id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.861 Rolnummer: A. 173127/IX-5318 Zaak: Arrest 201861 - Tucht (openbaar ambt) - 15/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-23 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 04:27 Fiche Arrest nr 201.861 van 15 maart 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.861 van 15 maart 2010 in de zaak A. 173.127/IX-5318 In zake : Tom MARTENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wouter Smet kantoor houdend te Dilbeek Broekstraat 37b bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 mei 2006, strekt tot nietigverklaring van de beslissing van 23 maart 2006 van de Directeur-generaal van de Algemene Directie Personeel van de federale politie om Tom Martens de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie te ontnemen op basis van een onregelmatige benoeming wegens arglist of bedrog. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-5318-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 maart
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wouter Smet, die verschijnt voor de verzoeker, en adviseur Els Van Rossem, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In de loop van 2004 stelt de verzoeker zich kandidaat om toegelaten te worden tot de basisopleiding van inspecteur van politie. Naar luid van artikel IV.I.4, 3/, en artikel IV.I.6 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol) moet een kandidaat-inspecteur van politie van onberispelijk gedrag zijn op de datum waarop hij aan de selectieproeven deelneemt. Naar luid van artikel IV.I.15, eerste lid, RPPol omvat de selectieprocedure (1/) een proef die toelaat de noodzakelijke cognitieve vaardighe- den te beoordelen, (2/) een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnieken, (3/) een fysiek-medische geschiktheidsproef met onderzoek van beide componenten in relatie tot het ambt en (4/) een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie waarna een eindevaluatie wordt uitgebracht; naar luid van artikel IV.I.15, tweede lid, RPPol maakt de kandidaat het voorwerp uit van een onderzoek met het oog op het nagaan of de vereiste bepaald in artikel IV.I.4, 3/, RPPol vervuld is. 3.
- De verzoeker slaagt voor de eerste selectieproef. IX-5318-2/15 Op 21 december 2004 slaagt de verzoeker in de tweede selectieproef; het advies van de directie van de selectie en de rekrutering (DPR) over de verzoeker luidt: “De kandidaat bezit het potentieel om de persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die hem toelaten om bedoeld ambt bij de politie uit te oefenen.” Ook op 21 december 2004 vult de verzoeker een “verklaring omtrent het verleden” in, waarbij de kandidaat verklaart al dan niet betrokken te zijn geweest bij een aantal in de verklaring opgesomde feiten; de verzoeker kruist het vakje “diefstal” aan en vermeldt desbetreffend onder een luik “omstandigheden” wat volgt: “Vorig jaar heb ik een vriend geholpen toen die mij vroeg een ladder te helpen dragen vanuit een huis dat reeds 15 jaar leeg stond.” De verzoeker vult ook een “biografische vragenlijst basiskader” in; op die vragenlijst moeten onder meer een aantal zinnen worden aangevuld; de verzoeker vult de zin “het spijt me” aan met “...dat ik me vorig jaar heb laten meeslepen tot het helpen bij een diefstal van een ladder uit een huis dat 15 jaar leeg staat.” 3.
- Met een op 3 februari 2005 gedateerde nota deelt hoofdinspecteur van politie Auspert, DPP/Diensthoofd Bureau Security, aan de dienst rekrutering mee wat volgt: “Na ontvangst van uw aanvraag heeft DPP zoals voorzien in de nota vermeld in referte, het moraliteits- en antecedentenonderzoek uitgevoerd van de persoon in Pt 2 (lees: van de verzoeker). Deze controles werden uitgevoerd in het Rijksregister, Polis consultatie, GP40, SIDIS en in de fiches bij DAG/DAO/BIO-OO. (...) De uitgevoerde controles brachten geen elementen aan het licht waardoor men aan de legitimiteit van deze kandidatuur zou kunnen twijfelen.” 3.
