id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.028 Rolnummer: A. 157856/VII-37452 Zaak: Arrest 202028 - Handelsvestigingen - 18/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-26 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:29 Fiche Arrest nr 202.028 van 18 maart 2010 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.028 van 18 maart 2010 in de zaak A. 157.856/VII-37.452. In zake: 1. d e VZW BELGISCHE FEDERATIE DER ONDERNEMINGEN VAN DE HOUTVERWERKING (FEBELHOUT) 2. de NV ETABLISSEMENTEN VASTIAU-GODEAU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Günther L'Heureux kantoor houdend te Zaventem Leuvensesteenweg 369, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door 1. de minister van Economie, thans de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen 2. de minister van Middenstand 3. het Interministerieel Comité voor de Distributie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Hofströssler en Kaat Leus kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV IKEA BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Delacroix en Bernard Deltour kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 november 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het Interministerieel Comité voor de Distributie van 12 augustus 2004 waarbij de beroepen, ingediend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anderlecht van 18 mei 2004 houdende het verlenen aan de NV Ikea Belgium van een machtiging voor de inplanting van een meubel- en wooninrichtingszaak, gelegen aan de VII-37.452-1/36 Bergensesteenweg 1432 te Anderlecht, ongegrond worden verklaard en de gevraagde machtiging wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 maart 2005. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Günther L'Heureux, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Neil Braeckevelt, die loco advocaten Patrick Hofströssler en Kaat Leus verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Edouard Delloye, die loco advocaten Yves Delacroix en Bernard Deltour verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-37.452-2/36 III. Feiten 3. Op 6 februari 2004 dient de tussenkomende partij een aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anderlecht tot het verkrijgen van een sociaal-economische machtiging voor de inplanting van een IKEA-winkel (meubel- en binnenhuisinrichtingszaak), op een terrein gelegen aan de Bergensesteenweg 1432 te Anderlecht. De aanvraag wordt ingediend conform artikel 7 van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen (hierna : wet van 29 juni 1975). Volgens de aanvraag gaat het om de inplanting van een nieuw gebouw voor de vestiging van grootschalige kleinhandel in wooninrichting, woondecoratie en huishoudartikelen. 4. Op 1 april 2004 brengt het Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie (hierna: SECD) een gunstig advies uit over deze aanvraag. 5. Op 26 april 2004 brengt de Commissie voor de distributie in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad een negatief advies uit. Zij steunt daarbij onder meer op de overweging dat de relatie tussen het klantengebied en de omzet betwistbaar is, dat de inplanting in hoge mate het gebied overstijgt waarvoor de beslissende overheid bevoegd is, dat het evenwicht tussen het centrum en de periferie zeker grondig wordt verstoord, dat de bijkomende verkeershinder verzekerd is, zowel op de Bergensesteenweg als op de Brusselse Ring, en dat de monopoliepositie overtuigend is aangetoond. De Commissie houdt voorts rekening met negatieve vooruitzichten op de globale werkgelegenheid en met de weerslag op de bestaande handel, zowel in de meubelsector als in de sector van de binnenhuisinrichting. Zij verwijst voorts naar het collegiaal ongunstig advies van het SECD bij een vorige aanvraag van de tussenkomende partij. 6. Op 18 mei 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anderlecht aan de tussenkomende partij een machtiging tot handelsvestiging voor de inplanting van een IKEA-winkel aan de Bergensesteenweg 1432. 