het openbare domein) meer aangewezen”. 5. Op 28 juni 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen de gevraagde vergunning. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “De aanvraag betreft een terrasoverkapping op een boot, gelegen in de binnenstad, op de Dijle. Hoewel de bezorgdheid van de stedelijke dienst voor Monumentenzorg zeker terecht is, kan worden geargumenteerd dat de fotomontage het ontwerp imposanter doet lijken dan in werkelijkheid; het zal immers nooit in het voorgestelde vogelperspectief worden waargenomen. Wel X-12.110-3/12 is het zo dat het wit van de foto te fel afsteekt tegen het achterliggende Hof van Villers. Van de voorgestelde stalen lijken de grijze het meest aanvaardbaar. Aangewezen is om alsnog andere stalen ter vergelijking voor te leggen om zo in overleg met de betrokken diensten de meest harmonieuze oplossing te kiezen. Los van het kleurgebruik is de combinatie van het beschermde gebouw met de hedendaags constructie zeker geslaagd te noemen”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 6. De verwerende partij betwist de procesbevoegdheid van de eerste verzoekende partij. Ze laat gelden dat geen bewijs voorligt voor de regelmatigheid van de vertegenwoordiging van die partij, noch voor het specifiek mandaat dat de algemene vergadering aan de syndicus heeft gegeven om in rechte op te treden namens de gemeenschap van eigenaars. Evenmin wordt aangetoond dat de syndicus op regelmatige wijze werd aangesteld. Ten aanzien van de tweede tot de achtste verzoekende partij voert de verwerende partij een gebrek aan belang aan. Voor zover zij voorhouden eigenaar of bewoner te zijn, wordt daarvan geen enkel bewijs voorgelegd. Hoogstens kan de tweede verzoeker als een bewoner van het “Hof van Villers” worden beschouwd. Evenwel wordt niet aangetoond waar zijn appartement zich bevindt, noch dat hij effectief hinder ondervindt van de vergunde constructie. Tot slot argumenteert de verwerende partij nog dat de bestreden beslissing niet vergunningsplichtig is. De overkapping steunt immers op een boot, die niet in de grond is ingebouwd, aan de grond is bevestigd, of op de grond steunt omwille van de stabiliteit, zodat de constructie geen vaste inrichting is in de zin van artikel 99, §1, 1° van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). De bestreden vergunning is bijgevolg niet griefhoudend in hoofde van de verzoekende partijen. 7. De tussenkomende partij stelt ten aanzien van de eerste verzoekende partij dat de vereiste formele beslissing van de algemene vergadering tot het aanvechten van de stedenbouwkundige vergunning ontbreekt. Daardoor alleen al is het verzoekschrift onontvankelijk in haar hoofde. Bovendien werden niet alle leden van de raad van beheer uitgenodigd voor het nemen van een beslissing om in rechte op te treden en heeft de raad van beheer geen formele beslissing genomen. Ten aanzien van de tweede tot de achtste verzoekende partij betwist de tussenkomende partij eveneens de geldigheid van de beslissing om in X-12.110-4/12 rechte op te treden. Het mandaat om in rechte op te treden betreft enkel de vereniging van mede-eigenaars en niet de tweede tot de achtste verzoekende partij. De tussenkomende partij stelt ten slotte nog dat de woonplaatskeuze onduidelijk en dus ongeldig is. Het verzoekschrift vermeldt drie raadslieden met hun kantooradres. Door het gebruik van het bijwoord “alwaar” is het de tussenkomende partij niet duidelijk of de woonplaatskeuze gedaan wordt op alle vermelde adressen of enkel op het adres dat het laatst werd vermeld. 