id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.860 Rolnummer: A. 164754/IX-4989 Zaak: Arrest 201860 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 15/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-24 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:27 Fiche Arrest nr 201.860 van 15 maart 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.860 van 15 maart 2010 in de zaak A. 164.754/IX-4989 In zake: Jan D’HOOGE wonende te Welle Steenweg 169 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 30 mei 2005 van de departementale directieraad van het departement Coördinatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij aan de verzoeker de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend voor het jaar
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-4989-1/43 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 maart
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Thomas Ryckalts, die loco advocaat Patrick Devers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing tewerkge- steld als medewerker bij de administratie Kanselarij en Voorlichting van het departement Coördinatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Hij vervult er de functie van IT-contactpunt bij de cel Taaladvies. 3.
- In 2001 wordt zijn functiebeschrijving als volgt vastgesteld: - het beheren van IT-applicaties voor de activiteiten van de dienst (intern en extern taaladvies), waaronder onder meer wordt verstaan het geven van informatie en assistentie aan de informatici van SBS bij de ontwikkeling en het onderhoud van de databank van de cel Taaladvies en de website van de Taaltelefoon, alsmede het beheer van de IT-toepassingen die er worden gebruikt; - het correct inbrengen, bijhouden en opzoeken van gegevens in bestanden om op elk ogenblik recente informatie ter beschikking te kunnen stellen; - het uitvoeren van allerhande specifieke administratieve taken ter ondersteuning van de ambtenaren van de dienst, zoals het bijhouden van de agenda van de leden van de cel Taaladvies, het schrijven van standaardbrieven, het notuleren van de vergaderingen van de cel, het beheren van de vakbibliotheek; - het verzorgen van het klassement, zodat iedereen de nodige documenten snel en gemakkelijk kan terugvinden; IX-4989-2/43 - het doorgeven van telefonische oproepen en/of boodschappen teneinde de correspondenten zo snel mogelijk met de juiste persoon in verbinding te stellen; - materiële en logistieke ondersteuning. Op 25 februari 2004 heeft het planningsgesprek voor het jaar 2004 plaats. Voor de verzoeker wordt de volgende resultaatgerichte doelstelling geformuleerd: “met behulp van de dagelijkse kopie van de databank Taaladvies tussentijds en voor het hele jaar cijfers verzamelen en statistieken samenstellen over de taaladvisering die de cel Taaladvies verzorgt”. Daartoe moet hij: - gebruik leren maken van de databank Taaladvies die sinds januari 2004 via een ODBC-verbinding in Access ter beschikking wordt gesteld; - in overleg met het celhoofd bepalen welke cijfers en statistieken er aan de hand van die databank tussentijds en voor het hele jaar zullen worden verzameld; - met behulp van Access een aantal basisqueries en basisberekeningen uitvoeren waarmee tussentijds de evolutie van het aantal oproepen en vragen en het gebruik van de verschillende media gevolgd kan worden; - met behulp van Access de queries en berekeningen uitvoeren die nodig zijn ter voorbereiding van het jaarverslag van de cel Taaladvies en de individuele jaaroverzichten per taaladviseur. 3.
- Op 8 maart 2004 vraagt de departementale informaticacoördinator (DIC), Bruno Asscherickx, aan verzoekers afdelingshoofd of de verzoeker voor hem een registratiesysteem mag uitwerken voor de beroepen op grond van het decreet betreffende de openbaarheid van bestuur. Hij vermeldt dat bij het departement AZF een systeem bestaat dat mogelijk bruikbaar zou zijn. Op 9 maart 2004 laat de departementale informaticacoördinator aan de verzoeker weten dat zijn afdelingshoofd ermee akkoord gaat dat hij aan dat project meewerkt. 3.
- Op 26 mei 2004 deelt verzoekers directe chef aan de verzoeker mee welke beslissingen werden genomen en welke afspraken met betrekking tot verzoekers taken daaruit voortvloeien. Dat gebeurt als volgt: “Hieronder vind je de lijst met beslissingen die ik je heb bezorgd en de afspraken die daarbij horen: IX-4989-3/43 • Voor de IT-opdrachten die je voor de cel Juridische Dienstverlening en voor Bruno Asscherickx in het bijzonder vervult, respecteer je de beslissingen die daarover genomen zijn op het overleg van 25 mei. Je voert de nog overblijvende taken uit volgens de afspraken die de betrokkenen daarover met je gemaakt hebben. • Je laat je niet verder in met de Word-teksten waarmee Sara en Piet nu werken voor het labelproject. Over de kwestie van de beheersmodule heb ik met Albert en Johan al eerder afspraken gemaakt. Zodra de kwestie aan de orde is, neem ik ze ook weer samen met hen en de andere betrokkenen van het project op (Walter Haeseryn, Sara en Piet). • Voor het vervolgproject voor de databank zal ik EDS vragen om de analyse ook op te nemen in de offerte. Dat wil zeggen dat -zodra de uitvoering van het project van start gaat- jouw rol erin zal bestaan dat je zoals ik de uitvoering van de analyse mee volgt en waar nodig feedback geeft aan de betrokken analisten. Voor de verdere voorbereiding van de offerte en de gesprekken met alle betrokkenen daarover (EDS, Taalunie) zorg ik. • Je bereidt een werkaanvraag voor om één gebruikersversie van Dream- weaver te bestellen en te installeren op de computer van Katleen Maesen en bezorgt die aan Tine. Voorts gelden de bestaande afspraken: • Je voert alle dagelijkse taken in het kader van je functie als IT-contactpunt en medewerker van de cel Taaladvies uit volgens je functiebeschrijving. • Je besteedt in het bijzonder aandacht aan de uitvoering van je jaardoel- stelling. Je volgt daarbij de planning die daarover in je planningsdocu- ment staat. Het uitgangspunt daarbij is dat je de statistieken samenstelt op basis van de mogelijkheden die Access biedt. • In het kader van de werkzaamheden aan het intranet neem je deel aan het overleg daarover dat start zodra het programma Dreamweaver op een computer bij intern taaladvies is geïnstalleerd. • Zoals ik je eerder al gevraagd heb, meld je me tegen dinsdag 1 juni welke vormingsbehoeften je hebt (ter voorbereiding van het overleg met Vicky Vandenberghe op 10 juni). Als je op- of aanmerkingen hebt bij deze beslissingen en afspraken, kun je me die per mail bezorgen.” 3.
- Vanaf 1 oktober 2004 is de verzoeker met loopbaanonderbreking. 3.
- In de loop van de maand maart 2005 vindt een evaluatiegesprek plaats over verzoekers presteren tijdens het jaar
- Aan de verzoeker wordt de keuze geboden tussen een persoonlijk of een telefonisch gesprek. Blijkbaar gebeurt het gesprek per telefoon. Dit evaluatiegesprek leidt op 17 maart 2005 tot een evaluatie die besluit met de beoordeling “onvoldoende”. Deze beoordeling steunt op de volgende overwegingen: IX-4989-4/43 “Resultaatgebieden • In het begin van 2004 heeft Jan de cijfers voor de Taaltelefoon verza- meld voor het jaarverslag van de cel Taaladvies voor het jaar
- Hij heeft het jaarverslag opgemaakt, het grafische materiaal erin verwerkt en gezorgd voor de publicatie ervan. • Jan heeft de collega’s ondersteund met een aantal administratieve taken zoals de bestelvoorstellen voor de handbibliotheek en de notulen van celvergaderingen. Hij heeft ook de celbibliotheek verder beheerd door nieuwe publicaties te voorzien van een etiket en ze op te nemen in een elektronische catalogus. • Jan heeft de bij de cel Taaladvies gedetacheerde collega’s geholpen bij het converteren en uitfilteren van htlm-bestanden voor gebruik in Word. Hij heeft ook interne links toegevoegd in de Formulierenleidraad. • Jan heeft in 2004 ook opdrachten als IT-contactpunt uitgevoerd. Tussendoor heeft hij daarvoor de reguliere taken uitgevoerd: werkaan- vragen invullen en beheren (onder andere voor de Codex-applicatie van de cel Juridische Dienstverlening), vergaderingen bijwonen, begrotings- voorstellen voorbereiden, feedback geven bij netwerkproblemen, mensen helpen bij de voortgangscontrole van IT-werkaanvragen (contacten met EDS-Telindus en SCICT), voorstellen formuleren voor IT-bestellingen, vorderingsstaten en inventarisgegevens bijhouden. • In het kader van zijn IT-opdrachten heeft Jan voor de cel Juridische Dienstverlening in het voorjaar van 2004 een grotere opdracht (registra- tiesysteem inzake openbaarheid van bestuur) op zich genomen. Jan heeft deze taak niet naar behoren uitgevoerd. Hij heeft de taak veel ruimer en ook anders ingevuld dan gevraagd was. Daardoor had hij geen oog meer voor zijn andere taken (zoals zijn jaardoelstelling). Hij heeft de taak ook zo uitgevoerd dat hij eigenlijk parallel hetzelfde werk gedaan heeft als een collega van het departement AZF. Toen de cel Juridische Dienstver- lening dan finaal een keuze maakte voor de oplossing van het departe- ment AZF, bleef Jan zijn eigen oplossing verdedigen en had hij geen oog voor de argumentatie van de opdrachtgever. • Jan verwaarloosde een aantal reguliere administratieve taken. Hij maakte ’s maandags niet altijd de presentielijst voor de cel Taaladvies op. Hij verzamelde niet langer de cijfergegevens voor de Sitel-statistieken en deed ook geen moeite meer om de nog ontbrekende cijfers verder te verzamelen. • Jan hield zich bezig met taken die hem helemaal niet gevraagd waren en die eigenlijk aan anderen toebehoorden (bv. in verband met de beheers- module voor het Taalunieversum) of met taken waarover binnen de cel nog geen concrete werkafspraken gemaakt waren (bv. over de website van de Taaltelefoon). Functioneringscriteria In het evaluatieverslag over het jaar 2003 was gesignaleerd dat Jan in 2003 problemen had om zijn werk te organiseren en daarover voldoende en op de juiste manier te communiceren. Tijdens het jaar 2003 waren de organisatie- en communicatieproblemen nog niet overheersend. In 2004 zijn ze dat wel geworden. Daarvan getuigen de onderstaande vaststellingen. Technische criteria: Jan heeft een goede kennis van de organisatie en kan goed omgaan met de computertoepassingen die hij nodig heeft voor zijn functie. IX-4989-5/43 Functioneringscriteria: Jan heeft in 2004 onvoldoende gepresteerd voor de volgende criteria: ‘soepelheid’, ‘organisatietalent’ en ‘communicatievaardig- heid’. • Zodra Jan een grotere taak heeft gekregen, biedt hij weinig of geen ruimte meer voor overleg over de uitvoering daarvan. Hij heeft dan vaak geen oog meer voor het eigenlijke doel en de afbakening van de opdracht. Dat was het geval bij zijn jaardoelstelling en bij de analyse- opdracht in verband met openbaarheid van bestuur voor de cel Juridische Dienstverlening. • Zodra Jan een taak op zich genomen heeft, communiceert hij daar vaak niet meer over. Doordat er dan tussentijds geen of weinig bereidheid is om erover te communiceren, blijkt het eindresultaat vaak niet in overeenstemming te zijn met wat de opdrachtgever gevraagd heeft (analyseopdracht in verband met openbaarheid van bestuur voor de cel Juridische Dienstverlening). • Als Jan problemen heeft met de uitvoering en de timing van zijn opdrachten, is hij weinig of niet geneigd om daarover zelf te communice- ren en heeft hij het ook moeilijk om de problemen precies in kaart te brengen (jaardoelstelling). • Jan verliest vrij snel het overzicht en verliest zich in allerlei details waarop hij zeer uitvoerig ingaat (bijvoorbeeld bij probleemanalyses in rapporten, verslagen en mails). Anderzijds is hij apathisch of zeer minachtend over de uitvoering van kleinere administratieve taken (regularisatieformulieren, presentielijst). Doordat hij vaak vergeet om zaken te regulariseren, staat hij bij de prikklok voor 2004 geregeld geregistreerd als ‘onbekend afwezig’. Hij maakte er in het verleden alleen na herhaalde