id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.024 Rolnummer: A. 185602/VII-37079 Zaak: Arrest 202024 - Milieuvergunningen - 18/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-26 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 04:29 Fiche Arrest nr 202.024 van 18 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.024 van 18 maart 2010 in de zaak A. 185.602/VII-37.079. In zake: de BVBA WIMA RECYCLING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Godfried De Smedt kantoor houdend te Lokeren Roomstraat 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 oktober 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 9 augustus 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis-Waas van 19 maart 2007, houdende weigering van de milieuvergunning aan de BVBA Wima Recycling voor het exploiteren van een recyclagebedrijf voor ferro en non-ferrometalen, gelegen aan de Fortstraat 1 te Sint-Gillis-Waas (De Klinge), ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. VII-37.079-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart 2010. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wim De Langhe, die loco advocaat Godfried De Smedt verschijnt voor de verzoekende partij, en jurist Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij exploiteert sinds 1998 aan de Fortstraat 1 te Sint-Gillis-Waas een bedrijf voor de recyclage van ferro en non-ferrometalen. De exploitatie is eertijds aangevat zonder voorafgaande milieuvergunning. 3.2. Op 8 december 2006 dient de verzoekende partij een milieuvergunningsaanvraag in strekkende tot de regularisatie van het bedrijf. Met betrekking tot de ligging van de percelen waarop de exploitatie gebeurt of gepland is, vermeldt het aanvraagformulier de percelen kadastraal bekend als Sint-Gillis- Waas/De Klinge, afdeling 2, sectie A, nrs. 619m en 617d. 3.3. Bij besluit van 19 maart 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis-Waas de gevraagde milieuvergunning. In de weigeringsbeslissing wordt overwogen dat de exploitatie van de inrichting een ingrijpende verstoring van het leefklimaat van de omwonenden teweegbrengt, inzonderheid door de sorteringsactiviteiten die geluidshinder veroorzaken. 3.4. Tegen voormeld weigeringsbesluit stelt de verzoekende partij beroep in bij de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. VII-37.079-2/13 3.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht. 3.6. Met het thans bestreden besluit van 9 augustus 2007 verklaart de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen het beroep van de verzoekende partij ongegrond. De bestreden beslissing is in wezen gestoeld op de volgende motieven : "Overwegende dat wat de planologische aspecten betreft, het volgende kan gesteld worden: De inrichting is volgens het gewestplan 'Sint-Niklaas - Lokeren' gelegen deels in een woongebied met landelijk karakter (percelen 619/
- m)en deels in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kmo's (perceel 617/d). Volgens het inplantings- en het uitvoeringsplan vinden de aangevraagde activiteiten enkel plaats op een deel van perceel 619/m. In een straal van 100 m rondom het bedrijfsterrein bevinden zich een 20-tal woningen. De ligging van de inrichting in een woongebied met landelijk karakter is in overeenstemming met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen voor zover er sprake is van een klein bedrijf. Uit het dossier blijkt dat er enkel sprake is van een stalling van maximaal 10 afvalcontainers op een beperkte oppervlakte, de tewerkstelling van maximaal 4 werknemers en het uitvoeren van manuele sorteeractiviteiten op de ingezamelde afvalstoffen, nl. schroot en metaalafval. Dit kan beschouwd worden als een klein bedrijf. Overwegende dat wat de milieuhygiënische aspecten betreft, het volgende kan gesteld worden: Afvalstoffen WIMA Recycling is een recyclagebedrijf van ferro- en non-ferrometalen. De activiteit van het bedrijf betreft het ophalen bij