← België

Arrest 202010 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.010 Rolnummer: A. 171194/X-12752 Zaak: Arrest 202010 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-25 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:29 Fiche Arrest nr 202.010 van 17 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMERnr. 202.010 van 17 maart 2010 in de zaak A. 171.194/X-12.

  1. In zake:
  2. de n.v. VAS
  3. de n.v. VIM
  4. Philip VANCAENEGHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Isabelle Larmuseau, Peter De Smedt en Bert Roelandts kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 20 maart 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 16 december 2005 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening grootstedelijk gebied Gent”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 januari
  6. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. X-12.752-1/19 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september
  8. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Eva De Witte, die loco advocaat Bert Roelandts verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten
  10. De verzoekende partijen zijn elk voor een deel eigenaar van een perceel gelegen te Gent, Jean Baptist De Ghellincklaan-Gentiaanlaan, kadastraal bekend sectie D, nrs. 341/m, 386/g, 385/a, 383/a en 382/k. Dit terrein bevindt zich aan de oostzijde langs de spoorweg Gent- Kortrijk, naar het noorden toe bevindt zich de E40 en ten westen van het perceel ligt de Bloemekeswijk. Overeenkomstig de bepalingen van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan “Gentse en Kanaalzone” is dit terrein gelegen in woongebied. Dit terrein is eveneens gelegen binnen de grenzen van het bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) nr. SDW-6 “Sint-Denijs-Westrem Dorp”, zoals goedgekeurd bij besluit van de bevoegde minister van 11 februari
  11. De stedenbouwkundige voorschriften van dit BPA voorzagen voor dit terrein in een zone voor open bebouwing, voor gekoppelde bebouwing en in een zone voor halfopen en gesloten bebouwing. X-12.752-2/19
  12. Bij besluit van 22 oktober 2004 van de Vlaamse regering wordt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP) “afbakening grootstedelijk gebied Gent” voorlopig vastgesteld. Het ontwerp van gewestelijk RUP omvat naast de grenslijn de volgende deelprojecten: “Deelproject 1A-stedelijk woongebied Wolfput (plan 1) Deelproject 1B-stedelijk woongebied Buntstraat (plan 2) Deelproject 1C-stedelijk woongebied Lange Velden (plan 3) Deelproject 1D-stedelijk woongebied Pantserschipstraat (plan 4) Deelproject 1E-stedelijk woongebied Holstraat (plan 5) Deelproject 1F-stedelijk woongebied Achtendries 3 (plan 6) Deelproject 1G-stedelijk woongebied Achtendries 2 (plan 6) Deelproject 1H-stedelijk woongebied Achtendries 1 (plan 6) Deelproject 1I-stedelijk woongebied Oude Bareel (plan 7) Deelproject 1J-stedelijk woongebied Syngemkouter (plan 8) Deelproject 1K-stedelijk woongebied Westveld A (plan 9) Deelproject 1L-stedelijk woongebied Westveld B (plan 9) Deelproject 1M-stedelijk woongebied Nijverheidskaai (plan 10) Deelproject 1N-stedelijk woongebied Sint-Denijs-Westrem Dorp (plan 11) Deelproject 1O-stedelijk woongebied Schansakker (plan 1) Deelproject 2A-randstedelijk woongebied Moerkensheide (plan 12) Deelproject 2B-randstedelijk woongebied Hoog-Latem (plan 13) Deelproject 2C-randstedelijk woongebied Belzele (plan 14) Deelproject 2D-randstedelijk woongebied Hollebeekwijk (plan 15) Deelproject 2E-randstedelijk woongebied Bommelhoek (plan 16) Deelproject 2F-randstedelijk woongebied Droogte (plan 17) Deelproject 3A-gemengd regionaal bedrijventerrein R4/N70 Oostakker Noord (plan 18) Deelproject 3B-gemengd regionaal bedrijventerrein R4/N70 Oostakker Zuid (plan 18) Deelproject 3C-gemengd regionaal bedrijventerrein R4/N9 Melle (plan 19) Deelproject 3D-gemengd regionaal bedrijventerrein R4 Merelbeke (plan 20) Deelproject 3E-gemengd regionaal bedrijventerrein ’t Eilandje (plan 21) Deelproject 3F-gemengd regionaal bedrijventerrein Domo (plan 21) Deelproject 4-R4 Oost knooppunt 33 (plan 1) Deelproject 5-randstedelijk groengebied Kalevallei (plan 14) Deelproject 6A-groenpool vliegveld Oostakker-Lochristi (plan 18) Deelproject 6B-groenpool Gentbrugse Meersen-Damvallei (plan 22) Deelproject 6C-groenpool Parkbos (plan 13)”. Het terrein van de verzoekende partijen maakt deel uit van het deelproject stedelijk woongebied Sint-Denijs-Westrem Dorp (1N) (plan 11). Het perceel krijgt met dit ontwerp van gewestelijk RUP de bestemming “stedelijk woongebied”.
  13. Het openbaar onderzoek wordt georganiseerd van 10 januari 2005 tot 10 maart
  14. X-12.752-3/19 Door de buurtbewoners van de “Bloemekeswijk” wordt met betrekking tot dit deelproject een bezwaarschrift ingediend dat door VLACORO als volgt wordt samengevat: “Het gebied was weliswaar ingekleurd als woongebied maar niet ingevuld en heeft zich ontwikkeld als bosstruweel. Dit bosje vervult duidelijk een functie voor de buurt: geluidsdempend tav spoor en weg, spelen voor de kinderen, vertoefplaats van vogels en rustig uitzichtpunt. De buurtbewoners pleiten voor het behoud van het bestaande BPA dat enkel in bewoning voorzag aan de kant van de JB De Ghellincklaan. Dit is ook te verantwoorden vanuit het aspect waterhuishouding. Nu reeds hebben veel bewoners wateroverlast in natte perioden. Het lijkt de bezwaarindieners niet logisch een ‘parkbos’ aan te leggen en hier een speelbos te laten verloren gaan. Indien hier een aantal ha parkbos wordt gerealiseerd kan er mogelijks een landbouwbedrijf meer rendabel blijven”. De verzoekende partijen dienen geen bezwaarschrift in.
