id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.012 Rolnummer: A. 174111/X-12898 Zaak: Arrest 202012 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-25 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:29 Fiche Arrest nr 202.012 van 17 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.012 van 17 maart 2010 in de zaak A. 174.111/X-12.
- In zake: Dina NOTTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Denys kantoor houdend te 1560 HOEILAART De Quirinilaan 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 juni 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 30 maart 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende verwerping van het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek houdende weigering van de vergunning voor het uitbreiden van een woning gelegen te Dilbeek, Kreupelstraat, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 440/d. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. X-12.898-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december
- Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat John Toury, die loco advocaat Martin Denys verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster is eigenares van een kleine woning, gelegen te Schepdaal, Kreupelstraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 440/d. De verzoekster heeft deze woning verkregen van haar ouders die op 17 mei 1956 van de gemeente Schepdaal een vergunning verkregen voor de bouw van een “weekendhuisje”. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is het betrokken perceel gelegen in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en maakt evenmin deel uit van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 3.
- Op 13 december 1990 wordt door de bevoegde diensten een proces-verbaal opgesteld wegens het uitbreiden van een bestaand gebouw, zonder daartoe over een voorafgaande bouwvergunning te beschikken. 3.
- Op 11 september 1992 dient de verzoekster bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek een aanvraag in voor het “regulariseren van verbouwing aan bestaande woning” op een perceel gelegen te X-12.898-2/11 Schepdaal, Kreupelstraat. De betrokken woning werd uitgebreid van een bestaand volume van 168m³, naar een nieuw volume van 248m³. 3.
- Bij besluit van 6 januari 1993 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde bouwvergunning. 3.
- Bij besluit van 29 april 1993 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de verzoekster tegen dit weigeringsbesluit niet in. 3.
- Bij besluit van 12 april 1995 van de bevoegde minister wordt het beroep dat de verzoekster op 14 juni 1993 had ingesteld tegen het voormelde besluit van de bestendige deputatie niet ingewilligd. Bij arrest nr. 182.075 van 15 april 2008 wordt het beroep van de verzoekster tegen dit ministerieel besluit verworpen. 3.
- Inmiddels had het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek bij besluit van 17 februari 2003 een tweede regularisatieaanvraag geweigerd en had de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep tegen dit weigeringsbesluit ingewilligd en de gevraagde vergunning verleend, waardoor het betrokken gebouw een vergund volume verkreeg van 248m³. 3.
- Op 6 juni 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekster bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor de “uitbreiding van een vergunde eengezinswoning” gelegen te Schepdaal, Kreupelstraat. Volgens de gegevens vermeld in het statistisch formulier, wordt de totale oppervlakte van het gebouw uitgebreid van 92 m² naar 188 m² en wordt het totale volume van het gebouw uitgebreid van 248 m³ naar 738 m³. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaarschriften ingediend. 3.
- Op 14 juni 2005 brengt de afdeling Land Vlaams-Brabant een voorwaardelijk gunstig advies uit. In dat advies wordt gesteld dat de werken moeten kaderen binnen de meest strikte context van de vigerende wetgeving met betrekking tot zonevreemde woningen. X-12.898-3/11 Op 22 augustus 2005 brengt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek een ongunstig advies uit. In dit advies wordt onder meer gesteld: “De aanvraag voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 145bis van het decreet van 18/05/99: * de uitbreiding met 96m² en 490m³ betekent een volumevermeerdering met meer dan 100%”. Op 10 oktober 2005 brengt de gemachtigde ambtenaar eveneens een ongunstig advies uit. Dit advies luidt als volgt: “Aangezien de voorgestelde uitbreidingen een volumevermeerdering van meer dan 100% veroorzaakt dient men in deze aanvraag eerder te spreken van een nieuwbouw dan van een uitbreiding van het bestaande volume. Het voorgestelde project wijkt qua architecturale stijl, bouwvolume en verschijningsvorm volledig af van de bestaande woning en van de op 17 mei 1956 oorspronkelijk vergunde bergplaats en garage. Door de voorgestelde vergroting van het bouwvolume en het voorzien van een hellend dak in plaats van een lessenaarsdak verliest het bestaande gebouw zijn verschijningsvorm en voldoet bovengenoemde aanvraag niet aan bovengenoemd art. 145bis. Tevens wordt door de voorgestelde uitbreidingen de draagkracht van dit perceel, gelegen in agrarisch gebied, overschreden”. 3.