- Naar luid van artikel IV.I.17 RPPol beslist de selectiecommissie of de kandidaat al dan niet geschikt wordt bevonden op grond van artikel IV.I.15, eerste lid, 1/ tot 4/, RPPol. Op 7 april 2005, dag van het selectiegesprek, beslist de selectie- commissie dat de verzoeker geschikt is. IX-5318-3/15 Die beslissing wordt gemotiveerd als volgt: “ + Zet zich in voor anderen, prestatiebereid, toont zich matuur genoeg, kan nadenken over zijn gedrag, toont zich voldoende zelfzeker, eerlijk en open, kan zich verweren. - Jeugdzondes, oppervlakkige kennis van de structuur.” 3.
- Op 2 mei 2005 wordt de verzoeker aangesteld in de graad van aspirant-inspecteur van politie. Op 3 mei 2005 ondertekent de verzoeker de hiernavolgende verklaring: “Hierbij bevestig ik dat ik aan de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie de volledige en correcte informatie heb meegedeeld betreffende het al dan niet betrokken (geweest) zijn in politionele en/of justitiële aangelegenheden. Ik verklaar bovendien dat ik sedert het afleggen van de selectieproeven bij die directie NIET het voorwerp ben geweest van politionele en/of justitiële contacten en/of tussenkomsten. Ik weet dat ik verplicht ben dergelijke gegevens zélf spontaan mee te delen. Ik weet dat bij de vaststelling dat ik bepaalde informatie bewust niet heb meegedeeld er voor mij een einde wordt gesteld aan mijn opleiding. Ik bevestig mijn verklaring op mijn woord van eer.” 3.
- Bij vonnis van 17 mei 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde - terechtzitting van 11 april 2005 - wordt de verzoeker veroordeeld: - tot een werkstraf van zestig uur wegens het, samen met een metgezel, in de nacht van 28 op 29 december 2003, bedrieglijk wegnemen van een metalen ladder en poging tot het bedrieglijk wegnemen van zaken (begin van uitvoering, maar gestaakt tengevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de daders); blijkens het vonnis vatte verzoekers metgezel het plan op om zich te voorzien van welbepaalde bouwmaterialen, stemde de verzoeker in om hem te vergezellen en deden zij op eenzelfde avond verschillende werven aan op zoek naar bruikbaar materiaal; - tot een werkstraf van vijftig uur wegens het bezit van een verboden wapen, met name een spuitbus “First Defense, Red Pepper Spray, MK-3"; blijkens het vonnis werd die spuitbus op 6 februari 2004 bij een zoeking in het voertuig van de verzoeker aangetroffen en verklaarde de verzoeker dat hij deze bus in Duitsland had aangekocht vermits deze niet in België verkrijgbaar was. IX-5318-4/15 3.
- Met een op 13 januari 2006 gedateerde brief deelt de korpschef van de politiezone Beveren aan de korpschef van de lokale politie Mechelen mee: - dat de gemeenteraad van Beveren op 27 april 2004 het ontslag heeft aanvaard van R.G., toenmalig inspecteur van politie; - dat R.G. op 17 mei 2005 door de rechtbank van eerste aanleg van Dendermonde veroordeeld werd tot het uitvoeren van een werkstraf van 90 uur wegens zware diefstallen; - dat R.G. bij die feiten vergezeld was van de verzoeker, die in hetzelfde vonnis veroordeeld werd tot het uitvoeren van een werkstraf van 60 uur voor de feiten die hij samen met R.G. pleegde en bovendien bijkomend veroordeeld werd tot het uitvoeren van een werkstraf van 50 uur wegens inbreuk op de wapenwetgeving; - dat hij tot zijn grote verbazing heeft moeten vernemen dat de verzoeker inmiddels een opleiding aspirant- inspecteur van politie volgt en in dit kader ook reeds stages heeft uitgevoerd bij de lokale politie Mechelen. 3.
- Met een brief van 6 februari 2006, die op dezelfde dag wordt doorgefaxt, bezorgt de korpschef van de politiezone Mechelen de brief van de korpschef van de politiezone Beveren aan de Gewestelijke en Intercommunale Politieschool (G.I.P.) te Brussel, waar de verzoeker zijn opleiding volgt; de korpschef vraagt, gezien het feit dat de politiezone Mechelen als stage-eenheid van de verzoeker betrokken partij is, zo snel mogelijk ingelicht te worden van de verdere evolutie in het dossier. 3.