verzoeken werk van om zulke zaken bij te sturen. • Jan toont zich heel vlug onnodig bang en denkt dat alles verkeerd zal lopen. Hij heeft een constant wantrouwen in de uitvoering van taken door anderen. Dat was onder andere het geval bij de voorbereiding van de vervolgopdracht voor de ontwikkeling van de databank van de cel Taaladvies. • Als je met Jan overlegt over de verschillende mogelijkheden die er zijn om een taak uit te voeren, blijft bij hem altijd de uitvoerigste en moeilijkste oplossing hangen. Bij later overleg over de keuze die gemaakt moet worden, is hij dan uit het oog verloren dat ook een kleinere en eenvoudige oplossing nog gekozen kan worden. Dat is onder andere het geval met zijn jaardoelstelling. Zo is er ooit gepraat over de mogelijkheid om statistieken te maken over het gebruik van de taalkun- dige categorieën in de databank. Als je met Jan daarover van gedachten gewisseld had, ging hij er in latere gesprekken meteen vanuit dat de uitvoering van dat onderdeel noodzakelijk en prioritair was. • In een aantal gevallen gaat Jan op eigen houtje oplossingen uitwerken voor taken waarvoor nog niet beslist is welke oplossing gekozen zal worden en die hem dus nog niet zijn opgedragen. Zo heeft hij voor de website van de Taaltelefoon een nieuw ontwerp gebouwd zonder eerst nader overleg te plegen met de collega’s. Hij heeft in de laatste week van september zonder aankondiging het nieuwe ontwerp voorgesteld tijdens de Dreamweaver-opleiding. Doordat niemand van zijn activiteiten op de hoogte was, kwamen de resultaten uit de lucht gevallen. Zo heeft hij op eigen houtje ook een programmeeropdracht in Visualbasic uitgevoerd voor bij de cel Taaladvies gedetacheerde collega’s, waarover hij nooit met het celhoofd gecommuniceerd heeft. • Jan werkt in bepaalde periodes heel laat en zeer intensief. Het gevolg daarvan is dat hij vaak een erg vermoeide, matte en prikkelbare indruk IX-4989-6/43 maakt. Vaak is het dan niet duidelijk waar hij mee bezig is, en hoe je er iets aan kunt doen om de werkdruk die Jan zichzelf oplegt, te verlichten. • Jan kwam in 2004 systematisch te laat aan op het werk (meestal na 9.30 uur, in de tweede helft van het jaar vaak na 10 uur). Als hij daarover negatieve reacties kreeg, reageerde hij daar niet of ontwijkend op. Hij bleef wel geregeld heel lang werken op het werk zelf. • Jan stelt zich vaak zeer kritisch op tegenover anderen, maar praat nooit uit eigen initiatief over de problemen die hij ervaart met zijn eigen functioneren. Hij werkt nog liever eindeloos door dan de problemen even te bepraten. In het laatste functioneringsgesprek weigerde Jan elke bespreking van zijn functioneren, maar uitte hij wel zware kritiek op zijn celhoofd. Ook tijdens het evaluatiegesprek heeft hij alleen uitspraken gedaan over wat hij gedaan heeft (resultaatgebieden), maar niet over hoe hij de zaken doet (functioneringscriteria) en hoe de collega’s, de opdrachtgevers en zijn celhoofd daarop reageren. Als hem daarop gewezen wordt, beklemtoont hij de kwantiteit van de opdrachten die hij uitvoert. • Als Jan initiatief neemt om contact te leggen met andere mensen, blijkt vaak dat hij achteraf een heel andere perceptie had van dat gesprek dan de personen met wie hij gesproken heeft. Uit getuigenissen van andere mensen is gebleken dat mensen het vaak moeilijk hebben om in te schatten wat hij eigenlijk wil, waar hij naar toe wil of waarom hij iets wil. Zo heeft hij een collega van de AAD overvallen met zijn twijfels om loopbaanonderbreking te nemen, terwijl de taak van die mensen niet meer is dan de administratie rond deze personeelsaangelegenheid te verzorgen. Zonder dat hij het zelf beseft, brengt hij daardoor collega’s in een moeilijke en gênante positie. • Jan neemt vaak contact op met mensen met wie hij eigenlijk geen persoonlijk contact moet leggen (bijvoorbeeld uitvoerders van werkaan- vragen bij EDS-Telindus). Ook als de DIC hem erop wijst dat hij dat beter niet kan doen, blijft hij dat doen. • Jan schermt af en toe met persoonlijke problemen en problemen in zijn thuissituatie, maar is er verder angstvallig terughoudend over om er meer over te vertellen. Het is dan heel moeilijk om te bepalen hoe ernstig iets is, en hoe je daarmee als leidinggevende rekening kunt of moet houden. • Jan heeft vaak geen oogcontact of hij mijdt het oogcontact als je met hem communiceert. Persoonlijke doelstellingen Resultaatgerichte doelstellingen Jan heeft in 2004 geen werk gemaakt van zijn jaardoelstelling (statistieken op basis van de databank taaladvies), of heeft over de uitvoering daarvan in elk geval niet op de juiste manier gecommuniceerd met zijn celhoofd. Het celhoofd heeft in de loop van 2004 Jan meer dan eens mondeling en schriftelijk verzocht om te rapporteren over de stand van zaken in verband met zijn jaardoelstelling. Jan ging niet in op de verzoeken om overleg te hebben over de uitvoering van zijn jaardoelstelling en over de problemen die hij bij de uitvoering ervaren had. Hij gaf dan een ontwijkend antwoord of geen antwoord. Daardoor kon het celhoofd ook niet weten hoe de eventuele problemen opgelost konden worden en op welke manier het celhoofd daartoe kon bijdragen. Bij het begin van zijn loopbaanonderbreking was er nog geen enkel concreet resultaat of een aanzet daartoe voor de uitvoering van zijn jaardoelstelling zichtbaar. IX-4989-7/43 Ontwikkelingsgerichte doelstellingen Doordat Jan niet communiceerde over de invulling van zijn jaardoelstelling, is het niet duidelijk of Jan zich door zelfstudie heeft ingewerkt in het gebruik van de kopie van de databank van de cel Taaladvies via een ODBC-verbinding. Jan heeft geen opleiding over Access gevolgd. Jan heeft samen met de collega’s van de cel een opleiding Dreamweaver gevolgd. Conclusie Op basis van bovenstaande gegevens is het celhoofd in de loop van 2004 tot de conclusie gekomen dat Jan zijn functie om psychosociale redenen niet (langer) aankan. Er zijn sterke aanwijzingen dat Jan met een psychosociaal probleem zit dat buiten de beoordelingscapaciteit van het celhoofd en de andere mensen uit zijn werkomgeving valt. Op grond van de bovenstaande vaststellingen en op basis van het feit dat Jan op het einde geen enkele communicatieve bereidheid meer getoond heeft om over zijn functioneren met het celhoofd te praten, is het volgens het celhoofd noodzakelijk om op het moment dat hij weer aan de slag gaat de hulp in te roepen van instanties die hem op psychosociaal vlak kunnen helpen, begeleiden of verder kunnen doorverwijzen. Volgens het celhoofd is het op dit moment niet meer mogelijk om zonder externe hulp of begeleiding opnieuw tot een normale, gezonde samenwerking te komen.” De verzoeker ondertekent deze evaluatie op 24 maart 2005 voor kennisneming en ontvangst. 3.
- Op 2 april 2005 dient de verzoeker een uitgebreid en gedocumen- teerd bezwaarschrift in bij de raad van beroep. 3.
- Op 2 mei 2005 adviseert de raad van beroep met zes stemmen tegen één dat de evaluatie “onvoldoende” ongegrond is. De raad motiveert zijn advies als volgt: “Overwegende dat uit het onderzoek van de raad is gebleken dat de functiebeschrijving op het vlak van IT-taken niet beantwoordt aan het niveau van medewerker, zeker in combinatie met de administratieve taken die in de functiebeschrijving opgenomen werden; Overwegende dat uit het evaluatieverslag ook positieve elementen naar voor komen zoals het verzamelen van statistische gegevens, het ondersteunen van administratieve taken, het converteren en uitfilteren van html-bestanden, het toevoegen van links aan de formulierenleidraad, en het uitvoeren van reguliere taken van IT contactpunt; Overwegende dat bij het advies ook rekening wordt gehouden met de beperkte duur van functioneren in 2004 (9 maanden/realiseren van de jaardoelstelling); IX-4989-8/43 Overwegende dat uit de debatten is gebleken dat verzoeker voldoende inzet heeft betoond, maar dat een aantal administratieve taken beter moeten worden ingevuld, terwijl ook een aantal plichten beter moeten worden nageleefd (presentielijsten); Overwegende dat deze tekortkomingen onvoldoende blijken uit het dossier (persoonlijke nota’s en formele opvolgings- en functioneringsgesprekken); Overwegende dat de communicatie langs beide zijden voor verbetering vatbaar is; Overwegende dat in de evaluatie verwezen wordt naar psychosociale problemen, maar dat vanuit de overheid blijkbaar geen initiatieven werden genomen om verzoeker te begeleiden; Overwegende dat alle concrete omstandigheden in acht genomen de evaluatie te zwaar overkomt.” 3.
- Op 30 mei 2005 beslist de directieraad van het departement Coördinatie met unanimiteit om de voorgestelde evaluatievermelding “onvoldoen- de” te behouden. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “De voorzitter opent de beraadslaging en geeft in eerste orde het woord aan Armand De Troyer, directeur-generaal van de administratie Kanselarij en Voorlichting, die in dit dossier noch als eerste, noch als tweede evaluator optrad. De heer De Troyer verwijst hierbij uitvoerig naar het evaluatiedossier van Jan D’hooge over het werkjaar 2004 (evaluatieverslag en bijlagen - gesprek gehouden op 17 maart 2005), dat op zich een degelijk beeld geeft zowel van het functioneren alsook van de tekortkomingen van Jan D’hooge. In dit verslag wordt een beschrijvende evaluatie gegeven van de resultaatgebieden enerzijds en van de functioneringscriteria (technische bekwaamheden en persoonlijke bekwaamheden) anderzijds. De eindbeoordeling ‘onvoldoende’ is een krachtig signaal om aan Jan D’hooge aan te geven dat een drastische verandering in zijn functioneren absoluut aangewezen is. Tevens wijst de heer De Troyer op het feit dat in het evaluatieverslag 2003 was gesignaleerd dat Jan D’hooge reeds in 2003 problemen had om zijn werk te organiseren en om daarover voldoende en op de juiste manier te communice- ren. Alhoewel deze problemen in 2003 nog niet overheersend waren, zijn ze dat in het evaluatiejaar 2004 wel geworden. Zo heeft Jan D’hooge de opdracht ‘Registratiesysteem inzake openbaarheid van bestuur’ (voor de cel Juridische Dienstverlening) niet naar behoren uitgevoerd, maar heeft hij deze opdracht veel ruimer en ook anders ingevuld dan hem gevraagd was. Hij heeft deze taak zo uitgevoerd dat hij ongevraagd en parallel hetzelfde werk heeft gedaan als een collega van het departement AZF. Toen de cel Juridische Dienstverlening koos voor de oplossing van het departement AZF, bleef Jan D’hooge zijn oplossing verdedigen, en had hij geen oog voor de argumentatie van zijn opdrachtgever. IX-4989-9/43 O.a door deze wijze van taakinvulling had hij ook onvoldoende aandacht voor zijn andere taken, zoals bijvoorbeeld de met hem afgesproken jaardoelstel- ling inzake het documenteren met cijfermateriaal en statistieken van de taaladvisering door de cel Taaladvies. Een lid merkt op dat uit het evaluatieverslag ook blijkt dat Jan D’hooge een aantal reguliere administratieve taken verwaarloosde. Zo maakte hij op maandag niet altijd de presentielijst op voor de cel Taaladvies, verzamelde hij niet langer de cijfergegevens voor de Sitel-statistieken en deed hij ook geen enkele moeite om de ontbrekende cijfers te verzamelen. Tevens hield hij zich bezig met taken die hem niet gevraagd waren en die eigenlijk aan anderen toebehoorden (b.v. beheersmodule Taalunieversum) of met taken waarover binnen de cel nog geen concrete werkafspraken waren gemaakt (b.v. website Taaltelefoon). Een ander lid merkt op dat Jan D’hooge volgens het evaluatieverslag in 2004 ook onvoldoende presteerde voor drie van de negen opgelegde persoonlij- ke bekwaamheden, namelijk ‘soepelheid’, ‘organisatietalent’ en ‘communicatie- vaardigheid’, en dat dit falen in het evaluatieverslag zeer uitvoerig wordt toegelicht, zoals uit onderstaande citaten blijkt: - ‘Zodra Jan een grotere taak heeft gekregen, biedt hij weinig of geen ruimte meer voor overleg over de opdracht daarvan. Hij heeft dan vaak geen oog meer voor het