id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.962 Rolnummer: A. 168550/X-12616 Zaak: Arrest 201962 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-25 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:28 Fiche Arrest nr 201.962 van 17 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.962 van 17 maart 2010 in de zaak A. 168.550/X-12.616. In zake: Walter VERBRAEKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Guy Van Der Steichel kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Amerikalei 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 december 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 16 september 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en vernietiging van het besluit van 27 mei 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij het beroep van de verzoeker ingesteld tegen het besluit van 15 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis- Waas tot weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van bergingen/stallingen op percelen gelegen aan de Heerweg 40 te Sint-Pauwels (Sint- Gillis-Waas), kadastraal bekend sectie A, nrs. 27/e2 en 27/f2, ingewilligd wordt. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-12.616-1/19 Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari 2010. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Guy Van Der Steichel, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Elsbeth De Vylder, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De verzoeker is eigenaar van percelen met gebouwen (bergingen/stallingen) die zijn gelegen aan de Heerweg 40 te Sint-Pauwels (Sint-Gillis-Waas) en die kadastraal bekend zijn onder sectie A nrs. 27/e2 en 27/f2. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren zijn de percelen gelegen in agrarisch gebied. Voor het gebied waarin de percelen zijn begrepen, bestaat er geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Evenmin zijn ze gelegen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 4. Op 7 januari 2002 wordt door de politie van Sint-Gillis-Waas een proces-verbaal van vaststelling opgemaakt omwille van een bouwinbreuk. Daarin wordt ondermeer gesteld: X-12.616-2/19 “(...) Volgens de aanvraag tot bekomen van het stedenbouwkundig attest nr. 2 stond er een hoofdgebouw -woonhuis met daartegen aangebouwd drie gebouwtjes. Los van deze stonden er op het erf nog twee langwerpige gebouwen, voorheen waren dit hokken voor kippen. Op bijgevoegd plan zijn deze gebouwen aangeduid onder, nummer 1 voor het woonhuis. nummer 2 voor de onmiddellijk aanpalende bijgebouwen. nummer 3 en 4 voor stallingen kippenhokken. (...) Wat betreft de kippenstal genoemd onder nummer vier stellen wij vast dat de oude stalling volledig werd afgebroken en dat men een volledig nieuwe stal heeft geplaatst van ongeveer 6.5 meter op 35 meter. In deze stal zijn zodanige inrichtingen gemaakt dat men kan zeggen dat het beoogde doel geen stalling is. Enkel de ruwbouw is geplaatst. (...)”. Op 18 maart 2003 wordt door de lokale politie van de zone Sint-Gillis-Waas/Stekene aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene het volgende medegedeeld : “De bekendmaking van de aanvraag geschiedt zoals wettelijk voorgeschreven. Wij vonden enkel plannen terug in uw dossier van de te regulariseren berging/stalling gelegen te 9170 Sint-Gillis-Waas, Heerweg nr 40 sectie A nr 0027F2 en geen plannen van de stalling gelegen te 9170 Sint-Gillis-Waas, Heerweg nr 40 sectie A nr 0027E2. De toestand werd ter plaatse nagekeken voor wat betreft het gebouw gelegen op sectie A nr 0027F2. Het gebouw dat te zien is op de bijgevoegde foto’s 1 t/m 6 is niet meer terug te vinden. Dit was het gebouw dat er voor 2001 stond op sectie A nr 0027F2. Op deze plaats is reeds de ruwbouw van bijgevoegde plannen geplaatst. De buitenmaten van het gebouw kloppen met de plannen 3507 cm op 647 cm. De indeling van het gebouw klopt ook met de plannen. Dus qua vormgeving en volume is het gebouw zoals de plannen weergeven. Wat betreft de bestemming van het gebouw kunnen er grote vraagtekens gesteld worden. Aan de voorkant van het gebouw zijn openingen gemaakt voor ramen tot tegen de grond. De indeling doet denken aan (...) de indeling van een woning met links een grote living (lees grote stalling). Aan deze linkse zijgevel is trouwens langs de buitenkant een schouw gemetst. (niet te zien op plan) Vervolgens een keuken met berging en toilet (lees stalling 1 en 2) een slaapkamer of bureel (lees stalling 3) een slaapkamer met toilet en/of bad (lees stalling 4), een inkomhal (lees bergin(g)) en een garage (lees berging tuingerief). Tevens zijn alle afvoeren voor (...) het eventueel gebruik als woning aangebracht. Aangezien alles nog in ruwbouw staat is het een indruk en kunnen wij niet voorzien wat de uiteindelijke bestemming van dit gebouw gaat worden”. X-12.616-3/19 Het voormelde college stelt op 19 december 2003 een herstelvordering in. Bij vonnis van 12 juni 2006 van de rechtbank van eerste aanleg van Dendermonde wordt de verzoeker veroordeeld tot het herstel in de oorspronkelijke staat van het onroerend goed gelegen te Sint-Gillis-Waas, Heerweg 40, wat de afbraak impliceert van de wederrechtelijk opgetrokken constructies en de wederrechtelijk uitgevoerde verbouwingswerken aan de stallen. Tegen dit vonnis heeft de verzoeker hoger beroep aangetekend. 