  15. VLACORO verleent op 28 juni 2005 advies en neemt het volgende standpunt in aangaande dit bezwaarschrift van de bewoners van de “Bloemekeswijk”: “Vlacoro wijst erop dat binnen het stedelijk gebied maximaal moet gestreefd worden naar woonuitbreiding m.a.w. dat de bestaande woongebieden op basis van een stedelijke dichtheid zouden ingevuld worden. De invulling moet wel op een duurzame manier gebeuren. De instandhouding van bestaande stedelijke groenelementen, landschapswaarden en de opvang, buffering en infiltratie van het oppervlaktewater verdienen de aandacht. Het is wenselijk dat deze aspecten in de inrichtingsstudie aan bod komen. Vlacoro wijst tenslotte ook op het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid (watertoets) en dringt erop aan dat de stedenbouwkundige voorschriften waar nodig afgestemd worden op deze regelgeving”.
  16. Bij besluit van 16 december 2005 wordt het gewestelijk RUP “afbakening grootstedelijk gebied Gent” definitief vastgesteld. Het wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 januari
  17. Dit is het thans bestreden besluit.
  18. Bij de definitieve vaststelling van het gewestelijk RUP wordt de betrokken site gedeeltelijk ingekleurd als “recreatief bosgebied”, daar waar de site in het ontwerp-gewestelijk RUP volledig ingekleurd was als “stedelijk woongebied”. X-12.752-4/19 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  19. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partijen bij de nietigverklaring van het volledige bestreden besluit en vraagt desgevallend de nietigverklaring te beperken tot het deelproject 1N. Op deze exceptie zou slechts dienen te worden ingegaan indien de Raad van State tot nietigverklaring zou besluiten, hetgeen te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is. De exceptie mist dus pertinentie. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  20. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 42, §6 en artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), alsmede de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Zij zetten dit middel als volgt uiteen: “doordat de Vlaamse regering haar goedkeuring heeft gehecht aan het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening grootstedelijk gebied Gent’ dat - inzake de toegewezen bestemming voor de percelen kadastraal gekend onder Sint-Denijs-Westrem, afdeling 25, sectie D, nrs 341m, 386g, 385a, 385c, 383a en 382 k - afwijkt van het voorlopig vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, terwijl, eerste onderdeel, artikel 42, §6 DRO bepaalt dat de Vlaamse regering bij de definitieve vaststelling van het plan niet mag afwijken van het voorlopig vastgestelde plan zonder dit plan opnieuw aan de formaliteiten van het openbaar onderzoek en de raadpleging van de betrokken besturen en van de VLACORO te onderwerpen, tenzij de wijzigingen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen of de adviezen van de geraadpleegde administraties en overheden of het advies van de VLACORO; en terwijl voornoemd principe bij de totstandkoming van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening grootstedelijk gebied Gent’ werd veronachtzaamd, nu in het definitief goedgekeurde uitvoeringsplan het betrokken terrein voor meer dan de helft werd ingekleurd als recreatief bosgebied, terwijl slechts een beperkt gedeelte ervan als stedelijk woongebied werd weerhouden, X-12.752-5/19 en terwijl het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening grootstedelijk gebied Gent’ daarentegen het betrokken terrein volledig als stedelijk woongebied had ingekleurd, en terwijl dergelijke inperking van de bebouwbare zone (i.e. het stedelijk woongebied) voor betrokken percelen geenszins mag of kan voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren, respectievelijk de opmerkingen van de diverse adviserende instanties, nu: - de bezwaarindieners verkeerdelijk en foutief hebben opgeworpen dat er conform de bepalingen van het BPA SDW6 op de betrokken percelen geen bebouwing (woningbouw) was toegestaan aan de zijde van de Bloemekeswijk, zodat dit bezwaar diende te worden verworpen, - de VLACORO in haar advies dd. 16 december 2005 heeft geoordeeld dat de inrichting van openbare groene ruimten één van de toegelaten functies in het stedelijk woongebied uitmaakt zodat met de opmerkingen van bezwaarindieners kan worden rekening gehouden via het aanduiden van een bestaand struweel als bosbuffer binnen de betrokken zone (i.e. binnen stedelijk woongebied); dat desgevallend in een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan nader kan bepaald worden welke delen van het gebied (lees: stedelijk woongebied) voor bebouwing in aanmerking komen en welke delen voor groenaanleg dienen te worden ingericht, en terwijl de Vlaamse regering de stedenbouwkundige voorschriften van het stedelijk woongebied bijgevolg voldoende mogelijkheden inhouden voor realisatie van een groene bufferzone op betrokken percelen, zonder dat hiervoor een wijziging van de bestemming ‘stedelijk woongebied’ naar ‘recreatief bosgebied’ is vereist, en terwijl, de Vlaamse regering door anders te besluiten - i.e. het inperken en wijzigen van de bestemming ‘stedelijk woongebied’ voor een deel van de betrokken percelen - aantoont dat zij het advies van de VLACORO verkeerdelijk heeft begrepen/geïnterpreteerd en hieraan op foutieve wijze uitvoering heeft gegeven, en terwijl, de Vlaamse regering bijgevolg artikel 42, §6 DRO op oneigenlijke wijze heeft toegepast nu hiertoe geen redenen voorhanden waren, ingevolge 1) de afwezigheid van een gegrond bezwaar en 2) de afwezigheid van een advies van een adviserende instantie die een afwijking van het ontwerp-GRUP verantwoordt of noodzakelijk maakt, en terwijl, tweede onderdeel, de betrokken percelen in het verleden steeds als bouw- en woonzone zijn bestempeld/ingekleurd, i.e. woongebied conform de gewestplanbestemming, bouwzone conform het BPA SDW6 en stedelijk woongebied conform het ontwerp-GRUP Gent, en terwijl, de Vlaamse regering de bestemmingswijziging bij definitieve goedkeuring van het GRUP slechts motiveert op grond van de overweging dat gezien de ligging nabij de spoorlijn en de E40 er binnen de betrokken wijk behoefte is aan groenvoorziening, en terwijl, in casu geen afdoende motivering voorligt op basis waarvan de bestemmingswijziging voor meer dan de helft van voormelde percelen kan worden verantwoord, en terwijl, door voormeld handelen afbreuk wordt gedaan aan het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, en terwijl, derde onderdeel, ingevolge artikel 4 DRO de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar dienen te worden afgewogen; en terwijl moet worden vastgesteld dat de Vlaamse regering de optie voor vrijwaring van een deel van de betrokken percelen voor groeninrichting, eenzijdig heeft benaderd vanuit het belang van de bezwaarindieners (buurtbewoners Bloemekeswijk) en geen rekening gehouden heeft met de bestaande stedenbouwkundige voorschriften van het BPA SDW6, dan wel de aanwezige bebouwing en omgevingskenmerken van betrokken percelen, X-12.752-6/19 en terwijl de Vlaamse regering ingevolge artikel 4 DRO nochtans de verschillende maatschappelijke behoeften gelijktijdig had moeten afwegen; en terwijl om die redenen niet alleen de schending voorligt van de hoger aangehaalde decretale bepalingen, maar tevens vaststaat dat het bestreden besluit aangetast is door een materieel motiveringsgebrek en bovendien strijdt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht”.