8. De verzoekende partijen dupliceren dat de eerste verzoekende partij wel degelijk de Vereniging van mede-eigenaars is en niet de syndicus, die de vereniging enkel in rechte vertegenwoordigt overeenkomstig het reglement van mede-eigendom. Ze brengen stukken aan waaruit blijkt dat de syndicus op regelmatige wijze werd verkozen. De syndicus ontleent zijn bevoegdheid om in rechte op te treden aan het reglement van mede-eigendom. Op de eerstvolgende algemene vergadering na het instellen van de procedure, heeft de syndicus hierover verslag uitgebracht en werden de ondernomen gerechtelijke stappen bekrachtigd. Daardoor is de discussie over de regelmatigheid van het instellen van de procedure zonder voorwerp geworden. De tweede tot de achtste verzoekende partij zijn allen eigenaar van een appartement in het “Hof van Villers”, zodat zij niet over een bijzonder mandaat moeten beschikken. Uit het verzoekschrift blijkt dat de tweede en de zevende tevens bewoner zijn van een appartement. Uit een bijgevoegd plan en uit hun persoonlijke verklaringen blijkt dat de vergunde constructies hen licht en uitzicht ontnemen. De derde, vierde, vijfde, zesde en achtste verzoekende partij zijn eigenaar van een appartement en hebben om die reden alleen al voldoende belang. Uit verklaringen van de derde, zesde en achtste verzoekende partijen blijkt bovendien een aanzienlijke waardevermindering voor de appartementen, ten gevolge van hinder door de constructie. Voorts stellen de verzoekende partijen dat het voor de griffie van de Raad geenszins onduidelijk was op welk adres de verzoekende partijen keuze van woonplaats hebben gedaan. Bovendien zien zij niet in hoe eventuele onduidelijkheid hieromtrent de onontvankelijkheid van het verzoekschrift tot gevolg kan hebben. Tot slot stellen de verzoekende partijen nog dat de boot permanent en definitief is aangemeerd om één geheel te vormen met de horecazaak in het “Hof van Villers” en dus wel vergunningsplichtig was. Bovendien is de verwerende partij er zelf ook steeds van uitgegaan dat de constructie vergunningsplichtig was, aangezien zij de vergunningsaanvraag heeft afgehandeld, zonder op te werpen dat er geen vergunningsplicht was. X-12.110-5/12 9. De tussenkomende partij antwoordt dat zij niet de regelmatigheid van de verkiezing van de syndicus betwist, maar wel zijn beslissing om de Vereniging van mede-eigenaars een verzoekschrift tot schorsing en nietigverklaring te laten indienen. Conform het reglement van de mede-eigendom komt die beslissing aan de algemene vergadering toe. De bekrachtiging achteraf kan niet als een dergelijke beslissing worden aanvaard, vermits deze is gebeurd na het verstrijken van de beroepstermijn. De eerste verzoekende partij maakt derhalve niet aannemelijk dat het bevoegde orgaan te dezen heeft beslist tot het indienen van het beroep. De tweede tot de achtste verzoekende partijen leveren nergens een bewijs van hun eigendom. De stukken die eerst bij de memorie van wederantwoord worden gevoegd, moeten uit de debatten worden geweerd. Het adres van de tweede verzoeker stemt wel overeen met het adres van het terrein waarvoor de vergunning werd afgeleverd, maar hij blijft in gebreke het bewijs te leveren dat de overkapping van het terras zijn zicht of uitzicht zou ontnemen. In haar laatste memorie acht de tussenkomende partij dit laatste eveneens van toepassing op de zevende verzoekster. Beoordeling 10. Luidens artikel 25,
- c)van de statuten van de eerste verzoekende partij heeft de syndicus “tot opdracht het vertegenwoordigen in rechte van de mede-eigenaars als aanlegger of verweerder”. Aangezien de bevoegdheid tot het vertegenwoordigen van een rechtspersoon in rechte niet kan worden afgesplitst van de bevoegdheid tot het nemen van de beslissing om in rechte te treden en uit de stukken blijkt dat de syndicus op regelmatige wijze verkozen was, wordt de eerste verzoekende partij op rechtsgeldige wijze vertegenwoordigd. De exceptie gericht tegen de eerste verzoekende partij is niet gegrond. 