diverse klanten en afzetten van metaalafval en schroot bij vergunde verwerkers. Het schroot bevat zowel ferro- als non-ferrometalen. Hiertoe worden containers ter beschikking gesteld bij klanten om het metaalafval op te halen. Vervolgens worden deze hetzij rechtsreeks naar de verwerkers gevoerd, hetzij naar de werf in de Fortstraat 1. Hier worden de containers tijdelijk opgeslagen om voorafgaandelijk een sortering uit te voeren. Na tijdelijke opslag en sortering worden de containers (maximaal 100 ton) afgevoerd naar vergunde verwerkers waar WIMA Recycling een overeenkomst mee heeft. Deze verwerkers zijn onder andere Schroot- en Metaalhandel Van Der Gucht in Sint-Gillis-Waas en Belgian Scrap Terminal in Kallo. WIMA Recycling is erkend als overbrenger van niet gevaarlijk metaal en metaalschroot tot 2010. De inrichting is actief sinds 1998, doch aan de volgende toepasselijke sectorale bepalingen van Vlarem II wordt niet voldaan: P Er is geen uithangbord voorzien conform art. 5.2.1.5.§1; P Het terrein is op sommige plaatsen toegankelijk voor onbevoegden (art. 5.2.1.5.§2). Bij het plaatsbezoek was niemand aanwezig en was een van de toegangspoorten niet gesloten; VII-37.079-3/13 P De vloer is niet voorzien van een gepast afwateringssysteem met slibopvang en KWS-afscheider (art. 5.2.2.7.2 §1 en §2) en alle gebruikte afvalcontainers zijn niet vloeistofdicht; P Er is geen weegbrug aanwezig en in het aanvraagdossier werd hiervoor geen afwijking gevraagd (art. 5.2.1.2.§2). Hiervoor werd door de exploitant tijdens de beroepsprocedure wel een afwijking aangevraagd via een bijkomend schrijven van 2 juni 2007; P De inrichting is niet omgeven door een groenscherm van 5 m breedte (artikel 5.2.1.5.§5) en hiervoor werd geen afwijking gevraagd. In het aanvraagdossier werd geen specifieke melding gemaakt van de behandeling van de opgehaalde afvalstoffen (schroot en metaalafval). Op basis van de aangevraagde rubriek wordt enkel vergunning gevraagd voor sortering (d.i. manueel of met lichte gereedschappen soort bij soort voegen) van het opgehaalde afval. Indien de gassen, die onder de rubriek 16.7. worden aangevraagd, gebruikt wordt voor het snijbranden van schroot is de rubriek 2.2.2.
- c)2/ van toepassing, aangezien snijbranden als een mechanische behandeling wordt aanzien, alsook het persen, knippen, pletten van schroot met een kraan. D.w.z. dat de exploitant geen vergunning aanvraagt voor de opgesomde activiteiten en deze verboden zijn tot hiervoor de vereiste milieuvergunning wordt verkregen. In de aanvraag stelt de exploitant wel de aanleg van een afwateringssysteem voorzien van een slibbezinkingsput in het vooruitzicht. Zoals hoger vermeld worden de aangevraagde activiteiten enkel uitgevoerd op perceel 619/m. Dit perceel is ontoegankelijk vanuit de Fortstraat. Er ontbreekt echter een omheining tussen dit perceel en het aanpalend perceel 617/d. De omheining rond het perceel 617/d is ontoereikend waardoor het perceel 619/m toch toegankelijk is door onbevoegden. De gestalde containers zijn visueel voldoende afgeschermd t.a.v. de naburige percelen. Er is evenwel geen sprake van een 5 m breed groenscherm en er werd hiervoor geen afwijking aangevraagd. (...) Geluidshinder Hiervoor wordt verwezen naar het advies van de provinciale geluidsdeskundige. Zijn conclusie is dat de vigerende geluidsnormen worden overschreden en dat aldus geluidshinder tijdens sorteerwerkzaamheden of vrachtwagenbewegingen op het huidige bedrijfsterrein onvermijdelijk is. (...) Overwegende dat m.b.t. de beroepsargumenten het volgende kan gesteld worden: P Er wordt in de bespreking door de gemeente niet vermeld wat de argumenten zijn van de bezwaarvoerders, mogelijks waren maatregelen haalbaar om tegemoet te komen aan de bezwaren. Er werden nog nooit klachten geuit noch aan de gemeente, noch aan onszelf. In het Collegebesluit werden de argumenten van de bezwaarvoerders inderdaad niet expliciet vermeld. In het overwegend