  21. De verwerende partij repliceert als volgt: “
  22. Eerste onderdeel In het bestreden besluit houdende definitieve vaststelling van het Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘afbakening grootstedelijk gebied Gent’ werd het deelproject 1N - stedelijk woongebied Sint-Denijs-Westrem Dorp (plan 11) ingekleurd als een stedelijk woongebied enerzijds en recreatief bosgebied anderzijds. Een stedelijk woongebied is bestemd voor wonen, openbare groene en verharde ruimten en aan het wonen verwante voorzieningen. Aan het wonen verwante voorzieningen worden voorzien : handel, horeca, bedrijven, kantoren en diensten, openbare en private nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, openbare groene en verharde ruimten, socioculturele inrichtingen en recreatieve voorzieningen. Een recreatief bosgebied is een gebied bestemd voor de instandhouding en de verdere ontwikkeling van het bestaande bosstruweel met mogelijkheden voor recreatief medegebruik. ‘Het bestaande bosstruweel blijft behouden en wordt ruimtelijk geïntegreerd in het stedelijk woongebied. De bebossing functioneert enerzijds als buffer naar de spoorweg en anderzijds als een publieke open ruimte in het stedelijk woongebied, waar recreatief medegebruik mogelijk is’ (...). In de definitieve vastgestelde GRUP ‘afbakening grootstedelijk gebied’ wordt benadrukt dat ‘Hoewel het zeker niet noodzakelijk is, het mogelijk (wordt) gemaakt dat de gemeente in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bijkomende voorwaarden uitwerkt met betrekking tot de ontwikkeling van het stedelijk woongebied. In het kader van een goede ruimtelijke organisatie van het hele plangebied kan beslist worden om delen van recreatief bosgebied aan te duiden voor woningbouw en delen van het stedelijk woongebied aan te duiden voor groenvoorziening’ (...). Verzoekende partijen hebben tijdens het openbaar onderzoek met betrekking tot het deelproject 1N - stedelijk woongebied Sint-Denijs-Westrem Dorp (plan 11) geen bezwaarschrift ingediend. De buurtbewoners van de ‘Bloemekeswijk’ hebben daarentegen wel degelijk een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift werd in het advies van VLACORO van 28 juni 2005 als volgt samengevat: ‘Het gebied was weliswaar ingekleurd als woongebied maar niet ingevuld en heeft zich ontwikkeld tot bosstruweel. Dit bosje vervult duidelijk een functie voor de buurt : geluidsdempend ten aanzien van spoor en weg, spelen voor de kinderen, vertoefplaats van vogels en rustig uitzicht. De buurtbewoners pleiten voor het behoud van het bestaande BPA dat enkel in bebouwing voorzag aan de kant van de J.P. de Gellincklaan. Dit is ook te verantwoorden vanuit het aspect waterhuishouding. Nu reeds hebben veel bewoners overlast in natte periode. Het lijkt de bezwaarindieners niet logisch een ‘Parkbos’ aan te leggen en hier een speelbos te laten verloren gaan. Indien X-12.752-7/19 hier een aantal ha Parkbos wordt gerealiseerd kan er mogelijks een landbouwbedrijf meer rendabel blijven.’ In het advies van VLACORO van 28 juni 2005 wordt dit bezwaarschrift als volgt beantwoord: ‘VLACORO wijst erop dat binnen het stedelijk gebied maximaal moet gestreefd worden naar wooninbreiding, m.a.w. dat de bestaande woongebieden op basis van een stedelijke dichtheid zouden ingevuld worden. De invulling moet wel op een duurzame manier gebeuren. De instandhouding van bestaande stedelijke groenelementen, landschapswaarden en de opvang, buffering en infiltratie van het oppervlaktewater verdienen de aandacht. Het is wenselijk dat deze aspecten in de inrichtingsstudie aan bod komen. VLACORO wijst tenslotte ook op het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid (watertoets) en dringt erop aan dat de stedenbouwkundige voorschriften waar nodig afgestemd worden op deze regelgeving.’ (...). In het bestreden besluit wordt overwogen ‘dat in sommige opmerkingen, bezwaren en adviezen en in het advies van VLACORO gewezen wordt op de aanwezigheid en het belang van het bestaande bosje; dat in de stedenbouwkundige voorschriften openbare groenruimten als één van de functies van een stedelijk woongebied worden benoemd; dat met deze opmerkingen wordt rekening gehouden door het aanduiden van een bestaand struweel als bosbuffer; dat gezien de ligging nabij de spoorlijn en de E40 in deze wijk behoefte is aan groenvoorziening; dat desgevallend in een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan nader kan bepaald worden welke delen van het gebied voor bebouwing in aanmerking komen en welke delen voor groenaanleg dienen ingericht te worden;’. In tegenstelling met hetgeen verzoekende partijen voorhouden, wordt in het bestreden besluit wel degelijk gemotiveerd waarom werd ingegaan op het bezwaarschrift van de buurtbewoners met betrekking tot het stedelijk woongebied Sint-Denijs-Westrem Dorp (plan 11). De doorgevoerde bestemmingswijziging volgt wel degelijk uit het openbaar onderzoek. Met de opmerkingen van de bezwaarindieners werd rekening gehouden door het aanduiden van het bestaand bosstruweel als bosbuffer. In de bestreden beslissing werd uitgegaan van de ruimtelijke context en van de ingediende bezwaarschriften. De beslissing is gebaseerd op de bestaande bebossing en op de ligging van het plangebied nabij de spoorlijn en de E40, waardoor de bebossing noodzakelijk werd geacht onder meer als een vorm van groenbuffer en speelbos. Op basis van de ruimtelijke afweging en van de ingediende bezwaarschriften werd afgeweken van de bestaande bestemmingsvoorschriften. Hieraan werd evenwel toegevoegd dat desgevallend in een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan mogelijk is om nader te bepalen welke delen van het gebied voor bebouwing in aanmerking komen en welke delen voor groenaanleg dienen ingericht te worden. Uit dit alles blijkt dat de aanpassing in het definitieve Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘afbakening grootstedelijk gebied Gent’ wel degelijk gesteund is op de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen zodat er geen sprake is van een schending van art. 42 § 6 DRO. Het eerste onderdeel is dan ook volkomen ongegrond.
  23. Tweede onderdeel Volgens verzoekende partijen zijn de betrokken percelen in het verleden steeds als bouw- en woonzone ingekleurd. De bestemmingswijziging wordt slechts gemotiveerd ‘op grond van de overweging dat gezien de ligging nabij de spoorlijn en de E40 er binnen de betrokken wijk behoefte is aan groenvoorziening’. In het bestreden besluit werd uitgegaan van het behoud van de bestaande toestand, rekening houdend met de opmerkingen in het bezwaarschrift. Hieruit X-12.752-8/19 blijkt inderdaad dat gezien de ligging nabij de spoorlijn en de E40 in deze wijk behoefte is aan groenvoorziening. In het advies van VLACORO werd ook voorgehouden dat de instandhouding van bestaande stedelijke groenelementen, landschapswaarden de aandacht verdienen. Deze bezorgdheid werd dan ook weergegeven in de stedenbouwkundige voorschriften. Wel werd benadrukt dat, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, desgevallend in een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan nader kan bepaald worden om delen van recreatief bosgebied aan te duiden voor woningbouw en delen van het stedelijk woongebied aan te duiden voor groenvoorziening. Deze overwegingen zijn dan ook wel degelijk gesteund op de met de ruimtelijke ordening verband houdende redenen. Het tweede onderdeel is dan ook volkomen ongegrond.
  24. Derde onderdeel Na het openbaar onderzoek en na het advies van VLACORO werd door de Vlaamse regering een afweging gemaakt, waarbij al de ingediende bezwaren en adviezen samen werden bekeken en de verschillende ruimtelijke behoeften tegen elkaar werden afgewogen. Deze afweging werd ook uitdrukkelijk vermeld in de overweging van het bestreden besluit. De afweging van de verschillende maatschappelijke behoeften is over het volledige GRUP-gebied. Met het volledige GRUP is een evenwicht gezocht tussen (onder meer) de behoefte aan bijkomende wooneenheden (meer dan 500ha woongebied, waarvan meer dan 250ha bijkomend t.o.v. het huidig gewestplan) en de behoefte aan groen. Het zoeken naar een dergelijk evenwicht is immers de doelstelling van het afbakeningsproces dat aan de basis is gelegen van het voorliggend GRUP. Teneinde rekening te houden met de in sommige opmerkingen, bezwaren en adviezen en in het advies van VLACORO aangehaalde aanwezigheid en het belang van het bestaande bosje, werd het bestaande bosstruweel als bosbuffer aangeduid. Het weze nogmaals benadrukt dat desgevallend in een Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan nader kan bepaald worden welke delen van het gebied voor bebouwing in aanmerking komen en welke delen voor groenaanleg dienen ingericht te worden. Het derde onderdeel is dan ook volkomen ongegrond.
