← België

Arrest 201862 - Tucht (openbaar ambt) - 15/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.862 Rolnummer: A. 194917/IX-6636 Zaak: Arrest 201862 - Tucht (openbaar ambt) - 15/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-23 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:27 Fiche Arrest nr 201.862 van 15 maart 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 201.862 van 15 maart 2010 in de zaak A. 194.917/IX-6636 In zake : Els RENERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 30 november 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 29 september 2009 van de directeur-generaal van de federale politie waarbij aan Els RENERS de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-6636-1/15 Advocaat Iris Exelmans, die verschijnt voor de verzoekster en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest anders- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekster is tewerkgesteld bij de luchtvaartpolitie op Brussels Airport. Op 19 september 2007 wordt zij betrapt op het stelen van een som geld uit de handtas van haar collega op het secretariaat. Blijkens het verslag van haar meerdere heeft deze diefstal een plaats in de vaststelling dat reeds meer dan een jaar dergelijke diefstallen gebeuren. Er wordt ook verwezen naar een vorige diefstal van 11 september
  6. 3.
  7. Op 2 oktober 2007 beslist de directeur DAC -de gewone tuchtoverheid van de verzoekster-, voor deze feiten de hogere tuchtoverheid te vatten. 3.
  8. Op 19 oktober 2007 schrijft de hogere tuchtoverheid de procureur des konings te Brussel aan om te vernemen welk gevolg aan het gerechtelijk dossier zal worden gegeven. Tevens wordt om een afschrift van het gerechtelijk bundel en de toelating om deze stukken te mogen gebruiken in de tuchtprocedure verzocht. 3.
  9. Op 13 februari 2008 schrijft de directeur-generaal DGA, als hogere tuchtoverheid, de verzoekster aan met de mededeling dat toepassing zal worden gemaakt van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet en dat de termijn voor het betekenen van het inleidend verslag pas zal aanvangen nadat de hogere tuchtoverheid in kennis zal zijn gesteld van een gerechtelijke eindbeslissing. Hij stelt “op dit ogenblik over te weinig concrete elementen te beschikken om met kennis van zaken te oordelen of voor de ten laste gelegde feiten een tuchtprocedure dient te worden opgestart”. IX-6636-2/15 Op 1 augustus 2008 schrijft de hogere tuchtoverheid opnieuw de procureur des konings aan om haar vraag te herhalen. Bij brief van 9 september 2008 antwoordt de procureur des konings dat de verzoekster onderworpen werd aan de procedure van bemiddeling in strafzaken, dat deze procedure nog in uitvoering is en dat, indien de opgelegde voorwaarden worden nageleefd dit zal aanleiding geven tot het verval van de strafvordering. In antwoord hierop vraagt de hogere tuchtoverheid de procureur des konings op 26 september 2008 om zo snel mogelijk een afschrift van het tuchtdossier te verkrijgen zodat de tuchtprocedure kan worden verdergezet. Met verwijzing naar haar brief van 26 september 2008 herhaalt de hogere tuchtoverheid haar vraag aan de procureur des konings op 19 januari
  10. 3.
  11. Bij faxbericht van 12 februari 2009 van de tuchtverdediger van de verzoekster wordt aan de hogere tuchtoverheid meegedeeld dat de verzoekster op 4 januari 2009 aan alle voorwaarden van de strafbemiddelingsprocedure heeft voldaan. 3.
  12. Op 27 april 2009 herhaalt de hogere tuchtoverheid nogmaals haar vraag aan de procureur des konings om een afschrift van het gerechtelijk dossier te mogen verkrijgen. Dat gebeurt op 29 april
  13. In die brief wordt ook bevestigd dat de strafvordering vervallen is na strafbemiddeling. Uit het gerechtelijk dossier kan worden opgemaakt dat vijf diefstallen van een geldsom uit de geldbeugel van haar collega, die de verzoekster tijdens haar verhoor van 19 september 2007 bekend heeft, voor bewezen geacht kunnen worden. 3.
  14. Op 8 mei 2009 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op. Als datum voor de kennisname van de feiten wordt 30 april 2009 vermeld, dit is de datum waarop de hogere tuchtoverheid kennis heeft gekregen van het gerechtelijk dossier. De hogere tuchtoverheid is van oordeel dat de vijf feiten van diefstal van een geldsom voor bewezen geacht kunnen worden en aan de verzoekster kunnen worden toegerekend; de feiten worden als een tuchtvergrijp gekwalificeerd IX-6636-3/15 en er wordt voorgesteld aan de verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
  15. De verzoekster dient een verweerschrift in dat neergelegd wordt ter gelegenheid van de hoorzitting van 8 juni
  16. 3.
