id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.006 Rolnummer: A. 171083/X-12743 Zaak: Arrest 202006 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-25 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:28 Fiche Arrest nr 202.006 van 17 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMERnr. 202.006 van 17 maart 2010 in de zaak A. 171.083/X-12.
- In zake:
- Jan LOUAGIE
- Francis MEERT
- Henri MEIRESONNE
- Johan VERMEIREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carlos De Wolf en Karolien Beké kantoor houdend te 9680 MAARKEDAL Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 maart 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 16 december 2005 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening grootstedelijk gebied Gent”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 januari
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 161.914 van 22 augustus 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-12.743-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karolien Beké, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De eigendommen van de verzoekers zijn alle gelegen te Sint-Martens-Latem, deel Hoog-Latem.
- Bij besluit van 22 oktober 2004 van de Vlaamse regering wordt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP) “afbakening grootstedelijk gebied Gent” voorlopig vastgesteld. Het ontwerp gewestelijk RUP omvat naast de grenslijn de volgende deelprojecten: “Deelproject 1A-stedelijk woongebied Wolfput (plan 1) Deelproject 1B-stedelijk woongebied Buntstraat (plan 2) Deelproject 1C-stedelijk woongebied Lange Velden (plan 3) X-12.743-2/10 Deelproject 1D-stedelijk woongebied Pantserschipstraat (plan 4) Deelproject 1E-stedelijk woongebied Holstraat (plan 5) Deelproject 1F-stedelijk woongebied Achtendries 3 (plan 6) Deelproject 1G-stedelijk woongebied Achtendries 2 (plan 6) Deelproject 1H-stedelijk woongebied Achtendries 1 (plan 6) Deelproject 1I-stedelijk woongebied Oude Bareel (plan 7) Deelproject 1J-stedelijk woongebied Syngemkouter (plan 8) Deelproject 1K-stedelijk woongebied Westveld A (plan 9) Deelproject 1L-stedelijk woongebied Westveld B (plan 9) Deelproject 1M-stedelijk woongebied Nijverheidskaai (plan 10) Deelproject 1N-stedelijk woongebied Sint-Denijs-Westrem Dorp (plan11) Deelproject 1O-stedelijk woongebied Schansakker (plan 1) Deelproject 2A-randstedelijk woongebied Moerkensheide (plan 12) Deelproject 2B-randstedelijk woongebied Hoog-Latem (plan 13) Deelproject 2C-randstedelijk woongebied Belzele (plan 14) Deelproject 2D-randstedelijk woongebied Hollebeekwijk (plan 15) Deelproject 2E-randstedelijk woongebied Bommelhoek (plan 16) Deelproject 2F-randstedelijk woongebied Droogte (plan 17) Deelproject 3A-gemengd regionaal bedrijventerrein R4/N70 Oostakker Noord (plan 18) Deelproject 3B-gemengd regionaal bedrijventerrein R4/N70 Oostakker Zuid (plan 18) Deelproject 3C-gemengd regionaal bedrijventerrein R4/N9 Melle (plan 19) Deelproject 3D-gemengd regionaal bedrijventerrein R4 Merelbeke (plan 20) Deelproject 3E-gemengd regionaal bedrijventerrein ’t Eilandje (plan 21) Deelproject 3F-gemengd regionaal bedrijventerrein Domo (plan 21) Deelproject 4-R4 Oost knooppunt 33 (plan 1) Deelproject 5-randstedelijk groengebied Kalevallei (plan 14) Deelproject 6A-groenpool vliegveld Oostakker-Lochristi (plan 18) Deelproject 6B-groenpool Gentbrugse Meersen-Damvallei (plan 22) Deelproject 6C-groenpool Parkbos (plan 13)”.
- De verzoekers weten zich gegriefd door het deelproject 2B - randstedelijk woongebied Hoog-Latem (grafisch plan 13). Hoog-Latem is gelegen tussen de Kortrijksesteenweg (noorden), Keistraat (zuiden) en Moeistraat (oosten). Het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone heeft deze wijk bestemd tot woonuitbreidingsgebied. Aanzienlijke delen van dit woonuitbreidingsgebied zijn reeds gerealiseerd.