- Bij besluit van 17 oktober 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek de gevraagde vergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 3.
- Tegen dit weigeringsbesluit stelt de raadsman van de verzoekster beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Bij het thans bestreden besluit van 30 maart 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt het beroep van de verzoekster niet ingewilligd en wordt de gevraagde vergunning geweigerd. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een eerste middel voert de verzoekster de schending aan van de artikelen 12 en 13bis van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, van artikel 53, § 3 van het decreet X-12.898-4/11 betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsmede van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de formele en de materiële motiveringsplicht, “Doordat, eerste onderdeel, de bestreden beslissing meent dat artikel 145 bis DRO dient te worden toegepast, daar het om een zonevreemd gebouw zou gaan, gezien dit gebouw volgens het gewestplan wordt ingekleurd als agrarisch gebied, Terwijl het gewestplan nooit correct bekendgemaakt is, en dus aan beroepster niet tegenstelbaar is. En terwijl immers, de artikelen 12 en 13 bis van de Stedenbouwwet van 1962, zoals dat in werking was op het ogenblik van de vaststelling van de gewestplannen, de verplichting oplegde om het gewestplan in zijn geheel, dit is met inbegrip van de orthofotoplannen die de bestaande feitelijke toestand weergeven en van de kaarten met de juridische toestand, in het gemeentehuis ter inzage van het publiek te leggen en om die neerlegging ook aan het publiek bekend te maken op de wijze die het bepaalt. En terwijl, zolang de vereiste bekendmaking door de aanplakking van het bericht van neerlegging en door de neerlegging van het gehele gewestplan in het gemeentehuis, niet in alle bij het gewestplan betrokken gemeenten heeft plaatsgehad overeenkomstig artikel 12 van de Stedenbouwwet, het gewestplan niet correct werd bekendgemaakt. En terwijl daaruit volgt dat het gewestplan niet tegenstelbaar is aan de rechtsonderhorige en dus niet bindend is (...), zodat men er zich niet op mag beroepen om de vergunning te weigeren aan beroepster. En doordat, tweede onderdeel, tegenpartij nergens op dit door beroepster in haar beroepsschrift aangehaalde bezwaar heeft geantwoord, Terwijl, tegenpartij op grond van artikel 53 §3 van het Coördinatiedecreet betreffende de ruimtelijke ordening dd. 22 oktober 1996 en op grond van artikel 2 en 3 van de Wet betreffende de motivering van bestuurshandelingen dient te antwoorden op door beroepster aangehaalde argumenten. En terwijl tegenpartij op geen enkele manier antwoordt op de door beroepster aangehaalde argumentatie betreffende de niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan, En terwijl, hierdoor de beslissing niet afdoende gemotiveerd is en de in dit middel ingeroepen bepalingen schendt”. Beoordeling 4.
- Wat betreft de aangevoerde niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. 4.2.
- Krachtens artikel 190 van de Grondwet is geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur verbindend dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald. X-12.898-5/11 4.2.
- Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, was artikel 11, § 9 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), ingevoegd bij artikel 100 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 en in werking getreden op 1 januari 1994, van toepassing, dat bepaalt wat volgt: “§
- De definitieve vaststelling van het plan door de Vlaamse regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt waarin tevens het advies van de Regionale Commissie van Advies wordt opgenomen. Het plan treedt in werking binnen 15 dagen na zijn bekendmaking. Binnen 15 dagen na zijn bekendmaking ligt het advies met de normatieve delen van het plan na overmaking door de minister ter inzage van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis. De niet-normatieve delen zijn ter inzage op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse regering bepaalt welke delen van het plan normatief dan wel niet-normatief zijn”. Luidens artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994 houdende bepaling van de normatieve en de niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan, in werking getreden op 24 maart 1994, zijn de niet-normatieve delen “de stukken (...) bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1/, van dezelfde wet”, zijnde de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, met name “de aanduiding van de bestaande toestand”. In het arrest 86/95 van 21 december 1995 heeft het Arbitragehof overwogen dat artikel 75, § 3 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, krachtens welk de bepalingen van artikel 13bis van die wet - op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen artikel 11, § 9 van het gecoördineerde decreet-, van toepassing zijn op de gewestplannen die definitief zijn vastgesteld vóór 1 januari 1994 wel onmiddellijke, doch geen retroactieve werking heeft. 4.2.
- Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de verzoekster weliswaar beweert dat “de neerlegging van het gehele gewestplan (...) niet in alle bij het gewestplan betrokken gemeenten heeft plaatsgehad overeenkomstig artikel 12 van de Stedenbouwwet”, doch dat zij niet nader uiteenzet welke delen van het gewestplan niet werden neergelegd en in welke gemeenten dit niet zou zijn gebeurd. Bovendien volgt uit de voormelde bepalingen dat administratieve rechtshandelingen die na de voornoemde datum van inwerkingtreding zijn gesteld, X-12.898-6/11 niet meer kunnen worden bekritiseerd op grond van de niet-tegenstelbaarheid van een definitief vastgesteld gewestplan wegens het niet ter inzage zijn ten gemeentehuize van de als niet-normatief aangewezen delen ervan (Arbitragehof, nr. 86/95, 21 december 1995, overweging B6). Het arrest nr. 113.715 van 16 december 2002 waarnaar de verzoekster verwijst heeft betrekking op de niet-neerlegging van stukken met betrekking tot “de aanduiding van de bestaande toestand”, thans niet-informatieve delen die niet meer ten gemeentehuize ter inzage dienen te worden gelegd. Voorts verduidelijkt zij niet welke andere delen van het gewestplan niet ter inzage zouden zijn gelegd. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekster in haar laatste memorie aanvoert, behoort het aan een verzoekende partij om, wanneer zij aanvoert dat een bekendmaking niet overeenkomstig de geldende regelgeving heeft plaatsgevonden, te verduidelijken met welke onregelmatigheden deze bekendmaking is behept. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. 4.
- Wat betreft het niet beantwoorden van alle in de administratieve procedure aangehaalde argumenten. 4.3.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de voormelde wet van 29 juli
- Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet. X-12.898-7/11 Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. 4.3.
- Wanneer de bestendige deputatie of de minister over een op grond van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet ingesteld beroep uitspraak doen, treden zij op, niet als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur. Om te voldoen aan de in de voormelde bepaling opgelegde motiveringsverplichting volstaat het dat zij in de beslissing over dat beroep de redenen vermelden waarop deze is gesteund. Zij zijn er niet toe gehouden alle in de loop van de administratieve procedure door de partijen aangevoerde argumenten te beantwoorden. 4.3.
- In het bestreden besluit worden de motieven uiteengezet waarom de bestendige deputatie van oordeel is dat de aanvraag van de verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 145bis, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). 4.3.
- Het tweede onderdeel van het middel is evenmin gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een tweede middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 145bis DRO, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het gelijkheidsbeginsel, “Doordat, tegenpartij meent dat beroepster niet kan genieten van de mogelijkheid die artikel 145 bis DRO biedt aan de eigenaars van zonevreemde woningen, omdat niet zou voldaan zijn aan de voorwaarden opgelegd in dit artikel, meer bepaald omdat het volume van de woning na uitbreiding met meer dan 100 % zou worden vermeerderd. Terwijl deze houding van tegenpartij indruist tegen de ratio legis van dit artikel 145 bis DRO. En terwijl dit artikel immers niet zo begrepen kan worden, dat verbouwingen van enige omvang onmogelijk worden voor eigenaars van kleinere woningen. Dit zou namelijk een onaanvaardbare ongelijkheid scheppen met eigenaars van grotere woningen in dezelfde situatie. En terwijl artikel 145 bis DRO toch niet zo mag worden uitgelegd dat het strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel. Dat het zou passen hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. X-12.898-8/11 En terwijl, overigens, zeker nu het totale bouwvolume na verbouwing slechts 738m3 zou bedragen en dus ruimschoots onder het door dit artikel vooropgestelde bouwvolume van 1.000 m3 blijft, de uitbreiding van de woning allesbehalve overdreven is en van die aard is om haar een bouwvergunning te weigeren. En terwijl het middel aldus gegrond is”. Beoordeling 4.
