← België

Arrest 201965 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.965 Rolnummer: A. 193877/X-14369 Zaak: Arrest 201965 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:28 Fiche Arrest nr 201.965 van 17 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.965 van 17 maart 2010 in de zaak A. 193.877/X-14.369. In zake: 1. Erwin HELLEMANS 2. Ann DYCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Jan Jacobsplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 7 september 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 19 juni 2009 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. X-14.369-1/24 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari 2010. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 23 augustus 2007 grijpt de plenaire vergadering plaats over het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen”. Op het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen is te Kontich het binnengebied tussen de E19, de expresweg N171 en de oude spoorlijn bestemd tot woonuitbreidingsgebied, woongebied, gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en - langs de E19 - groengebied met een diepte van ongeveer 50 meter. De verzoekende partijen wonen in het voornoemde binnengebied aan de Pierstraat 10. In het voorontwerp worden het hiervoor genoemde woonuitbreidingsgebied, het hiervoor genoemde woongebied evenals een deel van het hiervoor genoemde groengebied bestemd tot het woongebied Groeningen. 3.2. Op 16 juni 2008 keurt de dienst Veiligheidsrapportage van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie het ruimtelijk veiligheidsrapport over het voornoemde voorontwerp goed. 3.3. Op 25 augustus 2008 keurt de dienst Milieueffectrapportage van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie het plan-milieueffectenrapport X-14.369-2/24 (hierna: plan-MER) over het voornoemde voorontwerp goed. In deel 2 “woongebieden, bedrijventerreinen, grootstedelijke functies en openruimtegebieden” van dit rapport wordt het volgende gesteld: “I. Bespreking per discipline (...) 1. Discipline Mobiliteit (...) Doorstroming De ontwikkeling van de woon- en (op termijn) woonreservegebieden zal uiteraard resulteren in een verhoging van de verkeersintensiteiten in de onmiddellijke omgeving van het deelgebied. Het gaat evenwel in bijna alle gevallen over uitbreiding in de grootte-orde van 40 tot 250 woningen. Uitzonderingen hierop zijn Boskouter en Groeningen waar het aantal mogelijk respectievelijk 450 tot 625 zal bedragen. (...) Groeningen (1O) Doorstroming Ten gevolge van de omvang van dit deelgebied kan verwacht worden dat de bijkomende verkeersbelasting ten gevolge van de geplande ontwikkelingen een significante achteruitgang van de doorstroming beteken(

  1. t)en congestie tot gevolg (zal) hebben op de omliggende wegen. Het gaat immers om mogelijk een 350-tal bijkomende bewegingen tijdens de avondspits. Rechtstreekse ontsluiting via de N171 is niet gewenst rekening houdend met de aard van deze weg en het streefbeeld dat hiervoor werd opgemaakt. Spreiding van de aansluitingen op het omliggende wegennet is wenselijk en kan deels gebeuren via de Groeningenlei (richting A12 en richting N173/N171) en deels via de Pierstraat (voornamelijk richting N171). (...) 2. Discipline Geluid (...) 2.3.2.15 1O. Groeningen Voor dit gebied is het wegverkeerslawaai dominant aanwezig (E19 + N171). Er werden metingen uitgevoerd op 2 meetpunten en dit (momenteel nog) in open veld. Het continu aanwezig geluidsniveau wordt voornamelijk bepaald door de E19 en uitgedrukt in LA95 bedroeg het er 50 dB(A). De milieukwaliteitsnorm wordt niet gerespecteerd. Tijdens de avond – en ochtendspits zal dit wellicht nog hoger liggen. Indien er woningen worden voorzien moet er goed over layout en eventueel milderende maatregelen gedacht worden. Ook moet er een geluidsscherm/gronddam langs de E19 voorzien worden indien er hier een woonwijk ontwikkeld wordt. Een juiste dimensionering van een dergelijk scherm/gronddam moet nog gebeuren. (...) 3. Discipline Lucht (...) 3.5.2.15 Groeningen (1O) Het planelement Groeningen is gelegen langs het op- en afrittencomplex van de E19 te Kontich. (...) Op korte afstand van deze wegen wordt niet voldaan aan de kwaliteitsdoelstelling voor lucht. Het aantal geplande woningen in deze zone bedraagt circa 625, het aantal voertuigbewegingen per dag wordt geschat op 3.440. De bijdrage van dit aantal X-14.369-3/24 verkeersbewegingen aan de luchtkwaliteit langs een typeweg bedraagt circa 2 ìg/m3, en is relevant. Ten aanzien van de wegen zijn volgende bufferzones nodig om te voldoen aan de luchtkwaliteitsnormen: - E19: 300 m; - Expressweg: 50m; - Groeningelei: 30m Als gevolg van deze bufferzones wordt het areaal dat geschikt is voor woonzone, sterk gereduceerd. (...) 9. Discipline mens (...) Groeningen (1O) (...) De westelijke grens van het deelgebied wordt gevormd door de E19. Akoestische en visuele overlast ten gevolge van de snelweg zullen de woonkwaliteit significant negatief beïnvloeden. Als milderende maatregel wordt voorgesteld om in het RUP te bepalen dat langs de E19 voldoende buffering moet voorzien worden ten opzichte van de woningen. Dit kan in de vorm van een geluidsberm of functies die minder gevoelig zijn aan geluid en licht. (...) II. Synthese van de milieueffecten (...) II.1.15 Planelement Groeningen (1O) Door de grote omvang van dit gebied en de ligging vlakbij drukke verkeersaders en overstromingsgevoelig gebied, zijn er belangrijke milieueffecten ten gevolge van het planelement. Implementatie van de nodige milderende maatregelen (zie hierna) is dan ook noodzakelijk opdat de realisatie van dit planelement vanuit milieuoogpunt aanvaardbaar is. Ten gevolge van de omvang van dit deelgebied kan verwacht worden dat de bijkomende verkeersbelasting ten gevolge van de geplande ontwikkelingen een significante achteruitgang van de doorstroming betekenen en congestie tot gevolg hebben op de omliggende wegen. Het gaat immers om mogelijk een 350-tal bijkomende bewegingen tijdens de avondspits. Rechtstreekse ontsluiting via de N171 is niet gewenst rekening houdend met de aard van deze weg en het streefbeeld dat hiervoor werd opgemaakt. Spreiding van de aansluitingen op het omliggende wegennet is wenselijk (ook in functie van luchtkwaliteit) en kan deels gebeuren via de Groeningenlei (richting A12 en richting N173/N171) en deels via de Pierstraat (voornamelijk richting N171). Een aangepaste inrichting van het gebied in functie van het voorkomen van sluipverkeer vormt een belangrijk aandachtspunt. (...) Het wegverkeerslawaai vanwege de E19 en N171 vormt een potentiële bedreiging van de woonkwaliteit in het gebied. De aanleg van een geluidsberm of –scherm langsheen de E19 is dan ook aangewezen, net als een aangepaste layout van de woningen (...)”. 3.4. Op 5 september 2008 stelt de Vlaamse regering het ontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen” voorlopig vast. X-14.369-4/24 Het ontwerp GRUP (plan 13) herneemt het in het voorontwerp voorziene woongebied Groeningen (deelproject 1J). 3.5. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, dat wordt georganiseerd van 6 oktober 2008 tot en met 4 december 2008, worden 1300 bezwaarschriften ingediend, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Deelgebied 1J Groeningen Het plan-MER onderzoekt de effecten van de ontwikkeling van dit gebied op de omgeving maar niet of het gebied zelf wel kan ontwikkeld worden gelet op de impact van de omgeving. Dit gebied mag niet ontwikkeld worden omwille van de geluidsoverlast van de E19 en het fijn stof. Het gebied moet groen blijven en aansluiten op het stadsrandbos. Het gebied is nodig voor de opvang van regenwater”. 3.6. Bij ministerieel besluit van 28 januari 2009 wordt de termijn waarover de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de VLACORO) beschikt om advies uit te brengen over het ontwerp GRUP met 30 dagen verlengd. 3.7. Op 8 april 2009 brengt de VLACORO advies uit. Met betrekking tot het hiervoor (nr. 3.5) geciteerde bezwaar wordt in het advies het volgende gesteld: “Voor het afbakenings RUP werd een plan-MER gemaakt dat op 25 augustus 2008 werd goedgekeurd door de dienst-MER. Ten aanzien van de verkeersafwikkeling, fijn stof en de impact van de E19 op het gebied werden in het plan-MER specifieke milderende maatregelen gevraagd voor dit deelRUP (geluidsbuffer, spreiding van verkeersafwikkeling, langzaam verkeersverbinding, onderzoek naar waterproblematiek koppelen aan bestaande zuidelijke ontwikkelingen, bestendigen verhoogde spoorwegberm als park). Deze aspecten werden doorvertaald in de stedenbouwkundige voorschriften. Vlacoro kan het bezwaar dan ook niet bijtreden”. 3.8. Op 28 mei 2009 brengt de Raad van State, afdeling wetgeving, advies uit over het ontwerp van besluit. 