- Het openbaar onderzoek wordt georganiseerd van 10 januari 2005 tot 10 maart
- Door de gemeenteraad van de gemeente Sint-Martens-Latem wordt het volgende advies verleend: “Rekening houdend met bovenvermelde elementen verleent de gemeenteraad X-12.743-3/10 1) een gunstig advies m.b.t. deelproject Parkbos (6C) verordenend grafisch plan 13; 2) een ongunstig advies m.b.t. de afbakening ten noorden van de N43 en verzoekt ze het randstedelijk gebied af te bakenen volgens het handelslint langs de steenweg; 3) een ongunstig advies met betrekking tot het deelproject ‘Hooglaten’ (2B), verordenend grafisch plan 13, tenzij alsnog aan alle voorwaarden van voormelde gemeenteraadsbesluiten wordt voldaan. Indien dit procedureel niet mogelijk is, verzoekt de gemeenteraad de verordenende bepalingen van het deelproject te schrappen; de afbakeningslijn van het grootstedelijk gebied weliswaar te behouden, zodat binnen de afbakeningslijn uitvoering dient gegeven te worden aan het randstedelijk beleid door middel van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan”. De verzoekers dienen op 7 maart 2005 een bezwaarschrift in.
- VLACORO verleent op 28 juni 2005 het volgende advies: “(...) Vlacoro neemt akte van het standpunt van de inwoners van Hoog-Latem hier aangegeven. De commissie meent echter dat de opname van Hoog-Latem als randstedelijk woongebied binnen het grootstedelijk gebied Gent verantwoord is. Aldus kan op vrij korte termijn een ruimtelijk verantwoorde oplossing (worden) geboden voor dit versnipperd gebied. De stedenbouwkundige voorschriften voor randstedelijke woongebieden stellen expliciet dat de invulling gebeurt met een gedifferentieerde woningtypologie en dichtheid, aangepast aan de omliggende woonomgeving. Dit wordt tevens in de ruimtelijke opties als volgt toegelicht: ‘Het bepalen van de woningdichtheid is maatwerk en zal van plek tot plek verschillen, onder meer afhankelijk van de dichtheid van de bebouwing in de omgeving. De stedenbouwkundige oplossing die het best is aangepast aan het karakter van de buurt kan dus soms leiden tot een voorstel met een dichtheid die lager is dan 25 woningen per ha. Uiteraard kan die lagere dichtheid geen uitgangspunt op zich vormen, wel het resultaat van een stedenbouwkundig ontwerp.’ Vlacoro is daarom van oordeel dat de stedenbouwkundige voorschriften voldoende mogelijkheden voorzien voor een goede integratie van het woonproject in de omgevende woonwijk. (...)”.
- Bij besluit van 16 december 2005 wordt het gewestelijk RUP “afbakening grootstedelijk gebied Gent” definitief vastgesteld. Het wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 januari
- Dit is het thans bestreden besluit.
- Het bestreden besluit overweegt met betrekking tot het randstedelijk woongebied Hoog-Latem wat volgt: “
- Randstedelijk woongebied Hoog-Latem (plannummer 12) Overwegende dat het randstedelijk woongebied Hoog-Latem gesitueerd is ten zuiden van de kern van Sint-Martens-Latem, tussen de Kortrijksesteenweg en de kern van De Pinte, met het station De Pinte in de onmiddellijke nabijheid; X-12.743-4/10 dat de Kortrijksesteenweg fungeert als een hoofdinvalsweg naar Gent en als openbaar vervoersas en een drager is van kleinhandelsactiviteiten en diensten; dat vanuit deze situering, bij de stedelijke activiteitenas en bij de kern en het station van De Pinte, het gebied in aanmerking komt voor een woonproject; dat de ontwikkeling van dit project gefaseerd dient te gebeuren zodat de nodige garanties kunnen worden geboden met betrekking tot waterbeheersing; dat daardoor bovendien een te snelle ontwikkeling wordt vermeden; dat onder meer over dit aspect strikte bepalingen zijn opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften, met inbegrip van het nodige onafhankelijke deskundigenonderzoek; dat daarnaast ook tegemoet gekomen wordt aan het advies van de gemeente Sint-Martens-Latem en van Vlacoro door voorschriften op te nemen over het aantal te realiseren woningen en de na te streven dichtheid; dat deze bepalingen uitgaan van de specifieke karakteristieken van het gebied en in het bijzonder aan de noodzaak om een oplossing te bieden aan de watergevoeligheid; Overwegende dat naast de bepalingen in dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ook nog bijkomende maatregelen nodig zijn voor de ontsluiting van het gebied naar de Kortrijksesteenweg