  17. Op 15 juni 2009 beslist de hogere tuchtoverheid het voorstel tot de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege uit te spreken. 3.
  18. Tegen deze beslissing dient de verzoekster op 23 juni 2009 een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. Op 25 september 2009 geeft de tuchtraad zijn advies: hij is van oordeel dat de feiten bewezen zijn, dat ze een tuchtinbreuk uitmaken en dat de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege verantwoord is. 3.
  19. Op 29 september 2009 beslist de hogere tuchtoverheid, in overeenstemming met het advies van de tuchtraad aan de verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de vordering
  20. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen IX-6636-4/15
  21. De verzoekster voert de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het beginsel van de redelijke termijn. Zij zet uiteen: - op 19 september 2007 is een informatieverslag opgesteld en aan de tuchtoverheid overgemaakt. In dit verslag staat het volledig relaas van de feiten, evenals de mededeling dat de verzoekster de feiten bekend heeft. De verzoekster heeft de feiten nooit betwist. De tuchtoverheid kon aldus vanaf 19 september 2007 met kennis van zaken oordelen of er een tuchtvordering moest worden ingesteld en het strafonderzoek, noch de mededeling dat er een strafbemiddelingsprocedure werd opgestart konden de feiten nog verduidelijken; - in ieder geval heeft de tuchtoverheid de gerechtelijke overheid laattijdig bevraagd; - minstens is de redelijke termijn overschreden aangezien er bijna twee jaar verstreken tussen de feiten en het opleggen van de tuchtstraf, terwijl artikel 56 van de tuchtwet de tuchtoverheid niet verplicht om met de tuchtvordering te wachten en terwijl de verzoekster reeds op 19 september 2007 de feiten toegegeven heeft en steeds loyaal meegewerkt heeft aan het onderzoek tijdens de procedure van de voorlopige schorsing; de tuchtoverheid heeft geen enkel initiatief genomen om de procedure op te starten, zelfs niet nadat de verzoekster hier uitdrukkelijk om verzocht had en nadat de verzoekster gemeld had dat de procedure strafbemiddeling ten einde was. Dan nog heeft het twee maanden geduurd vooraleer de tuchtoverheid enige actie ondernomen heeft. Niets belette de tuchtoverheid om zelf een kort administratief onderzoek op te starten indien zij van oordeel was dat het informatieverslag van 19 september 2007 onvoldoen- de informatie bevatte. De zorgvuldigheidsplicht impliceert dat de tuchtoverheid geen afwachtende houding mag aannemen en dat zij de verzoekster niet in onzekerheid mag laten gedurende een periode van twee jaar; - aangezien de tuchtoverheid verplicht is om binnen een redelijke termijn klaarheid te brengen in de situatie van het betrokken personeelslid, is de door artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet geboden mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt als de tuchtoverheid er niet in slaagt om, zonder het strafdossier in te zien of zonder de uitslag van de strafrechtelijke procedure een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten. De Raad van State zal bijgevolg moeten nagaan of de tuchtoverheid op grond van haar eigen onderzoek al dan niet reeds over voldoende gegevens beschikte en of die overheid wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij IX-6636-5/15 ontstentenis van het bewijs daarvan zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is. In casu beschikte de tuchtoverheid reeds op 19 september 2007 over een volledig informatierapport, heeft de verzoekster de feiten nooit betwist, en heeft de tuchtoverheid geen enkele onderzoeksdaad gesteld, terwijl de mededeling van het gerechtelijk dossier na beëindiging van de strafbemidde- lingsprocedure van geen enkel nut geweest is bij de redactie van het inleidend verslag. De tuchtoverheid toont niet aan dat zij goede redenen had om de tuchtvordering uit te stellen wegens het ontbreken van gegevens die zij enkel na afloop van de gerechtelijke procedure kon betrekken.