5. Op 23 mei 2002 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis-Waas een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van een stalling met een oppervlakte van 35,07 meter op 6,47 meter en een maximale hoogte van 3,60 meter op de voormelde percelen. 6. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 9 juli 2003 tot en met 8 augustus 2003, worden geen bezwaren ingediend. 7. Op 16 juni 2003 brengt de afdeling Land Oost-Vlaanderen het volgende ongunstig advies uit : “(...) We stellen vast dat hier eigenlijk geen stallen meer aanwezig waren maar een ruïne zodat de regels van zonevreemde gebouwen hier zo wie zo al niet meer van toepassing zijn. Daarenboven is de constructie van die aard dat ze niet bruikbaar is als stalling: de ontwerper zou minstens mogen argumenteren waarom hij zo een ‘staltype’ voorziet met bv. ramen tot op de grond met doorloopmogelijkheden en afgesloten met gewone huisdeuren, voor welke dieren dat bestemd is, wat er met de mest gebeurt enz. In deze omstandigheden wordt vanuit landbouwkundig standpunt radicaal ongunstig geadviseerd”. 8. In zijn zitting van 3 november 2003 brengt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis-Waas het volgende ongunstig advies uit : “De aanvraag behelst de regularisatie van bergingen/stallingen, Heerweg 40, kadastraal bekend sie A nr. 27/E2-F2. De percelen zijn volgens de planologische voorzieningen van het bij K.B. dd. 07/11/1978 vastgesteld gewestplan Sint-Niklaas/Lokeren, gelegen in een agrarisch gebied. X-12.616-4/19 De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Het goed is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. De eigendom is bebouwd met wederrechterlijk herbouwde stallingen/bergplaatsen, een tweede bestaande stalling en een wederrechterlijk gesaneerde woning, ten behoeve van een eigenaar die geen agrarische of para-agrarische bedrijvigheid uitoefent; De site betreft een verlaten landbouwbedrijfszetel die volgens aanduiding op het omgevingsplan, bereikbaar is via private dreven, respectievelijk toegankelijk via de Heerweg en via de Zandstraat. De officiële toegangsweg is zoals vermeld in de notariële akte voorzien via de Heerweg. De afstand tot de openbare weg bedraagt +/- 250m. De aanvraag is in strijd met het van kracht zijnde gewestplan, meer bepaald omdat het hier geen in uitbating zijnd agrarisch of para-agrarisch bedrijf betreft; Gezien het oorspronkelijk gebouw is opgericht vóór 1962 en aldus geacht wordt vergund te zijn; Gezien de beperkte gegevens in het dossier vermelden dat de nieuw opgerichte constructie zowel qua inplanting, als qua vormgeving en qua volume identiek is aan de afgebroken stalling; Gezien vóór de heroprichting van de constructie eigenlijk geen stallen meer aanwezig waren maar een ruïne (zie foto’s toestand vóór de werken) zodat de aanvraag afwijkt van de voorwaarden vermeld in artikel 145bis § 1, 6/a; Gezien het ongunstig advies van de afdeling Land waarin gesteld wordt dat de constructie van die aard is dat ze niet bruikbaar is als stalling. Er ontbreekt een argumentatie waarom zo een staltype voorzien wordt met bv. ramen tot op de grond met doorloopmogelijkheden en afgesloten met gewone huisdeuren. Er is nergens melding gemaakt voor welke dieren dat bestemd is, wat er met de mest gebeurt enz...’; Gezien uit de gegevens vermeld in het proces-verbaal dd. 07/01/2002 (...), alsook uit de ingediende bouwplannen en de reeds uitgevoerde werken blijkt dat de nieuwe constructie meer weg heeft van een gebouw met een residentiële bestemming dan van een agrarisch bedrijfsgebouw; Gezien het rioleringsplan enkel een afvoer voorstelt van de regenwaterafvoer, terwijl een politieverslag dd. 18/03/2003 melding maakt van het feit dat in realiteit alle afvoeren voor het eventueel gebruik als woning zijn aangebracht; dat om die reden kan gesteld worden dat de ingediende bouwplannen niet in overeenstemming zijn met de werkelijk bestaande toestand; Gezien de aanvraag werd onderworpen aan een openbaar onderzoek overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 05/05/2000, en latere wijzigingen; dat naar aanleiding van deze openbaarmaking geen bezwaarschriften zijn ontvangen; Gezien na ontvangst van het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zal geoordeeld worden over een gepaste vordering. BESLUIT: ongunstig advies”. Op 3 december 2003 brengt ook de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit. Dat advies is onder meer als volgt gemotiveerd : “(...) X-12.616-5/19 Overwegende dat de summiere gegevens in het dossier vermelden dat de nieuw opgerichte constructie zowel qua inplanting, als qua vormgeving en volume identiek is aan de afgebroken stalling; Overwegende dat evenwel uit de foto’s blijkt (toestand vóór de werken) dat er vóór de heroprichting van de constructie eigenlijk geen stallen meer aanwezig waren doch wel een ruïne, zodat bijgevolg niet is voldaan (aa)n bepalingen van bovenvermeld artikel. (...)”. 9. Gelet op het voormelde ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis-Waas op 15 december 2003 de gevraagde regularisatievergunning. 