gedeelte van het besluit werden zij evenwel besproken. P Men verwijst naar de onderneming Ambermetal nv, die geen uitstaans heeft met deze aanvraag. Deze exploitant werd vermeld i.v.m. lopende het oriënterend bodemonderzoek. Uit het advies van de OVAM blijkt dat dit onderzoek loopt op het perceel 617/d, het perceel waarop door de exploitant geen activiteiten aangevraagd wordt. P Men maakt melding dat het terrein gemakkelijk te betreden is door, onbevoegden, nochtans is het hele terrein afgesloten door een omheining en een volledige poort. VII-37.079-4/13 De omheining van perceel 617/d is ontoereikend waardoor het toegankelijk is voor onbevoegden. Hierdoor is perceel 619/m in principe eveneens toegankelijk aangezien er tussen beide percelen geen omheining is voorzien. P De opslag en sortering, gebeuren in containers op een betonnen verharding, de containers zijn van een type dat standaard ingezet wordt door schrootverwerkers en afvalophalers. Deze containers met metalen staan er hoogstens enkele dagen in afwachting van afvoer naar een grote verwerker. Dit wordt bevestigd in het advies van LNE en de OVAM. P De afwatering zal voorzien worden via een slibvang en KWS-afscheider, de VMM is hiermee akkoord maar de gemeente werpt hier bezwaren tegen op. Aangezien er reeds een aantal jaren geëxploiteerd wordt, had dit reeds moeten gerealiseerd zijn om aldus mogelijke bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen. P Er zouden meer dan 10 containers gestaan hebben op het terrein. Er zijn slechts 10 containers aangevraagd omdat er moeilijk meer geplaatst kunnen worden. Op basis van het uitvoeringsplan en de vaststellingen terplaatse kan gesteld worden dat 10 een realistisch cijfer is. P De gemeente beoordeelt ons bedrijf als zou het een gevaar inhouden voor de externe veiligheid, voor het leefmilieu, natuur, mens en water. De verenigbaarheid met de milieuwetgeving blijkt echter duidelijk uit het gunstige advies dat afgeleverd werd door de OVAM, die inzake de aangevraagde rubriek de belangrijkste adviesverlener is. Het College heeft het dossier beoordeeld op basis van de aanvraag, het openbaar onderzoek, de uitgebrachte adviezen en vaststellingen terplaatse. In het besluit is gemotiveerd waarom het College de gevraagde milieuvergunning heeft geweigerd. Overwegende dat de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu; Overwegende dat de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat de milieuvergunning dient geweigerd te worden". IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. Onder de hoofding "bevoegdheidsoverschrijding + schending van de wet" voert de verzoekende partij in een eerste middel aan dat de verwerende partij haar bevoegdheden te buiten is gegaan door de milieuvergunning te weigeren voor de percelen kadastraal bekend onder nrs. 617b en 620a die geen onderdeel zijn van de ingediende aanvraag. 5. De verwerende partij antwoordt : VII-37.079-5/13 "Door de exploitant werden inderdaad enkel de percelen 617/d en 619/m aangevraagd. Tijdens het plaatsbezoek van de milieudienst van Sint- Gillis-Waas verklaarde de exploitant echter dat hij ook gebruik zou maken van de percelen, gelegen in de KMO-zone. In het aanvraagdossier werd melding gemaakt van maximaal 6 containers terwijl er in bijlage 5 van het aanvraagdossier gesproken wordt van maximaal 10 containers. Tijdens het plaatsbezoek bleken er 12 containers op het terrein aanwezig te zijn. De exploitant verklaarde toen dat hij de percelen in de KMO-zone wenste te verharden om ook daar containers te plaatsen. (zie advies milieudienst Sint-Gillis-Waas p.3; map 3. dossier van de gemeente). Om die reden besliste het College van Burgemeester en Schepenen ook die 2 percelen op te nemen in de aanvraag. Terloops dient hierbij opgemerkt dat de benamingen van de percelen ondertussen werden gewijzigd door het kadaster, nl. 617/f en 619/s waarbij dient gesteld dat het perceel 619/s bestaat uit de 2 percelen in