3.9. Bij besluit van de Vlaamse regering van 19 juni 2009 wordt het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen” definitief vastgesteld. Dit is het bestreden besluit. De stedenbouwkundige voorschriften voor het woongebied Groeningen luiden als volgt: X-14.369-5/24 “2.10 Woongebied Groeningen Artikel 1J.1. Woongebied 1(J).1.1. Het gebied is bestemd voor wonen en aan het wonen verwante activiteiten en voorzieningen. Onder aan het wonen verwante activiteiten en voorzieningen worden verstaan: handel, horeca, bedrijven, kantoren en diensten, openbare en private nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, openbare groene ruimten en openbare verharde ruimten, socioculturele voorzieningen en recreatieve voorzieningen. 1J.1.2. Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming zijn toegelaten voor zover ze wat schaal en ruimtelijke impact betreft verenigbaar zijn met de omgeving. Daarbij wordt ten minste aandacht besteed aan: - de relatie met de in de omgeving aanwezige functies; - de invloed op de omgeving wat betreft het aantal te verwachten gebruikers, bewoners of bezoekers; - de invloed op de mobiliteit en de verkeersleefbaarheid; - de relatie met de in de omgeving van het woongebied vastgelegde bestemmingen; - de bestaande of gewenste woondichtheid; - de inpassing in de omgeving; 1J.1.3. Bij vergunningsaanvragen voor een project dat een terreinoppervlakte beslaat vanaf 1 ha en/of 25 woongelegenheden, wordt een inrichtingsstudie gevoegd. De inrichtingsstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften voor het gebied. De inrichtingsstudie geeft ook aan hoe het voorgenomen project zich verhoudt tot wat al gerealiseerd is in het gebied en/of tot de mogelijke ontwikkeling van de rest van het gebied. De inrichtingsstudie voor dit gebied moet tevens een onderzoek bevatten naar de effectief te nemen ruimtelijk, stedenbouwkundige maatregelen in het kader van de geluidsbuffering ten aanzien van de E19 en in het kader van de ontmoediging van sluipverkeer tussen de N171 en de Groeningenlei. De inrichtingsstudie maakt deel uit van het dossier betreffende de aanvraag van stedenbouwkundige vergunning en wordt als zodanig meegestuurd aan de adviesverlenende instanties overeenkomstig de toepasselijke procedure voor de behandeling van de aanvragen. Elke nieuwe vergunningsaanvraag kan een bestaande inrichtingsstudie of een aangepaste of nieuwe inrichtingsstudie bevatten. 1J.1.4. In dit gebied kan een verkavelingsvergunning voor woningbouw voor een totale oppervlakte van minstens een halve hectare, pas afgeleverd worden indien minstens de helft van de loten een kleine of middelgrote oppervlakte heeft en de verkavelingsvoorschriften bepalen dat op die loten een woning kan worden opgericht met een klein of middelgroot volume. Van het aandeel kleine en middelgrote loten of woningen bestaat minstens de helft uit kleine loten of woningen. Onder een kleine kavel wordt verstaan een kavel van maximum 500 m². Onder een middelgrote kavel wordt verstaan een kavel van maximaal 750 m². Onder een kleine woning wordt verstaan een woning met een maximaal bouwvolume van 550 m³. Onder een middelgrote woning wordt verstaan een woning met een maximaal bouwvolume van 650 m³. Indien de verkavelingsvergunning voorziet in oprichting van één of meer gebouwen met verschillende woongelegenheden, of in de oprichting van aaneengesloten woningen met gemeenschappelijke buitenruimte, wordt voor de toepassing van deze bepaling het aandeel van elke woongelegenheid in de grondoppervlakte als kavel beschouwd. X-14.369-6/24 Een stedenbouwkundige vergunning voor de gegroepeerde bouw van woningen op een totale terreinoppervlakte van minstens een halve hectare, kan pas worden afgeleverd indien minstens de helft van de woongelegenheden kleine of middelgrote woningen zijn. Van het aandeel kleine en middelgrote woningen bestaat minstens de helft uit kleine woningen. Indien een eigenaar of ontwikkelaar in het gebied meer dan een halve hectare aaneengesloten gronden bezit of kan ontwikkelen, maar het verkavelen of bebouwen van de betrokken gronden faseert en daarvoor opeenvolgende aanvragen voor een verkavelingsvergunning of stedenbouwkundige vergunning indient, waarbij één of meer aanvragen een oppervlakte beslaan van minder dan een halve hectare, dan gelden niettemin de verplichtingen van het eerste en tweede lid, met dien verstande dat de opeenvolgende ontwikkelingsfasen voor de toepassing van die verplichtingen als één geheel worden beschouwd. 1J.1.5. In het gebied zijn eveneens toegelaten, voor zover de hoofdbestemming niet in het gedrang komt, voor zover in overeenstemming met of aangewezen in de watertoets, alle werken, handelingen en wijzigingen in functie van het bereiken van de randvoorwaarden die nodig zijn voor het behoud van de watersystemen en het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden toegelaten voor zover de technieken van de natuurtechnische milieubouw gehanteerd worden. 1J.1.6. Tot een vergunning verleend is voor de realisatie van de bestemming zijn per perceel de handelingen, voorzieningen en inrichtingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven, met uitsluiting van het oprichten van gebouwen en vergelijkbare constructies”. In de toelichtingsnota bij het GRUP wordt verduidelijkt hoe de in het plan-MER met betrekking tot het woongebied Groeningen voorgestelde milderende maatregelen doorwerken in het GRUP: “ milderende maatregelen en randvoorwaarden doorwerking in het R.U.P. Ten gevolge van de omvang van dit deelgebied kan - De ontsluitingsvereiste via een spreiding van verwacht worden dat de bijkomende verkeersbelasting ten verschillende wegen wordt opgenomen in de verordenende gevolge van de geplande ontwikkelingen een significante voorschriften via de symbolische weergave van de achteruitgang van de doorstroming beteken(
  2. t)en congestie ontsluitingsvoorkeur (via de Pierstraat, Groeningenlei en tot gevolg (zal) hebben op de omliggende wegen. Koningin Fabiolalaan en N171). Op die manier wordt het Rechtstreeks ontsluiting via de N171 is niet gewenst project zowel in het zuiden, oosten als noorden ontsloten rekening houdend met de aard van deze weg en het - De N171 is in het gemeentelijk mobiliteitsplan streefbeeld dat hiervoor werd opgemaakt. Spreiding van de geselecteerd als een lokale weg type I. De streefbeeldstudie aansluitingen op het omliggende wegennet is wenselijk. voor de N171 zegt niets over een verbod op bijkomende ontsluitingen. In het mobiliteitsplan (conform verklaard op Het wegverkeerslawaai vanwege de E19 en N171 vormt de PAC) wordt een nieuw kruispunt op de N171 voorzien een potentiële bedreiging van de woonkwaliteit in het met een aansluiting op het woongebied Groeningen. Een gebied. De aanleg van een geluidsberm of -scherm MOBER-studie voor deze problematiek gaf aan dat dit niet langsheen de E19 is dan ook aangewezen, net als een ten koste gaat van de doorstroming op de N171. Een aangepaste lay-out van de woningen. Ook een aangepaste rechtstreekse ontsluiting wordt daarom wel toegelaten. inrichting van het gebied in functie van het voorkomen van - De verordenende voorschriften voor woongebied laten de sluipverkeer vormt een belangrijk aandachtspunt realisatie van een geluidsberm of -scherm toe - Er is verordenend opgenomen dat een inrichtingsstudie bij de vergunningsaanvraag moet gevoegd worden bij aanvragen voor een project vanaf een bepaalde terreinoppervlakte. Er is daarbij opgenomen dat de inrichtingsstudie voor dit gebied een onderzoek moet bevatten naar de effectief te nemen ruimtelijk, stedenbouwkundige maatregelen in het kader van de geluidsbuffering ten aanzien van de E19 en in het kader van de ontmoediging van sluipverkeer tussen de N171 en de Groeningenlei ”. X-14.369-7/24 IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. De verwerende partij werpt het gemis aan het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekende partijen op om het bestreden besluit in zijn totaliteit aan te vechten. In hun verzoekschrift stellen de verzoekende partijen het volgende: “Beroepers wonen aan de Pierstraat nr. 10 te 2550 Kontich. Het gedeelte van de Pierstraat waar beroepers wonen is het restant van een oude weg die door de aanleg van de N171 werd afgesloten zodat dit nu een doodlopende straat is waar het erg rustig wonen is. Naar de N 171 toe is er zowel in oostelijke als in zuidelijke richting voldoende buffer Momenteel hebben beroepers vanuit hun woning en tuin een onbelemmerd zicht op een zeer groot open gebied, gelegen tussen de N 171 en de E 19. Conform de voorschriften van het Gewestplan, is dit gebied bestemd als woonuitbreidingsgebied, maar gelet op de erg moeilijke ontstluitbaarheid van het gebied, wegens zijn ligging tussen E 19 en N 171 werd dit gebied nooit ontwikkeld. Middels het bestreden besluit wordt het grootste gedeelte van de gemeente Kontich ten onrechte ondergebracht in het grootstedelijk gebied Antwerpen. Teneinde