← België

Arrest 202022 - Monumenten en Landschappen - 18/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.022 Rolnummer: A. 153668/VII-37419 Zaak: Arrest 202022 - Monumenten en Landschappen - 18/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-26 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:29 Fiche Arrest nr 202.022 van 18 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.022 van 18 maart 2010 in de zaak A. 153.668/VII-37.

  1. In zake: Marthe SNOEYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te Beringen Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te Antwerpen Grotehondstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 12 juli 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 13 april 2004 in zoverre daarbij de voormalige notariswoning, gelegen aan de Grote Markt 17 te Herentals, als monument beschermd wordt. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verzoekster heeft een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. VII-37.419-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 januari
  4. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Olivier Onghena verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoekster is eigenaar van een onroerend goed gelegen aan de Grote Markt 17 te Herentals, kadastraal bekend 1e afdeling, sectie F, perceel nr. 369E. 3.
  7. In een nota stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om voornoemd onroerend goed als voormalige notariswoning te beschermen als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische waarde. 3.
  8. Op 10 februari 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om onder meer voornoemde voormalige notariswoning met koetshuis en tuinperceel als monument op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt bij brief van 14 april 2003 naar de verzoekster en de betrokken besturen verstuurd. 3.
  9. Op 13 mei 2003 dient de verzoekster een bezwaarschrift in bij de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen Antwerpen. VII-37.419-2/7 3.
  10. Dit bezwaar wordt door de afdeling Monumenten en Landschappen besproken in haar verslag. 3.
  11. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) verleent op 6 november 2003 advies. 3.
  12. Op 13 april 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken voornoemde voormalige notariswoning als monument te beschermen wegens de historische waarde. Dit besluit wordt op 11 mei 2004 aangetekend naar de verzoekster verstuurd. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  13. De verwerende partij heeft nagelaten een memorie van antwoord in te dienen. Het administratief dossier werd laattijdig neergelegd.
  14. In haar laatste memorie stelt de verzoekster in dit verband dat overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bij het laattijdig toesturen van het administratief dossier de door de verzoekster aangehaalde feiten bewezen zijn, tenzij deze kennelijk onjuist zijn. Zij stelt dat wanneer haar middelen inhouden dat de verwerende partij bepaalde feiten die draagkrachtig zijn voor de genomen beslissing, onjuist heeft beschreven, ingeschat of beoordeeld, dan juridisch aanvaard moet worden dat de feitelijke onderbouw van haar middelen correct is, tenzij vaststaat dat die feitelijke onderbouw kennelijk onjuist is. Beoordeling
  15. De interpretatie van de verzoekster van artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geeft aan die wetsbepaling een draagwijdte die zij niet heeft. VII-37.419-3/7 V. Onderzoek van de middelen Tweede middel Standpunt van de partijen
  16. De verzoekster roept in een tweede middel de schending in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), de motiveringsplicht en het motiveringsbeginsel. Volgens haar blijkt uit het bestreden besluit niet waarom haar bezwaren niet werden aanvaard en waarom er geen rekening is gehouden met het voorstel dat in het bezwaar werd gedaan om maar een deel van de tuin te beschermen. Dat er met haar bezwaar geen rekening is gehouden blijkt volgens de verzoekster uit het feit dat de motivering van het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten quasi identiek is aan de motivering van het bestreden besluit. De verzoekster argumenteert dat voor een afdoende formele motivering vereist is dat de argumentatie van de betrokkenen in de besluitvorming werd betrokken en dat hieruit minstens impliciet moet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Voorts stelt de verzoekster dat de historische en meer bepaald de architectuurhistorische waarde onjuist beschreven is aangezien de notariswoning met koetshuis elf jaar geleden verbouwd is en is de verwijzing naar het gebouwenbestand aan de Grote Markt van Westerlo irrelevant. Volgens de verzoekster is de motivering met betrekking tot de tuin niet afdoende en heeft de tuin geen historische en architectuurhistorische waarde aangezien de tuin tien jaar geleden is aangelegd.
  17. In haar laatste memorie stelt de verzoekster dat het standpunt van de afdeling Monumenten en Landschappen in verband met het door haar ingediende bezwaar niet bewijst dat de feiten die zij aanvoert, kennelijk onjuist zijn, maar enkel aantoont dat de afdeling Monumenten en Landschappen er een andere beoordeling op nahield. VII-37.419-4/7
  18. De verwerende partij verwijst in haar laatste memorie naar het administratief dossier waaruit zou blijken dat het bezwaar van de verzoekster afdoende weerlegd en behandeld is en stelt dat, rekening houdend met de inhoud van het bezwaar, besloten werd het advies te wijzigen om alle mogelijke onduidelijkheid inzake de motieven tot de bescherming te vermijden. Volgens de verwerende partij vloeit uit de motiveringswet niet voort dat in een beschermingsbesluit expliciet moet worden geantwoord op bezwaren van belanghebbenden. Ten slotte antwoordt de verwerende partij dat het voorstel van de verzoekster niet in overweging moest worden genomen aangezien de bescherming gebeurt omwille van het openbaar belang. Beoordeling 10 Het middel steunt onder meer op de vaststelling dat, ondanks het feit dat de verzoekster een omstandig bezwaarschrift ingediend heeft, zij uit het bestreden besluit niet kan opmaken waarom haar bezwaren niet werden aangenomen en waarom geen rekening werd gehouden met haar voorstel om maar een deel van de tuin te beschermen. Aan de verzoekster is alleen het bestreden beschermingsbesluit meegedeeld. Noch het advies van de KCML noch een document dat de resultaten van het onderzoek van haar bezwaren bevat, zijn haar medegedeeld. Uit het bestreden besluit blijkt evenmin dat dit bezwaarschrift onderzocht en beantwoord werd. Het bestreden besluit zelf beperkt er zich toe in zijn aanhef te verwijzen naar het ministerieel besluit van 10 februari 2003 houdende ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten en naar het advies van de KCML van 6 november
  19. Noch uit de aanhef, noch uit de inhoud van het bestreden besluit kan worden afgeleid dat de bezwaren van de verzoekster zijn onderzocht en beantwoord en dat die niet van die aard waren om de overheid er toe te brengen de beschermingsprocedure niet verder te zetten. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan VII-37.419-5/7 de beslissing werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij de geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het bestreden besluit bevat geen enkele nuttige formele redengeving die toestaat te begrijpen waarom de beschermingsprocedure werd voortgezet, de bezwaren van de verzoekster ten spijt. Aan het bestreden beschermingsbesluit is een brede raadpleging voorafgegaan, onder meer van de verzoekster. De verwerende partij is er toe gehouden de ingediende adviezen, opmerkingen en bezwaren te onderzoeken én bij haar beoordeling te betrekken. In de gegeven omstandigheden wordt niet aangenomen dat de verzoekster voldoende op de hoogte van de motieven van de eindbeslissing is en derhalve in de mogelijkheid verkeerde om met kennis van zaken tegen het bestreden besluit op te komen. Het blijkt integendeel dat de verzoekster volledig in het ongewisse is gebleven van het al dan niet onderzocht zijn van haar bezwaren tot op het ogenblik dat zij, slechts na en omwille van het instellen van haar annulatieberoep, inzage verkreeg van het administratief dossier. Het tweede middel is gegrond. BESLISSING
  20. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 13 april 2004 in zoverre daarbij de voormalige notariswoning, gelegen aan de Grote Markt 17 te Herentals, als monument beschermd wordt.
  21. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
  22. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. VII-37.419-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien maart tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.419-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.022 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.