  22. De verwerende partij antwoordt daar in haar nota met opmerking- en als volgt op: - bij de betrapping op heterdaad van de diefstal gepleegd op 19 september 2007 heeft de verzoekster het feit van die dag bekend en dit is weergegeven in het informatieverslag. Voor andere feiten werd geen bekentenis afgelegd aan het betrokken diensthoofd en de tuchtoverheid kreeg hiervan dan ook geen kennis. Gelet op de context van voorheen gepleegde diefstallen heeft de hogere tuchtoverheid de toestemming gevraagd aan de procureur des konings om een afschrift van het gerechtelijk dossier te verkrijgen en om deze stukken te mogen gebruiken in de tuchtprocedure. Ondanks een herinnering is het pas op 9 september 2008 dat de procureur des konings meedeelt dat de verzoekster aan een procedure van strafbemiddeling wordt onderworpen. Tijdens het gerechtelijk verhoor werd overgegaan tot een bekentenis van in totaal vijf feiten, maar pas bij brief van 23 april 2009 heeft de procureur des konings het gerechtelijk dossier overgemaakt en toelating verleend om het te gebruiken in de tuchtprocedure. Voorheen kon en mocht de hogere tuchtoverheid zich niet op deze bekentenissen baseren voor de tuchtprocedure. In die zin was de hogere tuchtoverheid op de hoogte van het bestaan van meerdere feiten, doch beschikte zij slechts voor één feit over voldoende informatie. Er was ook onduidelijkheid over hoeveel andere feiten nog zouden kunnen opduiken. De gewone tuchtoverheid besliste om de hogere tuchtoverheid te adiëren toen zij kennis kreeg van de betrapping op heterdaad. Enkel voor die diefstal was er op dat ogenblik een bekentenis. Gelet op de context van vorige diefstallen heeft de hogere tuchtoverheid beslist om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet, omdat het om strafbare en bijzonder laakbare feiten ging, waar enkel een gerechtelijk onderzoek de nodige klaarheid en zekerheid in kon brengen. In het raam van het gerechte- lijk onderzoek werd bekentenis afgelegd voor vijf diefstallen, of vier meer dan IX-6636-6/15 de bekentenis afgelegd op 19 september
  23. Er waren trouwens gegronde redenen om aan te nemen dat er mogelijks nog meer feiten waren dan de vijf bekende diefstallen. Zolang de feiten niet geheel duidelijk waren kon de hogere tuchtoverheid dan ook geen beslissing nemen; het inleiden van de tuchtprocedure zou in die context niet beantwoorden aan een diligent handelende overheid. De tuchtoverheid kan in een administratief onderzoek nooit een even gedegen onderzoek voeren als de gerechtelijke overheid. In die zin lijkt het de verwerende partij dan ook zeer vreemd dat de plicht van een zorgvuldige feitenvinding (in het belang van beide partijen) manifest zou worden achtergesteld op het beginsel van de redelijke termijn; - inzake de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is de verwerende partij van oordeel dat de hogere tuchtoverheid, gelet op haar beperkte onderzoeksmogelijk- heden, enkel zorgvuldig kan handelen door de resultaten van het gerechtelijk onderzoek af te wachten. Indien de tuchtoverheid steevast wordt verplicht om een tuchtprocedure verder te zetten zonder de gerechtelijke eindbeslissing en de eventuele appreciatie van de strafrechter te kunnen afwachten, zal het steeds vaker voorkomen dat een rechterlijke uitspraak ingaat tegen de eindbeslissing van de tuchtoverheid, zodat de tuchtbeslissing moet worden ingetrokken en de betrokkene terug in de dienst moet worden opgenomen. Dit brengt de rechtsze- kerheid in het gedrang; - inzake de schending van de redelijke termijn wijst de verwerende partij er op dat zij op geregelde tijdstippen de procureur heeft aangeschreven (op 19 oktober 2007, op 1 augustus 2008, op 26 september 2008, op 19 januari 2009 en op 27 april 2009) zodat zij niet gedraald heeft. Tevens heeft zij onmiddellijk na ontvangst van het gerechtelijk dossier het inleidend verslag opgesteld. Zij verwijst dienaangaande ook naar het advies van de tuchtraad en stelt dat er moeilijk sprake kan zijn van een schending van de redelijke termijn aangezien er nauwelijks twee jaar verstreken zijn tussen de betrapping op heterdaad en het opleggen van de tuchtstraf. Daarbij brengt de verwerende partij in herinnering dat zij pas op 29 april 2009 het gerechtelijk dossier ontvangen heeft. Pas op dat ogenblik kon gebruik worden gemaakt van de processen-verbaal van dat dossier. De verwerende partij verwijst ten slotte naar artikel 7 van de tuchtwet waarin de samenhang tussen verschillende tuchtfeiten wordt geregeld. De hogere tuchtover- heid wist van in den beginne uit het informatieverslag dat meerdere feiten waren gepleegd, waarvan voorlopig slechts één bekend was en met zekerheid aan de verzoekster kon worden toegerekend; het was dan ook de plicht van de hogere IX-6636-7/15 tuchtoverheid om de tuchtprocedure te schorsen in afwachting van de resultaten van het gerechtelijk onderzoek. IX-6636-8/15 Beoordeling