eigenlijke doel en de afbakening van de op- dracht’, - ‘Zodra Jan een taak op zich genomen heeft, communiceert hij daar vaak niet meer over. Doordat er dan tussentijds geen of weinig bereidheid is om erover te communiceren, blijkt het eindresultaat vaak niet in overeenstemming te zijn met wat de opdrachtgever gevraagd heeft’, - ‘Jan verliest vrij snel het overzicht en verliest zich in allerlei details waarop hij zeer uitvoerig ingaat. Anderzijds is hij apathisch of zeer minachtend over de uitvoering van kleinere administratieve taken’, - ‘Jan kwam in 2004 systematisch te laat op het werk ... Als hij daarover negatieve reacties kreeg, reageerde hij daar niet of ontwijkend op...’, - ‘Jan stelt zich vaak zeer kritisch op tegenover anderen, maar praat nooit uit eigen initiatief over de problemen die hij ervaart met zijn eigen functioneren ...’, - ‘... Zonder dat hij het zelf beseft, brengt hij daardoor collega’s in een moeilijke en gênante positie’. Voor wat de doelstellingen 2004 (planningsgesprek gehouden op 25 februari 2004) betreft, merkt een lid op dat Jan D’hooge in 2004 niet alleen geen werk heeft gemaakt van zijn resultaatgerichte jaardoelstelling ‘Statistieken op basis van de databank Taaladvies’ (cfr supra), maar dat het tevens -omwille van het feit dat Jan D’hooge niet communiceerde over de realisatie van zijn jaardoelstelling- niet duidelijk is of Jan D’hooge zijn daaraan gelinkte ontwikkelingsgerichte doelstelling heeft gerealiseerd, namelijk zich door zelfstudie in het gebruik van Access inwerken voor het gebruik van de kopie van de databank van de cel Taaladvies via een ODBC-verbinding, en dat Jan D’hooge in elk geval in 2004 geen opleiding Acces heeft gevolgd. Een lid verwijst naar het bezwaarschrift d.d. 2 april 2005 dat Jan D’hooge heeft ingediend tegen de uitspraak ‘onvoldoende’. In dat bezwaarschrift geeft Jan D’hooge aan dat zijn functioneren in het evaluatiejaar 2004 geen onvoldoende verdient, en dat de motieven die de eerste IX-4989-10/43 evaluator heeft aangehaald voornamelijk ‘pertinent onjuist, totaal overdreven, irrelevant of ongepast’ zijn en dat ... ‘zo er problemen met het functioneren zijn, deze inherent zijn aan de eigenschappen van de vooropgestelde en onderweg aangevulde doelstellingen en anderzijds aan de omkadering en opvolging die hiervoor werden gegeven’. Hij staaft dit met een lange uitleg en 14 bijlagen. Een lid stelt vast dat dit bezwaarschrift een goede illustratie is van wat er in de conclusies van het eindverslag over het werkjaar 2004 staat, namelijk dat ook hieruit zeer duidelijk blijkt dat het communiceren met Jan D’hooge zeer moeilijk is en dat hij blijft vasthouden aan ‘zijn’ oplossingen, ‘zijn’ eigen manier van werken en dat hij het uitvoeren van kleinere administratieve taken misprijst of van ondergeschikt belang vindt. Voorbeeld hiervan zijn: zijn repliek m.b.t. het opstellen van de presentielijsten en zijn aanwezigheid op het werk. Jan D’hooge geeft in zijn bezwaarschrift expliciet toe dat er een communi- catieprobleem met het celhoofd bestaat en dat hij daar misschien ook zelf schuld aan heeft: ... ‘ik betwist hier niet dat één cruciale communicatie, namelijk deze met het celhoofd er op achteruit is gegaan. En misschien heb ik daar ook niet goed op gereageerd ...’. Jan D’hooge betwist dat bepaalde gesprekken als ‘functioneringsgesprek’ worden omschreven. (...‘mijns inziens is deze kwalificatie unfair en onreglemen- tair...’). Een lid verwijst in dit verband naar de intranet-site van PLOEG. Daarin worden in het hoofdstuk ‘Leiding geven en Opvolgen’ een aantal instrumenten beschreven: a. ‘Informele opvolging: als leidinggevende moet u op de hoogte blijven van de voortgang van uw medewerkers inzake de gemaakte afspraken. Dit kan best door middel van de dagelijkse informele opvolging’. b. ‘Persoonlijke nota’s: In veel gevallen volstaat de dagelijkse mondelinge communicatie om ervoor te zorgen dat de medewerker de evaluatie correct vindt en aanvaardt. Toch kan het in bepaalde gevallen ook nodig zijn om schriftelijk te communiceren over het functioneren. Formeel biedt het statuut de mogelijkheid om persoonlijke nota’s te maken.’ Hieraan wordt op de site ook het volgende toegevoegd: ‘Persoonlijke nota’s zijn geen statutaire verplichtingen. Waarschijnlijk worden er om die reden tot nu toe weinig persoonlijke nota’s gemaakt.’ c. Functionerings- en opvolgingsgesprekken. ‘Functioneringsgesprekken en opvolgingsgesprekken bieden de kans tot formele tussentijdse feedback. Er is geen statutaire verplichting om deze gesprekken te houden. Toch raden we sterk aan om minstens een functioneringsge- sprek of opvolgingsgesprek per jaar te houden. Voor medewerkers die zwak presteren, en zeker voor hen die tijdens het vorige werkjaar een ‘vertraging’ of ‘onvoldoende’ toegekend kregen, zijn dergelijke gesprekken overigens een noodzaak om bijtijds bij te sturen en de bestaande negatieve waardering teniet te doen of een toekomstige te vermijden. Daarom ook zijn meestal meerdere van dergelijke gesprek- ken nodig.’ Dit lid stelt ook dat functionerings- en opvolgingsgesprekken een uitermate waardevolle optie zijn, en dat zowel de leidinggevende als de medewerker het initiatief kunnen nemen tot functionerings- of opvolgingsgesprekken. Die IX-4989-11/43 mogelijkheid wordt expliciet vermeld in de hogervermelde PLOEG-handleiding. De voorzitter stelt dat uit het voorliggend dossier enerzijds duidelijk blijkt dat het celhoofd aan informele opvolging van het functioneren van Jan D’hooge heeft gedaan, en dat anderzijds betrokkene ook zelf conform de PLOEG-handleiding de mogelijkheid had om een ‘formeel’ functionerings- of opvolgingsgesprek te vragen als hij daar behoefte aan had. Een ander lid stelt dat Jan D’hooge van oordeel is dat zijn evaluatie te subjectief werd opgesteld: ‘...subjectieve beoordelingen van mijn persoonlijk- heid’ ... ‘mijn ingesteldheid en gevoelens’ ..., terwijl het beoordelen van persoonlijke bekwaamheden als een onlosmakelijk onderdeel van de functione- ringscriteria en dus van de functiebeschrijving, de facto niet anders dan persoonsgebonden en dus subjectief kan zijn. De directieraad analyseert vervolgens het advies van de Tweede Kamer van de Raad van Beroep. De Raad van Beroep heeft enerzijds met zes stemmen tegen één geadviseerd dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van Jan D’hooge ongegrond is, maar anderzijds stelt de Raad van Beroep in de motivering van zijn advies vast dat een aantal administratieve taken beter moeten worden ingevuld, terwijl ook een aantal plichten beter moeten worden nageleefd. De Raad van Beroep stelt dus wel degelijk een probleem vast in het functioneren van Jan D’hooge. Een lid wijst op twee elementen uit de motivering van het advies van de Raad van Beroep, namelijk ‘dat de functiebeschrijving op het vlak van IT- taken niet beantwoordt aan het niveau van medewerker, zeker in combinatie met de administratieve taken die in de functiebeschrijving opgenomen werden’ en ‘dat uit het evaluatieverslag ook positieve elementen naar voor komen zoals het verzamelen van statistische gegevens, het ondersteunen van administratieve taken, het converteren en uitfilteren van html-bestanden, het toevoegen van links aan de formulierenleidraad, en het uitvoeren van reguliere taken van IT-contactpunt’. Een lid antwoordt hierop dat de directieraad op 13 december 1999 een duidelijk afgelijnd takenpakket heeft opgesteld voor de IT-contactpunten. De taken die opgesomd worden onder punt 7 van de functiebeschrijving van Jan D’hooge komen overeen met deze taken. Er wordt nergens melding gemaakt van grotere en zwaardere informaticaopdrachten, waarvoor specifieke informaticakennis vereist is en waarvoor een hogere graad dan die van medewerker verondersteld kan worden. De stukken bijgevoegd in het dossier illustreren dat Jan D’hooge een meer dan behoorlijke bagage heeft om de taak van IT-contactpunt te kunnen uitvoeren. De problemen ontstaan telkens bij de uitvoering van zijn opdrachten: zo is in 2004 duidelijk gebleken dat Jan D’hooge zich ook ongevraagd met informatica-aangelegenheden ingelaten heeft. De opdrachten die hem door het celhoofd gegeven werden, pakte hij daarentegen niet of op eigenzinnige wijze aan. Er is hem herhaalde malen mondeling, maar ook via mail gevraagd het celhoofd van alle IT-activiteiten op de hoogte te houden. Dat is niet gebeurd, met als resultaat dat de betrokkene na verloop van tijd zeer moeilijk op te volgen was. Deze toestand is, zoals het evaluatieverslag aangeeft, in de loop van 2004 sterk negatief geëvolueerd. IX-4989-12/43 Op het tweede element antwoordt een ander lid dat naast de wel uitgevoerde taken die vermeld zijn in het evaluatieverslag, ook de taken opgenomen staan die de functiehouder niet of onvoldoende uitgevoerd heeft. Dat is in de eerste plaats de uitvoering van de jaardoelstelling, maar daarnaast ook de uitvoering van een aantal administratieve taken (presentielijst en Sitel-telefoonstatistie- ken). Doordat Jan D’hooge niet inging op de verzoeken van het celhoofd om daarover te rapporteren en doordat hij zich met allerlei andere zaken bezighield, schoot hij voor deze hoofdtaken van zijn opdracht ernstig tekort. Het feit dat in het evaluatieverslag ook positieve elementen staan, is precies een bewijs dat de evaluatoren wel degelijk objectief en evenwichtig geoordeeld hebben over de wijze van functioneren en de prestaties van het werkjaar
- Inzake de overweging van de Raad van Beroep ‘dat bij het advies ook rekening wordt gehouden met de beperkte duur van functioneren in 2004 (9 maanden/realiseren van de jaardoelstelling’ is een lid van oordeel dat de functiehouder tijdens het evaluatiejaar 2004 negen maanden actief was en dat deze periode driemaal zo lang is als de minimumperiode van drie maanden, die volgens het VPS vereist is om geëvalueerd te kunnen worden. Uit het dossier blijkt dat Jan D’hooge meermaals gevraagd is om te rapporteren over zijn jaardoelstelling en over de problemen bij de uitvoering daarvan, maar dat de functiehouder de afspraken uit het planningsdocument niet wilde respecteren en de taak anders en ruimer wilde invullen dan was afgesproken. Voor wat de overweging betreft dat ‘... uit de debatten is gebleken dat verzoeker voldoende inzet heeft betoond, maar dat een aantal administratieve taken beter moeten worden ingevuld, terwijl ook een aantal plichten beter moeten worden nageleefd (presentielijsten)’, is een lid van oordeel dat in het evaluatieverslag niet ontkend wordt dat Jan D’hooge op een aantal vlakken voldoende inzet had en dat hij voldoende bekwaam was om de van hem gevraagde taken uit te voeren, maar dat zijn inzet zeer selectief was doordat hij zich vooral richtte op taken die hem niet gevraagd waren of op taken die anders ingevuld werden dan gevraagd was. Vooral wat de invulling van de jaardoel- stelling betreft, kan gezegd worden dat er geen signalen van zijn inzet waren. De pogingen die het celhoofd deed om de door Jan D’hooge gevolgde werkwijze bij te sturen, bleven telkens zonder resultaat, omdat de geëvalueerde weigerde om de taak in te vullen zoals ze in de planning stond. In zijn advies formuleert de Raad van Beroep nog de overweging ... ‘dat deze tekortkomingen onvoldoende blijken uit het dossier (persoonlijke nota’s en formele opvolgings- en functioneringsgesprekken)’. Hierover is een lid van oordeel dat het evaluatieverslag in de eerste plaats op zich al een degelijk beeld geeft van de tekortkomingen van Jan D’hooge. Bovendien bevat het dossier een overzicht van de data van de gevoerde opvolgings- en functioneringsgesprekken. Zo heeft er op 26 mei een formeel functioneringsgesprek plaatsgevonden. Dat er van deze gesprekken geen formele schriftelijke neerslag was, heeft te maken met het feit dat het celhoofd gepoogd heeft om de zaken niet te laten escaleren door een formele aanpak. Toen dat eind mei toch gebeurde, is het celhoofd noodgedwongen formeel opgetreden. Ook