en voor het functioneren van de Kortrijkse Steenweg; dat het onder meer gaat om de inrichting van lokale wegen en van de kruispunten; dat uit mobiliteitsonderzoek blijkt dat naast het verhogen van het aanbod van het openbaar vervoer, het regelen van kruispunten met lichten daarin een belangrijk element samen met herinrichting van lokale verbindingswegen zoals de Keistraat en een regeling van de verkeerscirculatie op het niveau van Hoog-Latem en in relatie met het station van De Pinte; dat mits deze maatregelen in acht worden genomen het bijkomend verkeer dat door de verdere ontwikkeling van deze wijk wordt gegenereerd geen onoverkomelijke bijkomende belasting veroorzaakt op de Kortrijkse Steenweg; Overwegende dat dwars door het projectgebied twee beken stromen, de Hooglatembeek en de Nazarethbeek; dat het gebied tussen deze twee beken, met name het laagst gelegen deel van het plangebied, grotendeels bebouwd is en nu reeds een ernstige overstromingsproblematiek kent; dat deze bestaande problematiek een oplossing vereist, onder meer door meer ruimte te geven aan de beken en door dijken te voorzien aan de oost- en westzijde van het plangebied; dat wanneer deze waterproblematiek is opgelost, er ook mogelijkheden zijn voor de ontwikkeling van de onbebouwde delen van het plangebied zonder bijkomende overlast te veroorzaken, dat in de stedenbouwkundige voorschriften expliciet is opgenomen dat eerst waterbeheersingswerken moeten uitgevoerd worden en dat een evaluatie moet gebeuren van de waterbeheersingswerken, vooraleer bijkomend bebouwd kan worden; dat hiertoe een strikte fasering is uitgewerkt; dat het gebied ten westen van de Permekelaan voorbehouden is voor waterbeheersing; dat dit gebied mogelijkheden heeft om desgevallend het waterbergend vermogen in het gebied te verhogen; dat dit gebied eventueel kan ingezet worden voor woonontwikkeling wanneer voldoende is aangetoond dat er geen behoefte is aan bijkomend waterbergend vermogen, dat bovendien op het grafisch plan van het deelproject randstedelijk woongebied Hoog-Latem en op het grafisch plan van het deelproject Groenpool Parkbos, dat er ruimtelijk één geheel mee vormt een gebied voor waterbeheersing wordt voorzien”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partijen bij de nietigverklaring van het volledige bestreden besluit en vraagt desgevallend de nietigverklaring te beperken tot het deelproject 2B. X-12.743-5/10 Op deze exceptie zou slechts dienen te worden ingegaan indien de Raad van State tot nietigverklaring zou besluiten, hetgeen te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is. De exceptie mist dus pertinentie. V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoekers roepen in een enig middel de schending in van artikel 19, §3 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van “het rechtmatig opgewekt vertrouwen”. Zij zetten dit middel als volgt uiteen: “4.1.2 Toelichting 4.1.2.1 Algemene bespreking In het kader van de opmaak van het RSV werden in Vlaanderen verschillende functioneel - hiërarchische categorieën van stedelijke kernen aangegeven. Het richtinggevend gedeelte (...) van het RSV bepaalt dienaangaande wat volgt: ‘In Vlaanderen worden volgende functioneel - hiërarchische categoriëen (sic) van stedelijke kernen aangegeven: - niveau 1: grote steden - niveau 2: regionale steden. - niveau 3a, 3b en 3c: respectievelijk goed uitgeruste kleine steden, behoorlijk uitgeruste kleine steden en zwak uitgeruste kleine steden.’ Het ‘Grootstedelijk Gebied Gent’ wordt, overeenkomstig het richtinggevend gedeelte van het RSV(...), als volgt afgebakend: ‘- Gent: delen van de gemeente Evergem, De Pinte, Destelbergen, Gent, Melle en Merelbeke’ Van een integratie van bepaalde delen van de gemeente Sint-Martens-Latem binnen het ‘Grootstedelijk Gebied Gent’ was bijgevolg geen sprake. Overeenkomstig artikel 19, §3 van het DRO dient als principe te worden vooropgesteld dat door een overheid, bij het nemen van beslissingen van het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan, niet mag worden afgeweken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. (...) Niettegenstaande het ontbreken van de gemeente Sint-Martens-Latem in de afbakening van het ‘Grootstedelijk Gebied Gent’ binnen het richtinggevend gedeelte van het RSV, werd binnen de Bestreden Beslissing een deel van de