id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.876 Rolnummer: A. 171263/X-12757 Zaak: Arrest 201876 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:27 Fiche Arrest nr 201.876 van 15 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.876 van 15 maart 2010 in de zaak A. 171.263/X-12.757. In zake: Joseph VAN DER VEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erik Van Der Vloet kantoor houdend te 2320 HOOGSTRATEN Vrijheid 243 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 maart 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit 12 januari 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende, eensdeels, de verwerping van het beroep van de verzoeker tegen het besluit van 29 augustus 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van verbouwingswerken aan de achterbouw van een woning gelegen te Brecht, Varenstraat 17, kadastraal bekend sectie D, nr. 732/G/2, en anderdeels, de bevestiging van het voormelde besluit van 29 augustus 2005. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-12.757-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dominique Peeters, die loco advocaat Erik Van Der Vloet verschijnt voor de verzoeker, is gehoord. Gehoord Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt, daartoe gemachtigd bij besluit van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, in zijn eensluidend advies. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Regelmatigheid van de rechtspleging 3.1. In haar memorie van wederantwoord werpt de verzoeker met betrekking tot de regelmatigheid van de memorie van antwoord op wat volgt: “Art. 6 Regentsbesluit 23 augustus 1948 bepaalt : Zodra het nuttig is, stuurt de hoofdgriffier onmiddellijk een kopie van het verzoekschrift aan de tegenpartij. Deze beschikt over een termijn van zestig dagen om aan de griffie een memorie van antwoord en, zo het in haar bezit is, het administratief dossier te doen geworden In casu is de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen de tegenpartij. Derhalve heeft de bestendige Deputatie een termijn van zestig dagen (
- om)een memorie van antwoord aan de griffie toe te sturen. Art. 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de partijen zich mogen laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Dit impliceert uiteraard ook dat enkel partijen en/of hun advocaat, een memorie kunnen indienen. In casu werd een memorie van antwoord ingediend, binnen de zestig dagen. door Mevr. Hildegard Pettens, beweerdelijk afdelingschef, en welke stelde namens de Deputatie de memorie in te dienen. Mevrouw Pettens is geen lid van de Bestendige Deputatie. Uit geen enkel element van het dossier blijkt dat Mevr. Hildegard Pettens de bevoegdheid heeft de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen te vertegenwoordigen voor de Raad van State. X-12.757-2/12 Art. 106 bepaalt dat de Bestendige Deputatie de raadslieden van de provincie benoemt en de gemachtigden die haar voor de rechtbanken zullen vertegenwoordigen. Dat met de Rechtbanken uiteraard enkel de gewone Rechtbanken zoals bepaald in de Grondwet, worden bedoeld, doch geenszins de Raad van State en de administratieve Rechtscolleges. Er dient derhalve te worden vastgesteld dat tegenpartij geen memorie heeft neergelegd binnen de wettelijke termijn van 60 dagen”. 3.2. Luidens artikel 104, eerste lid van de toentertijd geldende provinciewet wordt de bestendige deputatie van de provincieraad voorgezeten door de provinciegouverneur. Luidens artikel 106, vierde en vijfde lid van dezelfde wet benoemt de bestendige deputatie de raadslieden van de provincie en de gemachtigden die haar voor de rechtbanken zullen vertegenwoordigen, en worden de rechtsgedingen van de provincie als eiser of als verweerder gevoerd namens de bestendige deputatie door haar voorzitter. Uit voormelde bepalingen volgt dat de provinciegouverneur in beginsel de procedurestukken ondertekent, tenzij de bestendige deputatie raadslieden of gemachtigden heeft benoemd die haar voor de rechtbanken zullen vertegenwoordigen. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de memorie van antwoord is ondertekend “Namens de deputatie, De afdelingschef (w.g.) Hildegard Pettens”. 3.3. De verwerende partij heeft bij haar laatste memorie een uittreksel gevoegd uit de notulen van de zitting van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 29 september 2005 waarin, in uitvoering van een beslissing van de bestendige deputatie van 14 juli 2005 “om nieuw ingeleide schorsings- en annulatieprocedures bij de Raad van State tegen beslissingen inzake bouw- en verkavelingsberoepen, door de juridische cel van DROM te laten behandelen”, en dat “enkel in uitzonderingsgevallen (...) de dossiers nog uitbesteed (zullen) worden aan externe advocaten”, onder meer aan Hildegard Pettens machtiging wordt verleend “om het provinciebestuur in rechte te vertegenwoordigen op de zittingen van de Raad van State”. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat Hildegard Pettens op grond van deze machtiging de vereiste hoedanigheid had om de memorie van antwoord te ondertekenen. Het argument van de verzoeker dat de machtiging enkel kan worden verleend om de bestendige deputatie in rechte te vertegenwoordigen voor de gewone rechtbanken en niet voor de Raad van State kan niet worden bijgetreden. De bepaling van artikel 106 van de provinciewet handelt immers over X-12.757-3/12 rechtsgedingen van de provincie als eiser of als verweerder in het algemeen, zowel voor de gewone rechtbanken als voor andere rechtscolleges. De exceptie kan niet worden aangenomen. IV. Feiten 4.1. Op 12 juli 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van verbouwingswerken aan de achterbouw van een woning en de oprichting van een carport te Brecht, Varenstraat 17, op een perceel kadastraal bekend sectie D, nr. 732/G/2. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout is het betrokken perceel gelegen in woongebied met landelijk karakter. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, en maakt evenmin deel uit van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling. 4.2. Bij besluit van 29 augustus 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht de stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van de carport, doch weigert de vergunning voor de regularisatie van de verbouwingswerken aan de achterbouw van de woning. 4.3. Op 10 oktober 2005 stelt de verzoeker tegen het voormelde besluit beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen in zoverre de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van de verbouwingswerken aan de achterbouw van de woning. 4.4. Bij het thans bestreden besluit van 12 januari 2006 willigt de bestendige deputatie het beroep niet in en bevestigt zij de beslissing van 29 augustus 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht. X-12.757-4/12 V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 5.1. In een enig middel voert de verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, "minstens van het algemeen aanvaard rechtsbeginsel van de motiveringsplicht voor elke bestuurshandeling". Hij zet dit middel uiteen als volgt: “Art. 2 Wet 29 juli 1991 stelt dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Art. 3 van diezelfde wet bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Dat bovendien wordt bepaald dat de motivering afdoende moet zijn. Het is zelfs een algemeen aangenomen beginsel dat aan elke bestuurshandeling juiste, relevante en wettelijk toelaatbare redenen ten grondslag moet liggen, die aan de handeling voorafgaan en ze rechtvaardigen, zelfs al is de motivering niet op grond van een wettekst vereist (...). De motivering van de bestreden beslissing in casu is summier en nietszeggend. Er wordt niet volledig geantwoord op de door verzoeker in zijn beroepsverzoek tot de Bestendige Deputatie aangehaalde grieven. Dat de verplichting tot afdoende motivering (juridisch en feitelijk) impliceert immers dat wordt geantwoord op alle argumenten aangehaald door de betrokken partijen. 