7. Een vertegenwoordiger van de Syndicale Unie van de Belgische Middenstand binnen de Nationale Commissie voor de Distributie en een vertegenwoordiger van de Unie van Zelfstandige Ondernemers (hierna : Unizo) VII-37.452-3/36 binnen diezelfde Commissie tekenen beroep aan tegen die beslissing op grond van artikel 12 van de wet van 29 juni 1975. 8. Op 29 juli 2004 adviseert de Nationale Commissie voor de Distributie gunstig, met een meerderheid van 4 stemmen tegen 3. 9. Op 12 augustus 2004 verklaart het Interministerieel Comité voor de Distributie (hierna : Interministerieel Comité) de ingediende beroepen ongegrond, en aanvaardt dit Comité de machtiging voor de inplanting van de meubel- en wooninrichtingszaak. Dit is het bestreden besluit. Het is als volgt gemotiveerd: "(...) In het kader van het beroep, heeft het Interministerieel Comité voor de Distributie de geplande inplanting van een meubel- en wooninrichtingszaak beoordeeld aan de hand van de wettelijke criteria zoals ze worden opgesomd door het Koninklijk Besluit van 8 augustus 1975; CRITERIUM I: ruimtelijke lokalisatie van het handelsapparaat
- a)verband tussen het betrokken verkooppunt en de gemeente van vestiging Overwegende dat de voorliggende aanvraag de inplanting van een meubel- en binnenhuisinrichtingszaak betreft, gelegen langsheen de Bergensesteenweg 1432 te Anderlecht, in een gebouw met een bruto bebouwde grondoppervlakte van 35.415 m² (16.420 m² parking inbegrepen) en met een netto verkoopoppervlakte van 18.482 m²; Overwegende dat op het betrokken terrein zich de opslagplaatsen van de ex- Sarma bevinden; Overwegende dat de gemeente Anderlecht ongeveer 88.800 inwoners telt en één van de 19 gemeenten is die samen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vormen. Op commercieel vlak kan deze gemeente beschouwd worden als een lokaalverzorgend en goed uitgerust centrum; Overwegende dat het project, waarvan sprake, gesitueerd is aan de grens met Vlaams-Brabant. De meubel- en binnenshuisinrichtingszaak is vlot bereikbaar vanuit het ganse marktgebied via de Brusselse Ring en de Rijksweg Bergensesteenweg, de N6 Brussel-Bergen die een belangrijke doorgangsfunctie heeft tussen de hoofdstad en het zuidwesten van de provincie Vlaams- en Waals-Brabant. Op de hierboven beschreven plaats is het verkooppunt tevens goed zichtbaar; Overwegende dat de nieuwe vestiging zich voornamelijk zal richten naar het zuidwesten van Brussel, het westen van de provincie Vlaams-Brabant en een gedeelte van de provincie Waals-Brabant; Overwegende dat er tal van grote handelszaken in de nabijheid van het project gelegen zijn zoals de Cora, het Westland Shoppingcenter, de doe-het- zelf zaak Leroy Merlin, de hypermarkt Carrefour en een beetje verder de hypermarkt Makro; Overwegende dat de inplanting van de hierboven beschreven meubel- en binnenhuisinrichtingszaak vanuit distributie-planologisch oogpunt op de gevraagde locatie wel verantwoord is, ondanks de verkeersproblemen. De zone is een stedelijk industriegebied. Volgens het Gewestelijk bestemmingsplan Brussel zijn zulke zones o.a. bestemd voor 'grote speciaalzaken'; Overwegende dat het Interministerieel Comité opmerkt dat Ikea Belgium in de Brusselse agglomeratie zodoende over drie verkooppunten zal beschikken, VII-37.452-4/36 namelijk Ternat (10.954 m² netto), Zaventem (20.296 m² netto) en tenslotte Anderlecht met een verkoopoppervlakte van 18.482 m². Globaal bedraagt de nettohandelsoppervlakte 49.732 m²; Overwegende dat de betrokken meubel- en binnenhuisinrichtingszaak op de huidige oppervlaktes nog in verhouding is met het belang en de functie van de gemeente van vestiging, onder meer omdat Anderlecht tot de Brusselse agglomeratie behoort;
- b)evenwicht tussen centrum en periferie Overwegende dat een belangrijk deel van de aangeboden goederen van autonome aard zijn zoals meubelen en aanverwanten waardoor de inplanting van de betrokken kleinhandelszaak, wat dit assortiment betreft, weinig of geen weerslag zal veroorzaken op de relatie tussen centrum en periferie; Overwegende dat ook voor de decoratie-artikelen, steeds meer aanwezig in het assortiment van de aanvrager, de locatie aanvaardbaar is. Wel merkt het Interministerieel Comité op dat, gelet op het groeiend aandeel van het deelassortiment decoratie in het totale aanbod van de aanvrager, dit ongetwijfeld een negatief effect zal hebben op de handelszaken met een gelijkaardig assortiment die nog in het centrum gevestigd zijn. Met andere woorden het totale aanbod wordt steeds minder autonoom; CRITERIUM II: De verbruikers