  24. De verwerende partij bouwt haar antwoord op het feitelijk uitgangspunt dat de tuchtoverheid, wanneer zij kennis kreeg van de feiten, slechts met zekerheid kon oordelen over de betrokkenheid van de verzoekster bij één feit, met name de diefstal die de verzoekster bekend had na betrapping op heterdaad op 19 september
  25. Dat uitgangspunt is niet correct: uit het administratief dossier blijkt dat de tuchtoverheid beschikte over twee processen-verbaal, nrs. 125726 en 125727 van 19 september 2007, die door DAC-recherche-PZ/Luchthavengebouw waren opgesteld enerzijds omtrent de ontdekking op heterdaad en anderzijds met de verklaring van de verzoekster waarin zij duidelijk uitlegt vijf maal geld weg- genomen te hebben uit de geldbeugel van een collega; zowel in de beslissing van 19 september 2007 om de verzoekster voorlopig te schorsen als in de beslissing van 2 oktober 2007 tot adiëring van de hogere tuchtoverheid, worden deze beide processen-verbaal als referentie en dus als grondslag voor de getroffen maatregel vermeld. Vanaf 19 september 2007 wist de tuchtoverheid dat de verzoekster vijf diefstallen ten nadele van een collega bekende. Op die dag ving de verjarings- termijn, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet, aan zodat de verzoekster binnen de zes volgende maanden het inleidend tuchtverslag moest ontvangen. Dat is niet gebeurd.
  26. Derhalve rijst de vraag of de tuchtoverheid in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet een deugdelijke grondslag kon vinden om de betekening van het inleidend verslag uit te stellen. Zoals in het arrest Darville, nr 190.728 van 20 februari 2009 van de Raad van State is aangenomen, stelt die bepaling het bestuur niet vrij van de verplichting om diligent op te treden en mag het feit van een gerechtelijke procedure op zich, geen verontschuldiging zijn voor het uitstellen van de tuchtvordering, maar moet het bestuur zelf de nodige initiatieven nemen om zicht op de zaak te krijgen en op basis van een eigen onderzoek de tuchtprocedure op te starten; enkel wanneer dat onderzoek geen duidelijkheid biedt mag worden gewacht op de uitslag van de gerechtelijke procedure. IX-6636-9/15
  27. Uit het proces-verbaal nr. 125.727 blijkt dat de verzoekster op 19 september 2007 vijf diefstallen ten nadele van een collega bekend heeft. Met betrekking tot een andere diefstal ten nadele van dezelfde persoon (“tijdens een uitstapje vorig jaar met de collega’s van het secretariaat”) verklaart zij niets daarmee te maken te hebben en zij verklaart ook geen weet te hebben van andere diefstallen die eventueel op de dienst commando van de federale politie zouden hebben plaatsgevonden. Laatstgenoemde verklaring kan verband houden met de verwijzing, in de nota van 19 september 2007 van de sectiechef van de verzoekster, naar de vaststelling dat “eenmalig geld gestolen (werd) uit het lokaal van boekhouder INP Marc Vermeulen”.
  28. De loutere omstandigheid dat de verzoekster uiteindelijk tuchtrechtelijk vervolgd is voor dezelfde feiten waaromtrent zij onmiddellijk bekentenissen afgelegd heeft, bevat het bewijs niet dat de tuchtvordering ten onrechte uitgesteld is. De verzoekster heeft in haar verklaring van 19 september 2007 een bekentenis afgelegd voor vier diefstallen. Op grond daarvan kon de tuchtproce- dure worden opgestart. Zij heeft evenwel geen volledige bekentenis afgelegd: er bleven met name nog diefstallen onopgehelderd. Aangezien de Raad van State zich niet in de plaats van het bestuur kan stellen voor de beoordeling van de beoordelings-aspecten die tot de discretionaire bevoegdheid van het bestuur behoren, stelt hij in dit geval vast dat de directeur-generaal niet geheel onredelijk besloten lijkt te hebben de informatie van het gerechtelijk onderzoek af te wachten.