na het formele opvolgingsmoment van 26 mei 2004 heeft Jan D’hooge geen enkele keer op eigen initiatief gerapporteerd over de uitvoering van zijn taken en de problemen die hij daarbij ervoer. Aangezien uit alle voorgaande IX-4989-13/43 functioneringsgesprekken al gebleken was dat de functiehouder geen bereidheid toonde om zijn wijze van functioneren ter discussie te stellen of bij te sturen, mag volgens dit lid verondersteld worden dat bijkomende formele signalen via mails en nota’s weinig of geen toegevoegde waarde gehad zouden hebben. Wat de opvolging betreft, wordt hier in de discussie nogmaals verwezen naar het eerder vermelde over de Ploeghandleiding, waar duidelijk blijkt dat voor de goede gang van zaken de formele wegen niet noodzakelijk de eerste en beste keuze vormen. Een andere overweging van de Raad van Beroep in zijn advies is dat ‘de communicatie langs beide zijden voor verbetering vatbaar is’. Volgens een lid van de directieraad betekent dit niet dat het celhoofd te weinig initiatief genomen zou hebben om met de functiehouder te communice- ren en de problemen bespreekbaar te houden, bewijze hiervan de functione- ringsgesprekken die het celhoofd met Jan D’hooge heeft gehad. Wat de communicatie betreft, moet ook nog opgemerkt worden dat op geen enkele manier uit het dossier blijkt dat de geëvalueerde in de loop van 2004 uit eigen beweging mondeling of schriftelijk met het celhoofd gecommuniceerd heeft over zijn eigen functioneren en de door hem ‘ondervonden moeilijkheden bij de uitvoering van zijn taken’. Op de overweging van de Raad van Beroep ‘... dat in de evaluatie verwezen wordt naar psychosociale problemen, maar dat vanuit de overheid blijkbaar geen initiatieven werden genomen om verzoeker te begeleiden’, reageert een lid dat aangezien Jan D’hooge heel weinig of geen bereidheid toonde om zijn eigen functioneren in vraag te stellen en ook altijd zeer negatief of weerbarstig reageerde op opmerkingen of signalen van het celhoofd, het eigenlijk niet mogelijk was om aan Jan D’hooge te melden dat men een sterk vermoeden had dat er psychosociale problemen waren en om een aanbod voor professionele hulp vanuit het ministerie te doen. Toen in mei 2004 de problemen escaleerden, werd het voor de evaluatoren duidelijk dat de noodzaak om externe hulp in te schakelen zich meer en meer opdrong. Het celhoofd heeft in de loop van de zomer van 2004 overleg gehad met de opdrachthouder HRM over de verdere aanpak. Externe hulp is er niet gekomen toen bleek dat de functiehouder besliste om vanaf 1 oktober loopbaanonderbreking te nemen. Over het laatste element van het advies van de Raad van Beroep ‘... dat alle concrete omstandigheden in acht genomen de evaluatie te zwaar overkomt’ zijn meerdere leden van oordeel dat uit alle voorgaande elementen kan opgemaakt worden dat er wel degelijk een ernstig probleem was met het functioneren van Jan D’hooge in 2004, zoals de Raad van Beroep ook zelf aangeeft. Na verdere bespreking van al deze elementen uit het evaluatiedossier, uit het bezwaarschrift en uit het advies van de Raad van Beroep, stelt de voorzitter voor om de einduitspraak ‘onvoldoende’ te bevestigen, gelet op beschrijvende evaluatie over het werkjaar 2004, waarin aangetoond wordt dat Jan D’hooge faalde in zijn courante opdrachten en in zijn doelstellingen. Vervolgens nodigt de voorzitter de leden van de directieraad uit voor een geheime stemming, aan de hand van rondgedeelde stemformulieren, over dit voorstel. Na omhaling wordt de stembus geledigd en leest de secretaris, na controle van de stembrieven door een lid van de directieraad, het resultaat voor van de geheime stemming: IX-4989-14/43 3 stemmen voor het voorstel 0 stemmen tegen het voorstel De einduitspraak ‘onvoldoende’ over het functioneren van Jan D’hooge tijdens het evaluatiejaar 2004 blijft dus behouden.” Dit is de bestreden beslissing. Ze wordt met een brief van 7 juni 2005 aan de verzoeker betekend. IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de materiële motiveringsplicht, van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldig- heidsbeginsel. De verzoeker laat gelden dat zijn presteren als onvoldoende werd beoordeeld op grond van de volgende motieven: - hij voerde de taak voor de cel Juridische Dienstverlening in verband met het registratiesysteem voor de beroepen in het kader van de openbaarheid van bestuur niet naar behoren uit; - hij verwaarloosde bepaalde administratieve taken; - hij voerde taken uit die hem niet waren gevraagd, zoals de beheersmodule voor het Taalunieversum en de website van de Taaltelefoon; - er waren communicatieproblemen; - afwezigheden en te late aankomsten werden niet allemaal geregulariseerd; - hij maakte geen werk van zijn jaardoelstelling (statistieken op basis van de databank Taaladvies); - de ontwikkelingsgerichte doelstelling “kennis verwerven over de werking van Access” werd niet verwezenlijkt. De verzoeker argumenteert vervolgens, voor elk van de voormelde motieven, dat ze niet deugdelijk zijn. Wat het registratiesysteem voor de cel Juridische Dienstverlening betreft
- De verzoeker betwist dat hij het project van het registratiesysteem voor de cel Juridische Dienstverlening ongevraagd zou hebben uitgevoerd. Hij stelt IX-4989-15/43 dat er regelmatig communicatie over geweest is, op zijn initiatief, en dat dit project snel een groot deel van zijn takenpakket is gaan uitmaken. Het prototype is volgens de verzoeker het resultaat van de samenwerking tussen hemzelf en de ontwikkelaar van het departement AZF, zodat de verwerende partij niet kan stellen dat een keuze werd gemaakt voor het systeem van het departement AZF. De verzoeker stelt geen ruimere invulling te hebben gegeven aan zijn opdracht en hij merkt op dat de bijkomende aanpassingen er gekomen zijn op vraag of na goedkeuring van de opdrachtgevers. Wat het verwaarlozen van administratieve taken betreft
- De verzoeker laat gelden dat het probleem van de presentielijsten nooit eerder werd aangekaart en dat deze lijsten bovendien geen essentieel werkinstrument zijn. De verzoeker betwist dat hij de cijfers voor de Sitel-statistieken niet meer verzamelde. Hij voert aan daartoe verschillende acties ondernomen te hebben en er regelmatig contact over gehad te hebben met de verantwoordelijke van de Infolijn en met de aanspreekpunten voor de Sitel-rapportage. De gegevens voor het jaar 2004 heeft hij wel verzameld, al waren er moeilijkheden ingevolge de overgang naar een nieuw systeem. Hij stelt dat de evaluator op de hoogte was van deze acties. Aangaande het ongevraagd uitvoeren van bepaalde taken, zoals de beheersmodule voor het Taalunieversum, de website van de Taaltelefoon en een programmeerop- dracht in Visual Basic voor de bij de cel Taaladvies gedetacheerde collega’s.
- De verzoeker laat gelden dat van de beheersmodule voor het Taalunieversum nooit sprake is geweest, ook niet tijdens het evaluatiegesprek, en dat hij evenmin inziet wat ermee wordt bedoeld, nu hij geen enkele taak in die context heeft verricht. Hij stelt voorts dat de aanpassing van de website van de Taaltelefoon was opgenomen in zijn jaarplanning van 2003, maar dat hij in dat jaar niet ertoe gekomen is deze opdracht uit te voeren. In 2004 was die opdracht niet meer opgenomen in zijn jaarplanning, hoewel de intentie om aanpassingen door te voeren bleef bestaan. In 2004 heeft de verzoeker buiten zijn werkuren twee IX-4989-16/43 eenvoudige grafische ontwerpen gemaakt, die hij op vraag van de lesgeefster van de cursus Dreamweaver op het einde van deze cursus heeft voorgesteld. De evaluator had daarvoor geen interesse en heeft ook nooit gezegd dat er een probleem mee was. Wat de programmeeropdracht in Visual Basic betreft, merkt de verzoeker op dat deze op geen enkele wijze zijn werkzaamheden heeft belemmerd en dat deze enkel tot doel had zijn collega’s te helpen. Betreffende de communicatieproblemen
- De verzoeker laat gelden dat de vaststelling dat er communicatie- problemen zijn, voortvloeit uit een zeer persoonlijke en subjectieve beoordeling van zijn persoonlijkheid. Hij merkt op dat anderen dergelijke problemen niet hebben vastgesteld en dat dergelijke problemen hem bovendien nooit werden gesignaleerd, zodat hij er ook niet kon aan remediëren. Dit beweerde gebrek aan communicatieve vaardigheden rijmt volgens de verzoeker overigens niet met de stelling dat hij ongevraagd contact zou hebben opgenomen met de IT-partners. De verzoeker erkent dat er een communicatieprobleem bestaat met het celhoofd, die volgens hem echter een houding heeft aangenomen die niet uitnodigt tot informele gesprekken. Voorts stelt de verzoeker dat het probleem van de communicatie tekenend is voor de totaliteit van zijn functioneren, waarbij hem enerzijds grote projecten worden toevertrouwd die bestaan uit het realiseren van sommige heel essentiële beleidsinstrumenten, terwijl hem anderzijds niet de ruimte wordt gegund die normaal gezien bij het uitwerken van deze projecten hoort. Bovendien worden essentiële projecten in hun totaliteit aan hem toevertrouwd, inclusief de verantwoor- delijkheid ervoor, maar wordt hem elk recht ontzegd om het project zelf bij te sturen of aan te passen waar nodig. Aangaande het niet regulariseren van afwezigheden en het te laat komen IX-4989-17/43
- De verzoeker stelt dat hij zijn afwezigheden steeds correct en op eigen initiatief heeft geregulariseerd. Op het einde van september 2004 heeft hij een overzicht gevraagd van zijn afwezigheden in de loop van het jaar 2004 en de ontbrekende regularisatieformulieren ingediend. De verzoeker betwist niet dat hij de verplichting om tijdig op het werk te komen niet steeds naleefde, maar hij stelt dat voor het eerst in het evaluatieverslag een opmerking daarover werd gemaakt. Betreffende het niet uitvoeren van de jaardoelstelling
- De verzoeker stelt vooreerst dat het onjuist is dat hij geen werk heeft gemaakt van zijn jaardoelstelling. Er waren evenwel problemen met de uitvoering en ze waren aan het celhoofd bekend. Laatstgenoemde verklaarde op 30 september 2004 zelfs dat hij niet verwachtte dat de toepassing dan al klaar zou zijn. Tevens werd er met het celhoofd over gecommuniceerd en was deze op de hoogte van de problemen met de “grondstof”, namelijk “de dump” van gegevens uit de toepassing Taaladvies, die nodig was voor de creatie van een statistische module. Bovendien werd door de verzoeker ook met de IT-leverancier gecommuni- ceerd over de problemen. Overleg en rapportering aan het celhoofd hadden volgens de verzoeker bijgevolg weinig zin, nu deze technische problemen zijn blijven bestaan tot aan zijn vertrek. Voorts merkt de verzoeker op dat de uitspraak van de evaluator dat hij enkel oog heeft gehad voor de moeilijkste oplossing en dat dit exemplarisch is voor deze opdracht, onjuist is en dat ze bovendien niet rijmt met de stelling van de evaluator dat de verzoeker geen werk heeft gemaakt van zijn jaardoelstelling. Met betrekking tot het niet verwezenlijken van de ontwikkelingsdoelstelling, namelijk het verwerven van kennis van Access
- De verzoeker erkent dat hij geen Access-opleiding heeft gevolgd, maar betwist dat zulks vereist was om de jaardoelstelling te bereiken. Hij stelt dat hij de nodige kennis op dat vlak door zelfstudie heeft verworven en dat hij reeds eerder een Access-opleiding op het werk heeft gevolgd. Daarenboven werd uit inlichtingen, verkregen van de IT-dienstverlener, vlug duidelijk dat de door de IX-4989-18/43 dienst Vorming aangeboden Access-opleiding voor de verzoeker niet nuttig zou zijn, maar dat hij eerder kennis van de “query-taal SQL” diende te verwerven.
- Ten slotte merkt de verzoeker op dat hem allerlei tekortkomingen worden verweten die niet voldoende blijken uit het evaluatiedossier. Hij merkt ook op dat geen functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, zodat hij niet op de hoogte was van de wijze waarop zijn functioneren werd ingeschat en hij zijn functioneren niet kon bijsturen.