aan de taakstellingen van dit grootstedelijk gebied te kunnen beantwoorden, wordt dit enorm tot op vandaag onaangesneden woonuitbreidingsgebied herbestemd tot woongebied. Teneinde dit gebied maximaal te kunnen benutten wordt zelfs de in het gewestplan voorziene bufferzone tussen het woonuitbreidingsgebied en de E 19 volledig geschrapt. Blijkens de aanduidingen op het plan zou de Koningin Fabiolalaan bovendien moeten gaan fungeren als een van de hoofdtoegangswegen tot dit enorme gebied, waarin de bouw van ca 600 nieuwe woningen wordt voorzien. Uit de bestemmingsvoorschriften bij het bestreden besluit en de grafische aanduidingen op het plan dat van het bestreden besluit deel uitmaakt, wordt even ten Noorden van de plaats waar de woning van beroepers gelegen is een toegangsweg voorzien tot het gebied, rechtstreeks vertrekkend vanaf de N 171. In de bestemmingsvoorschriften wordt bovendien de Pierstraat genoemd als een straat die zal moeten dienen als ontsluitingsweg voor het aan te snijden gebied. Door de wijze waarop de ontwikkeling van het gebied wordt voorzien zullen beroepers bij de ontwikkeling van het gebied geprangd komen te zitten tussen de ontsluitingswegen van dit gebied zowel door de ten noorden van hun woning aan te leggen ontsluitingsweg als door de zuidelijk gelegen Pierstraat. Beroepers hebben dus een evident belang bij de aanvechting van dit besluit”. In de huidige stand van het geding volstaat het vast te stellen dat wat de deelprojecten betreft de verzoekende partijen hun belang exclusief afbakenen in functie van het deelproject 1J “woongebied Groeningen”. Wat de deelprojecten betreft is de vordering tot schorsing slechts ontvankelijk in zover zij het deelproject 1J “woongebied Groeningen” betreft. Een partiële schorsing, beperkt tot het deelproject 1J woongebied Groeningen, is mogelijk zonder afbreuk te doen aan de algemene economie van het plan. X-14.369-8/24 V. Onderzoek van de vordering 5. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Eerste middel Uiteenzetting van het eerste middel 5.1.1. In het verzoekschrift wordt het volgende eerste middel aangevoerd: “Eerste middel, genomen uit de schending van de artikelen 19 §5 en 41 §2 van het Decreet dd. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de Stedenbouw (DORO), en uit de schending van het motiveringsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur, Doordat eerste onderdeel, middels het bestreden besluit, de afbakening van het grootstedelijk gebied Antwerpen in uitvoering van het Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen ‘vrij ruim’ is gebeurd, teneinde de bestaande en toekomstige potenties van het grootstedelijk gebied maximaal te benutten (...), En doordat, deze ‘vrij ruime’ afbakening voor gevolg heeft dat bij de afbakening van het grootstedelijk gebied op perceelsniveau niet de bestaande reeds de facto gesuburbaniseerde ruimte als afbakeningscriterium is gevolgd, maar in tegendeel doelbewust de afbakeningslijn door bestaande open gebieden loopt (bv op de grens tussen deelplan 11 en deelplan 14) teneinde de woonkernen Lint, Kontich kazerne en Kontich bij dit grootstedelijk gebied te kunnen inlijven, en dit met miskenning van de bestaande open ruimte structuur die ten zuiden van Antwerpen in oost-west richting loopt ingevolge het bestaan van de reservatiestrook voor de aanleg van een leidingstraat (voormalige reservatiestrook voor de aanleg van de tweede ring rond Antwerpen), die een open ruimte gebied heeft doen ontstaan waardoor de woonkernen Lint, Kontich kazerne en Kontich van het de facto gesuburaniseerde gebied bezuiden Antwerpen losstaan, Terwijl, artikel 19 §5 DORO voorschrijft dat na de vaststelling van het ruimtelijk Structuurplan de overheid die het structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen neemt om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in overeenstemming te brengen met het ruimtelijke structuurplan, En terwijl, artikel 41 §2 DORO voorschrijft dat de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, En terwijl, het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen in zijn richtinggevend gedeelte bepaalt dat ‘de afbakening van de stedelijke gebieden als een essentiële beleidsmaatregel wordt vooropgesteld om de stedelijke leegloop en de lintontwikkeling te stoppen’, een ‘aanbodbeleid’ inzake bijkomende X-14.369-9/24 woningen en ruimte voor economische activiteiten te kunnen realiseren en het buitengebied te vrijwaren van een stedelijke ontwikkeling’ (...), En terwijl, het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen in zijn richtinggevend gedeelte verder bepaalt dat de indicatieve lijst van gemeenten waarvan delen in het grootstedelijk gebied kunnen worden opgenomen (waarin de gemeenten Lint en Kontich worden genoemd), gebaseerd is op de bestaande ruimtelijke structuur en bijgevolg gebieden bevat, die door de suburbanisatie geheel of gedeeltelijk een feitelijk stedelijk karakter hebben. Dat betekent dat mogelijks (delen van) gemeenten uit de indicatieve opsomming op basis van de visie op het stedelijk gebied uitgewerkt in het afbakeningsproces, niet in het stedelijk gebied worden opgenomen, terwijl bepaalde delen van gemeenten die niet indicatief zijn opgesomd wel tot het stedelijk gebied kunnen behoren, mits ze direct aansluiten bij het stedelijk gebied (...). En terwijl, het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen in zijn richtinggevend gedeelte tevens bepaalt dat voor stedelijke gebieden gelegen binnen de Vlaamse Ruit als stedelijk netwerk waarbinnen het grootstedelijk gebied Antwerpen gelegen is, de ontwikkelingsperspectieven voor de Vlaamse Ruit er niet (mogen) toe leiden dat het stedelijk netwerk wordt gelijkgesteld met één grootstedelijk gebied, dat binnen de Vlaamse Ruit tot een ruimtelijke afstemming tussen enerzijds de verschillende groot- regionaal- en kleinstedelijke gebieden en anderzijds de buitengebiedgemeenten moet worden gekomen, en dat complementair hieraan het aangewezen is het buitengebiedbeleid in de Vlaamse Ruit eerder aan te scherpen dan af te zwakken (...), En terwijl, uit samenlezing van deze bepalingen volgt dat de afbakening van het grootstedelijk gebied Antwerpen tot prioritaire doelstelling heeft de stedelijke leegloop en de lintontwikkeling te stoppen en het buitengebied te vrijwaren van een stedelijke ontwikkeling, dat om dit doel te bereiken men bij de afbakening van dit gebied moet voortbouwen op de bestaande ruimtelijke structuur, zodat het afgebakend stedelijk gebied enkel de gebieden bevat die door de suburbanisatie geheel of gedeeltelijk een feitelijk stedelijk karakter hebben, zonder dat de indicatieve lijst van gemeenten die in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen worden genoemd als mogelijk behorend tot het grootstedelijk gebied op één of andere wijze bindend zou zijn, en dat het binnen de Vlaamse ruit aangewezen is het buitengebiedbeleid eerder aan te scherpen dan af te zwakken, En terwijl, de ‘vrij ruime’ afbakening van het grootstedelijk gebied Antwerpen tot gevolg heeft dat het grootstedelijk gebied Antwerpen in het zuidoosten nadert tot op een boogscheut van de stad Lier en van het kleinstedelijk gebied Lier dat nog moet afgebakend worden, en tot aan de grens van de gemeente Boom waarvan het kleinstedelijk gebied nog moet worden afgebakend, zodat de facto de stedelijke gebieden Lier Boom en Antwerpen aan elkaar of nagenoeg aan elkaar zullen grenzen, wat volgens de richtinggevende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen moet worden vermeden door het aanscherpen van het buitengebiedbeleid binnen de Vlaamse Ruit in plaats van de afzwakking ervan, En terwijl, de Vlacoro in haar advies als eigen opmerking 1 signaleert dat naar haar oordeel de stedelijke potenties in het algemeen in de kernstad onvoldoende onderbouwd werden en er moet vermeden worden dat door een te ruim aanbod aan randstedelijke woongebieden de selectieve stadsvlucht van gezinnen met kinderen uit de kernstad wordt gestimuleerd en daardoor het herwaarderingsbeleid in de kernstad wordt gehypothekeerd, wat diametraal staat tegenover het principe van gedeconcentreerde bundeling dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als uitgangspunt neemt, En terwijl, uit de rechtspraak van Uw Raad blijkt dat bij de implementatie van het richtinggevend gedeelte van een uitvoeringsplan en inzonderheid bij het X-14.369-10/24 opnemen van percelen in dergelijk plan en het onderwerpen ervan aan een voorschrift van bestemming, inrichting of beheer, de bevoegde overheden daartoe, in het licht van de in artikel 4 van het Decreet Ruimtelijke Ordening bepaalde doelstellingen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, doch dat de Raad van State toch bevoegd is na te gaan of de bevoegde overheid bij de uitoefening van deze bevoegdheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen (...). En terwijl, de in het plan-MER vastgestelde ‘vrij ruime’ afbakening van het grootstedelijk gebied Antwerpen in manifeste tegenspraak is met de in de toelichtende nota bij het bestreden besluit opgenomen bewering dat de grenslijn vrij nauw zou aansluiten bij de bestaande bebouwing in de Antwerpse Regio en dat op die manier wordt getracht de min of meer aaneengesloten open ruimten in het oosten, zuiden en westen in stand te houden en te valoriseren, waardoor wordt aangetoond dat het bestreden besluit is gebaseerd op foutieve gegevens, minstens op foutief geïnterpreteerde gegevens (...). het terwijl, aldus het bestreden besluit, door de afbakening van het grootstedelijk gebied Antwerpen erg ruim te nemen door er gebieden in op te nemen die de facto open gebied zijn, en helemaal nog niet door suburbanisatie geheel of gedeeltelijk een feitelijk stedelijk karakter hebben, en dit met als énige bedoeling de toekomstige potenties van het grootstedelijk gebied in dit de facto buitengebied te realiseren, de richtinggevende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en dus de in het middel genoemde wettelijke bepalingen op kennelijke wijze schendt, nu de Vlaamse regering op basis van de in het richtinggevende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan vooropgestelde afbakenings-principes in alle redelijkheid niet vermocht te komen door de vastgestelde afbakening; En doordat, tweede onderdeel, in de toelichtingnota die integraal deel uitmaakt van het bestreden besluit de verenigbaarheid van de vastgestelde afbakeningslijn met de principes van het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen word gemotiveerd door te stellen dat de grenslijn vrij nauw zou aansluiten bij de bestaande bebouwing in de Antwerpse Regio, en op die manier wordt getracht de min of meer aaneengesloten open ruimten in het oosten, zuiden en westen in stand te houden en te valoriseren, En doordat, deze motivering manifest in strijd is met de vaststelling in de plan-Mer (over de sinds deze Mer ter plaatse ongewijzigd gebleven afbakeningslijn) dat de afbakening van het grootstedelijk gebied ‘vrij ruim’ is genomen (...), Terwijl, in toepassing van het motiveringsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur elk administratief besluit derwijze gemotiveerd dient te zijn dat de rechtsonderhorige kan weten op basis van welke feiten en overwegingen het besluit is genomen, En terwijl, deze motieven uiteraard correct dienen te zijn, En terwijl, aldus door in het bestreden besluit te motiveren dat de grenslijn vrij nauw zou aansluiten bij de bestaande bebouwing in de Antwerpse Regio en dat op die manier wordt getracht de min of meer aaneengesloten open ruimten in het oosten, zuiden en westen in stand te houden en te valoriseren, terwijl uit de vaststellingen van de Plan-Mer blijkt dat zulks helemaal niet het geval is en dat in tegendeel de afbakening van het gebied ‘vrij ruim’ werd genomen, en er dus niet op alle plaatsen aangesloten (laat staan vrij nauw aangesloten) wordt bij de bestaande bebouwing, het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk (bestuur) schendt”. X-14.369-11/24 Beoordeling van het eerste middel 5.1.2. In het auditoraatsverslag is het eerste middel als volgt beoordeeld: “Bij de implementatie van het richtinggevend gedeelte in een ruimtelijk uitvoeringsplan en inzonderheid bij het opnemen van een perceel in een dergelijk plan beschikken de bevoegde overheden over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State kan enkel toetsen of die overheid daarbij is uitgegaan van juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij, op grond daarvan, in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. In het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt aangegeven dat delen van de gemeenten Aartselaar, Antwerpen, Boechout, Borsbeek, Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem en Zwijndrecht tot het grootstedelijk gebied kunnen behoren (RSV, 366). In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen valt met betrekking tot deze opsomming op pag. 344 te lezen wat volgt: ‘Deze indicatieve opsomming is gebaseerd op de bestaande ruimtelijke structuur en bevat bijgevolg gebieden die door de suburbanisatie geheel of gedeeltelijk een feitelijk stedelijk karakter hebben. Dat betekent dat mogelijks (delen van) gemeenten uit de indicatieve opsomming op basis van de visie op het stedelijk gebied uitgewerkt in het afbakeningsproces, niet in het stedelijk gebied worden opgenomen, terwijl bepaalde delen van gemeenten die niet indicatief zijn opgesomd wel tot het stedelijk gebied kunnen behoren mits ze direct aansluiten bij het stedelijk gebied.’ Hieruit blijkt dat ‘de bestaande reeds de facto gesuburbaniseerde ruimte’ waarop verzoekende partij doelt, als criterium is weerhouden teneinde delen van de opgesomde gemeenten indicatief aan te duiden als mogelijks behorend tot het grootstedelijk gebied Antwerpen, maar dat uiteindelijk de ‘visie op het stedelijk gebied uitgewerkt in het afbakeningsproces’ bepalend is. Deze visie ontstaat blijkens de daaropvolgende passages van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (pag 347) na het doorlopen van twee stappen, enerzijds op Vlaams schaalniveau door de grenzen uit te werken die de natuurlijke structuur, de agrarische structuur en de landschappelijke elementen van Vlaams belang aan de stedelijke ontwikkeling stellen en door rekening te houden met de kwantitatieve taakstellingen inzake woningbouw en bedrijventerreinen die vanuit het Vlaams schaalniveau voor het betrokken stedelijk gebied worden gesteld en, anderzijds, op schaal van het stedelijk gebied door de bestaande toestand, de ruimtelijke potenties en de sectorale aspecten (ten minste een behoeftebepaling inzake woningbouw en inzake bepaalde onderdelen van de economische structuur) te analyseren. De uiteindelijke afweging tussen beide schaalniveaus resulteert in een visie op de gewenste ruimtelijke structuur voor het stedelijk gebied die wordt vertaald in het afbakeningsvoorstel. In tegenstelling tot wat verzoekende partij lijkt voor te houden, sluiten de richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de opname van de facto open ruimten in het stedelijk gebied niet uit, mits die opname past in de visie op de gewenste ruimtelijke structuur voor het stedelijk gebied en deze laatste niet kennelijk onredelijk is. Op pag. 19 van de toelichtingsnota is de visie op de rol en de positie van het grootstedelijk gebied Antwerpen bondig verwoord als volgt: ‘De Antwerpse regio heeft een grote zeehaven, een hoogwaardige industriële en dienstensector, een universiteit, een omvangrijk en X-14.369-12/24 gevarieerd woningaanbod, een belangrijk historisch erfgoed en rijke natuurgebieden. Het is een sterk economisch, politiek en cultureel centrum met een verzorgingsfunctie voor een ruime regio. Op Vlaams niveau behoort Antwerpen samen met de steden Gent, Brussel, Leuven, Aalst en Sint-Niklaas tot het Vlaams stedelijk kerngebied. Als ruimtelijk geheel is dit kerngebied structuurbepalend voor Vlaanderen. Het ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen erkent deze rol en vertaalt het beleidsmatig naar de Vlaamse Ruit als stedelijk netwerk van internationaal niveau. Binnen dit stedelijk netwerk neemt de Antwerpse regio een belangrijke positie in, als grote stad en als belangrijke economische motor voor Vlaanderen. Wil het deze positie ook in de toekomst waarmaken en mee de concurrentie aangaan met omliggende stedelijke gebieden en netwerken dan vraagt dit om aanzienlijke kwaliteitssprongen. Deze situeren zich zowel op vlak van werklocaties als van de residentiële functies, de voorzieningen op grootstedelijk niveau, de natuurlijke en landschappelijke structuur, de performantie van het wegennet en van het openbaar vervoer. Er wordt gepleit om de residentiële functie binnen de Antwerpse regio te versterken en dit voor alle bevolkingscategorieën. Dat betekent dat een geleidelijke groei van het bevolkingsaantal in het stedelijk gebied wordt vooropgesteld. Ook een nieuwe en creatieve kijk op de invulling van economische activiteiten in de Antwerpse regio is noodzakelijk om op termijn ook voldoende inkomensvorming te genereren. Zo zal het bijvoorbeeld aangewezen zijn niet langer te spreken van grote hoeveelheden bijkomende bedrijventerreinen maar veeleer van een zoektocht naar werklocaties. Ook de leefbaarheid in de stedelijke gebieden is een uitermate belangrijk aandachtspunt. Naast het voorzien van nieuwe woon- en werklocaties moet worden geïnvesteerd in de uitbouw van kwalitatieve en vlot bereikbare natuurlijke, landschappelijke en recreatieve ruimten met een hoge kwaliteit. Inzetten op deze elementen als grootstedelijke functies kan het ambitieniveau voor het grootstedelijk gebied mee onderstrepen. (...)’ Rekening houdende met de hoge taakstellingen inzake woningbouw en bedrijventerreinen die vanuit Vlaams schaalniveau worden gesteld voor het grootstedelijk gebied Antwerpen, wordt in de toelichtingsnota op pag. 23 t/m 32 uiteen gezet waarom deze visie zich heeft vertaald in een opname binnen het grootstedelijk gebied van heel wat gebieden in de rand rond Antwerpen. Specifiek wat de taakstelling wonen betreft, wordt verduidelijkt dat het stedelijk aanbodbeleid een maximale invulling van de woonuitbreidingsgebieden in het grootstedelijk gebied vereist en dat daarvoor geen beroep meer kan worden gedaan op woonuitbreidingsgebieden en reservegebieden in Antwerpen zelf nu die al ontwikkeld zijn of waarvan de ontwikkeling bezig is. Verduidelijkt wordt verder dat de aanduiding van de ontwikkelingsgebieden in de rand rond Antwerpen rekening houdt met een selectie en categorisering van polen en assen die inzicht bieden in bereikbaarheid en ontsluitingsmogelijkheden. Toegespitst op de gemeente Kontich stelt VLACORO wat volgt: ‘In de toelichtingsnota is door de ontwerper aangegeven op welke manier men de toekomstige potenties voor wonen, werken, open ruimten en vrije tijd heeft ingevuld in het stedelijk gebied. Er wordt niet uitgegaan van een evenredige verdeling over de verschillende gemeenten maar van een afgewogen aanbodbeleid dat gesteund is op de ruimtelijke potenties binnen de stad regio Antwerpen. De ruimtelijke potenties werden in het kader van een duurzame stadsmobiliteit gekoppeld aan de selectie van knopen en assen. Deze knopen en assen geven een zicht op de plekken die optimaal bereikbaar zijn (trein, tram, bus, weg, water). Daarbij werd rekening gehouden met de geplande realisaties in het kader van het X-14.369-13/24 masterplan Antwerpen, de bestaande ontsluitingsmogelijkheden langs het wegennet en spoornet en de frequentie van het aangeboden openbaar vervoer. Kontich heeft binnen deze filosofie heel wat gebieden die de toekomstige potenties kunnen invullen. VLACORO is dan ook van mening dat er voldoende is gemotiveerd waarom in Kontich meer gebieden worden vrijgegeven dan in andere gemeenten’. Deze visie is niet kennelijk onredelijk. Evenmin lijkt de grenslijn die deze visie moet vertalen, onverenigbaar met de stelling in de toelichtingsnota dat de min of meer aaneengesloten open ruimten worden in stand gehouden en gevaloriseerd. Teruggrijpend naar de hoger uiteengezette principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in aanloop naar het afbakeningsvoorstel, kan de afweging tussen enerzijds de natuurlijke structuur, de agrarische structuur en de landschappelijke elementen van Vlaams belang en anderzijds, het verzekeren van het stedelijk functioneren, de gegeven verantwoording in de toelichtingsnota verzoenen met de vaststelling dat tegelijk open ruimten worden opgenomen in het stedelijk gebied. Verzoekende partij maakt niet concreet aannemelijk dat de richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen worden geschonden. De omstandigheid voorts dat het plan-M.E.R. de afbakening ‘vrij ruim’ noemt, is, gelet de voorgaanden, niet van aard aan de verantwoording in de toelichtingsnota draagkracht te ontnemen. De ingeroepen schending van het motiveringsbeginsel wordt derhalve evenmin aannemelijk gemaakt”. Het eerste middel is niet ernstig om de redenen uiteengezet in het auditoraatsverslag, waarbij de Raad zich uitdrukkelijk aansluit. B. Tweede middel Uiteenzetting van het tweede middel 5.2.1. In het verzoekschrift wordt het volgende tweede middel aangevoerd: “Tweede middel, genomen uit de schending van de artikelen 19 §5, 41 §2 en 38 §11/ DORO, en uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur, Doordat, in het bestreden besluit, hiermee gevolg gevend aan het door de Vlacoro ter zake uitgebrachte advies, wordt besloten het deelplan stadsrandbos te schrappen, zodat de betrokken partijen verder kunnen werken aan een consensusvoorstel en nadien een gewestelijk RUP kan worden opgemaakt in uitvoering van het operationeel uitvoeringsprogramma actiepunt 36 van de ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos regio Antwerpse gordel/Klein Brabant met de vermelding dat de stedelijke open ruimte vingers nader worden uitgewerkt en vertaald in gewestelijke RUPS, waarvoor de Vlaamse Regering het uitvoeringsprogramma goedkeurde op 27 maart 2009, En doordat, de Vlaamse Regering naliet ingevolge deze schrapping van het stadsrandbos als deelplan ook de afbakening van het grootstedelijk gebied aan te passen aan deze schrapping, net zoals ook de inperking van het deelplan gemengd regionaal bedrijventerrein Satenrozen/Keizershoek (dat net als het X-14.369-14/24 deelplan stadsrandbos aan de afbakeningslijn paalt) de aanpassing van de afbakeningslijn tot gevolg heeft gehad, Terwijl, uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de schrapping van het deelgebied stadsrandbos gebeurt omdat voor het gebied een RUP zal worden opgemaakt in het kader van de ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos regio Antwerpse gordel, Klein Brabant, een regio die niet tot het grootstedelijk gebied behoort, of ter wille van de opmaak van dit RUP moet behoren, en de ontwikkeling van een ruimtelijke visie voor landbouw natuur en bos in geen geval behoort tot de grootstedelijke taakstellingen, En terwijl, door middels het bestreden besluit en de motivatie ervan het deelgebied stadsrandbos te schrappen uit het RUP en voor te bestemmen voor opname in een Gewestelijk RUP in het kader van de ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos voor de Regio Antwerpse gordel/Klein Brabant zonder dit deelgebied weg te laten uit de afbakening van het grootstedelijk gebied Antwerpen, een groot aaneengesloten open ruimte gebied dat allerminst aansluit bij de bestaande bebouwing en de facto allerminst een gesuburbaniseerd gebied is, opneemt in het grootstedelijk gebied Antwerpen, tegen de in het eerste middel vermelde principes van het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen in en zo de in het middel aangehaalde bepalingen schendt, En terwijl, door middels het bestreden besluit en de motivatie ervan enerzijds het deelgebied stadsrandbos te schrappen uit het RUP, en voor te bestemmen voor opname in een Gewestelijk RUP in het kader van de ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos voor de Regio Antwerpse gordel/Klein Brabant, doch zonder anderzijds dit deelgebied weg te laten uit de afbakening van het grootstedelijk gebied Antwerpen, dit deelgebied, tóch principieel voorbestemd blijft voor het voeren van grootstedelijk beleid waarbinnen vooral taakstellingen als wonen en bedrijvigheid primordiaal zijn, zodat de inwoners van het gebied blijvend moeten vrezen hun leefomgeving (niettegenstaande de motivering van het bestreden besluit) tóch met grootstedelijke taakstellingen belast te zien, waardoor het rechtszekerheids-beginsel als algemeen beginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur wordt geschonden, En terwijl, aldus de vaststelling enerzijds dat het deelplan stadsrandbos uit het RUP wordt geschrapt, en anderzijds het gebied dat in het voorlopig goedgekeurde ontwerp-Rup voor de aanleg van dit stadsrandbos was voorzien volgens de afbakeningsprincipes van het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen allerminst tot het grootstedelijk gebied Antwerpen kan behoren ter wille van de rechtszekerheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur enkel tot gevolg kan hebben dat ook de afbakeningslijn van het grootstedelijk gebied Antwerpen aan de schrapping van het deelgebied stadsrandbos wordt aangepast”. Beoordeling van het tweede middel 5.2.2. In het auditoraatsverslag is het tweede middel als volgt beoordeeld: “Gevolg gevend aan het advies van VLACORO heeft verwerende partij beslist het deelplan Stadsrandbos te schrappen ‘zodat de betrokken partijen verder kunnen werken aan een consensusvoorstel. Nadien kan een gewestelijk R.U.P. worden opgemaakt in uitvoering van het operationeel uitvoeringsprogramma, actiepunt 36 van de ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos regio Antwerpse gordel/Klein Brabant: de stedelijke open X-14.369-15/24 ruimtevingers worden nader uitgewerkt en vertaald in gewestelijke R.U.P.’s. De Vlaamse regering keurde dit uitvoeringsprogramma goed op 27 maart 2009’. In de toelichtingsnota valt op pag. 27 te lezen wat volgt: ‘Vanuit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt geen kwantitatieve taakstelling (cijfer) vastgelegd voor het realiseren van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden. Tijdens de discussies over de hoge taakstellingen voor wonen en bedrijven is wel duidelijk vastgesteld dat er een behoefte is aan bijkomende groenvoorziening in het grootstedelijk gebied op verschillende schaalniveaus: buurt, stadsdeel, grootstedelijk gebied. Op grootstedelijk niveau komen vooral de groene vingers (Schijnvallei, agrarisch gebied rond het fort