11. De tweede en de zevende verzoekende partij stellen dat zij hun woonplaats hebben in het betrokken onroerend goed. De verwerende partij kan zelf op eenvoudige wijze die gegevens op hun correctheid verifiëren, zodat zij niet met goed gevolg kan aanvoeren dat geen bewijs wordt voorgelegd. Als bewoners van het onroerend goed dat vlakbij de vergunde constructie is gelegen en met uitzicht op deze constructie, beschikken de tweede en de zevende verzoekende partij over een voldoende belang. X-12.110-6/12 De derde, vierde, vijfde, zesde en achtste verzoekende partij brengen noch in hun verzoekschrift, noch in hun memorie van wederantwoord, noch in hun laatste memorie stukken aan waaruit hun hoedanigheid van eigenaar van een appartement in het betrokken onroerend goed blijkt. De verklaringen van huurders van drie van deze verzoekende partijen volstaan ter zake niet. De exceptie gericht tegen de derde, vierde, vijfde, zesde en achtste verzoekende partijen is gegrond; de exceptie gericht tegen de tweede en zevende verzoekende partijen is niet gegrond. 12. Een eventueel onduidelijke formulering van de woonplaatskeuze brengt niet de onontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring met zich mee. De exceptie met betrekking tot de woonplaatskeuze is niet gegrond. 13. Blijkens de bij de aanvraag horende beschrijvende nota bestaat de overkapping uit een permanente inoxconstructie die in de zomermaanden met een membraan in textiel wordt overspannen. De boot waarvoor de constructie werd vergund, ligt permanent aangemeerd bij de horecazaak in het “Hof van Villers” en is rechtstreeks met de oever verbonden door middel van twee steigers. De boot doet dienst als terras bij de horecazaak en wordt niet langer gebruikt in zijn oorspronkelijke vervoersfunctie. In het licht van die gegevens moet de constructie op de boot worden beschouwd als een vaste inrichting die op de grond steunt omwille van zijn stabiliteit en die derhalve vergunningsplichtig is in de zin van artikel 99, § 1, derde lid DRO. Nog afgezien van de vraag of de verwerende partij, gelet op de door haar verleende bestreden vergunning, op ontvankelijke wijze het vergunningsplichtig karakter van de vergunde constructie kan betwisten, is de exceptie om de zo-even vermelde redenen niet gegrond. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 14. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 6, 1.2.3 en 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. X-12.110-7/12 De verzoekende partijen betogen dat de aanvraag strijdig is met de goede ruimtelijke ordening en met de voorschriften die gelden voor gebieden en plaatsen van culturele, historische en/of esthetische waarde. De vergunde textielconstructie ontneemt het vrije uitzicht over ongeveer de helft van de hoogte van het Hof van Villers, dat omwille van zijn esthetische waarde beschermd is. De bestreden beslissing motiveert niet op afdoende wijze waarom de stedenbouwkundige vergunning toch kan worden verleend. In een gebied van culturele, historische en/of esthetische waarde moet de wijziging van de bestaande toestand nochtans worden onderworpen aan bijzondere voorwaarden, gegrond op de wenselijkheid van het behoud. De motivering in het bestreden besluit is beperkt tot de bevestiging dat de aanvraag in overeenstemming is met de planologische bestemming en de wettelijke en reglementaire voorschriften. De bezorgdheid van het ongunstige advies van de dienst Monumentenzorg wordt bijgetreden, maar tegelijkertijd wordt gesteld dat de constructie nooit in het op de fotomontage voorgestelde vogelperspectief zal worden waargenomen. Die laatste stelling doet niets af aan het feit dat het om een imposante constructie gaat die trouwens wel degelijk vanuit vogelperspectief kan worden waargenomen vanuit een verdieping. Over de kleur van het textiel waarin de constructie wordt uitgevoerd, wordt nog geen uitspraak gedaan omdat er nog kleurstalen moeten worden voorgelegd aan de stadsdiensten. Over de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening wordt al helemaal geen uitspraak gedaan. Ten slotte wordt ook afgeweken van het stedelijke beleid inzake terrassen, dat in het begin van 2004 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen werd vastgesteld en nadien in een stedenbouwkundige verordening van 24 augustus 2004 werd gegoten. 