- De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord vooreerst op dat het bestuur bij de evaluatie van ambtenaren over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt, waarop de Raad van State slechts een marginaal toezicht kan uitoefenen. Vervolgens gaat zij in op elk van de door de verzoeker aangehaal- de punten. Wat het registratiesysteem voor de cel Juridische Dienstverlening betreft
- De verwerende partij erkent dat de verzoeker toestemming heeft gevraagd om dit project te mogen uitvoeren, maar zij stelt dat hij dit op een indirecte wijze heeft gedaan, namelijk door de inhoudelijk verantwoordelijke van de cel Juridische Dienstverlening toestemming te laten vragen aan zijn afdelingshoofd en aan zijn celhoofd. De verwerende partij stelt dat de verzoeker erop uit was om de opdracht toegewezen te krijgen, en tegenstand of inmenging van zijn celhoofd wilde vermijden. De verwerende partij wijst er voorts op dat zij naar aanleiding van de problemen van tijdsgebruik die door het opnemen van deze opdracht in hoofde van de verzoeker zijn ontstaan, opnieuw contact heeft opgenomen met de opdrachtgever van het project, die signaleerde dat de verzoeker een volledig nieuwe oplossing aan het uitwerken was, terwijl het de bedoeling was verder te bouwen op de reeds bestaande applicatie bij het departement AZF. Bovendien was deze oplossing niet in overeenstemming met de verwachtingen, doordat de verzoeker de oplossing veel te ruim zag. Volgens de opdrachtgever van het project was het ook zeer moeilijk om de verzoeker daarin bij te sturen. Deze omstandigheden hebben volgens de verwerende partij aanleiding gegeven tot het gesprek van 26 mei 2004 IX-4989-19/43 tijdens hetwelk de verzoeker erop werd gewezen dat hij zich moest houden aan de afspraken en de reeds genomen beslissingen. De verwerende partij besluit dat het deze werkwijze van de verzoeker was die steeds opnieuw aanleiding gaf tot opmerkingen. Waar de opdrachtgever wel degelijk koos voor een systeem dat voortbouwde op dat van het departement AZF, wilde de verzoeker een volledig nieuwe toepassing maken met een nieuwe analyse en een volledig nieuw prototype, wat tot gevolg had dat hij er bovenmatig veel tijd aan spendeerde. Wat het verwaarlozen van administratieve taken betreft
- De verwerende partij laat gelden dat het probleem van de presentielijsten wel degelijk bij de verzoeker werd aangekaart, onder meer ter gelegenheid van het functioneringsgesprek van 13 mei
- De stelling van de verzoeker dat het ontbreken van deze lijsten geen invloed heeft op het functioneren van de dienst is misschien juist, maar niet pertinent. Het gaat om gegevens die door de directeur-generaal aan alle cellen worden gevraagd. De houding van de verzoeker in dezen is volgens de verwerende partij typisch voor de eigenzinnigheid waarmee hij bepaalde zaken beoordeelt en met zijn taken omgaat. De verwerende partij stelt dat de verzoeker voor het verzamelen van de Sitel-gegevens dagelijks de correctheid van het Sitel-rapport moest controleren en vier cijfers aan een Excelltabel moest toevoegen, een taak die maximum tien minuten per dag vergde. Waar de verzoeker voorhoudt de gegevens voor 2004 te hebben verzameld, merkt de verwerende partij op dat de verzoeker daarover nooit heeft gerapporteerd, ook niet toen op 20 augustus 2004 ernaar werd gevraagd. Ook bij de overdracht van zijn takenpakket aan zijn opvolgster heeft hij geen materiaal doorgegeven of beschikbaar gesteld, zoals hem nochtans was opgedragen. De verwerende partij merkt ook op dat het celhoofd aan de verzoeker niet heeft opgedragen om de cijfers op een andere manier te verzamelen dan voorheen, maar dat de wijziging gebeurde op initiatief van de verzoeker zelf. Het celhoofd werd niet op de hoogte gebracht van de communicatie met de medewerkers van de Infolijn, zodat hij ook niet kon interveniëren. Wanneer het celhoofd naar de statistieken informeerde, benadrukte de verzoeker altijd wat hij zelf IX-4989-20/43 wilde, namelijk een volledig geautomatiseerde vorm van rapportering door de Infolijn. Men kon hem niet duidelijk maken dat van hem eigenlijk niet meer werd verwacht dan hetgeen hem was gevraagd. De verwerende partij stelt dat de verzoeker het moeilijk heeft om te rapporteren over problemen. Doordat hij met zoveel zaken tegelijk bezig is, waarover hij niet of niet systematisch rapporteert, ontneemt hij aan het celhoofd de mogelijkheid om zijn tijdsbesteding in te schatten en waar nodig bij te sturen. Aangaande het ongevraagd uitvoeren van bepaalde taken, zoals de beheersmodule voor het Taalunieversum, de website van de Taaltelefoon en een programmeerop- dracht in Visual Basic voor de bij de cel Taaladvies gedetacheerde collega’s
- De verwerende partij wijst erop dat de verzoeker in Visual Basic sjablonen heeft gemaakt voor de invoer van de taaladviezen in de beheersmodule van de Nederlandse Taalunie voor de website Taalunieversum. De verzoeker had evenwel noch het mandaat, noch de opdracht om op eigen houtje en zonder medeweten van de medewerker van de Nederlandse Taalunie daaromtrent oplossingen uit te werken. Die taak behoorde volledig toe aan de Taalunie zelf. Doordat er niet werd teruggekoppeld met het celhoofd, kon deze niet op de juiste manier over de aangelegenheid communiceren met de medewerker van de Taalunie in Den Haag. Toen in mei 2004 bleek dat de verzoeker zich zonder medeweten van zijn celhoofd met deze zaken bezighield, werd hem opdracht gegeven zich niet langer ermee te bemoeien, wat in een e-mail van 26 mei 2004 nog werd bevestigd. Met betrekking tot de website van de Taaltelefoon merkt de verwerende partij op dat het slechts de bedoeling was de website op te frissen, niet om een volledig nieuwe grafische voorstelling te ontwikkelen. Evenwel negeerde de verzoeker zijn opdracht door zonder voorafgaand overleg toch een nieuwe grafische voorstelling te ontwikkelen. Betreffende de communicatieproblemen
- De verwerende partij laat gelden dat de verzoeker zich aldus verschillende taken toe-eigende die niet tot de opdrachten van een IT-contactpunt behoren of die hem niet uitdrukkelijk werden gevraagd. Hoewel de verzoeker dit mogelijk met de beste bedoelingen deed, is volgens de verwerende partij gebleken IX-4989-21/43 dat hij niet voldoende daarover heeft gecommuniceerd met de personen die ervoor verantwoordelijk zijn, zodat het celhoofd en het afdelingshoofd niet wisten waarmee de verzoeker bezig was. De verwerende partij stelt dat de verzoeker niet ernstig kan beweren dat de evaluatoren en leidinggevenden hem nooit hebben gewezen op problemen in verband met overleg en communicatie. Tijdens verscheidene gesprekken heeft de evaluator uitvoerig daarop gewezen. Bovendien staat dit punt ook reeds duidelijk vermeld in het evaluatieverslag over het jaar
- Het is volgens de verwerende partij niet tegenstrijdig enerzijds te stellen dat de verzoeker op onvoldoende wijze communiceerde en anderzijds vast te stellen dat de verzoeker, zonder dat zulks nodig was, contact opnam met IT- partners. Het gebrek aan contact met zijn celhoofd, zo stelt de verwerende partij, is grotendeels te verklaren door het feit dat de verzoeker liever niet te veel afspraken maakt, zodat hij zich kan bezighouden met de zaken die hem interesseren. De omstandigheid dat op 26 mei 2004 een lijst met beslissingen en afspraken is opgesteld, is volgens de verwerende partij het gevolg van het feit dat eerdere gesprekken niet hadden geleid tot een verbetering in de communicatie en de rapportering vanwege de verzoeker. Ook de vraag aan de verzoeker om alleen schriftelijk te reageren is een gevolg daarvan. De verwerende partij laat ten slotte gelden dat de verzoeker ten onrechte betoogt dat hem grote projecten worden toevertrouwd die bestaan uit het realiseren van sommige heel essentiële beleidsinstrumenten. De taken van een IT- contactpunt zijn duidelijk vastgelegd. Het betreft taken die elk op zich niet veel tijd vergen. Nergens wordt melding gemaakt van grotere en zwaardere informatica- opdrachten die verband zouden houden met analyse en programmering, waarvoor specifieke informaticakennis vereist is die het niveau van een “medewerker” overstijgt. Wanneer aan de verzoeker de voorbije jaren door het celhoofd grotere informaticataken werden opgelegd, zijn die altijd in de jaardoelstellingen opgenomen en in samenwerking met het celhoofd uitgevoerd. Het was niet de taak van de verzoeker om dergelijke opdrachten alleen uit te voeren. Aangaande het niet regulariseren van afwezigheden en het te laat komen IX-4989-22/43
- De verwerende partij laat met betrekking tot verzoekers afwezigheden gelden dat in januari 2005 is gebleken dat de verzoeker voor de periode februari-september 2004 nog steeds voor 21 dagen geregistreerd stond als “onbekend afwezig”. De verzoeker heeft eind september 2004 slechts twee registratieformulieren overgemaakt voor afwezigheden op 28 september 2004, zodat hij ten onrechte beweert eind september de ontbrekende regularisatieformulieren te hebben ingediend. Volgens de verwerende partij is het eveneens onjuist dat het celhoofd nooit op die problemen heeft gewezen. Integendeel is het een punt dat in discussies steeds werd aangekaart, maar dat door de verzoeker altijd werd geminimaliseerd. De verzoeker bleef in het verleden volledig ongevoelig voor opmerkingen over zijn tijdsgebruik, zowel over het feit dat hij te laat kwam als over het feit dat hij vaak eindeloos lang bleef overwerken. Betreffende het niet uitvoeren van de jaardoelstelling
- De verwerende partij stelt vooreerst dat uit het evaluatieverslag duidelijk blijkt dat de verzoeker geen werk heeft gemaakt van zijn jaardoelstelling of minstens niet op de juiste wijze daarover heeft gecommuniceerd. De verzoeker heeft het volgens de verwerende partij steeds over “het ontwikkelen en de creatie van een statistische module aan de database” en “de noodzaak om te programmeren”. Deze formuleringen zijn evenwel een uiting van het probleem dat ook in het evaluatieverslag staat, namelijk dat de verzoeker vaak geen aandacht heeft voor het eigenlijke doel en de afbakening van de opdracht. In zijn planningsdocument staat nergens vermeld dat hij een statistische module moet ontwikkelen of moet programmeren. Integendeel maakt dit document enkel gewag van een aantal queries en berekeningen met Access voor tussentijdse rapportering, voor het jaarverslag van de cel Taaladvies en voor de individuele jaaroverzichten per taaladviseur. Eveneens werd vooropgesteld dat de verzoeker zulks moest doen in overleg met zijn celhoofd, aan wie hij tussentijds diende te rapporteren over de evolutie van het aantal oproepen en vragen, wat de verzoeker heeft nagelaten te doen. De verwerende partij wijst erop dat het celhoofd in januari 2005 zelf de jaardoelstelling heeft uitgevoerd met Access via de ODBC-verbinding. De IX-4989-23/43 uitvoering daarvan was niet problematisch. Het celhoofd heeft alle cijfermateriaal met behulp van de ODBC-verbinding kunnen verzamelen, zonder verdere technische aanpassingen aan de verbindingen. Buiten Access behoefde deze opdracht geen programma’s, behalve twee querietabellen die het celhoofd destijds zelf heeft samengesteld. Ook verzoekers vervangster heeft deze opdracht zonder veel moeite uitgevoerd met Access. Volgens de verwerende partij waren de problemen met de ODBC- verbinding en de onvolledige tabellen reeds sinds het voorjaar opgelost, zodat ze geen verantwoording kunnen vormen voor het niet uitvoeren van de opdracht. Indien er nog problemen waren dan had het volstaan dat de verzoeker dit aan zijn celhoofd had meegedeeld, zodat deze het nodige had kunnen doen of de verzoeker zelf daartoe een werkaanvraag had kunnen voorbereiden. Het is niet zo dat de verzoeker daarover nooit werd geïnterpelleerd door het celhoofd. Dit gebeurde onder meer in mei 2004, toen de verzoeker per e-mail werd bevestigd dat hij in het bijzonder aandacht moest besteden aan zijn jaardoelstelling, daarbij de planning moest volgen die in zijn jaardoelstelling werd vermeld en als uitgangspunt moest hanteren dat de statistieken moesten worden samengesteld op basis van de mogelijkheden van Access. Met betrekking tot het niet verwezenlijken van de ontwikkelingsdoelstelling, namelijk het verwerven van kennis van Access
- Aangezien de verzoeker geen enkel tastbaar resultaat van zijn jaardoelstelling heeft voorgelegd, kan volgens de verwerende partij niet worden nagegaan of de verzoeker voldoende kennis had van Access om de jaardoelstelling te bereiken. Het is volkomen onjuist dat de verzoeker met kennis van Access niets zou opschieten, aangezien het celhoofd aan de hand van Access zelf de nodige gegevens heeft kunnen verzamelen. Het is dan ook helemaal ongegrond te spreken van “een zeer technische materie” en de noodzaak om “kennis van de achterliggende query-taal te verwerven”.
- De verwerende partij spreekt ten slotte tegen dat geen functioneringsgesprekken met de verzoeker werden gehouden. Op 26 mei 2004 was er een kort maar formeel functioneringsgesprek, tijdens hetwelk het celhoofd heeft gevraagd om een aantal zaken ernstig bij te sturen. Dit gesprek werd dezelfde dag via e-mail formeel bevestigd. In deze e-mail werd aan de verzoeker gevraagd om IX-4989-24/43 alleen schriftelijk te reageren, om aldus te vermijden dat oeverloze discussies zouden ontstaan. De volgende dag heeft de verzoeker nog een gesprek gehad met het afdelingshoofd, waarbij hij zich verzette tegen deze formele gang van zaken. Tijdens dat gesprek heeft het afdelingshoofd de verzoeker erop gewezen dat hij zich moest houden aan afspraken en beslissingen, dat hij zijn aanpak moest bijsturen en zijn klachten over zijn superieuren en andere op- of aanmerkingen op papier moest zetten. De verzoeker kan dan ook niet ernstig beweren dat hij niet wist op welke wijze zijn functioneren werd ingeschat. De verwerende partij merkt op dat de verzoeker op deze e-mail niet schriftelijk heeft gereageerd, noch enige schriftelijke rapportering heeft gedaan over de uitvoering van zijn taken en de problemen die hij daarbij heeft ervaren. Aangezien uit alle voorgaande functioneringsgesprekken reeds was gebleken dat de verzoeker geen bereidheid toonde om zijn wijze van functioneren ter discussie te stellen of bij te sturen, kan, zo stelt de verwerende partij, alleen maar worden besloten dat bijkomende formele signalen via e-mails en nota’s weinig of geen toegevoegde waarde gehad zouden hebben.