10. Tegen dat weigeringsbesluit van 15 december 2003 dient de verzoeker op 4 februari 2004 een beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. Bij besluit van 27 mei 2004 willigt de bestendige deputatie dit beroep in. 11. Tegen het voormelde inwilligingsbesluit van 27 mei 2004 tekent de gemachtigde ambtenaar op 2 juli 2004 beroep aan bij de bevoegde Vlaamse minister. Bij het bestreden besluit van 16 september 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en het voormelde inwilligingsbesluit van 27 mei 2004 vernietigd. Dat besluit is onder meer als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot de regularisatie van een (beweerde) berging/stalling van 35,07 meter op 6,47 meter en een maximale hoogte van 3,60 meter; dat de constructie schuilgaat onder een lessenaarsdak in donkere golfplaten en is opgebouwd in snelbouwsteen, af te werken met gevelsteen; Overwegende dat er zeer veel, tot op de grond reikende, vensters worden voorzien alsook een garage-opening; dat in de aanvraag niet wordt aangegeven voor welke en hoeveel dieren de stal uiteindelijk is bestemd; dat de vele deuren slechts een hoogte hebben van een klassieke binnenhuisdeur van ongeveer 2.1 m; dat bovendien aan de westgevel een schoorsteen werd gebouwd die uitspringt op het gevelvlak; dat deze schoorsteen niet is aangeduid op de ingediende plannen; Overwegende dat het een verlaten landbouwbedrijfszetel betreft; Overwegende dat de aanvrager geen agrarische of para-agrarische activiteit uitoefent; dat dienvolgens het gebouw een zonevreemde constructie betreft; dat het uitzonderingsregime vervat in artikel 145 bis van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd onder bepaalde voorwaarden het verbouwen, het herbouwen en/of uitbreiden van zonevreemde constructies toelaat; X-12.616-6/19 Overwegende dat de huidige constructie een volledige herbouw betreft; dat de vorige stalling van vóór 1962 dateert en aldus kon beschouwd worden als vergund; Overwegende dat volgens de zeer summiere gegevens van de aanvrager voorhanden in het onderhavig dossier het huidige gebouw qua inplanting, vormgeving en volume identiek zou zijn aan de oorspronkelijke constructie; dat er evenwel onvoldoende informatie voorhanden is om deze stelling te toetsen; Overwegende dat artikel 195 quinquies van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, stelt dat de in de artikelen 145bis en 195 bis, eerste lid, 3/, vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw niet geldt voor vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voor zover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht; Overwegende dat uit het fotodossier duidelijk blijkt dat de oorspronkelijke constructie verkrot was; dat immers de muren van het gebouw grotendeels ingestort waren en dat er aldus niet veel meer overbleef dan een ruïne (...); dat dienvolgens niet voldaan is aan de vereiste inzake elementaire stabiliteit van artikel 145 bis van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd; Overwegende dat om de hierboven vermelde redenen artikel 145 bis en artikel 195 quinquies van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, niet kunnen toegepast worden; (...)”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 12. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel “145,bis §1 e.v.” van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), “zoals ondermeer gewijzigd bij Decreet van 13 juli 2001, Decreet van 19 juli 2002, Decreet van 21 november 2003 en Decreet van 22 april 2005”. Hij zet dit middel uiteen als volgt : “Dat de desbetreffende bepaling een uitzonderingsbepaling inhoudt en het volgende bepaalt : Art. 145bis. 13-08-2001> § 1. (Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningsverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen (of bestaande constructies). Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de X-12.616-7/19 aanvraag betrekking heeft op : Inwerkingtreding : 08-02-2004> 1/ het verbouwen van een bestaand gebouw (of een bestaande constructie) binnen het bestaande bouwvolume; 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw (of een bestaande constructie) binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw (of de constructie) behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen : 08-02-2004> 3/ (het herbouwen op een gewijzigde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume op voorwaarde dat het te slopen gebouw getroffen is door een rooilijn, of zich in een achteruitbouwzone bevindt en/of die verplaatsing is ingegeven door redenen van goede plaatselijke ordening, voorzover de eindtoestand na herbouwen een betere plaatselijke aanleg oplevert en zich richt naar de omgevende bebouwing en/of plaatselijk courante inplantingswijzen; de redenen van goede plaatselijke ordening moeten minstens die betere integratie in de al dan niet bebouwde omgeving impliceren, alsmede een betere terreinbezetting en een kwalitatief concept; de naleving van deze voorwaarden moet uitdrukkelijk worden gemotiveerd, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de site;) Inwerkingtreding : 08-02-2004> 4/ het uitbreiden van een bestaand gebouw, niet