- Met een brief van 6 februari 2006 deelt de G.I.P. aan de korpschef van de politiezone Mechelen mee dat de verzoeker in hun school ingeschreven is als regelmatige leerling na aanwerving door de directie van de selectie en rekrutering van de federale politie en dat het ook deze dienst is die het moraliteitsonderzoek heeft uitgevoerd vóór de aanwerving van de verzoeker. Eveneens op 6 februari 2006 bezorgt de G.I.P. de brief van 13 januari 2006 van de korpschef van de politiezone Beveren aan de directeur- generaal van de Algemene Directie Personeel (DGP). Op 9 februari 2006 bezorgt de G.I.P. “kopij van een dossier” met betrekking tot de verzoeker aan DGP, met de mededeling dat de verzoeker op 16 februari 2006 zijn eindstage van drie maanden start in de politiezone Mechelen, IX-5318-5/15 dat deze zone hem niet meer aanvaardt als stagiair, dat het in deze situatie moeilijk is om een andere zone als stageplaats te contacteren en dat de verzoeker op 5 mei 2006 normaal zijn volledige opleiding beëindigt; de school vraagt om kennis te krijgen van het door DGP ingenomen standpunt. 3.
- Met een op 24 februari 2006 gedateerde nota deelt de Directeur- generaal Personeel aan de verzoeker mee wat volgt: “
- AINP MARTENS Tom begon op 02-05-2005 aan de opleiding voor aspirant-inspecteur aan de G.I.P.
- Op 03.05.2005 ondertekende hij een verklaring waarin hij stelde tussen de selectieproeven en opname niet het voorwerp te hebben uitgemaakt van eventuele nieuwe of aanvullende gerechtelijke/politionele contacten.
- Op 17 mei werd hij echter veroordeeld door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Hoewel betrokkene deze feiten minimaliserend erkende bij de rekrutering, liet hij bewust na in diens integriteitsverkla- ring te melden dat er nog juridisch/politionele contacten lopende waren.
- Bijgevolg ben ik van zins om AINP MARTENS Tom de hoedanigheid van AINP te ontnemen op basis van een onregelmatige benoeming wegens arglist of bedrog (Art IX.1.2,1/ RPPol).
- Betrokkene heeft twee werkdagen tijd om zijn standpunt in deze te laten kennen.” Op vraag van verzoekers syndicaal verdediger, beslist de Directeur-generaal de termijn van twee werkdagen voor het indienen van een verweer te verlengen. 3.
- Op 3 maart 2006 dient de verzoeker een verweerschrift in, waarin hij aanvoert: - dat hij zijn opleiding een dag later begon dan zijn collega’s, dat daardoor een aantal papieren in recordtempo moesten ingevuld worden, dat hij op 3 mei 2005 onder meer het document “integriteitsverklaring” heeft ondertekend, dat er op dat ogenblik geen “nieuwe of aanvullende contacten” geweest waren en dat de veroordeling pas gebeurde op 17 mei 2005, dus na het ondertekenen van de verklaring; - dat hij de feiten waarvan hij beschuldigd werd zowel mondeling als schriftelijk erkende, dat hij omtrent de feiten werd geïnterpelleerd door de selectiecommissie, dat hij niets verzwegen heeft en eerlijk antwoord heeft gegeven op hun vragen, en IX-5318-6/15 dat de selectiecommissie hem geschikt heeft verklaard met de negatieve motivering “jeugdzondes en oppervlakkige kennis van de structuren”. In bijlage voegt hij een overzicht van de data in verband met de gerechtelijke procedure. 3.