KMO-gebied en een deel van de oorspronkelijk aangevraagde percelen. Voor de duidelijkheid zal dus zeker bij een volgende aanvraag een correcte weergave van de percelen dienen te gebeuren. Hoe dan ook kan het vermelden van de 2 bijkomende percelen geen invloed hebben op geldigheid van het besluit van de Deputatie van 9 augustus 2007, aangezien het in casu om een weigeringsbeslissing gaat en er dus geen activiteiten worden toegestaan op percelen die niet tot het voorwerp van de aanvraag behoren. Bovendien blijkt uit de overwegingen van het besluit voldoende (over) welke activiteiten het gaat en op welke percelen deze worden uitgeoefend". 6. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat, nu de verwerende partij erkent dat de bestreden beslissing betrekking heeft op percelen die niet werden aangevraagd, zij niet de mogelijkheid heeft gehad zich te verdedigen of enig argument naar voor te brengen. Voorts poneert de verzoekende partij dat de redenen voor het weigeren van de milieuvergunning verband houden met de ligging in woongebied van de percelen waarvoor de vergunning werd aangevraagd, terwijl de niet-aangevraagde percelen gesitueerd zijn in een KMO- zone. 7. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog dat indien de verwerende partij zich bij haar beoordeling had gehouden aan het voorwerp van de initieel ingediende aanvraag, zij vermoedelijk tot een andere conclusie zou zijn gekomen. Beoordeling 8. Samen met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat het beschikkend gedeelte van het bestreden besluit betrekking heeft op de percelen "kadastraal bekend onder Sint-Gillis-Waas Afd 2 (De Klinge), Sectie A, Nrs 617/b, 617/d, 619/m, 620/a". VII-37.079-6/13 De percelen 617b en 620a worden niet vermeld in de vergunningsaanvraag en vallen derhalve buiten de beoordelings- en beslissingsbevoegdheid van de verwerende partij. De verzoekende partij heeft geen belang bij het middel. Zij treedt immers op in haar hoedanigheid van exploitant van de inrichting en in die hoedanigheid is haar belang bij de nietigverklaring van een beslissing tot weigering van de milieuvergunning verbonden met de mogelijkheid om in het kader van de herneming van de vergunningsprocedure na een vernietigingsarrest de gevraagde milieuvergunning verleend te zien. Een vernietiging op grond van de vaststelling dat de milieuvergunning werd geweigerd voor percelen waarvoor geen vergunning werd aangevraagd, kan de verzoekende partij in principe geen voordeel verschaffen. Uit het bestreden besluit blijkt ten slotte dat de fundamentele redenen voor het weigeren van de vergunning uitsluitend betrekking hebben op de aangevraagde percelen, zodat de verzoekende partij niet kan worden bijgetreden in zoverre zij laat uitschijnen dat de vermelding van de (niet-aangevraagde) percelen 617b en 620a in artikel 1 van het bestreden besluit van invloed is geweest op de beoordeling van de ingediende vergunningsaanvraag. Het eerste middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 9. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van de motiveringsverplichting en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). In concreto ontwaart de verzoekende partij in het bestreden besluit de volgende motiveringsgebreken : • "Verweerster beperkt zich vooreerst tot volgende motivering in haar besluiten (...): 'Overwegende dat de inrichting rekening houdende met haar kenmerken en omvang, en rekening houdende met de ligging ten VII-37.079-7/13 overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu. Overwegende dat de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat de milieuvergunning dient geweigerd te worden'. Dat dergelijke motivering uiteraard onvoldoende is. Verweerster stelt dat de inrichting een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu, doch verklaart niet waarom dit dan wel zo zou zijn? Waarom is de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar met (het) de