15. De verwerende partij antwoordt dat zij de bezwaren betreffende de goede ruimtelijke ordening wel zorgvuldig heeft beantwoord en dat zij verscheidene adviezen heeft ingewonnen. Rekening houdend met het ongunstige, maar niet bindende advies van de dienst Monumentenzorg werd in overleg met de betrokken diensten de meest harmonieuze kleur gekozen voor de zeilen, zodat deze niet teveel afsteken tegen het Hof van Villers. De overkapping is een lichte en luchtige constructie en het in de fotomontage imposant ogende vogelperspectief is niet zichtbaar, behalve dan vanuit de verdiepingen van het Hof van Villers, maar in dat laatste geval kan men natuurlijk niet stellen dat de overkapping het Hof van Villers aan het zicht onttrekt. Er werd wel rekening gehouden met het gunstige advies van de provinciale administratie van Monumenten en Landschappen. Het stedelijke terrassenbeleid is niet van toepassing op de betrokken locatie langs de X-12.110-8/12 Dijle, zoals blijkt uit de opsomming van de plaatsen waar het document wel van toepassing is. 16. De tussenkomende partij voert aan dat artikel 6, 1.2.3 van het inrichtingsbesluit niet elke wijziging in een gebied van culturele, historische en/of esthetische waarde uitsluit, maar integendeel in de mogelijkheid voorziet om wijzigingen aan bijzondere voorwaarden te onderwerpen. Bovendien is er geen sprake van een echte wijziging van het stadsgezicht, nu de tijdelijke textielconstructie juist in de plaats komt van grote parasols die tot dusver werden geplaatst op het terras. Voor wat betreft de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening volstaat het dat het bestreden besluit werkelijk op het doel van de goede ruimtelijke ordening is gericht. Uit het aanvragen en beantwoorden van het advies aan de dienst Monumentenzorg blijkt voorts dat de vergunningverlenende overheid rekening heeft gehouden met de goede ruimtelijke ordening en dat zij de verenigbaarheid van de terrasconstructie met de onmiddellijke omgeving heeft overwogen. De onmiddellijke omgeving wordt gekenmerkt door moderne tendensen. Met die specifieke kenmerken moet rekening worden gehouden bij de beoordeling van de onmiddellijke omgeving. Voorts worden de redenen waarom de vergunningverlenende overheid de textielconstructie verantwoord acht, duidelijk weergegeven in de bestreden beslissing. Het niet akkoord zijn met deze redenen kan niet worden gelijkgesteld met het ontbreken van een afdoende motivering. Het terrassenbeleid van de stad Mechelen is te dezen niet van toepassing. De stedenbouwkundige verordening waarin dit beleid is opgenomen heeft met name betrekking op de binnenstad en de stationsomgeving. Bovendien dateert de verordening van na de bestreden beslissing en geldt zij voor het openbare domein, terwijl de boot eigendom is van de tussenkomende partij. In haar toelichtende memorie voegt de tussenkomende partij daar nog aan toe dat het niet-bindende en facultatieve advies van de dienst Monumentenzorg geenszins de beoordelingsbevoegdheid van de bevoegde overheid beperkt. 17. In hun memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen nog aan dat het niet-bindende karakter van het advies niet tot gevolg heeft dat het advies zonder meer mag worden genegeerd. De overheid kan zich ook niet verschuilen achter de overige gunstige adviezen, vermits slechts één ervan betrekking heeft op het stedenbouwkundige aspect. X-12.110-9/12 18. In haar laatste memorie betwist de verwerende partij het vergunningsplichtige karakter van de constructie omdat de boot geen vaste constructie is, maar altijd mobiel is. 19. De tussenkomende partij betwist in haar laatste memorie eveneens het vergunningsplichtige karakter van de constructie. In dit verband laat zij gelden dat zowel uitklapbare of uitrolbare