- Op 23 maart 2006 beslist de Directeur-generaal DGP “om AINP MARTENS Tom de hoedanigheid van AINP te ontnemen op basis van een onregelmatige benoeming wegens arglist of bedrog (Art IX.1.2,1/ RPPol)” en dit te doen ingaan op 24 maart
- Die beslissing, waarvan de verzoeker nog dezelfde dag kennis neemt en die het voorwerp uitmaakt van het onderhavig beroep tot nietigverklaring, is gemotiveerd als volgt: “
- AINP MARTENS Tom begon op 02-05-2005 aan de opleiding voor aspirant-inspecteur aan het G.I.P.
- Op 03.05.2005 ondertekende hij een verklaring waarin hij stelde tussen de selectieproeven en de opname niet het voorwerp te hebben uitgemaakt van eventuele nieuwe of aanvullende gerechtelijke/politionele contacten.
- Niettegenstaande AINP MARTENS deze verklaring tekende, werd hij op 17 mei 2005 veroordeeld door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde.
- Op 03.03.2006 werd AINP MARTENS Tom ingelicht over de intentie hem de hoedanigheid van AINP te ontnemen op basis van een onregelmatige benoeming wegens arglist of bedrog (Art IX.1.2,1/ RPPoI).
- AINP MARTENS diende binnen termijn een verweerschrift in.
- Na analyse van het schooldossier, het schrijven van G.I.P. en het verweer-schrift van betrokkene ben ik ervan overtuigd dat betrokkene wel degelijk nagelaten heeft de evolutie in zijn gerechtelijk dossier spontaan te melden.
- Zo blijkt uit de gegevens die me ter beschikking werden gesteld dat AINP MARTENS naliet vlg. zaken te melden : - 25.11.2004 schrijven dat stelt dat het onderzoek omtrent het gepleegde misdrijf werd afgesloten; - 30.12.2004 de inkennisstelling van de datum van de zitting in de Raadkamer; - 25.01.2005 de doorverwijzing naar de Correctionele Rechtbank; - 03.03.2005 de dagvaarding welke stelt dat de zaak op 11.04.2005 zou voorkomen; - 11.04.2005 uitstel van de uitspraak van het vonnis naar 09.05.
- Overwegende dat AINP MARTENS een veroordeling opliep wegens zware diefstal en een inbreuk op de wapenwetgeving; IX-5318-7/15 Dat belanghebbende inderdaad in zijn biografische vragenlijst en naar aanleiding van de selectiegesprekken zijn betrokkenheid bij de feiten heeft aangehaald, weliswaar enkel de deelname aan de diefstal, niet de inbreuk op de wapenwetgeving; Dat hem evenwel hoe dan ook op 03-05-2005 expliciet de moraliteitsverkla- ring ter ondertekening werd voorgelegd, waarbij hij geen nieuwe elementen heeft aangehaald; Dat er tussen de selectiecommissie en de opname bij de politie wel degelijk nieuwe elementen in de zaak waren naar voor gekomen, zijnde het uitstel van de uitspraak tot 09-05-2005; Dat het feit dat de documenten snel moesten worden ingevuld niet kan rechtvaardigen dat dit uitstel, of later, de veroordeling niet werden gemeld; Dat in de integriteitsverklaring daarenboven staat dat dergelijke informatie spontaan moet worden meegedeeld; Dat het dan ook de plicht was van AINP MARTENS om zijn veroordeling onmiddellijk aan de overheid te melden, hetgeen hij heeft nagelaten; Dat er van een aspirant-politie-inspecteur niet kan worden aanvaard dat men niet beseft dat een veroordeling een uitermate ernstige zaak is; De rechter de zaken als voldoende ernstig heeft beschouwd, aangezien hij geen opschorting van de uitspraak heeft aanvaard, maar wel degelijk een veroordeling heeft uitgesproken; Dat derhalve de overheid, indien ze tijdig en voldoende op de hoogte was van de volledige feiten, bezwaar zou hebben gemaakt tegen de opname van belanghebbende bij de politie, hetgeen ze nu niet kon, omdat ze onvoldoende was ingelicht door belanghebbende; Dat belanghebbende daardoor zich dus wel degelijk schuldig heeft gemaakt aan arglist of bedrog in de zin van Art IX.I.2,1/ RPPol.