omgeving? Nochtans ligt het bedrijf van verzoekster voor de helft in KMO-zone en stelde de milieudeskundige dat de exploitatie in KMO-zone wel mogelijk zou zijn. Waarom heeft de. inrichting een te grote negatieve impact op mens en leefmilieu? Nogmaals, volgens de milieudeskundige zou de exploitatie in KMO-zone wel kunnen. Het bedrijf ligt voor de helft in KMO-zone wat mutatis mutandis betekent dat indien de exploitatie volledig op perceel 617 D zou geschieden, er geen te grote negatieve impact (zijn) op mens en leefmilieu zou zijn. Voor dergelijk verschil in behandeling wordt geen motivering opgegeven. Het gebrek aan antwoord en motivering op voormelde pertinente vragen, zonder daarvoor een behoorlijke motivering of verantwoording te geven, stoort minstens het rechtsgevoel van verzoekster, die minstens een correcte en juridisch onderbouwde uitleg en justificatie mag verwachten voor de genomen beslissing • Verweerster gaat eveneens volledig voorbij aan de bevestiging van de Burgemeester van Sint-Gillis-Waas (...) dewelke stelt dat de goede wil van de exploitant aanwezig is en dat het College van Burgemeester en Schepenen eventueel de opslag van afvalstoffen tijdelijk en voor maximaal 6 maanden kan vergunnen. Ondanks deze duidelijke verklaring legt verweerster dit gegeven naast zich neer zonder dat hiervoor enige motivering wordt gegeven. Hetzelfde geldt voor de positieve adviezen van OVAM (...), het agentschap R-O Vlaanderen (...), de Vlaamse Milieumaatschappij (...) en het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (...) die zonder enige verduidelijking of motivering als onbestaande worden beschouwd. Verweerster heeft haar motiveringsverplichting geschonden in die zin dat het voor verzoekster onmogelijk is uit te maken waarom deze positieve adviezen en signalen niet werden gevolgd. • Verder dient eveneens vastgesteld dat de door verzoekster opgeworden grieven in haar beroepsakte dd. 21/04/2007 (...) niet, minstens niet op voldoende wijze werden ontmoet zodat ook hier een schending van de motiveringsverplichting weerhouden kan worden. Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar volgende punten: - Verweerster stelt dat in het overwegend gedeelte van het besluit van het College Van Burgemeester en Schepenen verwezen zou worden naar de argumenten van de bezwaarvoerders. Dit is manifest onjuist; - Verweerster verklaart niet nader waarom zij de mening zou zijn toegedaan dat de omheining ontoereikend zou zijn; Voor het overige kan verzoekster enkel vaststellen dat verweerster akkoord gaat met 3 van de 7 grieven. Desalniettemin besliste verweerster op duidelijk onvoldoende gemotiveerde wijze om tot bevestiging van het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen over te gaan. • Een motivering is tevens niet draagkrachtig en bijgevolg niet afdoende, indien zij voortvloeit uit een gebrekkige binding tussen de beslissing en de feiten die als grondslag dienen. Anders gezegd, de ingeroepen feiten dienen materieel juist te zijn. VII-37.079-8/13 Op pagina 9 van het bestreden besluit (...) stelt verweerster dat verzoekster (dat zij) geen aanvraag zou ingediend hebben voor perceel 617/D, hetgeen manifest onjuist is. (...) Aangezien wel een vergunning werd gevraagd voor perceel 617/D, aangezien perceel 617/D in KMO-zone ligt en aangezien de provinciale milieudeskundige op pagina 5 van het bestreden besluit stelt dat de exploitatie in KMO-zone wel zou kunnen, heeft deze materiële fout in hoofde van verweerster waarschijnlijk een determinerende negatieve invloed gehad op haar besluit, hetgeen dit laatste strijdig maakt met de motiveringsverplichting". 