id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.863 Rolnummer: A. 172108/IX-6394 Zaak: Arrest 201863 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 15/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-23 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:27 Fiche Arrest nr 201.863 van 15 maart 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.863 van 15 maart 2010 in de zaak A. 172.108/IX-6394 In zake : Cecilia VAN HUMBEECK wonende te Puurs Alfons Coolsstraat 24 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Tangui Vandenput kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 april 2006, strekt tot de nietigverkla- ring van “het besluit nr. 06/86, d.d. 21 februari 2006, van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij er geen kandidaten worden opgenomen in een algemeen wervingsbestand voor het vergelijkend loopbaanexamen voor adjunct van de directeur (niveau A), bij de administratie van de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofd- stedelijk Gewest, voor zover dit besluit gebaseerd is op het proces-verbaal van de examenjury, dd. 26 januari 2006, betreffende de mondelinge proef van het algemeen examengedeelte, en op het gedeelte, omtrent het mondeling examen van Cecilia Van Humbeeck, van het eindproces-verbaal van de examenjury betreffende het loopbaanexamen voor overgang naar niveau A, dd. 26 januari 2006”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit werd verworpen bij arrest nr. 157.924 van 25 april 2006. IX-6394-1/20 De verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2010. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Patrik De Maeyer, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op het tijdstip van het bestreden besluit is de verzoekster dienstleider (niveau B) bij de Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek. 3.2. Op 19 mei 2005 en 14 juli 2005 beslist het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie tot de organisatie van een vergelijkend loopbaanexamen (bevordering) om een wervingsbestand aan te leggen voor adjunct van de directeur (niveau A). IX-6394-2/20 Volgens de dienstnota van 14 juli 2005 waarmee dit examen wordt bekendgemaakt zal het examen als volgt verlopen:
- a)eerst is er een potentieelinschatting die voorafgaand aan het examen wordt uitgevoerd door een extern bureau. Op basis van deze potentieelinschatting beoordeelt de examenjury of de kandidaat beschikt over de vereiste generieke competenties en kan deelnemen aan het examen. De generieke competenties zijn: kennis: - kennis van de instelling - kennis van de instellingsomgeving - kennis van informaticatoepassingen vaardigheden: - kunnen analyseren en synthetisch denken en handelen - kunnen creatief denken en handelen - kunnen organiseren en plannen - kunnen resultaatgericht werken - kunnen leiding geven - kunnen communiceren attitude: - willen integer en legitiem handelen - willen leren en evolueren - willen klantgericht handelen - willen een positief mensbeeld hanteren
- b)het vergelijkend examen bestaat uit een algemeen en een bijzonder gedeelte. Het schriftelijk algemeen gedeelte bevat een postbakoefening en de ondervraging over vier vakken, het mondeling gedeelte bestaat uit een interview met de examenjury. De vereiste minima zijn 50% per onderdeel van de schriftelijke proef en 60% op het geheel van die proef en 60% op het interview, terwijl voor het totaal van het examen minimum 60% moet behaald worden. 3.3. Er schrijven zich 11 kandidaten in voor de potentieelinschatting waarvan er twee niet voldoen aan de gestelde anciënniteitsvoorwaarden. IX-6394-3/20 Van deze negen worden er vijf gunstig beoordeeld door de externe consultant. Er zijn ook nog twee kandidaten uit vorige examens die vrijgesteld zijn van de potentieelinschatting. Uiteindelijk nemen zes kandidaten deel aan de schriftelijke proeven. Twee kandidaten slagen waaronder de verzoekster. Zij behaalt 61,5% (min 60%) De mondelinge proef, het interview, gaat door op 26 januari 2006. Volgens het proces-verbaal worden de volgende items bevraagd: motivatie en verwachtingen en de competenties waarover de kandidaat beschikt en deze welke nog moeten ontwikkeld worden. Verder worden ook de volgende competenties getoetst: - betrokken zijn - anderen overtuigen - samenwerken - problemen analyseren - initiatief nemen. Geen van beide kandidaten slaagt in het mondeling gedeelte. Zij behalen beiden 52/100. Voor de verzoekster wordt die score als volgt verantwoord: “- betrokkenheid wordt niet overgebracht - blijft refereren naar 1 functie binnen de huidige werkomgeving - persoonlijkheid met kleur - gestructureerd antwoorden lukt niet en overtuigingskracht gaat verloren - heeft moeite met het omzetten van een idee naar uitvoering (noodzakelijk om over te brengen als leidinggevende) Voor beide kandidaten is er het ongenoegen van het schriftelijk examen- gedeelte weer: er zijn te weinig elementen om het daar behaalde niveau op te trekken, de 'middelmaat' wordt bevestigd. Een algemeen aanvoelen is dat de betrokkenheid onvoldoende is. Het nipt slagen op het schriftelijk gedeelte kon met een mondeling gedeelte dat niet overtuigend was niet worden opgehaald. Geen van beide kandidaten beschikt over de vereiste competenties om te functioneren als adjunct van de directeur (niveau A). Dit beeld werd in verschillende onderdelen van het examen (potentieelinschatting die adviserend was, schriftelijk gedeelte en mondeling gedeelte) bevestigd”. Verder wordt vermeld: “ Aan het college van 23 februari 2006 zal de niet-samenstelling van een wervingsreserve voor het vergelijkend loopbaan- examen voor adjunct van de directeur (niveau A) worden voorgedragen”. In het eindproces-verbaal van dezelfde dag worden de resultaten voor de verzoekster als volgt opgenomen: IX-6394-4/20 algemeen gedeelte bijzonder gedeel- totaal (min. 60%) te (min. 60%) (min 60%) Cécile Van Humbeeck 61,50% 52% 56,75% en wordt geconcludeerd dat “[g]een van de kandidaten is geslaagd in het vergelij- kend loopbaanexamen voor adjunct van de directeur”. 3.4. Wanneer de twee overgebleven kandidaten dit resultaat vernemen schrijven zij op 13 februari 2006 de Vlaamse Gemeenschapscommissie aan om hun ongenoegen te uiten over de wijze waarop het examen is verlopen. 3.5. Op 21 februari 2006 besluit het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie op basis van dit resultaat geen kandidaten op te nemen in een algemeen wervingsbestand voor het vergelijkend loopbaanexamen voor adjunct van de directeur (niveau A). Dit is het bestreden besluit. Het werd bij aangetekend schrijven van 14 maart 2006 betekend aan de verzoekster. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.1. De verwerende partij werpt in haar laatste memorie een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit een gebrek aan belang in hoofde van de verzoekster. Zij adstrueert deze exceptie als volgt: “Daarnaast stelt verwerende partij vast dat de verzoekende partij evenmin nog van het rechtens vereiste belang doet blijken opdat het ingestelde beroep als ontvankelijk zou kunnen worden beschouwd. De verzoekende partij had zich immers ingeschreven voor de door de verwerende partij georganiseerde bevorderingsexamens naar niveau A, waarvan de schriftelijke proef doorging op 12 juni 2009. Per e-mail van 7 juni 2009 heeft de verzoekende partij evenwel te kennen gegeven haar kandidatuur voor deze examens (en derhalve voor de bevordering naar niveau A) te willen intrekken. Aangezien de verzoekende partij blijkbaar geen bevordering naar niveau A meer nastreeft, lijkt zij geen voordeel te kunnen halen uit een gebeurlijke vernietiging van het door haar aangevochten besluit waarbij geen kandidaten IX-6394-5/20 werden opgenomen in het wervingbestand voor het examen naar het niveau waarvoor ze thans haar kandidatuur heeft ingetrokken.” 4.2. Door de staatsraad-verslaggever bij brieven van 21 januari en 10 februari 2010 ondervraagd over het rechtens vereiste belang bij haar annulatiebe- roep antwoordt de verzoekster op 10 februari 2010 in essentie als volgt: “Ik heb op geen enkel moment of op geen enkele wijze, gezegd, geschreven, ge-e-mailed, getelefoneerd, gefaxt of op enige andere wijze gecommuniceerd dat ik zou wensen af te zien van een bevordering naar niveau A. In tegendeel met deze procedure bij de Raad van State breng ik uitdrukke- lijk tot uiting dat ik wens bevorderd te worden tot niveau A en dit volgens het examenreglement van het bevorderingsexamen naar niveau A van 2005-2006 en dit met terugwerkende kracht.” In haar brief van 10 februari 2010 motiveert de verzoekster uitgebreid waarom zij niet wenste deel te nemen aan het bevorderingsexamen naar niveau A, waarvan het schriftelijk gedeelte doorging op 12 juni 2009. Haar argumentatie kan bondig als volgt worden samengevat: “(...) Het is niet omdat men, om welke redenen ook (administratieve, persoonlij- ke, familiale of gezondheidsredenen ...) aan een welbepaald en ander bevorde- ringsexamen niet deelneemt dat men verzaakt aan zijn rechten verkregen of, na uitspraak van de Raad van State, nog te verkrijgen uit een vorig bevorderings- examen. (...)”