2. De inhoud van het verzoek tot hoger beroep tegen de beslissing van de Gemeente Brecht van 29 augustus 2005, luidde als volgt : Ik ben de raadsman van Dhr VAN DER VEER Joseph. l’arenstraat 17, 2960 Brecht. Namens cliënt teken ik beroep aan tegen de beslissing van het College van de Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Brecht dd. 29 augustus 2005, aangetekend verstuurd op 15/9/2005, en ontvangen door Dhr. VAN DER VEER op 19/9/2005, waarvan kopie in bijlage 1 gevoegd bij dit schrijven. In de bestreden beslissing wordt beslist: ‘Het college van burgemeester en schepenen weigert de vergunning aan dhr. Joseph VAN DER VEER voor regulariseren verbouwingswerken achterbouw in Varenstraat 17 te Brecht, kadasternummer (afd4) sectie D nr. 732 G2, omwille van hierboven vermelde redenen. Vergunning wordt verleend aan Dhr. Joseph VAN DER VEER voor regulariseren carport in Varenstraat 17 te Brecht, kadasternummer (afd4) sectie D nr. 732 G2’ Dat uiteraard enkel hoger beroep wordt ingesteld tegen de weigering. Dat tot weigering werd beslist omwille van volgende motivering, waarmee Dhr. VAN DER VEER zich niet kan verzoenen: ‘Gelet op het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Het betreffend perceel ligt volgens het vastgesteld gewestplan Turnhout in woongebied met landelijk karakter. Het perceel is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd BPA. X-12.757-5/12 De aanvraag is niet gelegen binnen een vergunde niet-vervallen verkaveling. De aanvraag betreft de regularisatie van een achterbouw die op de perceelsgrens werd opgetrokken zonder vergunning en de regularisatie van een carport. Overwegend dat de aanvraag principieel in overeenstemming is met de voorschriften van de vastgestelde gewestplan. Overwegend dat de algemene regels voor gekoppelde bebouwing (minimaal 3m van de perceelsgrens blijven, de eerste 9m achter de voorgevel mag een gelijkvloers en een eerste verdieping met een zadeldak gebouwd worden, tot 13m achter de voorgevel mag een gelijkvloers een eerste verdieping met een plat dak gebouwd worden en tot 17m achter de voorgevel mag enkel gelijkvloers met plat dak gebouwd worden) van toepassing zijn en dat de afwijkingen hierop enkel kunnen toegestaan worden mits akkoord van de naastliggende eigenaar en mits zo de plaatselijke goede ordening niet verstoren, voldoet voorliggende aanvraag niet aan deze regels. Overwegend dat het bestaan van de achterbouw in betonplaten - al dan niet vergund - niet automatisch het recht geeft om na afbraak deze achterbouw opnieuw op te trekken. Gelet op de perceelsbreedte van het betreffend perceel en van perceel Varenstraat 19 komen beide percelen bij nieuwbouw enkel in aanmerking voor een gekoppelde woning. Overwegend dat op 09/07/2000 vergunning voor bouwen van een vrijstaande woning in Varenstraat 15 te Brecht met voorgevelbouwlijn op 7m uit de voorste perceelsgrens werd afgeleverd moet bij nieuwbouw van Varenstraat 17 op de voorgevelbouwlijn eveneens op 7m uit de perceelsgrens liggen. Bij de voorliggende aanvraag vallen zowel het bestaande gedeelte aan de voorzijde als het nieuwe gedeelte aan de achterzijde buiten de bouwzone die in geval van nieuwbouw gerespecteerd dient te worden. Hierdoor wordt een situatie gecreëerd die niet verenigbaar is met de voor de toekomst na te streven ordening (na ev afbraak van de voorbouw en de heropbouw volgens profiel gekoppelde bebouwing blijft de voorliggende achterbouw een grotere diepte hebben dan de toegelaten 17m) Overwegend dat de eigenaar van het rechts aangrenzend perceel de plannen voor akkoord heeft ondertekend kan de carport vergund worden. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsaanvragen gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 30 februari 2001 bepaalt dat een openbaar onderzoek vereist is. Er werd een openbaar onderzoek georganiseerd dat werd afgesloten op 22 augustus 2005. Naar aanleiding van dit openbaar onderzoek werd(