van Borsbeek, de ingesloten gebieden tussen de E19, de A12 en de Schelde) als sterk structurerend naar voor. In deze groene vingers is een transformatie bezig van landbouw naar recreatief medegebruik, wonen, harde recreatie, hobbylandbouw en natuur. Landbouw en natuur maken nog wel wezenlijk deel uit van deze gebieden maar de transformatie zorgt voor een ‘tussengebied’, een gebied dat functioneel zowel samenhangt met het grootstedelijk gebied als met het buitengebied. Om die reden is ervoor geopteerd de afbakeningslijn nauw aan te laten sluiten op het woongebied en enkel de echt ingesloten groene vingers als onderdeel van het grootstedelijk gebied op te nemen. Concreet gaat het over de Schijnvallei en de groene vingers tussen de E19, de A12 en de Schelde’. Vanuit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt inderdaad geen kwantitatieve taakstelling vastgelegd voor het realiseren van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden. Kwalitatief daarentegen vermeldt het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen het behoud en de ontwikkeling van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden als ontwikkelingsperspectief voor stedelijke gebieden. (pag 371 e.v.). Het ondersteunen van het stedelijk functioneren door het aanbieden van voldoende open ruimte lijkt derhalve niet onverenigbaar met de principes van het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Het citaat, dat samen moet worden gelezen met het gestelde op pag. 38 van de toelichtingsnota (onder punt 6.4. Verantwoording van de grenslijn), nl. dat ‘de N171 en de geplande doortrekking van de N171 wordt gevolgd waardoor de open ruimtevinger tussen de E19 en de A12 wordt ingesloten. De open ruimtevinger maakt deel uit van het stadsrandbos Antwerpen’, verantwoordt voorts de opname als onderdeel van het grootstedelijk gebied -los van de schrapping als deelplan-, te weten het functioneel zowel samenhangen met het grootstedelijk gebied als met het buitengebied en de ingeslotenheid van de groene vinger ingevolge de geplande doortrekking van de N171. Terecht merkt verzoekende partij op dat ingevolge de bevestiging van de grenslijn dit deelgebied bestemd blijft voor het voeren van een grootstedelijk beleid. Dit neemt, zoals gezegd, niet weg dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen het behoud en ontwikkeling van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden mede vermeldt als ontwikkelingsperspectief voor stedelijke gebieden. Los van de motivering voor de schrapping van het deelplan ‘Stadsrandbos’ in het vaststellingsbesluit, reikt het rechtszekerheidsbeginsel evenwel niet zover dat verzoekende partij in dit stadium aanspraken vermag te formuleren naar verdere concrete invulling van het betrokken gebied. Het bestreden afbakeningsplan biedt in zoverre slechts het kader voor verdere planinitiatieven”. X-14.369-16/24 Het tweede middel is niet ernstig om de redenen uiteengezet in het auditoraatsverslag, waarbij de Raad zich uitdrukkelijk aansluit. C. Derde middel Standpunt van de partijen met betrekking tot het derde middel 5.3.1. In het verzoekschrift wordt als derde middel het volgende aangevoerd: “Derde middel, genomen uit de schending van het motiveringsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur, Doordat, eerste onderdeel, middels het bestreden besluit het deelplan Groeningen (deelgebied IJ), een gebied van om en bij de 25ha, gelegen tussen de Expresweg (N171) en de autosnelweg E 19 quasi integraal en zonder inachtname van een bufferzone tot woongebied wordt bestemd, En doordat, er in de toelichtingsnota bij het bestreden besluit met betrekking tot het deelgebied Groeningen (p. 102-110 van deel II) geen enkel element verwijst naar de ter plaatse aanwezige slechte luchtkwaliteit ingevolge het verkeer van de Nl71 en de E 19, laat staan dat er in deze toelichtende nota milderende maatregelen zouden zijn opgenomen om aan deze luchtvervuilingsproblematiek binnen het te ontwikkelen woongebied het hoofd te bieden. En doordat, ook in de stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot het deelplan geen enkele bepaling is opgenomen met betrekking tot het in acht nemen van een bepaalde bouwvrije strook vanaf de Nl71 of de E 19. Terwijl, uit het plan-Mer, dat in het kader van de totstandkoming van het bestreden besluit werd opgemaakt duidelijk blijkt, dat de nabijheid en de gebruiksintensiteit van de Nl7l en de E 19, samen met het effect van het ter plaatse te ontwikkelen woongebied op de luchtkwaliteit een dermate negatief effect heeft op de luchtkwaliteit binnen dit deelplan, dat in het plan-Mer bufferzones worden voorgesteld van 300 m. langs de E 19, van 50 m langs de Expresweg N171 en 30m.langs de Groeningenlei, waardoor ook het areaal voor woningen sterk zou worden ingeperkt. En terwijl, uit artikel 4.2.11 §3 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid volgt dat bij de voorbereiding en voor de vaststelling of onderwerping van het plan of programma aan de wetgevingsprocedure met het overeenkomstig artikel 4.2.1 0 van het decreet goedgekeurde Plan-Mer rekening moet worden gehouden, En terwijl, noch uit de toelichtingnota bij het bestreden besluit, noch uit de bestemmingsvoorschriften voor het betrokken deelgebied, noch uit de tekst van het vaststellingsbesluit blijkt dat bij de vaststelling van het RUP op enige wijze is rekening gehouden met de in het plan-mer opgenomen opmerking dat ter wille van de luchtkwaliteit binnen het ontworpen woongebied Groeningen bij de ontwikkeling van het gebied bufferzones moeten worden in acht genomen van 300 m. langs de E 19, van 50 m. langs de Expresweg en 30 m. langs de Groeningenlei, waardoor de in het middel aangehaalde bepalingen zijn geschonden. En doordat, tweede onderdeel, met betrekking tot het (in het Rup weerhouden gedeelte van) gemengd regionaal bedrijventerrein Satenrozen Keizershoek, de voorheen op het gewestplan aangeduide bufferzones worden X-14.369-17/24 geschrapt of gereduceerd tot 10 m. en er op het uitgebreid gedeelte tot aan de Keizershoek geen bufferzones worden voorzien, Terwijl, het plan-Mer op p. 102 van zijn Deel II met betrekking tot dit deelgebied wegens het niet halen van de luchtimmissienormen een bufferzone oplegt van 300 m. langs de E 19 en 50 m. langs de N171 evenals het voorzien van voldoende hoge gaskanalen voor de in te planten bedrijven, het voorzien van voldoende buffers en een zo groot mogelijke afstand tussen bedrijven en woningen, En terwijl, noch uit de toelichtende nota bij het bestreden besluit noch uit de bestemmingsvoorschriften met betrekking tot dit deelgebied blijkt dat er bij de vaststelling van het bestreden besluit opmerkingen uit het plan-Mer met betrekking tot dit deelgebied werd rekening gehouden, En terwijl, uit artikel 4.2.11 §3 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid volgt dat bij de voorbereiding en voor de vaststelling of onderwerping van het plan of programma aan de wetgevingsprocedure met het overeenkomstig artikel 4.2.10 van het decreet goedgekeurde Plan-Mer rekening moet worden gehouden”. 5.3.2. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het derde middel voert de verwerende partij het volgende aan: “Het deelproject ‘woongebied Groeningen’ (...) is gelegen in de wijk St. Rita. Het gebied wordt in het westen begrensd door de hoofdweg E19 met een onderdoorgang naar de westelijke bedrijvenzone via de Pierstraat. Aansluitend op de Pierstraat ligt de woonwijk St. Rita, het St. Ritacollege en een sporthal. Langs deze wijk is een ontsluiting mogelijk naar de Expresweg N171, de N171 geeft toegang tot de op- en afrit van de E19. In het noorden sluit het gebied aan op een kleine KMO-zone met ruime buffers. Met de geplande doortrekking van de tram vanuit Mortsel tot aan de op-en afrit van de E19 (masterplan Antwerpen) zal het gebied een optimale ontsluiting hebben. De wijk St. Rita is opgenomen als een risicogebied voor overstromingen. Er is een theoretisch ontwikkelbare oppervlakte van ca. 25ha. (...). Het woonuitbreidingsgebied wordt herbestemd tot woongebied om een rol te kunnen vervullen in het grootstedelijk aanbodbeleid. Deze rol is belangrijk gelet op de ligging van het gebied nabij de voorziene tramverlenging, het centrum van Kontich en de voorziene bedrijvenzone Satenrozen-Keizershoek als regionaal tewerkstellingsplek. In het plan-MER worden de door verzoekende partijen aangehaalde bufferzones enkel vermeld om te voldoen aan de luchtkwaliteitsnormen maar worden deze niet voorzien onder de milderende maatregelen. Wel wordt in het plan-MER (...) als milderende maatregel voorgesteld ‘om in het RUP te bepalen dat langs de E19 voldoende buffering moet voorzien worden ten opzichte van de woningen. Dit kan in de vorm van een geluidsberm of functies die minder gevoelig zijn aan geluid en licht’. ‘11.1.15 Planelement Groeningen (...) Door de grote omvang van