id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.910 Rolnummer: A. 165011/X-12441 Zaak: Arrest 201910 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-25 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:28 Fiche Arrest nr 201.910 van 16 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.910 van 16 maart 2010 in de zaak A. 165.011/X-12.
- In zake: Willy DE BOSSCHER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Filip De Preter kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Van Bever kantoor houdend te 1850 GRIMBERGEN P. Woutersstraat 32, bus 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 9 augustus 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 10 juni 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van de verzoeker ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie over zijn beroep ingesteld tegen het besluit van 13 mei 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van een woning, gelegen te Ternat, Van Cauwelaertstraat 147, op een perceel kadastraal bekend sectie E, nr. 4/c
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-12.441-1/7 Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Marc Van Bever, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 31 januari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat een aanvraag in voor “de regularisatie van een woning”. 3.
- Het betreffende terrein is volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, en maakt evenmin deel uit van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 3.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek wordt één bezwaarschrift ingediend. X-12.441-2/7 3.
- Op 12 maart 2003 wordt door de afdeling Land - Vlaams-Brabant een gunstig advies verleend. Op 25 april 2003 wordt door de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies verleend. 3.
- Op 13 mei 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat de gevraagde vergunning. 3.
- Tegen dit weigeringsbesluit stelt de verzoeker op 16 juni 2003 beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Bij besluit van 9 maart 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt het beroep van de verzoeker verworpen. 3.
- Op 12 maart 2004 stelt de verzoeker bij de verwerende partij beroep in “tegen het uitblijven van een beslissing door de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant”. Met een schrijven van 16 maart 2004, uitgaande van de verwerende partij, wordt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant op de hoogte gebracht van het ingediende beroep. Bij brief van 19 maart 2004 uitgaande van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt aan de verwerende partij het volgende medegedeeld : “Als antwoord op uw brief van 16 maart 2004, (...), betreffende het beroep ingesteld bij de Vlaamse Regering, door de beroeper wegens uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant, wordt u hierbij het volledig dossier toegezonden. De beslissing van de bestendige deputatie is wel genomen op 09 maart 2004 en is betekend op 12 maart
- De beslissing van de bestendige deputatie werd ontvangen op 16 maart 2004”. 3.
- Op 10 juni 2005 wordt het beroep van de verzoeker door de verwerende partij ontvankelijk verklaard, doch de regularisatieaanvraag wordt geweigerd. Dit is het bestreden besluit. Daarin wordt aangaande de beroepsprocedure het volgende overwogen : X-12.441-3/7 “Overwegende dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen aan de aanvrager werd betekend op 20 mei 2003; dat betrokkene beroep heeft ingesteld bij de bestendige deputatie bij middel van een ter post op 16 juni 2003 aangetekend schrijven; dat het beroep bij de bestendige deputatie is ingediend in de vorm en binnen de termijn door de wet bepaald en dienvolgens ontvankelijk is; dat huidig hoger beroep bij gebreke van een kennisgeving van de beslissing van de bestendige deputatie binnen de termijn, zoals bepaald in artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, geldig ingesteld is; dat de beslissing d.d. 9 maart 2004 van de bestendige deputatie op 16 maart 2004 en derhalve laattijdig aan betrokkenen werd genotificieerd (sic)”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie
- Ambtshalve dient te worden onderzocht of de verzoeker over het vereiste belang bij zijn beroep beschikt. De argumentatie van de verzoeker in de laatste memorie met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van dergelijke exceptie gaat niet op, vermits ze geen betrekking heeft op de gegrondheid van het beroep en het belang de openbare orde raakt.
- Uit de feitenuiteenzetting blijkt, en dit wordt ook niet betwist, dat er, vóórdat de verzoeker een beroep (12 maart 2004) had ingesteld bij de verwerende partij omwille van het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie, reeds een weigeringsbesluit (9 maart 2004) van de bestendige deputatie bestond. In het bestreden besluit stelt de verwerende partij daaromtrent dat de beslissing van de bestendige deputatie van 9 maart 2004 “op 16 maart 2004 en derhalve laattijdig aan betrokkenen” werd genotificeerd.