  29. De concrete omstandigheden van de zaak mogen er niet van doen blijken dat de tuchtoverheid, eens besloten het gerechtelijk onderzoek af te wachten bij gebrek aan degelijke voorlichting, de zaak op haar beloop gelaten heeft, dat zij met name zelf geen verder onderzoek gedaan heeft of dat de inspanningen die zij geleverd heeft totaal ontoereikend waren. Aan de directeur-generaal zou te dezen kunnen worden verweten dat hij zelf geen inspanningen geleverd heeft om langs administratieve weg klaarheid over de feiten en het aandeel van de verzoekster daarin te verkrijgen. Daar tegenover staat dan weer dat hij in zijn relatie met de verzoekster zeker niet onduidelijk gehandeld heeft. Met name heeft hij haar een formele beslissing ter kennis gebracht waarbij de tuchtvordering uitgesteld werd tot na de gerechtelijke IX-6636-10/15 procedure. In dat besluit van 13 februari 2008 heeft hij overwogen dat hij “op dit ogenblik over te weinig concrete elementen beschikte om met kennis van zaken te oordelen of voor de u ten laste gelegde feiten al dan niet een tuchtprocedure dient te worden opgestart”. En de verzoekster heeft zich daartegen niet verzet: zij heeft de directeur-generaal er niet op gewezen dat hij wel degelijk over voldoende informatie bezat; zij heeft hem ook niet uiteengezet op welke wijze hij de zaak kon bespoe-digen. Gelet op die mededeling van de directeur-generaal en de houding van de verzoekster daarover, kan zij na afloop van de tuchtprocedure aan het bestuur niet verwijten dat de procedure niet binnen de termijn van artikel 56, eerste lid van de tuchtwet opgestart is.
  30. Aan de verwerende partij kan ook niet worden verweten dat zij geen stappen heeft gezet om de gegevens uit het gerechtelijk dossier ten spoedigste bij de zaak te betrekken. Aldus heeft zij op 19 oktober 2007 aan de procureur des konings gevraagd om het strafdossier in de tuchtzaak te mogen gebruiken. Zij heeft die vraag herhaald op 1 augustus 2008 en nadat haar was medegedeeld dat het dossier het voorwerp vormde van een bemiddeling in strafzaken, heeft zij daarover nog gecorrespondeerd met de procureur des konings om tenslotte, na de ontvangst van het strafdossier op 29 april 2008, reeds op 8 mei 2008 het inleidend verslag te redigeren. De verwerende partij is aldus diligent opgetreden; er kan geen schending van de redelijke termijn worden vastgesteld.
  31. Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  32. De verzoekster voert de schending aan van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het beginsel van de redelijke termijn. Zij stelt dat de tuchtoverheid op 9 september 2008 door de procureur des konings in kennis gesteld is van het feit dat de verzoekster aan de procedure van de strafbemiddeling onderworpen werd. Overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet begint de termijn van zes maanden voor het instellen van de tuchtvordering te lopen -onder meer- de dag dat de strafvordering vervallen is. De mededeling van de procureur des konings van 9 september 2008 is een IX-6636-11/15 gerechtelijke eindbeslissing en die dag is de verjaringstermijn voor het mededelen van het inleidend verslag aangevangen. Beoordeling
  33. Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet stelt de verplichting om het inleidend verslag aan de betrokkene mee te delen uit tot de dag waarop de gerechtelijke overheid het bestuur in kennis stelt van de gerechtelijke eindbeslissing, van de seponering van het dossier of van het verval van de strafvordering.
  34. Uit het administratief dossier van de zaak blijkt dat de procureur des konings te Brussel de verwerende partij bij brief van 23 april 2009 verwittigd heeft dat het strafdossier “geklasseerd werd (verval strafvordering na strafbe- middeling)”. Alleen die mededeling doet de termijn bepaald in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet lopen. De vroegere brieven van de procureur des konings toonden niet aan dat de strafvordering effectief vervallen was.