- In haar tweede middel voert de verzoekster vooreerst aan dat artikel 145bis DRO de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt omdat het voor eigenaars van kleine woningen onmogelijk is verbouwingen van enige omvang uit te voeren, dit in tegenstelling tot eigenaars van grotere woningen. 4.
- Artikel 145bis DRO, zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, bepaalt hetgeen volgt: “§
- Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningsverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen (of bestaande constructies). Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : 1/ het verbouwen van een bestaand gebouw (of een bestaande constructie) binnen het bestaande bouwvolume; 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw (of een bestaande constructie), binnen het bestaande bouwvolume voor zover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw (of de constructie) behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woninggebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen; ... 6/ het uitbreiden van een bestaande woning; de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van (1.000m³) nuttige ruimte; deze uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % echter niet overschrijden. De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels vaststellen. De mogelijkheiden, vermeld in het eerste lid, 1/ tot en met 6/, gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden : a. de woning of het gebouw is op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot; woningen of gebouwen worden beschouwd als zijnde verkrot indien ze niet voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen; b. de woning of het gebouw is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft; c. het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1.000m³, indien het bestaande bouwvolume meer dan 1.000m³ bedraagt, en het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal”. X-12.898-9/11 4.
- Het bestreden besluit overweegt met betrekking tot de mogelijkheid tot toepassing van artikel 145bis DRO wat volgt: “Bij het uitbreiden van een woning moet echter ook voldaan worden aan de voorwaarde van artikel 145bis dat een volumevermeerdering van 100% niet mag overschreden worden. Het bestaande gebouw had aanvankelijk een volume van 168m³. In 2003 werd een vergunning verleend voor een uitbreiding met 28m² met een volume van 80m³. De woning heeft thans een volume van 248 m³. De voorliggende uitbreiding voorziet in een bijkomende oppervlakte van 96m² met een volume van 490m³. De volumevermeerdering bedraagt meer dan de maximaal toegelaten 100%”. De verzoekster betwist de juistheid van de gegevens niet waarop deze overweging is gesteund en die overigens ook zo zijn vermeld in het door haar ingediende statistisch formulier. De bestendige deputatie heeft derhalve terecht geoordeeld dat de regularisatieaanvraag van de verzoekster niet voldoet aan de uitzonderingsbepalingen van artikel 145bis DRO. 4.
- De verzoekster meent evenwel dat eigenaars van woningen met een klein volume ingevolge de beperking tot een uitbreiding met 100% ongelijk worden behandeld in vergelijking met eigenaars van een woning met een groter volume, waaraan op grond van dezelfde uitzonderingsbepaling een grotere volumeuitbreiding kan worden toegestaan. Zij vraagt hieromtrent aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 145 bis van het Decreet dd. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening artikel 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat het, door als voorwaarde voor het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor de uitbreiding van een gebouw dat gelegen is buiten een geëigende bestemmingszone, oplegt dat deze uitbreiding een volumevermeerdering met 100 % niet mag overschrijden, waardoor verbouwingen van enige omvang onmogelijk worden voor eigenaars van kleinere woningen, en dit in tegenstelling tot eigenaars van grotere woningen”. De grondwettigheidskritiek van de verzoekster op artikel 145bis DRO noopt de Raad van State ertoe het Grondwettelijk Hof te adiëren met de door de verzoekster geformuleerde prejudiciële vraag. BESLISSING
- De Raad van State heropent de debatten. X-12.898-10/11
- De Raad van State stelt, in het kader van het tweede middel, de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 145 bis van het Decreet dd. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening artikel 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat het, door als voorwaarde voor het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor de uitbreiding van een gebouw dat gelegen is buiten een geëigende bestemmingszone, oplegt dat deze uitbreiding een volumevermeerdering met 100 % niet mag overschrijden, waardoor verbouwingen van enige omvang onmogelijk worden voor eigenaars van kleinere woningen, en dit in tegenstelling tot eigenaars van grotere woningen”.
- De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee, na de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de voormelde prejudiciële vraag, het onderzoek van het tweede middel voort te zetten.
- De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.898-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.012 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.880 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div