gemeente Sint-Martens-Latem, inzonderheid Hoog-Latem, toch binnen het ‘Grootstedelijk Gebied Gent’ geïntegreerd. De motivering voor de integratie van een deel van de gemeente Sint-Martens-Latem als Grootstedelijk Gebied, inzonderheid de kwalificatie als ‘Randstedelijk woongebied Hoog-Latem’ luidt als volgt (...) : (...) X-12.743-6/10 4.1.2.2 Toepassing in concreto Uit de overwegingen, opgenomen in het RSV en bevestigd door de rechtspraak van uw Raad, blijkt dat afwijkingen van het richtinggevend gedeelte van het RSV slechts mogelijk zijn op grond van onvoorziene ontwikkelingen van ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. Elke uitzondering moet berusten op motieven die - tegen de achtergrond van het RSV aangenomen uitgangspunten en nagestreefde doelstellingen - pertinent zijn. De aanwezigheid van voormelde dringende of onvoorziene uitzonderlijke omstandigheden, zal bovendien uit de materiële motivering van de uitvoeringsbeslissing zelf moeten blijken (...). (...) Verzoekende Partijen dienen evenwel vast te stellen dat in de motivering van de Bestreden Beslissing geenszins een verantwoording wordt geboden voor de afwijking van het richtinggevend gedeelte van het RSV. (...) Een afwijking van de in het RSV vooropgestelde afbakening van het Grootstedelijk Gebied Gent is bijgevolg geenszins noodzakelijk ten gevolge van dringende en uitzonderlijke omstandigheden en is manifest in strijd met het bij de inwoners van de betrokken perimeter opgewekte vertrouwen dat Hoog-Latem als ‘buitengebied’ zou worden gerealiseerd. (...) De Bestreden Beslissing klemt bijgevolg met de bindende bepalingen van het RSV, waar uitdrukkelijk vermeld staat op blz. 585 (...): ‘Als buitengebied worden beschouwd de gebieden die niet als stedelijk gebied worden afgebakend.’ (...)”.
- De verwerende partij repliceert als volgt: “
- In tegenstelling met hetgeen verzoekende partijen trachten voor te houden vormt het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘afbakening grootstedelijk gebied Gent’ geen afwijking van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Verzoekende partijen geven op zijn minst een onvolledige lezing van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Waar verzoekende partijen p. 338 van het RSV citeren, dient evenwel te worden benadrukt dat in het RSV niet gesproken wordt van een afbakening, maar van een selectie. De afbakening gebeurt immers niet in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, maar in het afbakeningsproces. Naast de selectie staat in het richtinggevend gedeelte van het RSV (...) ook het volgende over de afbakening: ‘De grens van het stedelijk gebied zal meestal niet overeenstemmen met de administratieve gemeentegrens. Bij de selectie van stedelijke gebieden beperkt de opsomming van mogelijke gemeenten behorende tot het af te bakenen stedelijk gebied zich dan ook tot ‘delen van gemeenten’. De hogervermelde indicatieve opsomming is gebaseerd op de bestaande ruimtelijke structuur en bevat bijgevolg gebieden die door de suburbanisatie geheel of gedeeltelijk een feitelijk stedelijk karakter hebben. Dat betekent dat mogelijks (delen van) gemeenten de indicatieve opsomming op basis van de visie op het stedelijk gebied uitgewerkt in het afbakeningsproces, niet in het stedelijk gebied worden opgenomen, terwijl bepaalde delen van gemeenten die niet indicatief X-12.743-7/10 zijn opgesomd wel tot het stedelijk gebied kunnen behoren mits zij direct aansluiten bij het stedelijk gebied’. Op basis van en met verwijzing naar het Ruimtelijk Structuurplan wordt in de Toelichtingsnota (...) bij het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘afbakening grootstedelijk gebied Gent’ het volgende gesteld: (...)
- Het enig middel van verzoekende partijen is dan ook gesteund op een onjuiste, minstens onvolledige lezing van het Ruimtelijk Structuurplan. (...) De overwegingen in het bestreden besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘afbakening grootstedelijk gebied Gent’ betreffende het randstedelijk woongebied Hoog-Latem zijn niet bedoeld als een verantwoording voor het afwijken van het richtinggevend gedeelte van het RSV, maar wel als weerlegging van de bezwaren en opmerkingen. Er kan dan ook geen sprake zijn van een schending van de in het middel ingeroepen wetsbepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur”.