- Bijgevolg, rekening houdend met alle gegevens die me ter beschikking werden gesteld beslis ik om AINP MARTENS Tom de hoedanigheid van AINP te ontnemen op basis van een onregelmatige benoeming wegens arglist of bedrog (Art IX.1.2,1/ RPPol).” IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker wijst er in zijn enig middel vooreerst op dat de bestreden beslissing niet duidelijk maakt wat hem verweten wordt: arglist of bedrog. Voorts merkt hij op dat geen van de beide opgaan; het feit dat hij bepaalde details onwetend niet zou hebben gemeld, houdt geen arglist of bedrog in. Van in het begin, aldus de verzoeker, heeft hij de diefstal vermeld in zijn verklaring; hij was er zich echter niet van bewust dat hij zou vervolgd worden voor een busje pepper spray wegens een zogenaamde inbreuk op de wapenwetgeving; dit spuitbusje kadert in het feit dat de verzoeker vrijwillig ambulancier is en hij zich wil verweren tegen agressie. De selectiecommissie heeft IX-5318-8/15 dit alles beoordeeld als jeugdzonden; de bestreden beslissing geeft hier dus de selectiecommissie een veeg uit de pan. Het verwijt aan de verzoeker dat hij het verloop voor de rechtbank niet zou vermeld hebben, gaat niet op; het vonnis was aanvankelijk gesteld op 26 april 2005 maar was verdaagd naar 10 mei 2005 en werd uiteindelijk uitgespro- ken op 19 mei
- Dit beduidt, aldus de verzoeker, dat op 3 mei 2005, dag van zijn laatste verklaring, er nog geen vonnis was. De verzoeker wist trouwens niet welke beschuldigingen de rechtbank zou weerhouden. Ten slotte merkt de verzoeker op dat in de bestreden beslissing er sprake is van zware diefstal. Deze kwalificatie blijkt niet uit de dagvaarding of uit het vonnis.
- De verwerende partij antwoordt vooreerst dat het middel onontvankelijk is omdat er geen geschonden rechtsregel aangegeven is. Ten gronde merkt de verwerende partij op dat de dagvaarding waarin onder meer de kwalificatie inbreuk op de wapenwetgeving is vermeld, dagtekent van 3 maart 2005 terwijl de verzoeker op 7 april 2005 voor de selectie- commissie verscheen; niettegenstaande de verzoeker dus wel degelijk op de hoogte was van de feiten waarvoor hij vervolgd werd, heeft hij dit niet vermeld aan de overheid. De omstandigheid dat de verzoeker de pepper spray bezit, kadert in zijn werk als vrijwillig ambulancier, neemt niet weg dat de rechtbank hem heeft veroordeeld wegens inbreuk op de wapenwetgeving. De verzoeker heeft ook nagelaten de overheid van zijn veroorde- ling op de hoogte te brengen. Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat de verzoeker veroordeeld is wegens diefstal met een verzwarende omstandigheid hetgeen in de rechtsleer omschreven wordt als zware diefstal.
- De verzoeker beklemtoont in zijn memorie van wederantwoord nogmaals dat hij van meetaf aan alles vermeld had en dat de selectiecommissie dit IX-5318-9/15 terecht bestempelde als jeugdzonden en de verzoeker unaniem aanvaardde. De bestreden beslissing gaat hiertegen in. Voorts stelt de verzoeker dat hij wel degelijk opgemerkt had dat hij vervolgd werd en dat hij op 11 april 2005 voor de rechtbank diende te verschijnen. Hij meldde ook op school dat hij veroordeeld was. Ten slotte benadrukt hij dat hij bij de diefstal slechts een meeloper was zoals in het vonnis vermeld staat, dat er geen burgerlijke partijstelling was, dat er geen gevangenisstraf werd uitgesproken en dat hij nooit vervolgd werd voor het gebruik van de pepper spray.