  25. Het eerste middel is derhalve volkomen ongegrond”.
  26. In de memorie van wederantwoord antwoorden de verzoekende partijen als volgt: “De verwerende partij gaat immers voorbij aan het feit dat de ‘bestaande toestand’ zoals die heden voorligt - namelijk zoals voormeld de bestaande bebossing en ligging van het plangebied nabij de spoorlijn en de E40 - reeds van bij de opmaak van het ontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan aanwezig was en tot op het moment dat het voorlopig vastgesteld plan aan een openbaar onderzoek werd onderworpen, geen argument gevormd heeft om ter plaatse de aanleg van een groenbufferzone in te calculeren, respectievelijk in het vooruitschiet te stellen, noodzakelijk te achten. De verzoekende partijen ontkennen bijgevolg niet dat de kwestieuze wijziging voortvloeit uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bemerkingen, doch wensen te benadrukken dat de door de bewoners van de Bloemekeswijk ingediende bezwaren geenszins correct zijn, temeer daar zij ten onrechte en foutief hebben opgeworpen dat de betrokken percelen conform de X-12.752-9/19 tot voor de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geldende bepalingen van het BPA SDW6 nooit voor bebouwing (woningbouw) waren bestemd. Dit laatste is geenszins correct en had minstens door de Vlaamse regering op haar juistheid moeten worden gecontroleerd, quod non. Zoals reeds in het inleidend annulatieverzoekschrift werd uiteengezet, voorzag het bestaande BPA SDW6 wel degelijk in woningbouw aan de zijde van de Gentiaanlaan, i.e. naar de Bloemenkeswijk toe. Conform de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA SDW6 was immers aan die zijde van het terrein halfopen en gesloten bebouwing toegestaan. Terzake kan worden verwezen naar het stedenbouwkundig attest nr 1 dat aan de echtgenote van derde verzoekende partij op 14 januari 2004 werd afgeleverd (...). Hierin wordt uitdrukkelijk gesteld dat (een deel van) voormelde percelen conform het plan van aanleg SDW 6 ‘Sint-Denijs-Westrem’ gelegen zijn in een zone voor open- en gekoppelde bebouwing. Bovendien dient aangestipt dat de ‘Merelbeekse goedkope woningen’ de ontwikkelaar én eigenaar is van de sociale woningen gelegen in de Bloemekeswijk. De ‘Merelbeekse’ heeft de Bloemenkeswijk in het verleden in verschillende fasen gerealiseerd. Eind de jaren ’60 werd de wegeninfrastructuur aangelegd. Op dat ogenblik werd ook de Gentiaanlaan aangelegd met twee pijpenkoppen die zich situeren op de kwestieuze percelen en nog steeds aanwezig zijn (...). Reeds van begin af aan is het de bedoeling geweest om de Bloemenkenswijk uit te breiden tot de strook die thans als recreatief bosgebied is ingekleurd. Binnen diezelfde strook is thans nog een buurtweg gelegen (...). Om al die redenen en gelet op het feit dat het ontwerp-GRUP ‘Afbakening Grootstedelijk Gebied Gent’ op dit vlak geen wijzigingen inhield ten nadele van de verzoekende partijen - voormelde percelen werden in het ontwerp-GRUP evenzeer volledig ingekleurd als ‘bouwzone’, i.e. als ‘stedelijk woongebied’ - werd door de verzoekende partijen geen bezwaar ingediend tijdens het openbaar onderzoek. Dit was op geen enkel ogenblik vereist, zodat hen het gebrek aan indiening van een bezwaarschrift tijdens de periode van het openbaar onderzoek geenszins ten kwade kan/mag worden genomen. In dat verband dient bovendien opgemerkt dat de verzoekende partijen op het ogenblik waarop voormeld voorlopig vastgesteld GRUP aan een openbaar onderzoek werd onderworpen, zij volop bezig waren met de opmaak van een bouwontwerp teneinde de betrokken site volledig te ontwikkelen (...). Teneinde de bouwplannen zoveel als mogelijk af te stemmen op de wensen en bemerkingen van de stad Gent, hebben de verzoekende partijen meerdere malen overleg gepleegd met de dienst stedenbouw van de stad Gent. Op geen enkel ogenblik werd aan verzoekende partijen gewag gemaakt van het feit dat de bestemming van het terrein zou (kunnen) worden gewijzigd. Meer zelfs, de plannen die door de verzoekende partijen aan de stad Gent werden voorgelegd, werden zo ‘passend’ geacht dat zij door de stad Gent volledig werden geïntegreerd in het ontwerp-gemeentelijk RUP SDW
  27. Gedurende de hoorzitting dd. 7 juni 2005 die naar aanleiding daarvan werd georganiseerd, heeft de stad Gent het bouwontwerp van verzoekende partijen zelfs aan de toehoorders naar voor geschoven als de gewenste, toekomstige ontwikkeling voor de betrokken site. Groot was dan ook de verbazing van verzoekende partijen - maar evenzeer van de stad Gent - toen bleek dat bij definitieve goedkeuring van het GRUP Gent, de betrokken site voor meer dan de helft als ‘recreatief bosgebied’ werd ingekleurd. Eén en ander klemt bovendien des te meer nu - voorzover men toch aan de vraag van de bewoners van de Bloemekeswijk, namelijk het behoud van de bestaande bebossing, wenste tegemoet te komen - de bestemmingswijziging naar recreatief bosgebied niet hoefde te gebeuren nu de inrichting van openbare groene ruimten één van de toegelaten functies in het stedelijk woongebied is, zodat vaststaat dat de Vlaamse regering artikel 42,§6 DRO op oneigenlijke wijze heeft toegepast. X-12.752-10/19 Terzake rijst de vraag naar de oprechtheid van het motief voor inkleuring van een reeks percelen als ‘recreatief bosgebied’, en dit teneinde een groenbuffer te vormen tov de nabijgelegen spoorlijn en E
  28. De verzoekende partijen menen dat indien dit werkelijk het opzet was geweest, de strook percelen gelegen aan de Ghellincklaan hadden moeten worden ingekleurd als bufferzone en niet de strook percelen gelegen aan de Gentiaanlaan. Eén en ander is in dat verband tegenstrijdig en niet afdoende gemotiveerd. De verzoekende partij houdt vast aan haar stelling dat de mogelijkheid om via de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan delen van het recreatief bosgebied aan te duiden voor woningbouw en delen van het stedelijk woongebied aan te duiden voor groenvoorziening, een schending inhoudt van het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht. De verzoekende partij heeft op die wijze immers geen enkele houvast voor ontwikkeling van de betrokken percelen nu de inkleuring ervan op ieder ogenblik nog kan worden gewijzigd. Voormelde mogelijkheid hypothekeert minstens de ontwikkeling van de kwestieuze percelen die op het terrein als ‘stedelijk woongebied werden ingekleurd. Het eerste middel is gegrond”. Beoordeling
  29. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden brengt een verkeerde vermelding in het bezwaarschrift niet met zich mee dat de daarin geuite bezwaren in verband met de goede ruimtelijke ordening door de verwerende partij moesten worden verworpen.