- a)behoeften en koopgewoonten van de betrokken verbruikers Overwegende dat de aanvrager als direkte klantenzone Anderlecht, Sint- Agatha-Berchem, Brussel, Vorst, Ganshoren, Elsene, Jette, Koekelberg, Sint- Jans-Molenbeek, Sint-Gillis, Sint-Joost-Ten-Node, Ukkel, Beersel, Dilbeek, Halle, Sint-Pieters-Leeuw, Drogenbos, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode en Lennik vermeldt met in totaal 809.470 inwoners Overwegende dat als indirecte klantenzone de aanvrager Etterbeek, Schaarbeek, Asse, Bever, Galmaarden, Gooik, Herne, Pepingen, Ternat, Roosdaal, Wemmel, Braine-l’Alleud, Braine-le-Château, Ittre, Tubize, Waterloo en Rebecq vermeldt met samen ongeveer 352.980 inwoners; Overwegende dat tot de zwakke klantenzone Oudergem, Evere, Watermaal-Bosvoorde, Sint-Lambrechts-Woluwe, Sint-Pieters-Woluwe, Liedekerke, Merchtem, Opwijk, Affligem, Nijvel, Denderleeuw, Geraardsbergen, Ninove, Ath, Braine-le-Comte, Edingen, Lessines en Silly behoren met in totaal ongeveer 405.970 inwoners; Overwegende dat IKEA een uiterst breed assortiment esthetische en functionele meubelen aanbiedt tegen lage prijzen die voor de meeste mensen haalbaar zijn. Bij binnenkomst wordt de verbruiker via de inkomhal en de nieuwe ruimte voorbehouden aan 4 tot 12-jarigen (Smalland) naar de showroom (5.565 m²) op de eerste verdieping geleid. Hier staan alle goederen sferisch en waarheidsgetrouw tentoongesteld. Deze kijkruimte wordt opgedeeld naar de verschillende groepen van producten. Bij het verlaten van de toonzaal kan men zich begeven naar het gelijkvloers of kan men binnenwandelen in het restaurant. Op het gelijkvloers kan de verbruiker, na het doorlopen van de markthal (5.552 m²), zijn grotere artikelen oppikken in de selfservice (4.581 m²). Voor de afhaling van volumineuze artikelen moet men zich wenden tot de klantendienst aan de uitgang. Naast de koopjeshoek (232 m²), de klantendienst (385 m²) en de ruimte voorbehouden aan de kassa’s (602 m²) vindt men in de 'exit area' (841 m²) een brede gang voor zit- en rustgelegenheid en de typische Zweedse bistroruimte met shop (200 m²); Overwegende dat naast het handelsgebeuren, dat zich voornamelijk afspeelt in het centrum van Anderlecht, meer bepaald rond de Wayezstraat, de voorbije jaren zich diverse handelsinplantingen gevestigd hebben langs de Bergensesteenweg. De voorbije decennia heeft deze stedelijke invalsweg zich ontwikkeld tot een ware commerciële as, met verschillende concentraties van grootwinkelbedrijven. Langs deze handelsas treft men een mix van VII-37.452-5/36 detailhandel, garagebedrijven en diverse ketenbedrijven aan. Tevens is er het Westland Shopping Center en de Cora Shopping Center; Overwegende dat een recent fenomeen in de detailhandel, en ook in de meubelbranche, het funshoppen is. Boodschappen doen wordt een vrijetijdsbesteding en gebeurt minder gericht. De verbruikers zijn minder winkel- en merkentrouw. Aan de verbruiker van vandaag worden als het ware niet langer producten verkocht, maar concepten en probleemoplossende artikelen; Overwegende dat in de groep van meubelzaken groter dan 3.000 m² zich bovendien een verbreding van het productaanbod heeft gedaan. Het oorspronkelijke gamma meubelen werd uitgebreid met diverse stijlen en concepten en in functie van de totale woninginrichting werden diverse aanleunende productgroepen toegevoegd zoals verlichting, textiel, keukens, woningtextiel; Overwegende dat de traditionele meubelwinkel als het ware een 'woonwarenhuis' wordt. Bovendien gaan grotere meubelwinkels samenwerken aan de hand van een aankoopgroepering waardoor ze meer impact krijgen op de prijzen en op de markt; Overwegende dat het Interministerieel Comité opmerkt dat IKEA Belgium in de Brusselse agglomeratie zodoende over drie verkooppunten zal beschikken, namelijk Ternat (10.954 m² netto), Zaventem (20.296 m² netto) en tenslotte Anderlecht met een verkoopoppervlakte van 18.482 m². Globaal bedraagt de nettohandelsoppervlakte 49.732 m²; Overwegende dat door de uitbreiding van IKEA op de Belgische markt de andere spelers op de meubelmarkt, vooral dan in de branche van de meeneemmeubelen en decoratie-artikelen verplicht zullen zijn zich te positioneren in de markt; Overwegende dat gelet op de hierboven vermelde gegevens, de inplanting van dit 'woonwarenhuis' een verruiming van de keuzemogelijkheden voor de verbruiker betekent;