. Zij voegt daaraan toe dat het thans bestreden besluit “een totaal ander en andersoortig bevorderingsexamen betreft”. Zij licht dit verder toe in haar omstandig schrijven van 10 februari 2010. Beoordeling 4.3. Er kan worden aangenomen dat de verzoekster nog steeds doet blijken van het rechtens vereiste belang bij huidig annulatieberoep, omdat zij aannemelijk maakt dat zij heeft afgezien van deelname aan het nieuwe bevorde- ringsexamen naar niveau A, in essentie omdat de deelnemingsvereisten verschillen IX-6394-6/20 vergeleken van de deelnemingsvereisten aan het examen dat het voorwerp uitmaakt van het thans bestreden besluit. 4.4. Bijgevolg is het beroep ontvankelijk en wordt de exceptie verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 5. In een eerste middel voert de verzoekster de schending aan van artikel VIII 40bis,§1 van het personeelsstatuut van de Vlaamse Gemeenschaps- commissie en van de artikelen 6 en 7 van het examenreglement en van het praktisch reglement voor het vergelijkend loopbaanexamen - adjunct van de directeur (niveau A) 2005. Volgens haar blijkt uit die drie bepalingen dat de potentieelin- schatting voorafgaat aan het eigenlijk examen en dat het resultaat ervan, eens de examenjury op grond van die potentieelinschatting heeft geoordeeld dat de kandidaat kan worden toegelaten tot het examen, voornoemde potentieelinschatting, niet verder kan worden gebruikt bij het eigenlijk examen. Nochtans is dit gebeurd, volgens de verzoekster, omdat in het proces-verbaal van 16 januari 2006 (over het schriftelijk gedeelte) wordt vermeld: “De mondelinge proef vindt plaats op donderdag 26 januari (...). De jury komt samen vanaf 12 uur en neemt de betreffende rapporten over de potentieel- inschatting door”. Hieruit blijkt dat de jury beslist om bij het mondeling gedeelte gebruik te maken van een element, met name het rapport van de potentieelin- schatting, dat niet tot het examen behoort. Ook bij het mondeling gedeelte wordt er gebruik gemaakt van de potentieelinschatting, wat blijkt uit het proces-verbaal van 26 januari 2006 waarin wordt geschreven “Dit beeld werd in de verschillende onderdelen van het examen IX-6394-7/20 (potentieelinschatting die adviserend was, schriftelijk gedeelte en mondeling gedeelte) bevestigd.” Bij het interview wordt meerdere malen verwezen naar het rapport van de potentieelinschatting van de verzoekster dat trouwens op de jurytafel open lag. 6. De verwerende partij antwoordt dat het middel faalt in feite en in rechte. Het faalt in feite omdat het feitelijk onjuist is te stellen dat de examenjury bij het mondeling examen gebruik zou hebben gemaakt van het rapport van de potentieelinschatting om de verzoekster te beoordelen. De voorafgaande consultatie van die rapporten betekent niet dat zij een beoordelingselement van het examen zelf was. Die consultatie strekt er enkel toe de jury voorafgaandelijk zo goed als mogelijk te informeren omtrent de kandidaten die het examen zullen afleggen. De verzoekster toont alleszins niet aan, aldus de verwerende partij, dat de inhoud van het potentieelinschattingsrapport mee als element in de beoordeling werd opgenomen. Integendeel wordt in het proces-verbaal vermeld “Geen van beide kandidaten beschikt over de vereiste competenties om te functioneren als adjunct van de directeur (niveau A). Dit beeld werd in verschillende onderdelen van het examen (potentieelinschatting die adviserend was, schriftelijk gedeelte en mondeling gedeelte) bevestigd”. Uit dit citaat blijkt volgens de verwerende partij dat de potentieelinschatting een ander (voorafgaand en advise- rend) onderdeel van het globale bevorderingsexamen was dat niet te beschouwen is als een element van het mondeling gedeelte. De verzoekster bewijst niet dat het rapport betreffende de potentieelinschatting open op