- en)1 schriftelijk bezwaar ingediend. Op 5 augustus 2005 werd do(o)r L. Aerts, Vaartstraat 81 , 2960 Brecht, bezwaar ingediend. Dit bezwaar is ontvankelijk. Het bezwaar handelt over: A. De overschrijding van de bouwdiepte met 8.30 meter. Dit heeft een storend effect op de plaatselijke ordening. Dil vormt naar de toekomst een ernstig precedent. B. De inplanting gebeurt pal op de perceelsgrens en dus op de grond van Dhr. Knaepkens wiens eigendomsrecht ernstig wordt aangetast. C. De ernstige overschrijding van de bouwdiepte leidt tot een zeer ernstige beperking van de licht- en zoninval. De bezwaren worden als volgt geëvalueerd: X-12.757-6/12 A. Zoals hoger besproken heeft de overschrijding van de bouwdiepte inderdaad een storend effect op de plaatselijke ordening. Het bezwaar is gegrond. B. De inplanting van een muur naast of op de perceelsgrens dient te gebeuren conform de regelgeving in het burgerlijk wetboek. Dit bezwaar is niet stedenbouwkundig van aard. Het bezwaar wordt niet weerhouden. C. De overschrijding van de bouwdiepte beperkt de licht- en zoninval op het noordelijk gelegen perceel. Dit is echter geen stedenbouwkundig argument. Het bezwaar wordt niet weerhouden. ...’ Dat er inderdaad geen ‘recht’ bestaat om een bestaande, al dan niet vergunde doch omwille van de ouderdom zeker niet vergunningsplichtige, achterbouw in betonnen platen, af te breken en opnieuw op te trekken. Dat in onderhavige zaak echter in aanmerking dient te worden genomen dat: - De oorspronkelijke achterbouw zonder probleem had mogen blijven staan. - De huidige achterbouw alleszins een verbetering inhoudt in vergelijking met de beslaande achterbouw, niet alleen voor het zicht van de Heer VAN DER VEER zelf doch ook voor de buren. - De nieuwe achterbouw op de plaats van de bestaande achterbouw is ingeplant, met haast geen wijzigingen van de bebouwde oppervlakte. Dat derhalve de goede plaatselijke ordering niet in het gedrang komt, en, wat meer zij, positief wordt beïnvloed door het opknappen van de achterbouw. Dat de redenering in de bestreden beslissing in verband met de ‘algemene regels voor gekoppelde bebouwing’ en de wijze waarop deze eventueel zouden kunnen worden geschonden door aan Dhr VAN DER VEER nu de gevraagde regularisatie te geven, puur hypothetisch is. De bewering ‘Hierdoor wordt een situatie gecreëerd die niet verenigbaar is met de voor de toekomst na te streven ordening (na ev. afbraak van de voorbouw en de heropbouw volgens profiel gekoppelde bebouwing blijft de voorliggende achterbouw een grotere diepte hebben dan de toegelaten 17m)’ gaat dan ook niet op. De problemen en inbreuken welke zouden kunnen ontstaan ivm de regels welke ter plaatse gelden in verband met gekoppelde bebouwing, zoals aangehaald in de bestreden beslissing, kunnen immers worden ondervangen op het ogenblik dat een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning wordt gedaan welke specifiek betrekking heeft op afbraak en heropbouw van de voorbouw. Alsdan kan men aan de eventuele stedenbouwkundige vergunning de voorwaarde verbinden dat de totale bouwdiepte niet groter mag zijn dan 17m) Thans sanctioneert de weigeringsbeslissing in feite de verbetering die de heer VAN DER VEER aanbrengt aan de perfect legale bestaande toestand, die niets vandoen heeft met afbreken heropbouwen van de voorbouw. Derhalve, indien Dhr VAN DER VEER de (zeer lelijke) situatie zoals deze vooraf bestond, zo had gelaten, was er tevens een ‘inbreuk’ op de algemene regels voor gekoppelde bebouwing, doch zonder mogelijke sanctionering. Wat betreft het bezwaar van Mr. L. AERTS namens buurman G. KNAEPKENS, welk door de bestreden beslissing gegrond werd X-12.757-7/12 verklaard, nl. dat de bouwdiepte wordt overschreden met 8.3 meter wat een storend effect zou hebben op de plaatselijke ordening, wat naar de toekomst toe een ernstig precedent zou vormen, dient het volgende opgemerkt. Wat het beweerd storend effect op de plaatselijke ordening, is dit in feite niet aanwezig. Immers, de situatie ter plaatse wordt enkel maar verbeterd door het vervangen van een achterbouw in betonplaat, door een mooie achterbouw in nieuwe materialen. Het bezwaar van Knaepkens, welk overigens een gevolg is van een domme burenruzie veeleer dan dat dit een daadwerkelijk gemeend stedenbouwkundig bezwaar vormt (Dhr. Knaepkens geeft immers niets om goede plaatselijke ordening, waarvan de inplanting van de gebouwen op zijn perceel getuig), is een fictief bezwaar. Immers, de bouwdiepte is steeds met 8.3 meter overschreden geweest. De vooraf bestaande situatie (achterbouw in betonnen platen) welke perfect legaal was, overschreed evenzeer met 8.3 meter. Dat er voor het overige geen enkel bezwaar bestaat tegen de regularisatie. Dat de bestreden beslissing dan ook dient te worden hervormd, en de gevraagde vergunning kan worden afgeleverd. ...’ 