  35. Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  36. De verzoekster voert de schending aan van de formele en de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt dat de zwaarte van de motiveringsplicht samenhangt met de ernst van de tuchtstraf; omdat hier een ontslag van ambtswege aan de orde is moet de motivering precies en nauwkeurig zijn maar dit is hier niet het geval, want er wordt slechts in het algemeen gesteld dat een ambtenaar als de verzoekster zich moet onthouden van dergelijke gedragingen. De verwerende partij houdt geen rekening met het feit dat de verzoekster zich in het kader van de strafbemiddeling correct gedragen heeft en dat zij de slachtoffers vergoed heeft; zij houdt ook geen rekening met de psychische toestand van de verzoekster. Dat de verzoekster het vertrouwen verloren heeft om nog op de dienst tewerkgesteld te worden is kortzichtig want er waren andere diensten waar zij naar toe gedirigeerd kon worden. IX-6636-12/15 Beoordeling
  37. De in het middel aangevoerde argumenten hebben betrekking op de formele motiveringsverplichting. Het middel is derhalve niet ontvankelijk waar het de deugdelijke grondslag van het bestreden besluit in vraag stelt en de schending van de zorgvuldigheidsverplichting aanvoert.
  38. Het bestreden besluit is uitvoerig gemotiveerd, zowel wat de toerekening van de feiten betreft als wat betreft hun tuchtrechtelijk en ernstig karakter. De verzoekster toont het ongerijmde ervan niet aan. Er wordt uiteengezet waarom de psychische toestand van de verzoekster de feiten niet kan verschonen, er wordt gewezen op het repetitief karakter van de feiten en er wordt ook verwezen naar de verstoorde vertrouwens- relatie die tot gevolg heeft dat de verzoekster niet meer welkom is binnen de luchtvaartpolitie te Zaventem en dat het zeer moeilijk zal zijn om haar in een andere functie in te schakelen. De omstandigheid dat tegen de verzoekster geen strafver- volging ingesteld is en dat zij correct de opgelegde voorwaarden in het kader van de strafbemiddeling nageleefd heeft, moesten voor de verwerende partij geen beletsel vormen om, wegens de redenen waarover zij discretionair beslist en die zij in het bestreden besluit ook op redelijke wijze verwoordt, de verzoekster uit de dienst te verwijderen.
  39. Het middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  40. De verzoekster wijst erop dat zij gedurende bijna twee jaar preventief geschorst werd, hetgeen in wezen een verkapte tuchtstraf is. De bestreden beslissing straft haar nu een tweede keer voor dezelfde feiten, waardoor de verwerende partij het beginsel “non bis in idem” miskend heeft. IX-6636-13/15 Beoordeling
  41. De verzoekster heeft de beslissing van 21 september 2007 waarbij zij preventief geschorst werd, niet tijdig bestreden. Zij kan de wettigheid van dat individueel besluit niet meer in vraag stellen in het kader van haar beroep tegen de bestreden tuchtstrafbeslissing. In ieder geval wijst zij geen overeenstemmende gegevens aan die aannemelijk maken dat de directeur-generaal met dat besluit een andere bedoeling had dan haar voorlopig buiten de dienst te houden.
  42. Een preventieve schorsing strekt ertoe een ambtenaar buiten de dienst te plaatsen zonder te onderzoeken of hij een fout begaan heeft. Een tuchtstraf daarentegen bestraft de ambtenaar voor een misdraging. Beiden kunnen naast elkaar bestaan zonder dat het beginsel “non bis in idem” geschonden is.
  43. Het middel is niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  44. Volgens de verzoekster schendt het bestreden besluit het evenredigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel omdat zij van ambtswege wordt ontslagen terwijl zij een blanco strafverleden heeft, de procedure strafbemiddeling goed opgevolgd heeft en spontaan in therapie gegaan is. Beoordeling
  45. In het kader van de marginale toetsingsbevoegdheid die de Raad van State bezit op de zwaarte van de opgelegde tuchtstraf, stelt hij voor de onderhavige zaak vast dat het, gelet op de hoge integriteitseisen die van het personeel dat bij de politie werkt verwacht mag worden, niet kennelijk onredelijk is de verzoekster, in de omstandigheden waarover het bestreden besluit -in duidelijke termen die op de concrete situatie van de verzoekster toegespitst zijn- uitweidt, uit de dienst te verwijderen. De verzachtende omstandigheden waarop de verzoekster de aandacht vestigt, tonen de kennelijke onredelijkheid van het besluit niet aan. IX-6636-14/15
  46. Het middel is niet ernstig. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6636-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.862 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.620 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.