- b)bereikbaarheid van het verkooppunt Overwegende dat, gelet op de ligging langs de Bergensesteenweg, die direct aansluit op de Brusselse Ring, het verkooppunt vlot bereikbaar is. In de nabijheid van de vestigingsplaats is een bushalte en een metrostation. Ter plaatse wordt voldoende parkeergelegenheid geboden; Overwegende dat, wat de mobiliteitsaspecten betreft, IKEA Belgium, in overeenstemming met het Brusselse Gewest, maatregelen heeft genomen om hindernissen te beperken, voornamelijk door het aanpassen van het wegenisinfrastructuur voor de komst van de winkel en het bevorderen van de toegankelijkheid voor de voetgangers door het plaatsen van een loopbrug vanaf de Bergensesteenweg; Overwegende dat de politiek van IKEA er in bestaat lokaal personeel aan te nemen, met andere woorden werknemers die te Brussel en omgeving gehuisvest zijn, waarbij getracht wordt 20 % van het personeel met het openbaar vervoer te laten komen en voor minstens 10% via carpooling; Overwegende dat IKEA zowel bij personeel als klanten de aanwezige bus- en metrolijnen promoot, wat toch verkeersreducerend is;
- c)invloed van de handelsvestiging op het prijsniveau Overwegende dat samen met de rest van het handelsapparaat dit verkooppunt een zekere druk uitoefent op de prijzen. Ikea is vooral gekend voor zijn lagere prijzen, die bereikbaar zijn voor de meeste verbruikers; Overwegende dat door de uitbreiding van Ikea Belgium de concurrentie in de meubelbranche scherper wordt, wat zijn gevolgen zal hebben bij de andere meubelverkopers, onder meer wat het prijsaspect betreft; Overwegende dat lagere prijzen gunstig zijn voor de verbruikers; VII-37.452-6/36
- d)het gevaar voor een monopoliepositie Overwegende dat door de inplanting van een derde IKEA meubelzaak rond Brussel, naast deze van Ternat en Zaventem, IKEA een sterke positie zal innemen in de Brusselse agglomeratie. Deze maatschappij zal voor Brussel over een totaal netto-oppervlakte beschikken van 49.732 m²; CRITERIUM III: de tewerkstelling
- a)vooruitzichten inzake werkgelegenheid Overwegende dat volgens de aanvrager het verkooppunt werkgelegenheid zal bieden aan 130 voltijdse en 210 deeltijdse werknemers. IKEA Belgium beweert wel dat de vooropgestelde cijfers inzake tewerkstelling een minimum zijn; Overwegende dat de verwachte uitbreiding van de werkgelegenheid als een positief element mag beschouwd worden;
- b)kwaliteit van de tewerkstelling Overwegende dat het personeel onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de grote kleinhandelszaken (nummer 311) ressorteert; Overwegende dat de betrokken CAO de kwaliteit van de tewerkstelling waarborgt en het weddeniveau bepaalt;
- c)kwaliteit van de arbeid Overwegende dat de arbeidsomstandigheden in dit verkooppunt kunnen worden geacht in overeenstemming te zijn met deze welke men gewoonlijk in gelijkaardige verkooppunten terugvindt; CRITERIUM IV: weerslag op de bestaande handel
- a)Relatie met de bestaande handelsuitrusting Overwegende dat de voorliggende aanvraag de inplanting van een meubel- en binnenhuisinrichtingszaak betreft, gelegen langsheen de Bergensesteenweg 1432 te Anderlecht, in een gebouw met een bruto bebouwde grondoppervlakte van 35.415 m² (16.420 m² parking inbegrepen) en met een netto verkoopoppervlakte van 18.482 m²; Overwegende dat naast het handelsgebeuren, dat zich voornamelijk afspeelt in het centrum van Anderlecht, meer bepaald rond de Wayezstraat, zich de voorbije jaren diverse handelsinplantingen gevestigd hebben langs de Bergensesteenweg. De voorbije decennia heeft deze stedelijke invalsweg zich ontwikkeld tot een ware commerciële as, met verschillende concentraties van grootwinkelbedrijven. Langs deze handelsas treft men een mix van detailhandel, garagebedrijven en diverse ketenbedrijven aan. Tevens is er het Westland Shopping Center en Cora Shopping