dit gebied en de ligging vlakbij drukken verkeersaders en overstromingsgevoelig gebied, zijn er belangrijke milieueffecten ten gevolge van het planelement. Implementatie van de nodige milderende maatregelen (zie hierna) is dan ook noodzakelijk opdat de realisatie van dit planelement vanuit milieuoogpunt aanvaardbaar is. Ten gevolge van de omvang van dit deelgebied kan verwacht worden dat de bijkomende verkeersbelasting ten gevolge van de geplande ontwikkelingen een significante achteruitgang van de doorstroming betekenen en conjesti tot gevolg X-14.369-18/24 hebben op de omliggende wegen. Het gaat immers om mogelijk een 350-tal bijkomende bewegingen tijdens de avondspits. Rechtstreekse ontsluiting via de N171 is niet gewenst rekening houdend met de aard van deze weg en het streefbeeld dat hiervoor werd opgemaakt. Spreiding van de aansluitingen op het omliggende wegennet is wenselijk (ook in functie van luchtkwaliteit) en kan deels gebeuren via de Groeningenlei (richting Al2 en richting Nl73/N171) en deels via de Pierstraat (voornamelijk richting N171). Een aangepaste éénrichting van het gebied in functie van het voorkomen van sluipverkeer vormt een belangrijk aandachtspunt. Daarnaast is de realisatie van een verbinding voor langzaam verkeer met de Pierstraat (in functie van de bereikbaarheid van de scholen aldaar) en met de Fabiolalaan wenselijk. Rekening houdend met de grote omvang van het gebied, is een verbetering van het aanbod van openbaar vervoer aangewezen. Het weg-verkeerslawaai vanwege de E19 en de N171 vormt een potentiële bedreiging van de woonkwaliteit in het gebied. De aanleg van een geluidsberm of -schermen langsheen de E19 is dan ook aangewezen, net als een aangepaste lay-out van de woningen. De bestaande wijk St. Rita in de zuidelijke punt van het planelement is aangeduid als overstromingsgevoelig. Doorheen de bestaande wijken loopt de Mandoersebeek die tot op haar oever bebouwd is. Aan deze situatie wijzigt er door de herbestemming niets. Behoud van de waterlopen in open tracé vormt niettemin een aandachtspunt. Rekening houdende met deze overstromingsproblematiek moet de grote hoeveelheid afstromend terugwater van de wegeninfrastructuur en de grote omvang van het planelement, is het evenwel noodzakelijk om bijkomende maatregelen te treffen inzake infiltratie en vertraagde afvoer. Hierbij wordt de aanleg van een centrale buffergracht voorzien, die via de gracht langsheen de E19 aantaakt op de Mandoersebeek. Verder kan gebruik gemaakt worden van de lokale topografie en kan ter hoogte van de laaggelegen kom centraal in het ontwikkelingsgebied, een bufferbekken worden voorzien. Het behoud en beheer van de waardevolle ecothopen ter hoogte van de oude spoorwegberm is wenselijk De aanduiding als parkzone biedt een opportuniteit om het behoud en natuurgericht beheer ervan. Het creëren van visuele relaties vanuit de Fabiolalaan en Pierstraat kan een opwaardering betekenen van de perceptieve kenmerken van het gebied ten opzichte van de huidige situatie. De aanleg van een speelplek voor (kleine) kinderen is op te leggen via de stedenbouwkundige voorschriften.’ (...). De voor dit deelplan relevante en ruimtelijk vertaalbare milderende maatregelen, evenals de maatregelen vanuit de watertoets werden opgenomen in de toelichtingsnota en de verordenende stedenbouwkundige voorschriften Milderende maatregelen en randvoorwaarden Doorwerking in het RUP Ten gevolge van de omvang van dit deelgebied kan - De ontsluitingsvereiste via een spreiding van verwacht worden dat de bijkomende verkeersbelasting ten verschillende wegen wordt opgenomen in de verordende gevolge van de geplande ontwikkelingen een significante voorschriften via de symbolische weergave van de achteruitgang van de doorstroming betekenen en congestie ontsluitingsvoorkeur (via de Pierstraat, Groeningenlei en tot gevolg hebben op de omliggende wegen. Koningin Fabiolalaan en N171). Op die manier wordt het Rechtstreekse ontsluiting via de N171 is niet gewenst project zowel in het zuiden, oosten als noorden ontsloten. rekening houdend met de aard van deze weg en het - De N171 is in het gemeentelijk mobiliteitsplan streefbeeld dat hiervoor werd opgemaakt. Spreiding van de geselecteerd als een lokale weg type I. De streefbeeldstudie aansluitingen op het omliggende wegennet is wenselijk. voor de N171 zegt niets over een verbod op bijkomende Het wegverkeerslawaai vanwege de E19 en N171 vormt ontsluiting. In het mobiliteitsplan (conform verklaard op de een potentiële bedreiging van de woonkwaliteit in het PAC) wordt een nieuw kruispunt op de N171 voorzien met gebied. De aanleg van een geluidsberm of -scherm een aansluiting op het woongebied Groeningen. Een langsheen de E19 is dan ook aangewezen, net als een MOBER-studie voor deze problematiek gaf aan dat dit niet aangepaste layout van de woningen. Ook een aangepaste ten koste gaat van de doorstroming op de N171. Een inrichting van het gebied in functie van het voorkomen van rechtstreekse ontsluiting wordt daarom wel toegelaten sluipverkeer vormt een belangrijk aandachtpunt. X-14.369-19/24 - De verordenende voorschriften voor woongebied laten de realisatie van een geluidsberm of -scherm toe - Er is verordend opgenomen dat een inrichtingsstudie bij de vergunningsaanvraag moet gevoegd worden bij aanvragen voor een project vanaf een bepaalde terreinoppervlakte. Er is daarbij opgenomen dat de inrichtingsstudie voor dit gebied een onderzoek moet bevatten naar de effectief te nemen ruimtelijk, stedenbouwkundige maatregelen in het kader van de geluidsbuffering ten aanzien van de E 19 en in het kader van de ontmoediging van sluipverkeer tussen de N171 en de Groeningenlei. De realisatie van een verbinding voor langzaam verkeer - De symbolische weergave van de ontsluitingsvoorkeur met de Pierstraat (in functie van de bereikbaarheid van de (via de Pierstraat, Groeningenlei en Koningin Fabiolalaan) scholen aldaar) en met de Fabiolalaan is wenselijk. zorgt voor een verbinding tussen de Fabiolalaan, de Rekening houdende met de grote omvang van het gebied, Pierstraat en de Scholen is een verbetering van het aanbod van openbaar vervoer - De verbetering van het aanbod aan openbaar vervoer aangewezen. wordt verwacht aangezien er een doortrekking van de tram vanuit Mortsel naar de E19 via de N171 is voorzien in het masterplan Antwerpen. De elementen van de watertoets zijn in deel II van de plan- - De verordenende voorschriften laten expliciet alle MER beschreven onder de hoofdstukken 5.4.2 werken, handelingen en wijzigingen in functie van het (grondwater) en 6.4.3 (oppervlaktewater). De bestaande bereiken van de randvoorwaarden die nodig zijn voor het wijk St. Rita in de zuidelijke punt van het planelement is behoud van de watersystemen en het voorkomen van aangeduid als overstromingsgevoelig. Doorheen de wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden bestaande wijk loopt de Mandoersebeek die tot op haar toe. De concrete invulling van de buffercapaciteit zal bij de oever beschouwd is. Aan deze situatie wijzigt er door de vergunningverlening in overweging worden genomen (zie herbestemming niets. Behoud van de waterloop in open hiervoor ook de verplichting tot opmaak van een tracé vormt niettemin een aandachtspunt. Rekening inrichtingsplan waar o.a. de buffering moet bekeken houdende met deze overstromingproblematiek, de grote worden). hoeveelheid afstromend wegwater van de - In de toelichtende kolom van het voorschrift over de wegeninfrastructuur en de grote omvang van het inrichtingsstudie wordt opgenomen dat de waterbuffering planelement, is het evenwel noodzakelijk om bijkomende in het gebied bekeken dient te worden in relatie tot de maatregelen te treffen inzake infiltratie en vertraagde waterproblematiek van het reeds ontwikkelde woongebied afvoer. ten zuiden van de Pierstraat. Hierbij wordt de aanleg van een centrale buffergracht voorgesteld, die via de gracht langsheen de E19 aantakt op de Mandoersebeek. Verder kan gebruik gemaakt worden van de lokale topografie en kan ter hoogte van de laaggelegen kom centraal in het te ontwikkelen gebied, een bufferbekken worden voorzien. Het behoud en beheer van de waardevolle ecotopen ter - De spoorwegberm wordt bestemd tot parkgebied, hoogte van de oude spoorwegberm is wenselijk. De natuurbehoud en landschapsbeheer zijn toegelaten in het aanduiding als parkzone biedt een opportuniteit tot het verordenend onderzoek behoud en natuurgebied beheer ervan. De aanleg van een speelplek voor kinderen is op te leggen - De verordende voorschriften laten openbare groene via de stedenbouwkundige voorschriften ruimten en openbare verharde ruimten, socioculturele voorzieningen en recreatieve voorzieningen toe. - Er is verordenend opgenomen dat een inrichtingsstudie bij de vergunningsaanvraag moet gevoegd worden bij aanvragen voor een project vanaf een bepaalde terreinoppervlakte. De