zonneschermen als pergola’s niet vergunningsplichtig zijn. Daaruit moet worden afgeleid dat de betrokken constructie evenmin vergunningsplichtig is. Door de combinatie van het beschermde gebouw met de hedendaagse constructie uitdrukkelijk geslaagd te noemen, heeft de overheid rekening gehouden met het advies van de dienst Monumentenzorg en heeft zij impliciet de opmerking weerlegd dat de tentconstructie het beschermde Hof van Villers naar de achtergrond verdringt. In het kader van de eerder beperkte ruimtelijke impact van de aanvraag volstaat de korte omschrijving van de onmiddellijke omgeving dat het een overkapping betreft van een boot, gelegen op de Dijle, in de binnenstad. Uit het gehele dossier blijkt dat de overheid wel degelijk goed op de hoogte was van de onmiddellijke omgeving en er rekening mee heeft gehouden. Beoordeling 20. Voor wat betreft het door de verwerende partij en de tussenkomende partij in hun laatste memories betwiste vergunningsplichtige karakter van de constructie en voorzover hun argumentatie ter zake al niet als laattijdig moet worden beschouwd, wordt verwezen naar de beoordeling van de ontvankelijkheidsexceptie over hetzelfde onderwerp (randnr. 14). 21. Artikel 19, derde lid van het inrichtingsbesluit bepaalt dat de vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. Hierbij moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. De beoordeling moet tevens in concreto geschieden. De beweegredenen moeten voorts uit de beslissing over de bouwaanvraag zelf blijken, waarbij in elk geval uit de motieven van de vergunning moet blijken dat de auteur de goede plaatselijke ordening in overweging heeft genomen en hij er zich een mening over heeft gevormd. X-12.110-10/12 In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht mag de Raad van State zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 22. De bestreden beslissing bevat vooreerst geen concrete afdoende beoordeling van de onmiddellijke omgeving waarin de aanvraag is gesitueerd. De vermelding dat de aanvraag op de Dijle en in de binnenstad gelegen is en een terrasoverkapping voor een horecazaak betreft, voldoet daartoe niet. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt voorts dat het college van burgemeester en schepenen eveneens van oordeel is dat de te vergunnen constructie imposant is, vermits zij de vrees van de dienst Monumentenzorg als terecht beschouwt. Deze bedenking wordt in wezen enkel gevolgd door de argumentatie dat de fotomontage door het vogelperspectief een meer imposante indruk geeft dan in werkelijkheid en dat, afgezien van het nog vast te leggen kleurgebruik, “de combinatie van het beschermde gebouw met de hedendaagse constructie zeker geslaagd te noemen” is. Uit deze overwegingen kan niet worden opgemaakt hoe, in weerwil van het ongunstige advies van de dienst Monumentenzorg, de omvang en opvallende vorm van de vergunde constructie verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving in het algemeen en het vlakbij gelegen Hof van Villers in het bijzonder. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep ten aanzien van de derde, vierde, vijfde, zesde en achtste verzoekende partijen. De Raad van State vernietigt het besluit van 28 juni 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen waarbij aan de b.v.b.a. WALCO de vergunning wordt verleend voor het overdekken van een terras op een boot met textielconstructie gelegen te Mechelen, Persoonshoek 9/13, kadastraal bekend sectie E, nr. 501/M. X-12.110-11/12 2. De derde, vierde, vijfde, zesde en achtste verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1750 euro, elk voor een vijfde. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1050 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.110-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.856 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.536 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div