de jurytafel lag. Het middel faalt ook in rechte omdat geen van de ingeroepen bepalingen werd geschonden, zelfs niet indien wat de verzoekster beweert feitelijk juist zou zijn. Artikel VIII 40bis, §1 van het statuut van het personeel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie regelt uitsluitend de voorafgaande competentie- meting en rept met geen woord over het mondeling interview, aldus de verwerende partij. Dit artikel kan dan ook niet geschonden zijn, zelfs niet indien men het rapport IX-6394-8/20 ervan later nog als beoordelingselement zou aanwenden in de loop van het eigenlijk mondeling examen. In verband met de artikelen 6 en 7 van het examenreglement merkt de verwerende partij op dat de vereiste om voorafgaand aan het examen een potentieelinschatting uit te voeren om na te gaan of de kandidaten beschikken over de vereiste generieke competenties om te mogen deelnemen aan het examen, niet uitsluit dat in het kader van het schriftelijk en mondeling examengedeelte nog een nadere en meer diepgaande beoordeling van die (en gebeurlijk andere) competenties plaatsvindt. Dit blijkt volgens de verwerende partij trouwens uit de tekst van artikel 7 zelf waarin woordelijk staat “toetsing van de vereiste competenties”. De potentieelinschatting om te kunnen deelnemen verschilt dus van de competentiemeting in de loop van het examen. 7. De verzoekster voert aan dat indien de jury voorafgaandelijk aan het mondeling examen het rapport van de potentieelinschatting doorgenomen heeft, wat duidelijk uit het proces-verbaal van 16 januari 2006 blijkt, zij dit heeft gedaan om de informatie uit die rapporten aan te wenden bij het mondeling examen. Tijdens het mondeling examen heeft één jurylid meermaals de verzoekster geconfronteerd met informatie uit het rapport. Zij voegt daaraan toe dat het weliswaar zo is dat dezelfde competenties als deze die beoordeeld werden in de aan het examen voorafgaande potentieelinschatting nog tijdens het eigenlijke examen mogen beoordeeld worden, maar dit mag niet door geheel of gedeeltelijk gebruik te maken van de resultaten en rapporten van de voorafgaandelijke potentieelinschatting, en ook niet door de resultaten van die beoordeling tijdens het examen te vergelijken met deze van de voorafgaandelijke potentieelinschatting, omdat de voorafgaandelijke potentieel- inschatting verschilt van de competentiemeting in de loop van het examen. Het is volgens de verzoekster duidelijk dat elementen die niet behoren tot het examen niet mogen aangewend worden tijdens het examen, zo niet komt men tot arbitraire toestanden en rechtsonzekerheid. Het is trouwens zeer de vraag hoe al de competenties die getest werden tijdens een potentieelinschatting die meer dan een halve dag duurde, op een onafhankelijke manier ernstig kunnen IX-6394-9/20 worden getoetst in een weinig gestructureerd gesprek van nauwelijks een half uur. IX-6394-10/20 Beoordeling 8. In dit middel wordt aangevoerd dat de jury van de mondelinge proef ten onrechte gebruik maakte van de resultaten van de potentieelinschatting omdat dit een element is dat aan het examen voorafgaat en enkel dient om de toelaatbaarheid tot het vergelijkend loopbaanexamen van de kandidaat te beoorde- len. Artikel VIII 40bis,§1 van het statuut van het personeel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie luidt als volgt: “Om aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A te mogen deelnemen, moet de ambtenaar over de noodzakelijke generieke competenties beschikken voor het uitoefenen van een functie in niveau A. Een selectiecom- missie beoordeelt op basis van een potentieelinschatting of de ambtenaar over de vereiste generieke competenties beschikt. De selectiecommissie wordt voorgezeten door de leidend ambtenaar. Deze potentieelinschatting wordt georganiseerd voorafgaand aan het overgangsexamen. De inhoud, de organisa- tie en de uitvoering ervan worden op voorhand bepaald.” De artikelen 6 en 7 van het examenreglement luiden als volgt: “Artikel 6. Om aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A te mogen deelnemen, moet de ambtenaar over de noodzakelijke generieke competenties beschikken voor het uitoefenen van een functie in niveau A. (cfr. artikel VIII 40 bis § 1 van het VGC-personeelsstatuut) Voorafgaand aan het vergelijkend loopbaanexamen beoordeelt