inrichtingsstudie geeft een aanduiding van alle ordeningsaspecten in het gebied: functies, differentiatie, fasering, ontsluiting, waterbuffering, publieke functies en speelpleinen, ... De milderende maatregelen kunnen daardoor in overweging worden genomen in het kader van de vergunningsaanvraag. In hoofdstuk 2.3 van het Ruimtelijk Veiligheidsrapport - Geen vraag tot wijziging van de planopties werd de impact van Seveso-inrichtingen op de geplande - Geen vraag tot opname van bijkomende randvoorwaarden woongebieden onderzocht. In alle gevallen liggen bestaande woongebieden of kwetsbare functies dichter bij de Seveso-inrichtingen dan de geplande woongebieden. De geplande ontwikkelingen hebben bijgevolg geen bijkomende determinerende impact op de Seveso- inrichtingen Rekening houdend met een volledige lezing van het plan-MER met betrekking tot het deelplan Groeningen en de doorwerking in het GRUP, moet worden vastgesteld dat wel degelijk rekening werd gehouden met de aanbevelingen en elementen van het plan-MER”. X-14.369-20/24 Beoordeling van het derde middel 5.3.3. Hiervoor (nr. 4) is gebleken dat - wat de deelprojecten betreft - de vordering tot schorsing slechts ontvankelijk is in zover zij het deelproject 1J “woongebied Groeningen” betreft. Vermits het middelonderdeel niet tot de schorsing van het laatstgenoemde deelproject kan leiden, hebben de verzoekende partijen geen belang hebben bij het tweede onderdeel van het derde middel, dat uitsluitend betrekking heeft op het deelproject 5B gemengd regionaal bedrijventerrein Satenrozen/Keizershoek. 5.3.4. In het eerste middelonderdeel wordt met betrekking tot het woongebied Groeningen aangeklaagd dat noch uit de toelichtende nota, noch uit de bestemmingsvoorschriften blijkt waarom het binnengebied “quasi integraal en zonder inachtname van een bufferzone tot woongebied wordt bestemd”, hoewel het plan-MER de inachtname van bufferzones vooropstelt. Zoals de verwerende partij in haar verweer op het middelonderdeel stelt wordt in het plan-MER met betrekking tot het woongebied Groeningen het volgende overwogen: “Als milderende maatregel wordt voorgesteld om in het RUP te bepalen dat langs de E19 voldoende buffering moet voorzien worden ten opzichte van de woningen”. Het bestreden GRUP blijkt niet zelf een maatregel inzake de buffering tussen de woningen en de E19 te bevatten, maar eist enkel dat indien er bij de vergunningsaanvraag een inrichtingsstudie dient te worden opgemaakt deze studie “een onderzoek (moet) bevatten naar de effectief te nemen ruimtelijk, stedenbouwkundige maatregelen in het kader van de geluidsbuffering”. Op het eerste gezicht blijkt uit de toelichtende nota niet waarom het GRUP niet zelf een maatregel inzake de buffering tussen de woningen en de E19 bevat. 5.3.5. Het middelonderdeel is ernstig. X-14.369-21/24 B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen 6. In het verzoekschrift voert de verzoeker het volgende nadeel aan: “Beroepers wonen met hun gezin aan de Pierstraat, bezuiden het te ontwikkelen woongebied Groeningen. Vanuit hun tuin hebben beroepers vandaag de dag een ruim en onbelemmerd uitzicht op de akkers en weiden ten noorden van hun woning. Door de ontwikkeling van dit gebied zullen zij dit zicht uiteraard verloren zien gaan. Dit zicht op de open ruimte zal worden vervangen door het zicht op en het inzicht vanuit een druk bebouwd woongebied. Beroepers erkennen dat vandaag de dag het terrein dat middels het bestreden besluit tot woongebied wordt bestemd voorheen als woonuitbreidingsgebied was bestemd, waarin de oprichting van zulk woonlint principieel ook mogelijk was (...), doch beroepers doen opmerken dat de niet ontwikkeling van het bestaande woonuitbreidingsgebied geen toeval is. Omwille van zijn ligging tussen de E 19 en de Expresweg N 171 is de ontsluiting van dit gebied zeer moeilijk tot onmogelijk zonder in de onmiddellijke omgeving (Groeningenlei, N 171) op een enorm verkeersinfarct aan te sturen. Ontsluiting van het gebied door of langs de oude spoorwegberm was eveneens onmogelijk nu het van kracht zijnde BPA Groeningen over dit gebied geen uitwegen toeliet (...) De herbestemming van het woonuitbreidingsgebied tot woongebied waardoor het gebied realiseerbaar wordt kan dan ook niet los gezien worden van de opname van het gebied binnen het grootstedelijke gebied Antwerpen tegen de richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk structuurplan Vlaanderen in. De herbestemming van woonuitbreidingsgebied naar woongebied kadert immers meteen in de realisering van de aan het grootstedelijk gebied Antwerpen toebedeelde taakstellingen. In die zin is de bebouwing van het gebied, waardoor beroepers hun onbelemmerd op het nu bestaande akker- en weidelandschap zullen verliezen wél een rechtstreeks gevolg van het bestreden besluit. Indien het gebied immers niet was opgenomen geweest in het grootstedelijk gebied Antwerpen, en dus in buitengebied was gebleven, dan zou de realisering van het woonuitbreidingsgebied zeer moeilijk tot onmogelijk zijn geweest. Het Provinciaal ruimtelijk structuurplan Antwerpen klasseert Kontich (indien niet opgenomen in het grootstedelijk gebied) als een gewoon hoofddorp type II (...). P 195 van het RSPA vermeldt dat in gemeenten met een hoofddorp type II enkel woningen kunnen worden gerealiseerd voor de opvang van de natuurlijke aangroei. Nu naar aanleiding van vorige aanvragen tot ontwikkeling van het gebied geen geloofwaardige woonbehoeftestudie kon worden voorgelegd, blijkt dat louter op basis van de natuurlijke aangroei van de bevolking het gebied niet voor bebouwing in aanmerking kwam. Het feit dat het sinds jaar en dag onbebouwde en zeer mooie gebied slechts nu zal worden bebouwd is dus wel degelijk het gevolg van het bestreden besluit waarvolgens het gebied wordt opgenomen in het grootstedelijk gebied Antwerpen, en ter voldoening van de taakstellingen van dit grootstedelijk gebied onmiddellijk voor bebouwing wordt vrijgegeven. Uw Raad aanvaardde eerder reeds bij herhaling dat het verlies van een mooi zicht vanuit de woning en de tuin een ernstige en moeilijk te herstellen aantasting betekent van het leefklimaat en dus een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is. (...), X-14.369-22/24 Door het feit dat beroepers door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hun ruimzicht op het achtergelegen akker- en weidelandschap zullen verliezen, zoals uit bijgevoegde foto blijkt, lijden zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. In uitvoering van het bestreden besluit zal bovendien ook het tot op vandaag onaangeroerde bosje ten zuiden van hun woning, aan de overzijde van de straat prompt worden bebouwd, wat uiteraard een toename van verkeer en drukte met zich zal brengen. Uit de bijgevoegd foto blijkt welke rust de woonomgeving van beroepers nu uitstraalt. Door de ontwikkeling van het bosje aan de overzijde van de straat zal uiteraard ook de straat moeten worden verbreed, wat de druk op het woongenot van beroepers op onaanvaardbare wijze opdrijft”. 7. In haar nota stelt de verwerende partij dat het verzet tegen een verdere bebouwing een typisch voorbeeld is van NIMBY (Not In My Back Yard) en dat bij de beoordeling van de aangevoerde nadelen in eerste instantie rekening moet worden gehouden met de oorspronkelijke gewestplanbestemming, zijnde woonuitbreidingsgebied dat, zoals het bestreden deelplan, ook wonen als finaliteit heeft. Beoordeling 8. Uit de enkele opwerping dat de aangevoerde nadelen een uiting zouden zijn van het “Not In My Back Yard”-syndroom blijkt niet dat geen ernstige nadelen worden aangevoerd. Zoals de verwerende partij in haar nota opmerkt liet het voorschrift “woonuitbreidingsgebied” van het gewestplan bebouwing toe. Aangezien de bevoegde overheid niet over de ordening van het gebied had beslist, liet het laatstgenoemde voorschrift evenwel niet toe om stedenbouwkundige vergunningen voor individuele woningen af te geven. Vermits de bestemmingsvoorschriften van het woongebied Lindelei dit wel toelaten, worden in het verzoekschrift voldoende concrete gegevens aangevoerd die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit deelproject van het bestreden GRUP in hoofde van de verzoekende partijen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals dit is bedoeld door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 19 juni 2009 houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk X-14.369-23/24 ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen”, wat het deelproject 1J “woongebied Groeningen” betreft. 2. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. 3. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk geschorste besluit. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens. Roger Stevens. X-14.369-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.965 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.