zijnde woningbouw, met een gebouw of een vaste inrichting, op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijke gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, of het noodzakelijk gevolg van een voorwaarde die betrekking heeft op de gezondheid van de mens opgelegd na advies van de bevoegde administratie naar aanleiding van een vergunning verleend in het kader van dat decreet, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven door de sociale inspecteurs die bevoegd zijn in het kader van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven in het kader van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, in het kader van de wet van 24 maart 1987 betreffende de dierengezondheid, of in het kader van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren; 5/ aanpassingswerken aan of bij een gebouw bedoeld in 4/, zonder dat het overdekte volume wordt uitgebreid; 6/ het uitbreiden van een bestaande woning; de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van (1.000 m3); deze uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % echter niet overschrijden. 08-02-2004> Dat het zelfde artikel eveneens de voorwaarden bepaalt aan dewelke de aanvraag dient te voldoen, met name : X-12.616-8/19 De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 1/ tot en met 6/, gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
- a)(de woning, het gebouw of de constructie is niet verkrot; woningen, gebouwen of constructies worden beschouwd als verkrot als ze niet voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste verpunningsaanvraag tot ver- of herbouwen;) 2003-11-21/39, art. 45, 013; Inwerkingtreding : 08-02-2004>
- b)(de woning, het gebouw of de constructie is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft;) 2003-11-21/39, art. 45, 013; Inwerkingtreding : 08-02-2004>
- c)(het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1 000 m3, indien het bestaande bouwvolume meer dan 1 000 m3 bedraagt, en het aantal woongelegenheden blijft, zowel bij verbouwen, herbouwen als uitbreiden, beperkt tot het bestaande aantal;)
- d)niet van toepassing. (...) Dat op grond van deze bepaling de bestendige deputatie na een grondig onderzoek, tot de beslissing kwam dat de bergingen wel degelijk konden vergund worden; Dat zo ondermeer de bestendige deputatie rekening hield met het feit dat op het moment van de eerste aanvraag het gebouw in kwestie niet verkrot was; Dat deze argumentatie feitelijke grondslag had, met name enerzijds de mondelinge debatten voor de bestendige deputatie, en anderzijds het plaatsbezoek dat werd uitgevoerd; Dat verkeerdelijk de gemachtigde ambtenaar in zijn beroepsakte bij de Vlaamse Minster stelt dat de bestendige deputatie zich slechts heeft gebaseerd op de bewoordingen van verzoekende partij ter zitting; Dat immers nog volgens de gemachtigde ambtenaar, uit het fotodossier zou blijken dat de gebouwen een ruïne betroffen en er aldus sprake zou zijn geweest van verkrotting en bijgevolg er niet voldaan werd aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 145bis, §1, tweede lid
- a)Decreet van 18 mei 1999; Dat de Minster de van de Vlaamse Gemeenschap deze zienswijze bijtreedt en in zijn bestreden beslissing oordeelt dat : ‘ ‘Overwegende dat uit het fotodossier duidelijk blijkt dat de oorspronkelijke constructie verkrot was; dat immers de muren van het gebouw grotendeels ingestort waren en dat er aldus niet veel meer overbleef dan een ruïne; dat dienvolgens niet voldaan is aan de vereiste inzake elementaire stabiliteit van artikel 145 bis van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd;’ Dat deze argumentatie onjuist is minstens feitelijke grondslag mist : 1.1.1. Betreffende de argumentatie van de gemachtigd ambtenaar. Dat de gemachtigde ambtenaar stelt dat : ‘De argumentatie van mijn ongunstig advies dd. 3/12/2003 worden bevestigd; de bestaande constructie was voor de aanvang van de werken duidelijk verkrot, zoals ontegensprekelijk blijkt uit de bij de aanvraag gevoegde foto’s. De bewering van de bestendige deputatie dat het gebouw niet verkrot was, wordt enkel gestaafd door een verklaring ter zitting, ...’ Dat tijdens de procedure voor de bestendige deputatie partijen inderdaad gehoord werden; Dat alsdan verzoekende partij mondeling heeft aangetoond dat de gebouwen niet verkrot waren op het moment van de eerste aanvraag; X-12.616-9/19 Dat echter de verwerende partij voor de bestendige deputatie, met name het college van burgemeester en schepenen, vertegenwoordigd door schepen Remi AUDENAERT eveneens bevestigde dat het gebouw bij de eerste aanvraag niet verkrot was; Zie beslissing bestendige deputatie (...) : ‘Dat het gebouw op het ogenblik van de eerste aanvraag om stedenbouwkundige vergunning niet verkrot was, zoals ook ter zitting werd bevestigd door de heer Schepen Remi AUDENAERT;’ (...) Dat het dus onjuist is dat de beslissing van de bestendige deputatie slechts gestoeld is op de louter beweringen van verzoekende partij; 2.1.2. Met betrekking tot de foto’s betreffende de staat van het gebouw; Dat verzoekende partij het rechtsplegingdossier inkeek dd. 9/12/2005 en er in het dossier geen foto’s teruggevonden werden waaruit zou moeten blijken dat het gebouw een ruïne was, laat staan - zoals de gemachtigde ambtenaar beweerde - er gaten in de muren waren; Dat de gemachtigde ambtenaar verdergaat op de toestand zoals deze bestond ten tijde van het openbaar onderzoek en zijn advies, met name november/december 2003; Dat echter de aanvraag reeds dateerde van meer dan 1 jaar eerder, met name van voor 23 mei 2002; Dat verzoeker alsdan reeds begonnen was met de afbraak van de bestaande gebouwen ten einde een identieke constructie/bergingen op te trekken; Dat het alsdan niet ondenkbaar is dat de gemachtigde ambtenaar naar foto’s verwijst van tijdens of na de afbraakwerkzaamheden; Dat echter artikel 145bis, §1, ten tweede,