10. De verwerende partij antwoordt dat de kritiek van de verzoekende partij zich enkel richt op de concluderende en afsluitende paragrafen van het bestreden besluit, dat die paragrafen evenwel worden voorafgegaan door een omstandige weergave van de planologische en milieuhygiënische aspecten alsook door een bespreking van de beroepsargumenten en een weergave van de uitgebrachte adviezen, dat de voornaamste reden voor het weigeren van de vergunning gelegen is in de onvermijdelijke geluidshinder tijdens de sorteerwerkzaamheden of vrachtwagenbewegingen en dat het feit dat de exploitant "van goede wil" zou zijn geen deugdelijk argument vormt om een vergunning te verlenen voor een activiteit die onaanvaardbare geluidshinder teweegbrengt. 11. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat, hoewel het bestreden besluit een beknopt overzicht geeft van de uitgebrachte adviezen, uit de opgegeven motivering niet valt op te maken waarom de ongunstige adviezen wel worden bijgetreden en de gunstige niet. Tevens zou de verwerende partij geen rekening hebben gehouden met de maatregelen die de verzoekende partij heeft voorgesteld om aan bepaalde grieven tegemoet te komen. 12. In de laatste memorie volhardt de verzoekende partij in haar stelling dat de motivering van het bestreden besluit niet aangeeft waarom de inrichting onaanvaardbare omgevingshinder zou veroorzaken. Beoordeling 13. Luidens artikel 2 van de motiveringswet moeten alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Artikel 3 van diezelfde wet bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond VII-37.079-9/13 waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het is noodzakelijk doch voldoende dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom bepaalde door de bestuurde verdedigde stellingen niet worden gevolgd of waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd. Voor de beoordeling van het middel dient in de eerste plaats opgemerkt te worden dat de draagkracht van de motivering van een milieuvergunningsbesluit slechts kan worden beoordeeld op grond van een volledige lezing van de motieven die de vergunningverlenende overheid er toe hebben gebracht om de vergunning, zoals in casu, te weigeren. In zoverre de verzoekende partij ter staving van het te algemeen karakter van de opgegeven motivering de overwegingen van het bestreden besluit aanhaalt waarin wordt gesteld dat "de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu" en "de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving", stoelt zij haar kritiek op overwegingen die beschouwd moeten worden als een algemene conclusie van de voorafgaande motieven die op een voldoende concrete wijze aangeven waarom de inrichting vanuit milieuhygiënisch oogpunt onaanvaardbaar is. Uit die voorafgaande motieven blijkt dat de vergunning geweigerd moet worden wegens geluidshinder die de perken van het aanvaardbare te buiten gaat en wegens het niet-naleven van een reeks dwingende milieuvoorwaarden die vervat zijn in het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II). Wat betreft de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting in het licht van de ligging ervan, gaat de verzoekende partij voorbij aan het feit dat haar activiteiten, blijkens het bij de milieuvergunningsaanvraag gevoegde inplantingsplan, enkel plaatsvinden op perceel 619m dat in een woongebied met landelijk karakter gesitueerd is en niet op perceel 617d dat deels bestemd is tot gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen. De aan een exploitant toegeschreven "goede wil", verplicht de vergunningverlenende overheid niet, al was het maar voor een beperkte termijn, een vergunning te verlenen voor een in milieuopzicht onaanvaardbare inrichting. VII-37.079-10/13 Voorts reikt de formele motiveringsverplichting niet zover dat ten aanzien van elk advies afzonderlijk moet worden aangegeven waarom het niet wordt bijgetreden. Zulks geldt nog minder ten aanzien van bepaalde punten of onderdelen van een welbepaald advies. De vereiste van een afdoende motivering houdt evenmin in dat een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde bezwaren. Het volstaat, zoals reeds gesteld, dat de beslissing over een milieuvergunningsaanvraag op een afdoende wijze de redenen doet