de examen- jury op basis van een potentieelinschatting of de ambtenaar over de vereiste generieke competenties beschikt. (cfr. artikel VIII 40 bis § 1 van het VGC-personeelsstatuut) De generieke competenties die getoetst worden in het algemeen gedeelte van het bevorderingsexamen (kennis, vaardigheden, attitudes), via een inbox en een ondervraging over vier vakken, zijn vereist voor het profiel van de functie of de functiegroep waarvoor het loopbaanexamen wordt georganiseerd, met name adjunct van de directeur (niveau A). Deze potentieelinschatting gebeurt door een extern bureau. De inhoud, de organisatie en de uitvoering ervan worden op voorhand bepaald door de examenjury. Artikel 7. Het examenprogramma voor het vergelijkend bevorderingsexamen voor adjunct van de directeur (niveau A) bestaat uit een algemeen en een bijzonder gedeelte. IX-6394-11/20 Algemeen gedeelte (schriftelijk) • Inbox (postbakoefening) waarbij situaties en opdrachten op niveau van adjunct van de directeur moeten worden verwerkt. • Ondervraging over vier vakken. Toetsing van de vereiste generieke competenties (kennis, vaardigheden, attitudes) Bijzonder gedeelte (mondeling) Interview met de examenjury Vereiste minima voor de proeven zijn: 1. algemeen gedeelte (schriftelijk): 50 % per onderdeel van de schriftelijke proef en 60 % over de gehele schriftelijke proef 2. bijzonder gedeelte (interview): 60 % 3. totaal (algemeen en bijzonder gedeelte): 60 % De geslaagden worden gerangschikt volgens de resultaten over het hele examen. De kandidaten moeten minstens 60 % behalen. De examenjury legt de maximumduur vast. Indien -bij rekrutering uit het wervingsbestand van het loopbaanexamen- voor een vacante functie specifieke competenties worden gesteld, kan een bijkomende selectieproef (= specifiek examengedeelte) worden afgenomen. Dit examengedeelte bestaat uit een interview (met of zonder schriftelijke voorbereiding) en/of een schriftelijke proef waarbij de profielen van de kandidaten worden getoetst op de aanwezigheid van de voor de functie vereiste specifieke competenties. De kennisgeving van de vacatures gebeurt bij dienstnota. Om te slagen in het specifieke gedeelte moeten de kandidaten minstens 60 % behalen. De geslaagden voor deze selectieproef worden voor de vacant verklaarde functie gerangschikt in een bijkomend specifiek wervingsbestand voor bevordering (volgens de resultaten behaald op het specifiek examengedeelte). Zij die niet slagen in het specifiek examengedeelte blijven in het algemeen wervingsbestand voor bevordering opgenomen.” Met de verwerende partij wordt aangenomen dat artikel VIII, 40bis, §1, van het statuut van het personeel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie enkel handelt over de voorafgaandelijke potentieelinschatting maar geen bepaling bevat betreffende het eventueel gebruik van de resultaten ervan tijdens het examen zelf. In haar memorie van wederantwoord schrijft de verzoekster dat het zo is dat dezelfde competenties als deze die beoordeeld werden in de aan het IX-6394-12/20 examen voorafgaande potentieelinschatting nog tijdens het eigenlijke examen mogen beoordeeld worden. Dit blijkt uit artikel 7 van het examenreglement waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat ook in het algemeen gedeelte de vereiste generieke competenties worden beoordeeld, aldus de verzoekster. Zij meent dat dit niet mag door geheel of gedeeltelijk gebruik te maken van de resultaten en rapporten van de voorafgaandelijke potentieelinschatting en ook niet door de resultaten van die beoordeling tijdens het examen te vergelijken met deze van de voorafgaandelijke potentieelinschatting en wel omdat de voorafgaandelijke potentieelinschatting verschilt van de competentiemeting in de loop van het examen. Beoordeling 9. De voorafgaandelijke potentieelinschatting geeft informatie over de mate waarin de kandidaat de vereiste generieke competenties bezit. Als zodanig verschaft het informatie die pertinent is voor de beoordeling van de kandidaat. Het valt niet in te zien waarom het gebruik maken bij het examen van de informatie die deze potentieelinschatting oplevert zou leiden tot arbitraire toestanden en rechtsonzekerheid. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van 26 januari 2006 dat de conclusie dat geen van beide kandidaten beschikt over de vereiste competenties om te functioneren als adjunct van de directeur (niveau A) gesteund is op het geheel van de examenproeven vermits er wordt overwogen: “Dit beeld werd in verschillende onderdelen van het examen (potentieelinschatting die adviserend was, schriftelijk gedeelte en mondeling gedeelte) bevestigd”. Daaruit blijkt dat de conclusie van de jury niet alleen steunt op de voorafgaandelijke potentieelinschatting maar hoofdzakelijk op de resultaten van het schriftelijk en mondeling gedeelte van het examen, die aansloten bij wat ook uit de voorafgaandelijke potentieelinschatting reeds bleek. Indien de voorafgaandelijke potentieelinschatting wordt vermeld dan is dat als een argument ten overvloede en niet als een doorslaggevend element. 10. Het eerste middel is niet gegrond. IX-6394-13/20 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 11. In het tweede middel voert de verzoekster de schending aan van het beginsel van behoorlijk bestuur dat stelt dat in de loop van een procedure de gehanteerde regels en criteria niet kunnen worden gewijzigd. Concreet heeft de jury bij het mondeling examengedeelte vier andere en nieuwe competenties getoetst aldus de verzoekster, vergeleken met diegenen die als generieke competenties waren opgesomd in de dienstnota van 17 juli 2005 waarmee het examen werd aangekondigd, en dit zonder dat de kandidaten daarvan vooraf werden op de hoogte gebracht. Het betreft de competenties “betrokken zijn”, “anderen overtuigen”, “samenwerken”, “problemen analyseren” en “initiatief nemen”. Het eindoordeel van de jury, zoals dit is weergegeven in het proces-verbaal van 26 januari 2006, is dan weer gesteund op elementen die teruggaan noch op de oorspronkelijk vermelde competenties, noch op de competenties die in het proces-verbaal van 16 januari 2006 werden vermeld. Zij besluit dat de examenjury tot twee maal toe in de loop van de procedure de regels en de criteria heeft gewijzigd. 12. Voor de verwerende partij faalt ook dit middel in feite en in rechte. Volgens haar is het onjuist aan te voeren dat de generieke competenties vermeld in de dienstnota verschillen van deze vermeld in het proces- verbaal van de examenjury. Het gaat enkel om een verandering van begrippen die dezelfde lading dekken en die het gevolg is van het in de loop van de procedure geïntroduceerde competentiewoordenboek. Uit het “competentieprofiel voor adjuncten van de directeur + indicatoren” dat werd gebruikt in het kader van het mondeling examen blijkt dat de opgegeven competenties eigenlijk samenvallen met wat voordien werd opgegeven in de dienstnota. IX-6394-14/20 Het middel faalt volgens de verwerende partij ook in rechte, want zelfs als het om andere competenties zou gaan dan zou dit toch niet de onwettigheid van de beoordeling met zich brengen. Nergens wordt immers in het personeelsstatuut, noch in een andere bepaling gesteld dat de beoordelingscriteria voor het examen verplicht voorafgaand aan het examen moeten worden bekend gemaakt. Het feit dat de jury met dergelijke nieuwe criteria rekening zou houden is niet onregelmatig, voor zover ze alle kandidaten op grond van dezelfde criteria beoordeelt, wat in casu het geval is geweest, aldus de verwerende partij. 13. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekster aan dat er niet terecht kan worden verwezen naar het competentiewoordenboek omdat: - dat pas na de eindbeslissing over het examen werd afgekondigd; - er in de documenten met betrekking tot de examenprocedure geen melding wordt van gemaakt; - een competentiewoordenboek slechts een lijst is van omschrijvingen van een aantal competenties die als bouwstenen kunnen worden gebruikt om competentie- profielen op te stellen, maar het woordenboek geen keuze van competenties, dus een competentieprofiel, inhoudt. Zij voegt daaraan toe dat de documenten die als stukken 13 b, 13c en 13d worden naar voorgebracht door de verwerende partij niet gedateerd zijn en dus mogelijkerwijze dateren van na het bestreden besluit en dat er in geen enkel proces-verbaal van het examen naar wordt verwezen. Beoordeling 14. Uit de stukken van het administratief dossier met betrekking tot het proces-verbaal van 16 januari 2006 blijkt dat voor het beoordelen van de testen gebruik werd gemaakt van de competentiematrix voor adjuncten