- In zijn memorie van wederantwoord gaat de verzoeker uitgebreid in op het standpunt van de verwerende partij inzake de hem toegeschreven tekortkomingen. Wat het registratiesysteem voor de cel Juridische Dienstverlening betreft
- De verzoeker repliceert dat er geen analoge, vrij beschikbare toepassing van het departement AZF bestond en dat dit departement zijn applicatie niet wilde vrijgeven. Het prototype dat hij samen met de collega van het departement AZF ontwikkelde, is gebaseerd op de specificaties die door de opdrachtgever waren gegeven of goedgekeurd. De opmerking dat hij zich moeilijk aan afspraken kan houden en alles zeer ruim en groots ziet, is volgens de verzoeker dan ook misplaatst. De verzoeker benadrukt dat hij in de loop van de evaluatieperiode nooit enige negatieve commentaar heeft gekregen aangaande de uitvoering van deze taak, ook niet tijdens het evaluatiegesprek. IX-4989-25/43 Volgens de verzoeker beweert het celhoofd ten onrechte dat hij in eerste instantie niet op de hoogte was van het feit dat de verzoeker met die taak was belast, aangezien de verzoeker door de opdrachtgever de toelating had laten vragen aan het afdelingshoofd, zijnde hun gemeenschappelijke hiërarchische overste, om aan die opdracht te werken. De verzoeker stelt dat het niet aan hemzelf toekwam daarvoor de toelating te vragen, maar wel aan de opdrachtgever. Wat het verwaarlozen van administratieve taken betreft
- De verzoeker stelt dat hij in het verleden meermaals heeft toegegeven dat hij is tekortgeschoten in het afleveren van de presentielijsten. Hij merkt echter op dat dit een kwestie van vergetelheid en niet van eigenzinnigheid is. Telkens zijn celhoofd hem erop attent maakte dat hij de presentielijst was vergeten, maakte hij deze onmiddellijk op. Wat de zogenaamde Sitel-gegevens betreft, benadrukt de verzoeker dat hij wel degelijk de nodige cijfers heeft verzameld en dat hij deze bij de overdracht van zijn taken in september 2004 aan zijn celhoofd heeft overgemaakt. Voorts stelt hij dat hij geen acties heeft ondernomen om het verzamelen van de gegevens anders te laten verlopen. Volgens hem communiceerde hij daarover mondeling met het celhoofd, dat zelf regelmatig contact had met de verantwoordelijke van de Infolijn. Vóór augustus 2004 werd bovendien nooit naar deze cijfergegevens gevraagd en werd nooit gesproken over de verdere automatisering van deze taak. Er is geen enkel bewijs van de bewering van de evaluatoren dat de verzoeker zijn wil heeft doorgedreven om tot een geautomatiseerde rapportering te komen. De rapportagevorm is nog steeds dezelfde als in 2001 en dus niet anders dan gevraagd. Aangaande het ongevraagd uitvoeren van bepaalde taken, zoals de beheersmodule voor het Taalunieversum, de website van de Taaltelefoon en een programmeeropdracht in Visual Basic voor de bij de cel Taaladvies gedetacheerde collega’s
- De verzoeker repliceert dat hij enkel een geautomatiseerde versie heeft gemaakt van tabellen die voorheen telkens opnieuw manueel moesten worden aangemaakt. Hij stelt dat hij zich geenszins heeft beziggehouden met de inhoud ervan, die volgens de collega’s was overeengekomen met de hiërarchische oversten. IX-4989-26/43 Voorts stelt hij vast dat deze volgens de evaluatoren ongewenste tabellen toch worden gebruikt in de publicaties van de Nederlandse Taalunie. Wat de aanpassingen van de website van de Taaltelefoon betreft, repliceert de verzoeker dat uit het verslag van de celvergadering van 27 januari 2004 blijkt dat het de bedoeling bleef de website verder aan te passen. Er bestonden volgens de verzoeker plannen voor een nieuwe website. De verzoeker herhaalt dat hij buiten de werktijd twee eenvoudige, grafische ontwerpen heeft gemaakt voor de algemene vormgeving van de eerste pagina. Volgens de verzoeker kan de verwerende partij dan ook niet stellen dat hij aldus een opdracht uitvoerde die niet gevraagd was. Hij argumenteert voorts met betrekking tot het schrijven van Java- scripts voor Taalwetwijzer en het toevoegen van bladwijzers aan de checklist- formulieren van de kenniscel Wetsmatiging -elementen die worden vermeld in het verweerschrift van het afdelingshoofd en de tweede evaluator voor de raad van beroep- dat de desbetreffende taken werden uitgevoerd met medeweten van zijn celhoofd. Het schrijven van de Java-scripts werd bovendien reeds in 2003 beoordeeld, en wel op een positieve wijze, terwijl het voor het jaar 2004 als een negatief element wordt gebruikt. Wat hij in 2004 nog voor de kenniscel Wetsmatiging heeft gedaan, heeft hij louter op vraag van zijn celhoofd gedaan. De verzoeker argumenteert aan de hand van een overzicht van de e-mailcommunicatie rond het project, dat hij is opgetreden met medeweten van zijn afdelingshoofd, die hem actief bij het project betrok en die door hem op de hoogte werd gehouden. Bijgevolg is het onjuist dat hij door zijn acties in dit dossier een zeer ruime interpretatie gaf aan zijn functie. De verzoeker stelt ten slotte dat hij zelf altijd heeft gesteld dat analyse- en programmeerwerk niet binnen de taken van het IT-contactpuntschap vallen, maar dat hij die taken met medeweten en goedkeuring van zijn oversten heeft uitgevoerd. Aangaande het niet regulariseren van afwezigheden en het te laat komen
- De verzoeker repliceert dat hij nooit werd aangesproken over zijn afwezigheden. Alle hem bekende afwezigheden heeft hij steeds onmiddellijk en zelf geregulariseerd. Voorts wijst de verzoeker erop dat het om technische redenen IX-4989-27/43 mogelijk is dat iemand door de prikklok als afwezig wordt geregistreerd, zonder dat de betrokkene daarvan op de hoogte is. Enkel de hiërarchische overste kan dit zien door de overzichten op te vragen. De verzoeker houdt vol dat hij in 2004 nooit te horen heeft gekregen dat nog niet geregulariseerde afwezigheden op zijn lijst voorkwamen. Met betrekking tot het niet verwezenlijken van de ontwikkelingsdoelstelling, namelijk het verwerven van kennis van Access
- De verzoeker repliceert dat er een tegenstrijdigheid vervat is in de argumentatie van de evaluatoren. Enerzijds stellen zij immers dat de verzoeker geen oog heeft voor het eigenlijke doel en de afbakening van de opdracht, wat enkel kan worden vastgesteld als men de resultaten toetst aan de opdracht, terwijl zij anderzijds beweren dat er geen zichtbaar resultaat was. Wat de communicatie over die opdracht naar het celhoofd toe betreft, laat de verzoeker gelden dat hij steeds mondeling heeft gecommuniceerd wanneer daarnaar werd gevraagd, maar dat er niet veel te rapporteren viel. Er konden geen queries worden gemaakt, omdat er geen gegevens ter beschikking waren. Hij stelt voorts dat hij bij de overdracht van die taak zeker heeft meegedeeld dat er nog problemen waren met de ODBC-verbinding. De verzoeker betwist dat hij zou hebben gezegd dat hij moest kunnen programmeren. Met betrekking tot de stelling van de verwerende partij dat de problemen met de ODBC-verbinding reeds in het voorjaar waren opgelost, zodat ze geen reden meer konden zijn om de jaardoelstelling niet te realiseren, merkt de verzoeker op dat uit het e-mailverkeer met de programmeur van de dienstverlener blijkt dat er problemen waren met het verkrijgen van de “grondstoffen” die hij nodig had om zijn jaardoelstelling te verwezenlijken. Volgens de verzoeker is het onjuist dat hij niets zou hebben ondernomen om aan die problemen te verhelpen. De evaluatoren wisten dat hij de nodige contacten daarvoor had gelegd. IX-4989-28/43 Wat het niet bereiken van zijn opleidingsdoelstelling betreft, herhaalt de verzoeker dat uit inlichtingen verkregen van de IT-dienstverlener bleek dat hij eerder kennis van de achterliggende query-taal moest verwerven om zijn jaardoelstelling tot een goed einde te kunnen brengen, dan een opleiding Access te volgen. De verzoeker stelt door zelfstudie de nodige kennis te hebben verworven, temeer daar hem niet werd opgelegd op welke concrete wijze hij de nodige kennis diende te verwerven. Ten slotte stelt de verzoeker dat de nood aan nieuwe queries niet het gevolg was van een eigen initiatief, maar wel van de door het celhoofd opgemaakte lijst van gegevens die in aanmerking kwamen voor statistische verwerking. Het al dan niet houden van functioneringsgesprekken
- Volgens de verzoeker werden geen functioneringsgesprekken gehouden en wordt door de verwerende partij nu op sommige gesprekken het etiket “functioneringsgesprek” gekleefd. Zo heeft volgens de verzoeker op 26 mei 2004 geen gesprek met hem plaatsgevonden, laat staan een functioneringsgesprek. Op de voormelde datum werd de verzoeker enkel bij zijn celhoofd geroepen, die hem woedend een afdruk heeft gegeven van het e-mailbericht dat hij eerder naar de verzoeker had gezonden met de mededeling dat hij er enkel schriftelijk mocht op antwoorden. Ook zijn afdelingshoofd stuurde de verzoeker vervolgens wandelen.