kennen die haar verantwoorden. Te dezen blijkt uit de opgegeven motieven dat de verwerende partij tot haar beslissing is gekomen op grond van een concrete evaluatie van de specifieke kenmerken van de inrichting en de gevolgen ervan op de onmiddellijke omgeving. In het licht van die determinerende motieven zijn de door de verzoekende partij aangehaalde beroepsargumenten die niet afdoende beantwoord zouden zijn, van ondergeschikt belang. Ten slotte is de motivering van de bestreden beslissing ook niet door een feitelijke onjuistheid aangetast wat betreft het perceel 617d. Op grond van het bij de aanvraag gevoegde inplantings- en uitvoeringsplan kon de verwerende partij immers terecht vaststellen dat de aangevraagde activiteiten enkel gelokaliseerd zijn op perceel 619m. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen 14. De verzoekende partij roept in een derde middel de schending in van het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt dat het bestuur alle betrokken belangen op een redelijke wijze moet afwegen en haar beslissing slechts verenigbaar is met het redelijkheidsbeginsel wanneer deze voor iedereen aanvaardbaar is in het licht van de concrete omstandigheden, de betrokken belangen en de heersende gedragslijn van de overheid. Te dezen is de verzoekende partij van oordeel dat de weigering van de gevraagde vergunning niet redelijk is gelet op de diverse gunstige adviezen, de verklaring van de burgemeester van Sint-Gillis-Waas dat een tijdelijke vergunning voor zes maanden mogelijk is, de omstandigheid dat het perceel waarvoor vergunning wordt aangevraagd voor de helft in KMO-zone gelegen is en het advies van de provinciale milieudeskundige waarin wordt gesteld dat een exploitatie in KMO-zone wel aanvaardbaar zou zijn. VII-37.079-11/13 15. De verwerende partij antwoordt dat, niettegenstaande de gunstige strekking van een aantal (deel)adviezen, de Provinciale Milieuvergunnings- commissie uiteindelijk unaniem was in haar ongunstig advies en dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de vergunning geweigerd werd wegens de onvermijdelijke geluidshinder ten gevolge van de sorteerwerkzaamheden en/of vrachtwagenbewegingen. 16. In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij dat enkel rekening werd gehouden met de belangen van de omwonenden. 17. In haar laatste memorie beklemtoont de verzoekende partij opnieuw de beweerde wanverhouding tussen de verschillende bij de zaak betrokken belangen. Beoordeling 18. In het kader van het objectieve contentieux voor de Raad van State, kan de vraag naar de schending van het redelijkheidsbeginsel zich slechts stellen in termen van kennelijke onredelijkheid en van een schending van dat beginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing gesteund is op motieven die op zich in feite juist en in rechte relevant of dienstig zijn, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. De weigering van de milieuvergunning op grond van de bij de beoordeling van het tweede middel aangehaalde motieven - met name onaanvaardbare geluidshinder en de niet-naleving van een aantal dwingende milieuvoorschriften van Vlarem II - kan niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. De vaststelling dat het onderzoek van de milieuvergunningsaanvraag niet over de ganse lijn negatief is, aangezien een aantal adviezen, verklaringen of dossierelementen in het voordeel van de verzoekende partij pleiten, leidt niet tot de conclusie dat de verwerende partij de bij de zaak betrokken belangen op een kennelijk onredelijke wijze heeft afgewogen. Het derde middel is ongegrond. VII-37.079-12/13 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien maart tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, waarnemend kamervoorzitter, Pierre Barra, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-37.079-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.024 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div