van de directeur en de bijbehorende beoordelingsroosters. In de opgestelde nota van de directie personeel van 20 februari 2006, en de toelichtingsnota bij het ontwerp van collegebesluit nr. 06/86, houdende de niet samenstelling van een wervingsbestand voor het vergelijkend loopbaanexamen voor adjunct van de directeur, wordt bepaald dat in de schriftelijke proef, in toepassing van het competentiewoordenboek de volgende competenties werden getoetst: “dienstbaar zijn”, “integer handelen”, “betrokken zijn”, “anderen overtuigen”, “samenwerken”, “problemen analyseren”, “oordelen vormen”, “een visie ontwikkelen”, “initiatief nemen”, IX-6394-15/20 “organisatiesensitief handelen”, “plannen en organiseren”, “taken en processen opvolgen”, en dat in het mondeling gedeelte bijkomend werden getoetst de competenties “betrokken zijn”, “anderen overtuigen”, “samenwerken”, “problemen analyseren”, “initiatief nemen”. Wat voorafgaat stemt overeen met de bijgevoegde beoordelings- roosters en met de beoordelingsmatrix vervat in de stukken 13b en 13c van het administratief dossier. Daaruit wordt afgeleid door de verzoekster dat tijdens het loopbaanexamen andere, of minstens op een andere wijze gedefinieerde competenties werden getoetst dan deze die in de oproep werden vermeld. Bij een vergelijking van titels en verdiensten is het niet vereist, tenzij het uitdrukkelijk is voorgeschreven, dat de overheid die de vergelijking doet, vooraf de criteria bekendmaakt die zij bij de vergelijking van de kandidaten zal hanteren. Zelfs indien zij deze vooraf bekendmaakt dan nog mag zij rekening houden met andere, niet vooraf meegedeelde criteria voor zover ze alle kandidaten volgens dezelfde criteria beoordeelt. Wat voorafgaat is toepasselijk op het voorliggende loopbaan- examen omdat dit geen examen was rond kennis maar wel eerder een beoordeling en vergelijking van competenties. Inderdaad blijkt uit de stukken van het dossier dat de kandidaten niet slaagden niet omwille van een onvoldoende kennis van bepaalde materies, maar wel omwille van het niet beschikken over voldoende ontwikkelde competenties. Competenties zijn elementen waarop men zich moeilijk kan voorbereiden, die men nauwelijks kan instuderen en op korte tijd verwerven als voorbereiding op een examen. Het feit dat andere competenties werden getoetst dan diegenen die vooraf werden meegedeeld heeft de kandidaten dan ook niet kunnen benadelen, nu niet wordt aangevoerd en ook niet blijkt dat de competenties die wel werden getoetst niet pertinent zouden zijn of dat niet alle kandidaten volgens dezelfde criteria, werden beoordeeld. Bijgevolg heeft de omstandigheid dat de examenjury tijdens het mondeling examen andere competenties beoordeelde dan deze die waren opgesomd IX-6394-16/20 in de dienstnota waarmee het examen werd aangekondigd, geen onregelmatigheid van het examen tot gevolg. 15. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel 16. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekster een nieuw middel aan waarin zij betoogt dat het eindproces-verbaal van 26 januari 2006 onvoldoende en weinig precies is gemotiveerd omdat niet wordt aangegeven waarom en op welke wijze de verzoekster niet voldoet aan een aantal competen- ties/criteria die werden opgesomd in de eindbeoordeling. Omdat het bestreden besluit zelf als enige inhoudelijke motivatie verwijst naar die eindbeoordeling is meteen ook dit besluit niet afdoende gemotiveerd. Beoordeling Omwille van de gelijkheid van de partijen kan een verzoeker in zijn memorie van wederantwoord slechts op ontvankelijke wijze een nieuw middel aanvoeren dat niet de openbare orde raakt, indien hij het niet reeds in zijn verzoekschrift kon aanvoeren. De verzoekster steunt haar derde middel op de inhoud van het eindproces-verbaal van 26 januari 2006 ( zij bedoelt eerder het proces-verbaal van de mondelinge proef van dezelfde datum omdat daarin sprake is van de getoetste competenties). Dit stuk voegde zij zelf als bijlage 18 bij haar verzoekschrift. Zij had dit middel dus reeds in haar verzoekschrift kunnen aanvoeren. Het is ook geen middel dat de openbare orde raakt vermits de formele motiveringsplicht niet van openbare orde is. Bijgevolg kan zij dit middel niet op ontvankelijke wijze pas in haar memorie van wederantwoord aanvoeren. 