- a)Decreet stelt dat het gebouw niet mag verkrot zijn, op het moment van de eerste aanvraag; Dat alsdan de bergingen niet verkrot waren, zoals ook het college van burgemeester en schepenen bij monde van schepen Remi AUDENAERT ter zitting voor de bestendige deputatie kon bevestigen; 2.1.3. Met betrekking tot de feitelijke grondslag van de beslissing van de bestendige deputatie. Dat verder nog de bestendige deputatie zich van deze feitelijke toestand heeft vergewist door een plaatsbezoek; Dat de bestendige deputatie immers citeert uit de nota van de heer Hugo Beersmans dd. 22/12/2004, opgesteld naar aanleiding van een plaatsbezoek, tijdens het hangende beroep bij de bestendige deputatie; Dat er alsdan foto’s genomen werden, waarop evenmin sprake is van enige verkrotting; Dat bijgevolg de beslissing van de bestendige deputatie wel degelijk feitelijk onderbouwd is en met name gestoeld is op : • De verklaringen van verzoekende partij ter zitting aangaande de toestand van de bergingen op het moment van de eerste aanvraag. • De bevestigingen dienaangaande van het college van burgemeester en schepenen bij monde van schepen Remi AUDENAERT ter zitting; • Een omstandig onderzoek ter plaatse; • Het niet voorhanden zijn in het dossier van enig fotomateriaal waaruit de vermeende verkrotting zou mogen blijken; Dat bijgevolg de stelling van de gemachtigde ambtenaar als zou de berging verkrot geweest zijn onjuist is en de bestendige deputatie een juiste beslissing nam en toepassing heeft gemaakt van artikel 145bis §1 Decreet van 18 mei 1999; Dat de Minster van de Vlaamse Gemeenschap geen enkel ander feit aangeeft dat vermag deze feitelijk onderbouwde visie te weerleggen; Dat de foto’s waarnaar de Minster verwijst, niet in het dossier terug te vinden zijn; X-12.616-10/19 Dat het bovendien niet anders kan, dan dat de Minister de stabiliteit en de al dan niet verkrotting heeft beoordeeld slechts enige tijd na de eerste aanvraag; Dat de Minster bijgevolg de bepalingen schendt van artikel 145 bis §1Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Dat de bestreden beslissing dan ook dient vernietigd te worden”. Beoordeling 13. De verzoeker betwist niet dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de planologische bestemming agrarisch gebied van het betrokken perceel en dat het toentertijd geldende artikel 145bis DRO toepassing vindt. Artikel 145bis DRO bepaalde toentertijd wat volgt : “§1. Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningsverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen of bestaande constructies. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : 1° (...); 2° het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw of een bestaande constructie binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw of de constructie behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen : 3° (...); 4° (...); 5° (...); 6° (...). De Vlaamse regering kan hiervoor de nadere regels vaststellen. De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
- a)de woning, het gebouw of de constructie is niet verkrot; woningen, gebouwen of constructies worden beschouwd als verkrot als ze niet voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen;
- b)de woning, het gebouw of de constructie is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft;
- c)(...);
- d)(...). (...)”. 14. Artikel 145bis DRO bevat, zoals in het eerste lid overigens uitdrukkelijk is vermeld, een “uitzonderingsbepaling”. Hieruit volgt, zoals in de algemene bespreking van het betreffende artikel in het Vlaams Parlement overigens X-12.616-11/19 ook gesteld (Vl. Parl. 2000-01, nr. 720/4, 48-49), dat het aan de aanvrager toekomt aan te tonen dat zijn aanvraag voldoet aan de in dit artikel gestelde voorwaarden, te dezen dat het gebouw waarop zijn aanvraag betrekking heeft, niet is verkrot, meer bepaald dat het “voldoe(