  30. Bovendien blijkt nergens uit het advies van VLACORO en het besluit van de Vlaamse regering dat de bestemming in het BPA de doorslag gegeven heeft om gevolg te geven aan het bezwaar. Het belang van het behoud van het bestaande bosje komt duidelijk naar voor in het advies van VLACORO en wordt als volgt verwoord: “geluidsdempend tav spoor en weg, spelen voor de kinderen, vertoefplaats van vogels en rustig uitzichtpunt”. VLACORO volgt aldus het bezwaar van de bewoners van de Bloemekeswijk en adviseert de Vlaamse regering hiermee rekening te houden. Er blijkt dus geenszins dat de verwerende partij het advies van VLACORO verkeerd zou hebben gelezen.
  31. De Vlaamse regering gaat in op dit advies van VLACORO. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de betrokken administratieve overheid om een ontwerp gewestelijk RUP al dan niet aan te passen aan de bezwaren geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek en/of aan het advies van een adviserende overheid. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. X-12.752-11/19
  32. In de mate dat de verzoekende partijen refereren aan de bestaande toestand, is deze zonder impact op de legaliteit van het bestreden plan. Bij het vaststellen van de bestemmingen in ruimtelijke uitvoeringsplannen is de overheid er immers niet toe gehouden de op dat ogenblik bestaande toestand in het plan te bevestigen en te bekrachtigen. Plannen zijn namelijk toekomstgericht en kunnen stedenbouwkundige voorschriften vastleggen die afwijken van de bestaande toestand. Er is derhalve geen afbreuk gedaan aan de in het tweede onderdeel ingeroepen beginselen.
  33. De wijziging van het voorlopig vastgestelde plan vloeit recht- streeks voort uit het bezwaar naar aanleiding van het openbaar onderzoek. Het bestreden besluit motiveert deze wijzing. Het tweede onderdeel is niet gegrond.
  34. Het gelijktijdig tegen elkaar afwegen van de in artikel 4 DRO vermelde ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten impliceert niet dat deze ruimtelijke behoeften noodzakelijk gelijkwaardig zijn, aangezien bij de afweging één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie.
  35. De bestemming die in een ruimtelijk uitvoeringsplan aan een gebied wordt gegeven kan voordelen, respectievelijk nadelen met zich meebrengen. Het uitgangspunt moet zijn dat de plannende overheid steeds een afweging maakt van alle relevante aspecten van het plandossier, daarbij oog heeft voor alle in het geding zijnde belangen en middels het plan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en een goede ruimtelijke ordening nastreeft. Er wordt niet aannemelijk gemaakt dat dit in casu niet is gebeurd. Het derde onderdeel is niet gegrond.
  36. Het eerste middel, in al zijn onderdelen, is niet gegrond. X-12.752-12/19 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  37. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schen- ding in van artikel 39 DRO en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij voeren het volgende aan: “doordat, de Vlaamse regering in het bestreden goedkeuringsbesluit stipuleert dat desgevallend in een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan nader kan bepaald worden welke delen van het gebied voor bebouwing in aanmerking komen en welke delen voor groenaanleg dienen ingericht te worden, en doordat in de ruimtelijke opties beschreven bij het verordenend grafisch plan 11 (deelproject Sint-Denijs-Westrem Dorp) en meer specifiek omtrent de invulling van het ‘recratief bosgebied’ het volgende wordt gesteld: ‘hoewel het zeker niet noodzakelijk is, wordt het mogelijk gemaakt dat de gemeente in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bijkomende voorwaarden uitwerkt met betrekking tot de ontwikkeling van het stedelijk woongebied. In het kader van een goede ruimtelijke organisatie van het gehele plangebied kan beslist worden om delen van recreatief bosgebied aan te duiden voor woningbouw en delen van het stedelijk woongebied aan te duiden voor groenvoorziening’ terwijl, de stedenbouwkundige voorschriften van het ‘recreatief’ bosgebied geen woningbouw voorzien, respectievelijk toestaan, en terwijl het bijgevolg - ingevolge voormelde tegenstrijdigheid - voor verzoekende partijen niet duidelijk is welke delen van betrokken percelen voor woningbouw, respectievelijk groenvoorziening kunnen/moeten worden ingericht, en terwijl, door voormelde tegenstrijdigheid onrealiseerbare, onduidelijke en onbetrouwbare stedenbouwkundige voorschriften worden uitgewerkt, zodat zonder twijfel een schending van artikel 39 DRO en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht, voorligt”.
  38. De verwerende partij repliceert als volgt: “Overeenkomstig art. 39 § 1 DRO kunnen de stedenbouwkundige voorschriften van die aard zijn dat ze na verloop van tijd in werking treden of dat de inhoud op een bepaald tijdstip verandert. Het bestaande bosstruweel blijft behouden en wordt ruimtelijk geïntegreerd in het stedelijk woongebied. De bebossing functioneert enerzijds als buffer naar de spoorweg en anderzijds als een publieke open ruimte in het stedelijk woongebied, waar recreatief medegebruik mogelijk is. Dit belet evenwel niet dat via de opmaak van een BPA of Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan het binnen het subsidiariteitsbeginsel mogelijk is om bijkomende voorwaarden uit te werken met betrekking tot de ontwikkeling van het stedelijk woongebied. In het kader van een goede ruimtelijke organisatie van het gehele plangebied kan beslist worden om delen van X-12.752-13/19 recreatief bosgebied aan te duiden voor woningbouw en delen van het stedelijk woongebied aan te duiden voor groenvoorziening. Deze bepaling houdt juist in dat de concrete bestemming, inrichting en ordening van de betrokken zone het voorwerp moet uitmaken van het reguliere besluitvormingsproces van een ruimtelijk uitvoeringsplan, zoals dit is geconcipieerd door de decreetgever. De bezorgdheid van verzoekende partijen en de mogelijkheid van de lokale overheid tot invulling van een concrete bestemming blijft aldus gevrijwaard”.