17. Het derde middel is niet ontvankelijk. IX-6394-17/20 D. Vierde middel 18. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekster nog een tweede nieuw middel aan, gesteund op de schending van een op straffe van nietigheid gestelde procedurevereiste. De verzoekster voert aan dat, vermits het eindproces-verbaal van 26 januari 2006 pas op 14 februari 2006 werd verstuurd naar de juryleden, en deze tot 13 maart 2006 de tijd hadden om dit proces-verbaal al dan niet goed te keuren, het bestreden besluit, dat dateert van 21 februari 2006, genomen werd op grond van een nog niet goedgekeurd proces-verbaal. Het feit dat er uiteindelijk geen reacties van de juryleden werden genoteerd doet volgens de verzoekster niet ter zake. Er hadden na 21 februari 2006 nog reacties genoteerd kunnen worden, temeer daar achteraf bleek dat er geen eensgezindheid bestond tussen de juryleden over de beoordeling van de verzoekster. Het kan dus zijn dat één of meerdere juryleden, gezien het feit dat het college reeds op 21 februari 2006 zijn beslissing had genomen, het niet langer nuttig en zinvol achtten om hun opmerkingen nog kenbaar te maken. Beoordeling 19. Dit nieuw middel steunt op gegevens die zijn opgenomen in het stuk 11 van het administratief dossier zijnde het “overzicht goedkeuring P.V.’s door juryleden”. Het blijkt niet dat de verzoekster deze gegevens kende vooraleer zij kennis nam van het dossier en zij het dus reeds in haar verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Het middel kan dus nog op ontvankelijke wijze pas in de memorie van wederantwoord worden aangevoerd. De regeling betreffende de mogelijkheid voor de juryleden om hun opmerkingen te laten geworden betreffende de opgestelde processen-verbaal is vervat in artikel 13 van het examenreglement. Uit niets blijkt dat dit een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm- of procedurevereiste is. De verzoekster beweert niet dat er nog geen proces-verbaal bestond. Zij houdt alleen voor dat er nog geen definitief goedgekeurd proces-verbaal IX-6394-18/20 kon zijn omdat de termijn waarbinnen de leden hun opmerkingen konden maken nog niet was verstreken. De omstandigheid dat het proces-verbaal nog niet goedgekeurd was op het ogenblik van het bestreden besluit is geen reden om het besluit te vernietigen. Het goedkeuren van het proces-verbaal is alleen het bevestigen dat het, zoals het werd opgesteld, correct weergeeft wat er op de vergadering is gebeurd en beslist en, in casu, correct het standpunt van de jury weergeeft. Het betekent geenszins dat het besluit nog niet of niet definitief zou zijn genomen. Uit het dossier blijkt dat geen opmerkingen werden gemaakt, door de juryleden, waaruit wordt afgeleid dat zij het proces-verbaal volledig onderschreven, minstens dat de erin vermelde conclusie overeenkomt met wat werd beslist. Daardoor is het proces- verbaal ook, overeenkomstig het voornoemd artikel 13, definitief geworden en stemt het overeen met de inhoud die het van in het begin had en staat het vast dat die inhoud correct was. Zelfs was het proces-verbaal op het ogenblik van het bestreden besluit nog niet definitief, dan is het dat achteraf wel geworden en bijgevolg staat vast dat het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie door zich te steunen op het nog niet definitief goedgekeurde proces-verbaal geen onjuist motief heeft gebruikt. De door de verzoekster geopperde mogelijkheid dat één of meerdere juryleden, gezien het feit dat het college reeds op 21 februari 2006 zijn beslissing had genomen, het niet langer nuttig en zinvol achtten om hun opmer- kingen nog te formuleren is een puur hypothetisch, gelet op het feit dat in het proces-verbaal over de mondelinge proef van 26 januari 2006, reeds vermeld stond dat aan het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie van 23 februari 2006 de niet-samenstelling van een wervingsreserve zou worden voorgesteld. De juryleden wisten dus dat het besluit vlug zou vallen en dat, indien ze opmerkingen te formuleren hadden zij, dit snel en in elk geval vóór die datum moesten doen. 20. Het vierde middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-6394-19/20 2. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6394-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.863 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div