- t)aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen”. 15. In het aanvraagdossier bevinden zich geen gegevens die van aard zijn om aan te tonen dat het gebouw op het moment van de eerste aanvraag niet verkrot was. Bovendien wordt in het bestreden besluit terecht overwogen dat “uit het fotodossier duidelijk blijkt dat de oorspronkelijke constructie verkrot was; dat immers de muren van het gebouw grotendeels ingestort waren en dat er aldus niet veel meer overbleef dan een ruïne (...); dat dienvolgens niet voldaan is aan de vereiste inzake elementaire stabiliteit van artikel 145 bis van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd”. In het administratief dossier bevinden zich inderdaad foto’s van een gebouw dat grotendeels is ingestort en daardoor een ruïne blijkt. Het betoog van de verzoeker dat zich geen foto’s in het dossier bevonden bij zijn inzage ervan op 9 december 2005, wordt niet aangetoond en kan niet worden aangenomen. Hetzelfde geldt voor verzoekers betoog dat de bijgebrachte foto’s mogelijks de toestand van het kwestieuze gebouw betreffen “van tijdens of na de afbraakwerkzaamheden” die door hem reeds werden aangevangen voor de oorspronkelijke aanvraag van 23 mei 2002. Immers moet worden vastgesteld dat reeds in het proces-verbaal van 7 januari 2002 is vermeld dat “de oude stalling volledig werd afgebroken en (...) men een volledig nieuwe stal heeft geplaatst”, waarvan “(e)nkel de ruwbouw is geplaatst”, dat de lokale politie van de zone Sint-Gillis-Waas/Stekene op 18 maart 2003 aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene onder andere heeft medegedeeld dat “(h)et gebouw dat te zien is op de bijgevoegde foto’s 1 t/m 6 (...) niet meer terug te vinden (is)”, dat “(d)it (...) het gebouw (was) dat er voor 2001 stond op sectie A nr 0027F2” en dat “(o)p deze plaats (...) reeds de ruwbouw van bijgevoegde plannen (
- is)geplaatst”. Daarenboven hebben zowel het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis-Waas in zijn ongunstig preadvies van 3 november 2003, als de gemachtigde ambtenaar in zijn ongunstig advies van 3 december 2003 melding gemaakt van “foto’s” inzake de “toestand vóór de werken” waaruit blijkt “dat er vóór de heroprichting van de constructie eigenlijk geen stallen meer aanwezig waren doch wel een ruïne”. Gelet op die gegevens kan niet worden aangenomen dat de foto’s waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, foto’s betreffen van tijdens of na de afbraakwerkzaamheden en kunnen X-12.616-12/19 die foto’s evenmin zijn gemaakt naar aanleiding van een plaatsbezoek dat tijdens het beroep bij de bestendige deputatie heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande heeft de verwerende partij terecht geoordeeld dat het gebouw verkrot was op het moment van de eerste aanvraag. Het feit dat tijdens de procedure voor de bestendige deputatie de verzoeker “mondeling” zou hebben “aangetoond” dat het gebouw niet verkrot was op het moment van de eerste aanvraag, dat “Schepen REMI AUDENAERT” van de gemeente Sint-Gillis-Waas “ter zitting” heeft “bevestigd” dat het gebouw niet verkrot was op het voormelde ogenblik en dat in die beroepsfase “een omstandig onderzoek ter plaatse” zou hebben plaatsgehad, doet aan de voormelde vaststelling geen afbreuk. Gelet op wat voorafgaat heeft de verwerende partij terecht kunnen oordelen dat “niet voldaan is aan de vereiste inzake elementaire stabiliteit van artikel 145bis” DRO. 16. Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 17. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 195quinquies DRO, “zoals ondermeer gewijzigd bij Decreet van 13 juli 2001, Decreet van 19 juli 2002, Decreet van 21 november 2003 en Decreet van 22 april 2005”. Hij zet dit middel uiteen als volgt : “Dat zowel de bestendige deputatie als de Min(i)ster van de Vlaamse Gemeenschap in hun beslissing stellen dat : ‘Overwegende dat artikel 195 quinquies van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, stelt dat de in de artikelen 145 bis en 195 bis, eerste lid, 3/, vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw niet geldt voor vergunningsaanvragen, ingediend voor 1 februari 2003, voorzover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht; Dat zowel de bestendige deputatie als de Min(i)ster van de Vlaamse Gemeenschap tot de bevinding komen dat de bepaling van artikel 195 quinquies niet van toepassing is; Dat echter de initiële beslissing van het college van burgemeester en schepenen duidelijk vermeldt dat de aanvraag werd gedaan : X-12.616-13/19 ‘een bewijs van ontvangst van die aanvraag werd afgegeven op 23 mei 2002.’ (zie hiervoor beslissing college van burgemeester en schepenen dd. 15 december 2003, (...) Dat er dus wel degelijk toepassing gemaakt moet worden van de bepaling van artikel 195 quinquies Decreet van 18 mei 1999; Dat in het onderhavige artikel een gunstregeling wordt ingevoerd ten voordele van eigenaars van (zone)vreemde gebouwen die om de één of andere reden opgehouden hebben ‘te bestaan’, doch die nog bestonden op het ogenblik van het aanvatten van de werken; Dat volgens dezelfde bepaling deze eigenaars worden vrijgesteld van (...) het principieel toepasselijk zijn van de voorwaarde van het (momenteel) bestaan van hun gebouw, op voorwaarde dat zij een aanvraag indienden voor 1 februari 2003; Zie hiervoor ondermeer : Ruimtelijke ordening en stedenbouw in het Vlaamse Gewest Bouckaert, Boudewijn ; Waele, de, Tom. - Brugge : Vanden Broele [uitgegeven door/bij], 2004. - blz. 106, nr. 109. ‘Met het stemmen van het zomerdecreet van 2001 werd aan deze onzekerheid een einde gesteld, en werd via het nog op de valreep ingediend amendement een artikel 195 quinquies in het decreet ingevoegd, luidens hetwelk de algemene voorwaarden van het vergund geacht) zijn (en de voorwaarde van het ‘bestaan’ van het gebouw ... niet geldt voor die vergunningsaanvragen waarvan de indiener kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht, dit echter op voorwaarde dat een aanvraag ingediend werd voor 1 februari 2003....’ Dat de aanvraag door verzoeker ingediend werd dd. 23 mei 2002, en dus voor 1 februari 2003, zodat artikel 195 quinquies Decreet van 18 mei 1999 wel degelijk van toepassing is; Dat de bestreden beslissing dan ook artikel 195 quinquies van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals meermaals gewijzigd, schendt; Dat de bestreden beslissing van de Minister van de Vlaamse Gemeenschap dan ook dient vernietigd te worden”. Beoordeling 18. Het toentertijd geldende artikel 195quinquies DRO bepaalt wat volgt : “De in de artikelen 145bis en 195bis, eerste lid, 3°, vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw geldt niet voor vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voor zover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht. Het eerste lid is ook van toepassing wanneer de tussen 13 juli 2001 en 1 februari 2003 ingediende aanvraag geweigerd is en een aangepaste aanvraag wordt ingediend om te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 145bis of 195bis”. X-12.616-14/19 De voormelde bepaling heeft betrekking op twee van de in artikel 145bis DRO gestelde cumulatieve toepassingsvoorwaarden, met name die inzake het bestaan en het vergund (geacht) zijn van het gebouw. Aangezien de verwerende partij met betrekking tot één van de cumulatieve toepassingsvoorwaarden van artikel 145bis DRO waarop artikel 195quinquies DRO geen betrekking heeft, met name de stabiliteitsvoorwaarde, heeft geoordeeld dat zij niet is vervuld en bijgevolg artikel 145bis DRO niet kan worden toegepast, heeft zij terecht overwogen dat ook artikel 195quinquies DRO in casu niet kan worden toegepast. 19. Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 20. De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet). Hij zet dit middel uiteen als volgt: “2.3.1. Algemeen. Dat de bestreden beslissing van de Minister van de Vlaamse Gemeenschap een bestuurshandeling uitmaakt overeenkomstig de wet op de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen; Dat bijgevolg de Minister van Binnenlandse Zaken zijn beslissingen op gemotiveerde wijze dient te nemen en dat zulks niet geschied is; Dat dit niet geschied is, minstens op een zeer gebrekkige wijze, moge ondermeer blijken uit de hierna (...) opgesomde gebreken in de bestreden beslissing van de Minister van de Vlaamse gemeenschap afdeling stedenbouwkundige vergunningen; Dat het Hof van Cassatie geoordeeld heeft naar aanleiding van schending van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechtelijke beslissingen dat de motivering een wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en de uitspraak beredeneerd werd; (...) Dat dit principe eveneens werd opgenomen in de Grondwet met name onder art. 149 van de Grondwet; Dat kan besloten worden dat indien een bestuurshandeling niet degelijk gemotiveerd werd, dit zowel in rechte als in feiten, zulks leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en zulks geldt als bewijs dat de Minister van de Vlaamse Gemeenschap de hem voorgelegde middelen niet zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak niet beredeneerd heeft; Dat er in casu enerzijds sprake is van een onjuiste en anderzijds een manifest gebrek aan motivering in de beslissing, wat ertoe leidt te besluiten dat de aan X-12.616-15/19 de Minister van de Vlaamse Gemeenschap voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden; 2.3.2. Betreffende de onjuiste, gebrekkige of ontbrekende motivering van de beslissing overeenkomstig de Wet van 29 juli 1991 (voornoemd). 2.3.2.1. Materiële schending van de motiveringsplicht. De bestreden beslissing is behept met een materiële schending van de motiveringsplicht zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. ‘B.S.’, 12 september 1991; Dat de bestreden beslissing gestoeld is op verkeerde feitelijke gegevens en dus feitelijke grondslag mist; Dat hiervoor immers reeds werd aangetoond dat de Min(i)ster in tegenstelling tot de bestendige deputatie geen feiten en gegevens aangeeft op grond waarvan men besluit dat artikel 145bis §1 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening niet van toepassing is; Dat men verwijst naar foto’s om het ‘ruïne’karakter van de gebouwen aan te tonen; Dat echter nazicht dd. 9 december 2005 van het dossier leert dat er geen foto’s voorhanden zijn waaruit dergelijk ‘ruïne’karakter mag blijken; 2.3.2.2. Betreffende de formele schending van de motiveringsplicht. Dat de bestreden beslissing evenzeer een schending inhoudt van de formele motiveringsplicht conform de Wet op de uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals weergegeven in de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, ‘B.S.’ 12 september 1991; Dat de bestreden beslissing feitelijke grondslag mist; Dat de beslissing nergens aangeeft waarom er geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 195 quinquies van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Dat de aanvraag immers dateert van 23 mei 2002 en dus voor 1 februari 2003; Dat zulks een schending