  39. In de memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen, onder verwijzing naar artikel 48, §3 DRO, aan dat “de voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen niet kunnen afwijken van de voorschriften van de gewestelijke en provinciale uitvoeringsplannen”. Gelet op deze hiërarchie kunnen bepaalde delen van het recreatief bosgebied volgens hen niet via de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan worden aangeduid als woongebied gezien het feit dat “dit volstrekt in tegenspraak is met de stedenbouwkundige voorschriften van datzelfde gebied”. Beoordeling
  40. Het stedenbouwkundig voorschrift artikel 2 “Recreatief bosgebied” luidt als volgt: “Dit gebied is bestemd voor de instandhouding en verdere ontwikkeling van het bestaande bosstruweel, met mogelijkheden voor recreatief medegebruik. Volgende werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen - waarvoor volgens artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een stedenbouwkundige vergunning vereist is - zijn vergunbaar: - werken en handelingen i.f.v. natuur- en landschapsbehoud, -herstel en ontwikkeling; - bosbouw- en bosbeheerswerken; - het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied voor het publiek (paden, toegangsconstructies, wegwijzers, wegafsluitingen); - de afbraak van bouwwerken of constructies; - het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegenis en leidingen, voor zover dit de bestaande natuurwaarden en de potenties voor natuurontwikkeling in het gebied niet in het gedrang brengt; - werken en handelingen in functie van het geschikt maken en verder uitbouwen van het gebied voor recreatief medegebruik”.
  41. De overweging in het bestreden besluit volgens welke “desgevallend in een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan nader kan bepaald worden welke delen van het gebied voor bebouwing in aanmerking komen en welke delen voor groenaanleg dienen ingericht te worden” heeft betrekking op “stedelijk X-12.752-14/19 woongebied” (artikel 1) en kan niet dienstig worden aangevoerd ter ondersteuning van het middel dat betrekking heeft op “recreatief bosgebied” (artikel 2).
  42. Het geciteerde artikel 2 sluit woningbouw in “recreatief bosgebied” uit, zodat geenszins blijkt dat er sprake zou zijn van “onrealiseerbare, onduidelijke en onbetrouwbare stedenbouwkundige voorschriften”. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het in het middel aangehaalde citaat uit de toelichtingsnota, dat betrekking heeft op een “ruimtelijke optie” die geen vertaling heeft gekregen in de stedenbouwkundige voorschriften en waarvan de verzoekende partijen ook niet beweren dat ze dergelijke vertaling had moeten krijgen. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  43. De verzoekende partijen roepen in een derde middel de schending in van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, alsook van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht. Zij zetten dit middel als volgt uiteen: “doordat in de bestreden goedkeuringsbeslissing met geen enkele overweging wordt ingegaan op de mogelijke schadelijke effecten van het ruimtelijk uitvoeringsplan op de waterhuishouding van het betrokken gebied en, in voorkomend geval, op de voorwaarden om die schade te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren, terwijl de overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma, overeenkomstig artikel 8, § 1, eerste lid van het voornoemde decreet ‘er zorg voor (moet dragen) (...) door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd’, en, zo het schadelijk effect betrekking heeft op de kwantitatieve grondwatertoestand, geen dergelijk plan of programma kan worden goedgekeurd dan wanneer er een dwingende redenen van groot maatschappelijk belang bestaat (art. 8, § 1, tweede lid), en terwijl de beslissing over de in § 1 bedoelde watertoets op basis van artikel 8, § 2 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid is verbonden aan een bijzondere formele motiveringsverplichting - ook al gaat het om een reglementaire akte -, waarbij de genomen goedkeuringsbeslissing in elk geval aan de in artikel 5 en 6 van dat decreet bedoelde doelstellingen en beginselen van integraal waterbeleid moet worden getoetst, X-12.752-15/19 en terwijl die beoordeling in ieder geval vereist dat de betrokken overheid op de eerste plaats in de formeel uitgedrukte motieven van haar besluit moet aangeven of er al dan niet schadelijke effecten zijn te verwachten op de waterhuishouding en, in voorkomend geval, vervolgens moeten ingaan op de op te leggen voorwaarden om die schade te voorkomen, beperken, herstellen of te compenseren, die in het licht van de te realiseren doelstellingen en toe te passen beginselen van integraal waterbeleid passend worden geacht, en terwijl de overheden ertoe gehouden zijn de ter goedkeuring voorliggende plannen te beoordelen op basis van de in werking zijnde wetgeving en reglementering, ook al bestond die nog niet op het ogenblik dat met de opmaak van het GRUP werd gestart, en terwijl vaststaat dat, indien een ruimtelijk uitvoeringsplan een schadelijk effect kan hebben op het milieu (voortvloeiend uit een verandering van de toestand van watersystemen), een watertoets dient te gebeuren, voorafgaand aan de goedkeuring van het plan en dit niet mag gebeuren bij de latere invulling van het gebied (bijvoorbeeld naar aanleiding van de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen); en terwijl in casu dient vastgesteld dat nergens in de formeel uitgedrukte motieven van het bestreden besluit - wat de watertoets betreft - een afdoende en draagkrachtige motivering is opgenomen, noch wat het globale gebied binnen de afbakening betreft, noch wat het deelgebied ‘Sint-Denijs-Westrem Dorp’ betreft, en terwijl overigens nergens in de aanhef van het bestreden besluit van de Vlaamse regering wordt verwezen naar (artikel 8 van) het decreet integraal waterbeleid, hetgeen ten overvloede onderlijnt en aantoont dat geen formele watertoets werd doorgevoerd, en terwijl het (enige) advies dd. 14 april 2004 van de afdeling Water van AMINAL in dit verband even veelbetekenend als nietszeggend is, nu - qua impact op de waterhuishouding - voor het volledige GRUP werd volstaan met volgende overweging: ‘Wij ontvingen het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in goede orde. Bij nazicht stellen we vast dat meerdere onbevaarbare waterlopen van de 1/ cat. betrokken zijn in dit plan. Wij vragen dan ook dat met de wet op de onbevaarbare waterlopen dd. 28.12.1967, rekening zal gehouden worden en dit voor alle geklasseerde waterlopen (...) die in dit gebied voorkomen. Gelieve ons te verontschuldigen voor de plenaire vergadering van donderdag 22.04.04’ en terwijl minstens dient te worden vastgesteld dat geen, minstens een absoluut onvolkomen watertoets voorligt”.