- In haar laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat een doorslaggevend element bij de bestreden beslissing was dat de verzoeker geen mededeling had gedaan van de feiten omtrent de pepper spray die nochtans politioneel waren vastgesteld; hij diende deze feiten dan ook mee te delen op het selectiegesprek. Beoordeling
- De bestreden beslissing steunt in essentie op de vaststelling dat de verzoeker nagelaten heeft feiten uit een gerechtelijk dossier ten zijnen laste te hebben vermeld. Weliswaar, aldus de bestreden beslissing, had de verzoeker in zijn biografische vragenlijst en naar aanleiding van de selectiegesprekken, zijn betrokkenheid bij de feiten - enkel wat de diefstal, niet wat de inbreuk op de wapenwetgeving betreft - aangehaald, doch de verdere ontwikkeling van zijn gerechtelijk dossier werd door hem, noch spontaan, noch bij het voorleggen ter ondertekening van de moraliteitsverklaring op 3 mei 2005 bij zijn indiensttreding, vermeld. Voorts wordt hem verweten de veroordeling niet spontaan te hebben gemeld. Deze handelwijze kan, aldus de bestreden beslissing, van een aspirant-politie-inspecteur niet aanvaard worden. IX-5318-10/15 De verwerende partij wijst er ten slotte in haar bestreden beslissing ook op dat ze aldus geen bezwaar heeft kunnen maken tegen de opname van de verzoeker bij de politie omdat ze onvoldoende was ingelicht door de verzoeker.
- De kritiek van de verzoeker op de bestreden beslissing komt er in essentie op neer dat de bestreden beslissing geen rekening gehouden heeft met het feit dat hij van meetaf aan de bewuste feiten heeft gemeld en dat de selectiecommis- sie dan ook met kennis van zaken heeft geoordeeld, dat hij over zijn gerechtelijk dossier niets nieuws had te melden nu het vonnis pas tussenkwam na zijn indiensttreding en dat in de bestreden beslissing ten onrechte sprake is van zware diefstal. Deze kritiek is terug te voeren tot een schending van de rechtsgrond van de bestreden beslissing met name artikel IX.I.2., 1/, RPPol en van de materiële motiveringsplicht. Zo heeft de verwerende partij het middel ten gronde ook begrepen zodat de exceptie van onontvankelijkheid dient verworpen te worden.
- Artikel IX.I.2., 1/, RPPol luidt als volgt: “Maakt ambtshalve en zonder opzegging het voorwerp uit van een definitieve ambtsontheffing: 1/ het personeelslid van wie de benoeming onregelmatig wordt bevonden binnen de termijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; die termijn geldt niet in geval van arglist of bedrog van het personeelslid;”
- Naar luid van artikel IV.I.18 RPPol is het de directeur van de rekrutering en de selectie die beslist of de kandidaat al dan niet beantwoordt aan de toelatingsvereiste “van onberispelijk gedrag zijn”. Het is niet aan de selectiecom- missie om hierover een beslissing te nemen; naar luid van artikel IV.I.17 RPPol beslist de selectiecommissie of de kandidaat al dan niet geschikt wordt bevonden ten aanzien van de vier in artikel IV.I.15, eerste lid, RPPol vermelde voorwaarden. De door de verzoeker aangevoerde tegenstrijdigheid tussen het standpunt van de selectiecommissie en dit van de bestreden beslissing gaat dan ook niet op nu de selectiecommissie de bewuste toelatingsvereiste niet diende te beoordelen. IX-5318-11/15