inhoudt van de formele motiveringsplicht en de bestreden beslissing dan ook dient vernietigd te worden; Dat bovendien de bestreden beslissing niet weergeeft op grond van welke feitelijke gegeven men meent te moeten oordelen dat er geen rekening moet gehouden worden met de bevestiging van de sch(e)pen Remi AUDENAERT, en het College van burgemeester en schepenen, met betrekking tot het niet verkrot zijn van de berging op het moment van de eerste aanvraag; Dat zulks een schending inhoudt van de formele motiveringsplicht en de bestreden beslissing dan ook dient vernietigd te worden”. Beoordeling 21. De verzoeker voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet), bepaalt dat de beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse regering met redenen zijn omkleed. Deze decretale bepaling is te dezen toepasselijk omdat X-12.616-16/19 het een niet minder strenge motiveringsplicht inhoudt dan de door de verzoeker aangehaalde motiveringswet. 22. Wanneer de Vlaamse regering op grond van artikel 53, §3 van het gecoördineerde decreet in beroep uitspraak doet over een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, treedt zij niet op als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur. Daaruit volgt dat zij, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe is gehouden om al de in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden, maar dat het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke redenen zij is verantwoord, zodat de aanvrager of belanghebbende derde met kennis van zaken tegen de beslissing kan opkomen en de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. 23. Om de redenen vermeld bij de beoordeling van het eerste en het tweede middel, is het middel ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 24. De verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van artikel 53, §2, derde lid (lees: vijfde lid) van het gecoördineerde decreet. Hij zet dit middel uiteen als volgt: “Dat artikel 53, §2, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, als volgt bepaalt : ‘De aanvrager of zijn raadsman, alsook het college of zijn gevolmachtigde worden op hun verzoek door de Vlaamse regering of diens gemachtigde gehoord. Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de anderen partijen opgeroepen’ Dat verzoeker inderdaad voor de bestendige deputatie verzocht om gehoord te worden; Dat verzoekende partij alsdan verschenen is en haar argumenten uiteengezet heeft; Dat de beslissing van de bestendige deputatie deels gegrond was op deze uiteenzetting van motieven en argumenten; Dat verzoeker deze mogelijkheid niet heeft gehad bij de Min(i)ster van de Vlaamse Gemeenschap en aldus haar argumenten niet heeft kunnen ontwikkelen; Dat dit des te belangrijker was nu verzoekende partij de Min(i)ster had kunnen wijzen op de toepassing van artikel 195 quinquies Decreet van 18 mei 1999 en op het feit dat in ondergeschikte orde de bergingen niet verkort waren ten tijde van de eerste aanvraag; X-12.616-17/19 Doordat verzoeker niet de kans gehad heeft om gehoord te worden, verzoekende partij gegriefd werd in haar rechten en er een negatieve beslissing genomen werd, wat mag blijken uit de bestreden beslissing van de Min(i)ster van de Vlaamse Gemeenschap die bijna woordelijk de grieven van de gemachtigde ambtenaar uit zijn inleidende verzoekschrift overnam in de bestreden beslissing; Dat daarenboven de Minister trouwens een aantal maal in de bestreden beslissing aanhaalt dat hij over onvoldoende gegevens kon beschikken om anders te oordelen; Dat verzoeker duidelijk te horen en te kennen heeft gegeven, gehoord te willen worden, wat ondubbelzinnig en impliciet mag blijken uit de procedure voor de bestendige deputatie alsmede de eigenheid van de zaak; Dat de bestreden beslissing dan ook dient vernietigd te worden als strijdig met het hoorrecht vervat in artikel 53, §2, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996”. Beoordeling 25. Het toentertijd geldende artikel 53, §2, vijfde lid van het gecoördineerde decreet bepaalt wat volgt : “De aanvrager of zijn raadsman, alsook het college of zijn gemachtigde worden op hun verzoek door de Vlaamse regering of diens gemachtigde gehoord. Wanneer een partij vraagt te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen”. Uit de gegevens van de zaak blijkt niet dat de verzoeker aan de verwerende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. Het feit dat hij in de voorafgaande administratieve procedure, met name voor de bestendige deputatie, wel heeft verzocht om te worden gehoord, impliceert niet dat dit verzoek eveneens geldt voor de administratieve beroepsprocedure voor de bevoegde Vlaamse minister. 26. In zoverre de verzoeker eerst in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat “de beslissing van de Minister (daarenboven) tegenstrijdig (
- is)wanneer hij enerzijds aanhaalt dat hij over onvoldoende gegevens kon beschikken om anders te oordelen, terwijl hij anderzijds nagelaten heeft verzoeker te horen”, is het middel onontvankelijk. 27. Het middel wordt verworpen. X-12.616-18/19 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.616-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div