- Artikel 53, § 2, vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet), zoals gewijzigd door het decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het gecoördineerde decreet, luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als volgt : “De aanvrager kan bij de Vlaamse regering in beroep gaan bij gebreke van een beslissing van de bestendige deputatie, na afloop van de termijn waarbinnen deze plaats moest hebben. Dit beroep wordt bij een ter post aangetekende brief gezonden aan de Vlaamse regering, die een afschrift ervan aan het college en de bestendige deputatie stuurt binnen vijf dagen na ontvangst”. X-12.441-4/7 De door artikel 53, §1, derde en vierde lid van het gecoördineerde decreet bepaalde termijn waarbinnen de bestendige deputatie aan de aanvrager, aan het college en aan de gemachtigde ambtenaar kennis dient te geven van haar beslissing is geen vervaltermijn, maar een termijn van orde. Het staat de aanvrager vrij een beslissing van de bestendige deputatie af te wachten, ook al is de voormelde termijn verstreken. Aangezien de bestendige deputatie reeds een beslissing had genomen over het bij haar ingestelde beroep, bestond er krachtens de voormelde bepaling van artikel 53, § 2, vierde lid van hetzelfde decreet, voor de aanvrager geen mogelijkheid tot hoger beroep bij de Vlaamse regering meer open. De omstandigheid dat deze beslissing aan de aanvrager nog niet ter kennis was gebracht, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Een gebrek in de kennisgeving of het niet ter kennis brengen van een besluit tast de rechtsgeldigheid van dat besluit niet aan. De voormelde bepaling van artikel 53, § 2, vierde lid van het gecoördineerde decreet is duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. Dit blijkt overigens ook uit de toelichting verstrekt door de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement op 25 april 2000 : “(...) Een geweigerde bouwvergunning die nadien opnieuw wordt geweigerd door de Bestendige Deputatie, kan niet meer ter goedkeuring aan de minister worden voorgelegd. Anders gesteld: tweemaal neen is definitief neen” (Hand. Vl. Parl., Plenaire vergadering - Nr. 54 - 25 april 2000, blz. 20). De argumenten van de verzoeker in de laatste memorie met betrekking tot de vermeende “onzorgvuldige redactie van de decreetstekst” en de wijze waarop een en ander zou dienen te worden samengelezen, noch de door de verzoeker naar voor gebrachte “analyse van de plaats van het betrokken artikel in het geheel van de behandelingsprocedure en van de totstandkomingsgeschiedenis van het bewuste artikel”, nopen tot een andere conclusie. De Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening heeft in casu dan ook ten onrechte geoordeeld dat het door de aanvrager bij hem ingestelde beroep “bij gebreke van een kennisgeving van de beslissing van de bestendige deputatie binnen de termijn, zoals bepaald in artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, geldig ingesteld is” aangezien “de beslissing d.d. 9 maart 2004 van de bestendige deputatie op 16 maart 2004 en derhalve laattijdig” aan betrokkenen werd genotificeerd. In geval van vernietiging, zal de Vlaamse minister dan ook niet anders kunnen dan zijn onbevoegdheid vast te stellen. Hieruit volgt dat de verzoeker geen belang heeft bij de gevraagde vernietiging van het bestreden besluit. X-12.441-5/7
- In ondergeschikte orde vraagt de verzoeker in de laatste memorie om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen : “Schendt het artikel 53, §2, vierde lid, van het stedenbouwdecreet, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dit artikel luidt na de wijziging bij artikel 60 van het decreet van 26 april 2000, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door wel een beroepsmogelijkheid te geven aan de gemachtigde ambtenaar, maar niet aan de aanvrager, in geval de Deputatie een beslissing over het bij haar ingestelde beroep heeft genomen?”. Het dient te worden vastgesteld dat niet artikel 53, § 2, vierde lid van het gecoördineerde decreet, in tegenstelling tot wat de verzoeker luidens zijn prejudiciële vraag voorhoudt, maar wel artikel 53, § 2, eerste lid van dit decreet, aan de gemachtigde ambtenaar een beroepsmogelijkheid verleent “in geval de Deputatie een beslissing over het bij haar ingestelde beroep heeft genomen”. De prejudiciële vraag vertrekt aldus van een onjuiste premisse en is onontvankelijk. Bovendien ziet de Raad van State geen redenen die kunnen wijzen op een eventuele onverenigbaarheid van artikel 53, § 2, eerste lid in combinatie met artikel 53, § 2, vierde lid van het gecoördineerde decreet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De aan de voormelde leden van artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet onderliggende situaties zijn niet vergelijkbaar. De Raad van State ziet zich bijgevolg niet genoodzaakt ambtshalve een prejudiciële vraag tot het Grondwettelijk Hof te richten. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-12.441-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.441-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.910 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div