- De verzoeker heeft weliswaar in zijn “verklaring omtrent het verleden”, opgesteld op 21 december 2004, gewag gemaakt van een verkeersinbreuk en diefstal, dit laatste beperkt tot de mededeling dat hij een vriend geholpen heeft met het dragen van een ladder uit een leegstaand huis, en lijkt dit ook ten aanzien van de selectiecommissie vermeld te hebben, doch heeft blijkbaar nagelaten het feit van de inbreuk op de wapenwetgeving en de gerechtelijke ontwikkeling van zijn dossier aan de verwerende partij te melden. Wat de diefstal betreft blijkt uit het tussengekomen correctioneel vonnis dat de verzoeker meegetrokken was op “dieventocht” en op dezelfde avond van 28 op 29 december 2003 verschillende werven aandeed op zoek naar bruikbaar materiaal; de verzoeker werd veroordeeld voor zowel diefstal als poging tot diefstal door middel van braak, inklimming of valse sleutels. Wat de inbreuk op de wapenwetgeving betreft gaat het om een onderscheiden feit dat door de correctione- le rechter afzonderlijk werd bestraft en dat zich voordeed bij een zoeking in de wagen van de verzoeker op 6 februari
- Er dient vastgesteld te worden dat er verscheidene procedurehan- delingen werden gesteld in het kader van de vervolging van de verzoeker; luidens de bijlage bij zijn verweerschrift van 3 maart 2006 werd de verzoeker op 12 februari 2004 in verdenking gesteld door de onderzoeksrechter, op 25 november 2004 werd hij in kennis gesteld van het feit dat het gerechtelijk dossier ter inzage lag, op 30 december 2004 werd de verzoeker ervan in kennis gesteld dat de Raadkamer zijn zaak zou behandelen, op 25 januari 2005 verwees de Raadkamer zijn zaak door naar de correctionele rechtbank, op 3 maart 2005 ontving de verzoeker de dagvaarding om te verschijnen voor de correctionele rechtbank op 11 april 2005 die de zaak dan behandelde en uitspraak deed op 17 mei
- Uit dit alles dient afgeleid te worden dat de verzoeker bij het invullen van zijn “verklaring omtrent het verleden” op 21 december 2004 noch een volledige versie van de feiten noch een overzicht van de alsdan inmiddels tussengekomen gerechtelijke stappen heeft vermeld. In zijn verklaring van 3 mei 2005, ter gelegenheid van zijn indiensttreding, stelt de verzoeker dat hij sedert het afleggen van de selectieproeven niet het voorwerp is geweest van politionele en/of justitiële contacten en/of tussenkomsten. Hiermee ziet de verzoeker de verdere gerechtelijke stappen over het IX-5318-12/15 hoofd en verantwoordt hij zijn handelwijze ten onrechte met het feit dat het vonnis dagtekent van na 3 mei
- Tevergeefs stelt de verzoeker dat de verwerende partij de feiten “verzwaart”. De verzoeker werd streng bestraft voor de vervolgde feiten en die werden door de verwerende partij als dusdanig overgenomen. Het feit dat in de bestreden beslissing sprake is van “zware diefstal”, term die trouwens ook door de verzoeker zelf werd gebruikt in zijn verweerschrift van 3 maart 2006, heeft op zich geen juridische relevantie in de bestreden beslissing.
- Het motief in de bestreden beslissing dat de verzoeker heeft nagelaten zijn veroordeling onmiddellijk aan de overheid te melden, kan te dezen beschouwd worden als een overtollig motief.
- Uit het voorgaande dient besloten te worden dat de verzoeker zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld, zowel bij het invullen van de biografische vragenlijst op 21 december 2004 als bij de ondertekening van de verklaring van 3 mei 2005, als tijdens de selectieprocedure, de verwerende partij informatie omtrent zijn gerechtelijk verleden, heeft onthouden. Deze informatie was substantieel voor de beoordeling van de toelatingsvereiste “van onberispelijk gedrag zijn” en, voor de indiensttreding; terecht kon de verwerende partij dan ook oordelen dat de aanstelling onregelmatig was. De verwerende partij mocht tevens te dezen terecht aannemen dat de verzoeker de kwestieuze feiten bewust verzwegen, minstens geminimaliseerd heeft, dan wel met zijn handelwijze een dermate grove fout beging, gelijk te stellen met kwade trouw of bedrog, met het oog op het misleiden van de verwerende partij.
- Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. IX-5318-13/15 IX-5318-14/15
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5318-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.861 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div