  44. De verwerende partij repliceert als volgt: “In tegenstelling met hetgeen verzoekende partijen trachten voor te houden is uit de lezing van het definitief vastgesteld Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘afbakening grootstedelijk gebied Gent’ duidelijk dat er wel degelijk een watertoets werd doorgevoerd en tevens dat rekening werd gehouden met de principes van integraal waterbeleid. Bij de bespreking van de stedelijke woongebieden wordt nadrukkelijk gesteld dat deze stedelijke woongebieden niet gesitueerd zijn in risicozones voor overstromingen en dat de stedenbouwkundige voorschriften aangepast ondermeer om meer rekening te houden met de waterhuishouding van de gebieden. X-12.752-16/19 Ook in de voorschriften van bepaalde deelprojecten zijn specifieke voorschriften opgenomen betreffende de waterproblematiek en waterhuishouding. ‘Overwegende dat de stedelijke woongebieden niet gelegen zijn in recent overstroomde of van nature overstroombare gebieden; dat de herformulering van het stedenbouwkundig voorschrift stedelijk woongebied duidelijke bepalingen bevat betreffende de waterhuishouding, zodat er voldoende elementen in opgenomen zijn om dit aspect bij het beoordelen van vergunningsaanvragen voldoende in rekening te brengen; dat de realisatie van het woongebied derhalve voldoende oordeelkundig moet gebeuren zodat er voor het aspect waterbeheersing in alle redelijkheid geen probleem verwacht moet worden;’ (...). Met betrekking tot de stedenbouwkundige voorschriften, specifiek voor het deelproject 1N - stedelijk woongebied Sint-Denijs-Westrem Dorp (plan 11) worden bepalingen betreffende de waterhuishouding voorzien. ‘Door de bouwmogelijkheden wordt meer oppervlakte verhard. Om wateroverlast te voorkomen, is aandacht voor het waterbergendvermogen noodzakelijk. Deze noodzaak vormt een opportuniteit in functie van een kwalitatieve inrichting en groenaanleg van het terrein. Dit kan ondermeer door het gebruik van waterdoorlatende materialen en de aanleg van bufferbekkens, die een structurerend element kunnen vormen bij de inrichting van het terrein (bijvoorbeeld als vijver binnen de groenstructuur van het terrein)’ (...). Verzoekende partijen houden helemaal geen rekening met deze bepalingen. Er werd dan ook wel degelijk aan de voorschriften van art. 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid voldaan”.
  45. De verzoekende partijen verwijzen in hun memorie van wederantwoord naar het inleidend verzoekschrift. Beoordeling
  46. Het louter niet vermelden in de aanhef van het bestreden besluit van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid toont op zich niet aan dat er geen watertoets in de zin van het decreet zou zijn uitgevoerd.
  47. Het bestreden besluit overweegt aangaande de stedelijke woongebieden, zoals het deelproject 1N (plan 11) er één is, het volgende: “(...) dat de stedelijke woongebieden niet gelegen zijn in recent overstroomde of van nature overstroombare gebieden; dat de herformulering van het stedenbouwkundig voorschrift stedelijk woongebied duidelijke bepalingen bevat betreffende de waterhuishouding, zodat er voldoende elementen in opgenomen zijn om dit aspect bij het beoordelen van vergunningsaanvragen voldoende in rekening te brengen; dat de realisatie van het woongebied derhalve voldoende oordeelkundig moet gebeuren zodat er voor het aspect waterbeheersing in alle redelijkheid geen probleem verwacht moet worden; (...)”. X-12.752-17/19
  48. In de stedenbouwkundige voorschriften bij het voorliggende deelplan leest men in artikel 1: “Hemel- en afvalwater worden gescheiden afgevoerd. Bij de aanleg van het terrein moet het waterbergend vermogen van het gebied zoveel mogelijk worden behouden en het overstromingsrisico worden beperkt. Hemelwater moet maximaal kunnen infiltreren in de bodem”.
  49. Tot slot is bij dit stedenbouwkundig voorschrift in de toelichtingsnota onder de hoofding “ruimtelijke opties” het volgende te lezen: “Door de bouwmogelijkheden wordt meer oppervlakte verhard. Om wateroverlast te voorkomen is aandacht voor het waterbergend vermogen noodzakelijk. Deze noodzaak vormt een opportuniteit in functie van een kwalitatieve inrichting en groenaanleg van het terrein. Dit kan onder meer door het gebruik van waterdoorlatende materialen en de aanleg van bufferbekkens, die een structurerend element kunnen vormen bij de inrichting van het terrein (bv. als vijver binnen de groenstructuur van het terrein)”.
  50. Uit de lezing van de verschillende formeel uitgedrukte motieven blijkt dat wel degelijk een afdoende en draagkrachtige motivering is opgenomen aangaande de watertoets. Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
  51. De Raad van State verwerpt het beroep.
  52. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 525 euro, elk voor een derde. X-12.752-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.752-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.