- De verzoeker laat in zijn laatste memorie nog een uitvoerig verweer gelden ten aanzien van bepaalde punten die ten grondslag liggen aan zijn evaluatie “onvoldoende”. Wat het registratiesysteem voor de cel Juridische Dienstverlening betreft
- De verzoeker laat vooreerst gelden dat de verwerende partij duidelijk haar mening te verstaan geeft dat hij deze opdracht ongevraagd heeft aangevat. Hij herhaalt dat hij de toestemming voor deze opdracht evenwel heeft gevraagd aan het celhoofd en dat hij daarbij geenszins een “indirecte strategie” heeft gevolgd om de opdracht te kunnen verkrijgen. Volgens de verzoeker heeft hij nooit IX-4989-29/43 bevestigd dat hij de toestemming niet rechtstreeks durfde te vragen uit vrees om de opdracht niet toegekend te krijgen. Hij stelt geen vragende partij geweest te zijn om deze opdracht op zich te nemen, nu hij voor het jaar 2004 reeds voldoende opdrachten had uit te voeren. Bovendien, zo stelt de verzoeker, was hij eveneens om persoonlijke redenen, waarvan het celhoofd heel goed op de hoogte was, niet geneigd om extra werk op zich te nemen. De verzoeker herhaalt vervolgens in een zeer uitgebreide uiteenzetting met verwijzing naar werkdocumenten, schermafdrukken en e-mailberichten inzake de opdracht “openbaarheid van bestuur” dat hij de opdracht niet te ruim heeft geïnterpreteerd. Hij verwijst telkens naar de afzonderlijke schermonderdelen en besturingselementen van de gebruikersinterface en wijst op de invulling die hij op vraag van de opdrachtgever en andere betrokkenen aan deze applicaties heeft gegeven. In essentie argumenteert de verzoeker aldus dat hij zich aan de opdracht en aan de concrete vragen van de betrokkenen in het dossier “openbaarheid van bestuur” heeft gehouden bij het uitoefenen van de hem toegewezen taken. De verzoeker stelt dat slechts twee overbodige besturingselementen in de toepassing zijn achtergebleven. Deze zou hij verwijderd hebben, maar door tijdsgebrek is hij daartoe niet gekomen. De verzoeker voert aan dat niet hij, maar de opdrachtgevers te ambitieus waren bij de uitvoering van dit project. Hij heeft -paradoxaal genoeg- de verregaande ambities pogen te temperen en contentieus de grenzen van de opdracht bewaakt. Met betrekking tot wat hij “de spooktoepassing van AZF” noemt, herhaalt de verzoeker dat deze niet als uitgangspunt heeft gediend voor de toepassing “openbaarheid van bestuur”, aangezien die eerstgenoemde toepassing door het departement AZF niet ter beschikking werd gesteld. De verzoeker volhardt dat het prototype het resultaat was van het programmeerwerk van hemzelf en van een collega van het departement AZF. Hij onderbouwt deze stelling door een vergelijking van de onderliggende datastructuren van de bouwtekening en van de opgeleverde toepassing. Hij stelt dat daarmee wordt aangetoond dat de toepassing gebouwd is op een vooraf overlegd en goedgekeurd ontwerpplan en niet op basis van een eerder bestaand ontwerp van het departement AZF. De verzoeker wijst er voorts op dat met betrekking tot dit project werd gecommuniceerd met de opdrachtgever, zij het vooral mondeling, omdat er IX-4989-30/43 regelmatig overleg was met de twee personen die rechtstreeks inhoudelijk waren betrokken. IX-4989-31/43 Wat het verwaarlozen van administratieve taken betreft
- De verzoeker volhardt dat de Sitel-rapporten bestaan, zodat hij de gegevens noodzakelijkerwijze wel bijgehouden moet hebben. Bovendien heeft de verzoeker deze rapporten meegedeeld, zoals hij elk jaar deed, door ze af te drukken en te overhandigen. Volgens de verzoeker valt het niet in te zien waarom hij de rapporten niet zou hebben afgeleverd, nu blijkt dat hij ze heeft gemaakt. Bovendien wijst de omstandigheid dat hij de rapporten in het verleden steeds heeft overhandigd erop dat hij zijn werk nauwgezet heeft uitgeoefend. De verzoeker ziet ook niet in waarom men hem er niet zou hebben op gewezen dat hij de rapporten niet had ingediend. Voorts stelt de verzoeker dat hij zich geenszins ongevraagd heeft ingezet voor een verdere automatisering van de verwerking van de Sitel-gegevens, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat er aan de rapporten na 2004 niets is veranderd. Aangaande het ongevraagd uitvoeren van bepaalde taken, zoals de beheersmodule voor het Taalunieversum, de website van de Taaltelefoon en een programmeeropdracht in Visual Basic voor de bij de cel Taaladvies gedetacheerde collega’s
- De verzoeker herhaalt in zijn laatste memorie dat hij hoegenaamd niets te maken had met de beheersmodule van de Nederlandse Taalunie voor de website Taalunieversum. Hij stelt dat hij op vraag van en ten behoeve van enkele collega’s in MS-word, en dus niet in de beheersmodule van een website, een hulpmiddel heeft gemaakt teneinde het werk van de taaladviseurs te vereenvoudigen. Betreffende de website van de Taaltelefoon herhaalt de verzoeker dat hij buiten zijn werkuren twee eenvoudige ontwerpen heeft gemaakt die hij op vraag van de lesgeefster van de cursus Dreamweaver op het einde van de cursus heeft voorgesteld. De verzoeker volhardt dat hij zich aldus geen taken heeft toegeëigend die hem niet waren opgedragen. Aangaande het niet regulariseren van afwezigheden en het te laat komen
- De verzoeker laat gelden dat uit zijn regularisatiegedrag zonder meer blijkt dat hij afwezigheden steeds heeft verantwoord. Hij geeft toe dat hij weliswaar op bepaalde tijdstippen vergeten is te prikken, maar hij voegt eraan toe IX-4989-32/43 dat dit niet met opzet gebeurde en dat de verwerende partij, indien zij dit had gewild, aan de hand van de registraties aan de interne doorgangen, had kunnen vaststellen dat hij op die momenten wel degelijk aanwezig en aan het werk was. De verzoeker benadrukt dat hij altijd keihard heeft gewerkt en meermaals heel lange werkdagen heeft gepresteerd, wat erop wijst dat van verzuim of minachtend gedrag geen sprake is. Met betrekking tot het niet verwezenlijken van de ontwikkelingsdoelstelling, namelijk het verwerven van kennis van Access
- De verzoeker volhardt dat voor het realiseren van zijn jaardoelstelling voornamelijk het uitbreiden van zijn kennis van de Standard Query Language of SQL belangrijk was, en niet het uitbreiden van zijn kennis van Access. Het initiatief van de verzoeker om de SQL-handleidingen te bestuderen was gebaseerd op de inzichten van de “database administrator” en was dienstig voor het realiseren van verzoekers opdrachten, die geenszins kunnen worden herleid tot “een eenvoudige Access-toepassing”. De verzoeker herhaalt ten slotte dat hij uitgebreid heeft gecommuniceerd over de technische problemen, zowel met de ontwikkelaar als met het celhoofd. Hij stelt dat zulks evenwel steeds mondeling geschiedde. Inhoudelijk diende er volgens de verzoeker niet veel te worden gecommuniceerd, nu hij zelf een uitgebreide kennis had op informatietechnisch niveau en het terzake communiceren met “leken” niet echt tot een oplossing van de problemen kon leiden. De verzoeker laat gelden dat hij zich door de jaren heen verder heeft gespecialiseerd in de materie, dat hij dienaangaande uitgebreid vakliteratuur heeft geconsulteerd en contacten heeft onderhouden met specialisten, zoals de “database administrator”. Dat het celhoofd met een eenvoudige Access-toepassing de queries zou hebben kunnen realiseren, lijkt de verzoeker in het licht van het voorgaande heel merkwaardig, zeker zonder hulp van een specialist terzake. Betreffende de communicatieproblemen
- De verzoeker laat nog gelden dat uit de stukken die hij voorlegt blijkt dat hij “veel communiceert en de hiërarchische lijnen heel fel respecteert”, wat onder meer is gebleken bij de ontwikkeling van een nieuwe toepassing Vlaamse Codex. IX-4989-33/43
- De verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie aangaande het niet realiseren van de jaardoelstelling door de verzoeker dat laatstgenoemde in ieder geval heeft nagelaten om op de juiste wijze met zijn celhoofd te communiceren. Zulks blijkt volgens de verwerende partij onder meer uit de omstandigheid dat het celhoofd van de verzoeker reeds in het voorjaar van 2004 probleemloos kon werken met de ODBC-verbinding, terwijl de verzoeker voorhoudt met die verbinding blijvende problemen te hebben ondervonden. De verwerende partij stelt dat, indien de verzoeker daarover had gecommuniceerd met zijn celhoofd, dit probleem een oplossing zou gekend hebben. De verwerende partij laat voorts gelden dat bij een evaluatie, anders dan in tuchtzaken het geval is, de gedeeltelijke weerlegging van één van de evaluatiepunten uit de concordante en correcte menigvuldige andere punten, er niet toe leidt dat globaal gezien tot een schending van de materiële motiveringsplicht kan worden besloten. Beoordeling
- Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de verwerende partij er terecht op wijst dat de Raad van State zich niet in haar plaats kan stellen bij het evalueren van de verzoeker en slechts een marginaal toezicht kan uitoefenen op de toegekende evaluatie. De Raad van State kan wel nagaan of de verwerende partij zich heeft gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare elementen. Uit de evaluatie van 17 maart 2005, die door de bestreden beslissing wordt bevestigd, blijkt dat de beoordeling “onvoldoende” is gesteund op het feit dat de verzoeker onvoldoende heeft gepresteerd voor de criteria “soepelheid”, “organisatietalent” en “communicatievaardigheid”. Uit de feiten die worden aangehaald ter ondersteuning van die evaluatie, blijkt dat aan de verzoeker wordt verweten dat hij te weinig bereidheid toont om te communiceren over wat hij doet en hoe hij de dingen doet en over de problemen die hij daarbij ondervindt. Tevens zou de verzoeker eens hij een taak op zich heeft genomen, weinig geneigd zijn om daarover nog overleg te plegen en verliest hij vaak het eigenlijke doel en de afbakening van de opdracht uit het oog, zodat het resultaat niet meer overeenstemt met wat hem initieel werd gevraagd. IX-4989-34/43 Daarbij zou hij vaak geneigd zijn om de zaken groot te zien en is hij achteraf nog zeer moeilijk bij te sturen. De verzoeker zou bovendien taken op zich nemen die hem niet werden toebedeeld of waarover nog geen afspraken werden gemaakt. Dit alles zorgt er volgens de verwerende partij voor dat de verzoeker problemen heeft om zijn werk te organiseren en de taken die hem worden opgelegd tot een goed einde te brengen. Concreet wordt aangehaald dat de verzoeker een opdracht voor de cel Juridische Dienstverlening veel ruimer en anders heeft ingevuld dan werd gevraagd en dat hij daarin niet bij te sturen was. Daardoor verwaarloosde hij andere opdrachten, zoals zijn jaardoelstelling, minstens heeft hij daarover niet gecommuniceerd met zijn celhoofd. Hij verwaarloosde volgens de evaluatie ook administratieve taken zoals het opmaken van de presentielijsten en het verzamelen van de Sitel-gegevens, terwijl hij zich anderzijds bezighield met taken die hem niet waren gevraagd en die eigenlijk aan anderen toebehoorden of met taken waarover binnen de cel Taaladvies nog geen concrete afspraken waren gemaakt. Hierna zullen de tekortkomingen die door de verwerende partij aan de verzoeker worden toegeschreven één voor één worden besproken en zal worden nagegaan in hoeverre de beoordeling van de verwerende partij de toets van de redelijkheid kan doorstaan. Wat het registratiesysteem voor de cel Juridische Dienstverlening betreft
- In de evaluatie wordt hierover gesteld dat de verzoeker deze opdracht veel ruimer en anders heeft ingevuld dan gevraagd en dat hij geen oog had voor de argumenten van zijn opdrachtgever. De verwerende partij onderkent hierin ook een voorbeeld van de gebrekkige communicatie van de verzoeker. De verzoeker gaat in zijn verzoekschrift ten onrechte ervan uit dat hem wordt verweten dit project ongevraagd te hebben aangepakt. Een dergelijk verwijt blijkt niet uit zijn evaluatie. IX-4989-35/43 Uit het dossier blijkt evenwel dat de opdrachtgever zelf verklaarde dat de verzoeker veel meer deed dan hem was gevraagd, maar dat het moeilijk was om hem bij te sturen. De verzoeker kan dan ook niet worden bijgevallen waar hij stelt dat hij geen ruimere invulling aan zijn opdracht heeft gegeven. De opdrachtgever schreef op 7 maart 2005 aan verzoekers celhoofd dat de verzoeker zich heel moeilijk kon houden aan de gemaakte afspraken en alles zeer ruim en groots zag, terwijl dat eigenlijk niet de vraag was. Deze manier van aanpakken van de verzoeker wordt ook bevestigd door de departementale informaticacoördinator, die over de verzoeker verklaarde: “Het is iemand die in mijn ogen moeilijk aan te sturen is, hij doet met andere woorden zijn zin: mijn eigen ervaring is dat hij bijvoorbeeld meer doet inzake IT dan wat hem wordt gevraagd, daardoor maakt hij het soms moeilijk of hindert zelfs de goede uitvoering door ongevraagd rechtstreeks tussen te komen bij de uitvoerders van de ICT-dienstverlener”. De beoordeling die de verwerende partij over verzoekers optreden in verband met dit punt heeft gemaakt, komt dan ook niet over als onjuist of kennelijk onredelijk. Hetgeen de verzoeker dienaangaande in zijn laatste memorie nog aanvoert, doet aan deze conclusie geen afbreuk. Wat het verwaarlozen van administratieve taken betreft
- Hierover wordt in de evaluatie gesteld dat de verzoeker ’s maandags niet altijd de presentielijsten voor de cel Taaladvies opmaakte en niet langer de cijfers verzamelde voor de Sitel-statistieken. De verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord zelf dat hij meermaals is te kort geschoten in het afleveren van de presentielijsten, dat het echter een kwestie van vergetelheid en niet van eigenzinnigheid is, en dat hij deze lijsten onmiddellijk opmaakte wanneer zijn celhoofd hem erop attent maakte dat hij ze vergeten was. De verzoeker is dan ook niet geloofwaardig waar hij in zijn verzoekschrift aanvoert dat het probleem nooit werd aangekaart. Het is bovendien niet aan de verzoeker om te oordelen dat de presentielijsten geen essentieel werkinstrument vormen, waardoor het niet zo erg zou zijn dat ze worden verwaarloosd. IX-4989-36/43 De verzoeker betwist voorts dat hij de cijfers voor de Sitel- statistieken niet meer verzamelde. Hij stelt daarvoor verschillende acties te hebben ondernomen en er regelmatig contact over te hebben gehad met de verantwoordelijke van de Infolijn en met de aanspreekpunten voor de Sitel- rapportage. Volgens de verzoeker heeft hij de gegevens voor 2004 wel degelijk verzameld, al waren er moeilijkheden ingevolge de overgang naar een nieuw systeem. De verwerende partij legt dienaangaande alleen een e-mail voor die de verzoeker op 30 september 2004 aan zijn celhoofd heeft gezonden en die niet meer is dan de doorzending van een e-mail van 21 januari 2004 over de cijfers van
- Zelf legt de verzoeker een e-mail voor die hij op 9 september 2004 heeft verzonden naar de verantwoordelijke van de Infolijn waarin hij onder meer vraagt naar gegevens van
- Hij voegt ook tabellen bij met de Sitel-gegevens van
- Het blijkt evenwel niet uit het dossier dat hij deze informatie ook aan zijn celhoofd heeft bezorgd. Ook met betrekking tot deze tekortkoming moet derhalve worden besloten dat uit niets blijkt dat het oordeel van de evaluator gebaseerd is op foutieve gegevens of kennelijk onredelijk zou zijn. Aangaande het ongevraagd uitvoeren van bepaalde taken, zoals de beheersmodule voor het Taalunieversum, de website van de Taaltelefoon en een programmeeropdracht in Visual Basic voor de bij de cel Taaladvies gedetacheerde collega’s
- In het evaluatieverslag wordt gesteld dat de verzoeker zich bezighield met taken die hem niet waren opgedragen en die eigenlijk aan anderen toebehoorden. Daarmee wordt gedoeld op het feit dat hij sjablonen maakte in Visual Basic voor de invoer van de taaladviezen in de beheersmodule van de Nederlandse Taalunie voor de website Taalunieversum. De verzoeker had evenwel niet het mandaat noch de opdracht om op eigen houtje en zonder medeweten van de medewerker van de Nederlandse Taalunie oplossingen uit te werken. De verzoeker repliceert dat hij slechts een geautomatiseerde versie heeft gemaakt van tabellen die voorheen telkens opnieuw manueel werden aangemaakt. Hij stelt zich niet te hebben beziggehouden met de inhoud ervan, die IX-4989-37/43 volgens de collega’s was overlegd met de hiërarchische oversten. Voorts stelt hij vast dat deze volgens de evaluatoren ongewenste tabellen toch worden gebruikt in de publicaties van de Nederlandse Taalunie. Verzoekers repliek is niet dienstig. Wat hem wordt verweten is immers dat hij zonder opdracht en zonder enige ruggespraak met zijn celhoofd bepaalde taken heeft uitgevoerd die buiten de opdracht van zijn cel vallen. Dit was te dezen het geval, wat door de verzoeker als zodanig niet wordt betwist. De verzoeker maakte ook een nieuw ontwerp voor de website van de Taaltelefoon. Uit niets blijkt dat dit aan de verzoeker zou zijn gevraagd. In het door de verzoeker ingeroepen verslag van de celvergadering van 27 januari 2004 is enerzijds weliswaar vermeld dat het de bedoeling bleef om de structuur en de vormgeving van de website aan te passen, maar anderzijds ook dat het ging om een opfrissing van de website, niet om een volledig nieuw ontwerp. De omstandigheid, die door de verzoeker wordt aangevoerd, dat hij slechts twee eenvoudige grafische ontwerpen zou hebben uitgewerkt, neemt niet weg dat de verwerende partij hierin een voorbeeld kon onderkennen van de handelwijze die in het algemeen aan de verzoeker wordt verweten dat hij dingen op zich neemt die hem niet zijn gevraagd, waardoor hij onvoldoende tijd kan besteden aan taken die wel binnen zijn taakomschrijving vallen. Ook te dezen blijkt niet dat het oordeel van de evaluator steunt op onjuiste gegevens of kennelijk onredelijk is. Betreffende de problemen met communicatie
- De verzoeker stelt dat het oordeel dat er problemen zijn met communicatie een zeer persoonlijke en subjectieve beoordeling van zijn persoonlijkheid is. Anderen hebben dergelijke problemen volgens hem niet vastgesteld. Bovendien werd hem nooit iets daarover gezegd, zodat hij niet in de mogelijkheid is geweest eraan te remediëren. Het is volgens hem tegenstrijdig enerzijds te stellen dat hij tekortschoot in communicatie en anderzijds vast te stellen dat hij zonder dat het moest contact opnam met IT-partners. De verwerende partij antwoordt dat het onjuist is dat de evaluatoren en anderen hem nooit hebben gewezen op problemen in verband met IX-4989-38/43 overleg en communicatie. Zij betwist ook de door de verzoeker aangevoerde tegenstrijdigheid.