3. (...) 4. De vergunning wordt aan vertoger geweigerd omwille van onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. De Bestendige Deputatie verwijst hierbij naar de ‘algemene regels voor gekoppelde bebouwing’, daar in de toekomst op het perceel van vertoger de voorbouw enkel als gegroepeerde of gekoppelde woning kan worden geplaatst. Er wordt geredeneerd dat na afbraak van een voorbouw en heropbouw volgens het profiel van de gekoppelde bebouwing, de achterbouw nog steeds een grotere diepte zou hebben dan de op grond van de algemene regels van gekoppelde bebouwing toegelaten 17 meter. Het probleem van eventuele overschrijding van de toegelaten aantal meter kan echter worden ondervangen op het moment er vergunning moet worden verleend voor een eventueel nieuw voorgebouw. De Bestendige Deputatie stelt een hypothese voorop en kan onmogelijk nu reeds een oordeel vellen over een probleem dat zich in de toekomst niet hoeft te stellen. Concluante heeft dit duidelijk vooropgesteld in zijn redenering naar de Bestendige Deputatie. doch hierop wordt niet geantwoord, zodat een gebrek in de motivering dient weerhouden. 5. Naar enige wettelijke bepaling wordt door de Bestendige Deputatie niet verwezen. Ook wordt nagelaten te antwoorden op argumentatie van vertoger dat hij aan de bestaande toestand enkel een verbetering aanbrengt, die op geen enkele manier kan worden gezien als nadelig of waardeverminderend voor de naburen. De voornoemde beslissing wordt aldus op deze manier evenmin afdoende gemotiveerd. 6. In de weigeringsbeslissing wordt verwezen naar ‘algemene normen’ teneinde te motiveren dat er tegenstrijdigheid zou zijn met de normering inzake ruimtelijke ordening, doch zonder concrete verwijzing ernaar, noch beschrijving van deze normen, ondanks uitdrukkelijk verzoek hiertoe én verwijzing naar dit probleem door verzoeker. De bestreden beslissing is ook op dit punt niet afdoende gemotiveerd. X-12.757-8/12 7. De Bestendige Deputatie haalt verder de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten aan. Hoewel zij in dezelfde beslissing het plaatsen van een carport toelaat, wordt dit aangehaald als reden waarom geen vergunning kan worden verleend, gezien het dakoppervlak hiervan niet zou meegerekend zijn. Het komt vertoger uiterst tegenstrijdig over dat, ondanks eventuele inbreuk op voornoemde verordening, wel een vergunning wordt verleend voor de carport, doch niet voor de achterbouw. Bovendien wordt verwezen naar een herberekening van de oppervlakte, maar wordt nagelaten deze te specifiëren. De motiveringsverplichting is door voornoemde redenen geschonden”. Beoordeling 5.2. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
- is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. Wanneer de bestendige deputatie op grond van het voormelde artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet over een beroep uitspraak doet treedt zij op, niet als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur. X-12.757-9/12 Om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting kan zij derhalve volstaan met in haar besluit de met de goede ruimtelijke ordening verband houdende redenen te vermelden waarop dit is gesteund. Zij is er daarbij niet toe gehouden alle door de partijen aangevoerde argumenten te beantwoorden. Het behoort tot de wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van de door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschriften, te oordelen of de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke aanleg. De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 5.3. Het bestreden besluit is, wat de “verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening” betreft, gemotiveerd als volgt: “II. VERENIGBAARHEID MET DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING. Beroeper stelt dat de achterbouw door zijn ouderdom zeker niet vergunningsplichtig was. Het is inderdaad zo, dat gebouwen opgetrokken vóór de stedenbouwwet van 1962 worden geacht vergund te zijn. Het bestaan vóór 1962 van deze achterbouw, werd echter door de gemeente, noch door / beroeper aangetoond. De afbraak van deze achterbouw en het oprichten van een nieuw gebouw met nieuwe indeling (vernieuwbouw) is wel vergunningsplichtig en dient te gebeuren in overeenstemming met de huidige reglementaire en decretale bepalingen en de regels betreffende de goede aanleg van de plaats. Volgens de algemeen geldende normen voor gegroepeerde en gekoppelde woningen, mag de bouwdiepte op de gelijkvloerse verdieping van deze eengezinswoning maximum 17m bedragen. De woning met achterbouw overschrijdt deze diepte ruimschoots met 8m, waardoor een ontoelaatbare bouwdiepte van +/- 25m wordt gecreëerd. De bebouwing houdt op dit vlak geen rekening met de plaatsing en het profiel van de aanpalende gebouwen. Op het linker perceel werd een woning achteraan links opgericht, op het rechter perceel werd in 2000 vergunning verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning van 5m breed x 17m diep, op 7m uit de voorste perceelsgrens. In deze context vindt de gevraagde uitbreiding geen enkele aansluiting met het bestaande. Onder het voorwendsel van het bestaan van een - al of niet vergund - gebouw, kan geen vergunning worden verleend voor vernieuwbouw met een zelfde bouwdiepte, waarbij het gabariet en het uiterlijk van de aanpalende bebouwing niet als richtinggevend wordt genomen. X-12.757-10/12 Het bezwaarschrift van de links aanpalende eigenaar wordt gegrond bevonden. De aanvraag kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaard worden”. Het bezwaarschrift waarnaar wordt verwezen, wordt in het bestreden besluit samengevat als volgt: “Naar aanleiding van het openbaar onderzoek werd 1 bezwaarschrift ingediend, dat handelt over het volgende: - De overschrijding van de bouwdiepte met 8m30; - De beperking van de licht- en zoninval die hiermee gepaard gaat; - De inplanting pal op de perceelsgrens, die een aantasting van het eigendomsrecht van de aanpalende vormt. Het bezwaar wordt weerhouden en gegrond bevonden wat de eerste 2 punten betreft”. 5.4. In het bestreden besluit wordt terecht overwogen dat de oprichting van een nieuw gebouw met nieuwe indeling (vernieuwbouw) vergunningsplichtig is en dient te gebeuren in overeenstemming met de op dat ogenblik geldende reglementaire en decretale bepalingen en de regels betreffende de goede aanleg van de plaats. In het bestreden besluit worden concreet de redenen aangegeven waarom de bestendige deputatie van oordeel is dat de oprichting van de betrokken achterbouw niet verenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg, niet alleen naar de toekomst toe maar ook reeds met de bestaande plaatselijke aanleg waar de desbetreffende bezwaren van de links aanpalende buur gegrond worden bevonden. De verzoeker beweert niet dat de feitelijke gegevens waarop de bestendige deputatie zich heeft gesteund onjuist zijn. Voorts dient te worden vastgesteld dat de “algemeen geldende normen voor gegroepeerde en gekoppelde woningen” die door de bestendige deputatie bij de beoordeling van de aanvraag worden gehanteerd niet kennelijk onredelijk zijn, hetgeen door de verzoeker overigens ook niet wordt beweerd. De motivering met betrekking tot de onverenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening is afdoende en volstaat om het bestreden weigeringsbesluit te dragen. 5.5. De verzoeker heeft derhalve geen belang bij het middel in zoverre hierin tevens kritiek wordt geleverd op het motief dat de aanvraag niet in overeenstemming is met het toentertijd geldende besluit van de Vlaamse regering van 29 juni 1999 houdende vaststelling van een algemene bouwverordening inzake hemelwaterputten. X-12.757-11/12 5.6. Het middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.757-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div