- In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekers in eerste instantie het volgende toe aan hun enig middel: “2.1.3.2 Gegrondheid van het eerste en enig middel van het verzoekschrift tot vernietiging 2.1.3.2.1 De opsomming van de gemeenten in het richtinggevend gedeelte van het RSV is niet indicatief (...) Verwerende Partij gaat evenwel voorbij aan het basisprincipe zoals vervat in artikel 19 §1 van het DRO, met name dat ieder ruimtelijk structuurplan een bindend, richtinggevend en informatief gedeelte omvat. Alle bepalingen, geïntegreerd in het richtinggevend gedeelte van het RSV, dienen bijgevolg per definitie als indicatief/richtinggevend te worden beschouwd. Dat aan beide noties, met name indicatief en richtinggevend, eenzelfde interpretatie/draagwijdte dient te worden toegekend wordt bovendien bevestigd in een voetnoot van de Toelichtingsnota bij het GRUP Grootstedelijk Gebied Gent. ‘In overeenstemming met deze bepaling zijn in het ontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan naast de gemeenten genoemd in het indicatief gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen bovendien delen opgenomen van de gemeenten Laarne, Lochristi, Lovendegem en Sint - Martens - Latem.’ (...) De door Verwerende Partij geciteerde bepaling uit het richtinggevend gedeelte van het RSV vormt dan ook enkel een bevestiging van voormeld algemeen, in het DRO verankerd, basisprincipe, dat door de uitvoerende macht moet worden in acht genomen. 2.1.3.2.2 De afwijking op het richtinggevend gedeelte van het RSV, zoals opgenomen in de Bestreden Beslissing voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 19, §3 van het DRO (...)”. Voor het overige worden in de memorie van wederantwoord een aantal nieuwe en derhalve onontvankelijke middelen aangevoerd. X-12.743-8/10 Beoordeling
- In het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) wordt onder “deel 2 - gewenste ruimtelijke structuur - richtinggevend gedeelte” en meer specifiek onder de hoofding “
- Selectie, afbakening en nadere uitwerking” het volgende gesteld: “3.1.
- selectie a. Het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel ... b. Grootstedelijke gebieden Alle steden opgenomen in het niveau 1 worden geselecteerd als grootstedelijke gebieden. - Antwerpen : ... - Gent: delen van de gemeente Evergem, De Pinte, Destelbergen, Gent, Melle en Merelbeke; De afbakening van de grootstedelijke gebieden gebeurt door het Vlaamse gewest in nauw overleg met de provincie en de betrokken gemeenten”.
- In hun enig middel gaan de verzoekers verkeerdelijk van de veronderstelling uit dat het opnemen van het randstedelijk woongebied Hoog-Latem een afwijking inhoudt op het richtinggevend gedeelte van het RSV omdat de gemeente Sint-Martens-Latem niet vermeld is in het RSV bij de (delen van) gemeenten die deel kunnen uitmaken van het grootstedelijk gebied Gent. Het RSV bepaalt immers aangaande de afbakening: “(...) De hogervermelde indicatieve opsomming is gebaseerd op de bestaande ruimtelijke structuur en bevat bijgevolg gebieden die door de suburbanisatie geheel of gedeeltelijk een feitelijk stedelijk karakter hebben. Dat betekent dat mogelijks (delen van) gemeenten uit de indicatieve opsomming op basis van de visie op het stedelijk gebied uitgewerkt in het afbakeningsproces, niet in het stedelijk gebied worden opgenomen, terwijl bepaalde delen van gemeenten die niet indicatief zijn opgesomd wel tot het stedelijk gebied kunnen behoren mits ze direct aansluiten bij het stedelijk gebied. (...)”.
- De toelichtingsnota bij het bestreden gewestelijk RUP bepaalt het volgende: “In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt aangegeven dat delen van de gemeenten Gent, Destelbergen, De Pinte, Evergem, Melle en Merelbeke tot het grootstedelijk gebied kunnen behoren. Deze opsomming is indicatief. In de afbakening van stedelijke gebieden wordt concreet aangegeven waar een stedelijk gebiedbeleid zal gevoerd worden. Als gevolg van het afbakeningsproces kunnen ook delen van aangrenzende gemeenten bij het grootstedelijk gebied worden opgenomen”. X-12.743-9/10
- In tegenstelling tot wat de verzoekers beweren is het opnemen van Hoog-Latem binnen het gewestelijk RUP “afbakening grootstedelijk gebied Gent” dus geen “afwijking” van het richtinggevend gedeelte van het RSV in de zin van artikel 19, §3 DRO.
- Het middel, zoals uiteengezet door de verzoekers, gaat van een verkeerde veronderstelling uit waardoor het elke grondslag mist. Het enig middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1400 euro, elk voor een vierde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.743-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.006 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.914 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div