- Wanneer in verzoekers evaluatie wordt gesteld dat er problemen zijn met de communicatie van de verzoeker, dan wordt daarmee klaarblijkelijk bedoeld dat de verzoeker naar zijn celhoofd en afdelingshoofd toe niet genoeg communiceerde over zijn werkzaamheden. In dat opzicht kan het niet tegenstrijdig worden genoemd enerzijds te stellen dat de verzoeker tekortschoot in communicatie en anderzijds vast te stellen dat hij zonder dat het moest contact opnam met IT- partners. De verzoeker kan moeilijk volhouden dat hij nooit werd gewezen op het feit dat er problemen waren met de wijze waarop hij met zijn chefs communiceerde. Reeds ter gelegenheid van de evaluatie in 2003 werd duidelijk gewezen op de problemen van de verzoeker om over zijn problemen en de planning en uitvoering van zijn opdrachten te communiceren met zijn celhoofd en afdelingshoofd. Het is niet aannemelijk dat deze communicatieproblemen zouden toe te schrijven zijn aan de houding van het celhoofd die niet uitnodigt tot informele gesprekken. De problemen blijken immers ook te bestaan tegenover het afdelingshoofd. Hetgeen de verzoeker dienaangaande in zijn laatste memorie nog aanvoert doet hieraan geen afbreuk. Aangaande het niet regulariseren van afwezigheden en het te laat komen
- In het evaluatieverslag wordt erop gewezen dat de verzoeker niet erin slaagt te werken binnen de normale arbeidstijden -hij komt systematisch te laat en blijft vaak zeer laat nawerken- en dat hij vaak vergeet om zaken te regulariseren, waardoor hij regelmatig als “onbekend afwezig” staat vermeld bij de prikklok, wat wordt gezien als een uiting van zijn apathische of zeer minachtende houding tegenover de uitvoering van kleine administratieve taken De verzoeker betwist niet dat hij de verplichting om tijdig op het werk te komen niet steeds naleefde, maar hij voegt eraan toe dat pas in het evaluatieverslag voor de eerste keer een opmerking daarover werd gemaakt. Dit laatste doet evenwel geen afbreuk aan de vaststelling dat de verzoeker systematisch IX-4989-39/43 te laat kwam en niet erg zorgvuldig was in het gebruik van de prikklok waardoor hij regelmatig zijn situatie moest regulariseren. Elk ambtenaar behoort vanzelfsprekend te weten dat de werkuren moeten worden gerespecteerd en dat afwezigheden op een correcte wijze moeten worden geregulariseerd. Het is daarvoor niet vereist dat de betrokkene speciaal daarop wordt gewezen. De verzoeker daarentegen, zo blijkt uit het administratief dossier, werd reeds in zijn tweede stageverslag erop gewezen dat hij geen rekening houdt met “algemene werkafspraken (stamtijden en gebruik regularisatieformulieren)”. Tevens legt de verwerende partij het bewijs voor dat de verzoeker niet elke afwezigheid heeft geregulariseerd. De verzoeker was dus blijkbaar ofwel onwillig, ofwel niet in staat om daaraan iets te veranderen. Daarbij worden deze feiten hem als zodanig niet verweten maar worden ze opgesomd ter staving van de beoordeling dat hij apathisch of zeer minachtend stond tegenover de uitvoering van kleine administratieve taken. Uit wat voorafgaat kan worden afgeleid dat die beoordeling niet kennelijk onjuist of onredelijk was. Betreffende het niet uitvoeren van de jaardoelstelling
- In het evaluatieverslag wordt daarover het volgende gesteld: “Jan heeft in 2004 geen werk gemaakt van zijn jaardoelstelling (statistieken op basis van de databank taaladvies), of heeft over de uitvoering daarvan in elk geval niet op de juiste manier gecommuniceerd met zijn celhoofd. Het celhoofd heeft in de loop van 2004 Jan meer dan eens mondeling en schriftelijk verzocht om te rapporteren over de stand van zaken in verband met zijn jaardoelstelling. Jan ging niet in op de verzoeken om overleg te hebben over de uitvoering van zijn jaardoelstelling en over de problemen die hij bij de uitvoering ervaren had. Hij gaf dan een ontwijkend antwoord of geen antwoord. Daardoor kon het celhoofd ook niet weten hoe de eventuele problemen opgelost konden worden en op welke manier het celhoofd daartoe kon bijdragen. Bij het begin van zijn loopbaanonderbreking was er nog geen enkel concreet resultaat of een aanzet daartoe voor de uitvoering van zijn jaardoelstelling zichtbaar.” Aan de verzoeker wordt verweten dat hij geen werk zou hebben gemaakt van zijn jaardoelstelling of dat hij daarover in elk geval niet op de juiste manier heeft gecommuniceerd met zijn celhoofd. In verzoekers planningsdocument werd vermeld dat hij met behulp van Access een aantal queries en berekeningen moest schrijven voor tussentijdse rapportering, voor de voorbereiding van het jaarverslag van de cel Taaladvies en voor de individuele jaaroverzichten per taaladviseur. Er werd daarbij ook vermeld IX-4989-40/43 dat hij dit moest doen in overleg met zijn celhoofd en dat hij aan het celhoofd tussentijds moest rapporteren over de evolutie van het aantal oproepen en vragen. De verzoeker stelt dat er geen queries konden worden gemaakt omdat er geen gegevens ter beschikking waren. Hij stelt voorts dat hij bij de overdracht van die taak zeker heeft meegedeeld dat er nog problemen waren met de ODBC-verbinding. De bewering van de verwerende partij dat de problemen met de ODBC-verbinding waren opgelost sinds het voorjaar 2004 en dat dit dus geen reden meer kon zijn om de jaardoelstelling niet te realiseren, lijkt niet correct. De verzoeker legt onder meer een e-mail voor van augustus 2004 aan de programmeur van de dienstverlener waarin wordt gewezen op de onleesbaarheid van de gegevens, alsook mails van september 2004 waarin de programmeur van de dienstverlener de inhoud van een ontbrekende tabel overmaakt aan de verzoeker en uitleg geeft over de oorzaak van het ontbreken van gegevens. Deze e-mails tonen aan dat er tot september nog problemen waren met het verkrijgen van de “grondstoffen” die de verzoeker nodig had om zijn jaardoelstelling te verwezenlijken. Het feit dat het celhoofd in januari 2005 zelf zonder problemen de jaardoelstelling via de ODBC-verbinding heeft uitgevoerd met Access, impliceert niet dat er medio 2004 geen problemen meer geweest kunnen zijn met het verstrekken van de noodzakelijke gegevens. Wel lijkt dit aan te tonen dat er geen eigenlijk probleem van programmatie was en dat de kennis van Access volstond om de jaardoelstelling te realiseren, zodra de gegevens beschikbaar waren. Het beschikbaar maken van die gegevens was een probleem dat blijkbaar door de IT- dienstverlener moest worden opgelost en niet door de verzoeker. De verzoeker kan dan ook niet dienstig aanvoeren dat het al snel duidelijk was uit inlichtingen verkregen van de IT-dienstverlener dat hij eerder kennis van de achterliggende query-taal moest verwerven om zijn jaardoelstelling tot een goed einde te kunnen brengen dan een opleiding Access te volgen. De communicatie van de verzoeker naar zijn celhoofd toe, blijkt ook op dit punt problematisch. De verzoeker legt e-mails voor van de maanden augustus en september 2004 waaruit blijkt dat er dan nog problemen waren met de beschikbaarheid van de gegevens, maar uit niets blijkt dat hij dat ook aan zijn celhoofd heeft gecommuniceerd. IX-4989-41/43 Hetgeen daarover in het evaluatieverslag is vermeld en hiervóór is aangehaald, kan dan ook niet als onjuist worden beschouwd. Met betrekking tot het niet verwezenlijken van de ontwikkelingsdoelstelling, namelijk het verwerven van kennis van Access
- In de planning voor het werkjaar 2004 wordt deze opleidingsdoelstelling als volgt geformuleerd: “Met behulp van zelfstudie en/of opleidingen kennis verwerven over het gebruik van Access om de bovenstaande doelstelling [de statistische verwerking van de gegevens over taaladvisering] te kunnen bereiken.” Over het bereiken van deze opleidingsdoelstelling wordt in het evaluatieverslag het volgende gesteld: “Doordat Jan niet communiceerde over de invulling van zijn jaardoelstelling, is het niet duidelijk of Jan zich door zelfstudie heeft ingewerkt in het gebruik van de kopie van de databank van de cel Taaladvies via een ODBC-verbinding. Jan heeft geen opleiding over Access gevolgd. Jan heeft samen met de collega’s van de cel een opleiding Dreamweaver gevolgd.” Wat in het evaluatieverslag aldus aan de verzoeker wordt verweten is dat omwille van een gebrek aan communicatie over de invulling van zijn jaardoelstelling, niet duidelijk is of hij zich heeft ingewerkt in het gebruik van de kopie van de databank van de cel Taaladvies via een ODBC-verbinding. Gelet op wat hiervóór werd gesteld met betrekking tot de communicatie van de verzoeker naar zijn celhoofd toe over de realisatie van zijn jaardoelstelling, kan niet worden besloten dat die vermelding als onjuist moet worden beschouwd.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat het enige middel niet gegrond is. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. IX-4989-42/43
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4989-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.860 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div