Center; Overwegende dat de inplanting van de betrokken meubel- en binnenhuisinrichtingszaak met een nettohandelsoppervlakte van 18.482 m² een belangrijke weerslag zal veroorzaken op de overige in het marktgebied gevestigde meubel-, binnenhuisinrichting en decoratiezaken, mede rekening houdend met de vermelde omzetcijfers en met de reeds bestaande IKEA- vestigingen in de Brusselse regio (Zaventem en Ternat), die reeds een belangrijke impact hebben op de meubelzaken in het marktgebied; Overwegende dat er ook een belangrijke weerslag zal zijn op de binnenhuisinrichtingszaken en decoratiezaken in de streek; Overwegende dat het Interministerieel Comité opmerkt dat IKEA Belgium in de Brusselse agglomeratie zodoende over drie verkooppunten zal beschikken, namelijk Ternat (10.954 m² netto), Zaventem (20.296 m² netto) en tenslotte Anderlecht met een verkoopoppervlakte van 18.482 m². Globaal bedraagt de nettohandelsoppervlakte 49.732 m²;
- b)evenwicht tussen centrum en periferie Overwegende dat de inplanting van deze handelszaak dit gedeelte van de gemeente Anderlecht en van het Gewest Brussel zal versterken ten nadele misschien van het mogelijk verdwijnen van de decoratie-assortimenten gelegen VII-37.452-7/36 in de gemeenten van de directe klantenzone. Gelet op het groeiend aandeel van het deelassortiment decoratie in het totale aanbod van de aanvrager zal dit ongetwijfeld een negatieve weerslag hebben op de handelszaken met een gelijkaardig assortiment die nog in de omliggende centra zijn". IV Regelmatigheid van de rechtspleging Standpunt van de partijen 10. De verzoekende partijen betogen dat de memorie van antwoord, op grond van de artikelen 53, tweede lid, en 65 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, nietig is, omdat deze een citaat in de Franse taal bevat, dat niet in de taal van de procedure-het Nederlands- werd vertaald. Beoordeling 11. Het feit dat een partij een tekst in een andere taal citeert, ter illustratie van haar betoog, maakt geen schending uit van de aangehaalde wetsbepalingen en kan dus niet tot de nietigheid leiden van het processtuk. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ratione personae 1. Gebrek aan belang in hoofde van de eerste verzoekende partij Standpunt van de partijen 12.1. De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten dat de eerste verzoekende partij doet blijken van het vereiste belang, doordat er geen voldoende rechtstreeks causaal verband bestaat tussen het beweerde nadeel van de eerste verzoekende partij en het bestreden besluit, en doordat het beweerde nadeel onvoldoende zeker zou zijn. 12.2. Volgens de tussenkomende partij is het beroep van de eerste verzoekende partij bovendien te kwalificeren als een actio popularis. Met verwijzing naar het arrest van de Raad van State nr. 133.394 van 30 juni 2004, betoogt zij dat een VZW als rechtspersoon gehouden is door het specialiteitsbeginsel en slechts onder bepaalde voorwaarden een collectief belang kan behartigen. Volgens de VII-37.452-8/36 tussenkomende partij heeft het maatschappelijk doel van de eerste verzoekende partij, dat het verdedigen behelst van de "algemene belangen" van haar leden en het bevorderen van hun "bloei en uitbreiding" een algemene draagwijdte, en doorstaat het de toets van het specialiteitsbeginsel niet. Ook het in rechte aanvechten van een socio-economische vergunning van één meubelzaak in België heeft volgens de tussenkomende partij niet voldoende specifiek betrekking op het statutair doel. 12.3. In de memorie van wederantwoord wijst de eerste verzoekende partij er op dat het voormelde arrest van de Raad van State te dezen geen toepassing vindt, omdat de in die zaak genoemde VZW volgens haar een ideëel, collectief belang verdedigt, terwijl haar belang bestaat uit de verdediging van de belangen van de leden zelf. Zij betoogt dat het volgens de rechtspraak van de Raad van State volstaat dat het bestreden besluit griefhoudend is voor het geheel of voor een deel van de leden, en dat dit ook geldt wanneer de vereniging opkomt tegen individuele beslissingen. De eerste verzoekende partij verwijst hierbij naar het arrest van de Raad van State nr. 16.984 van 22 april 1975 waarbij de Raad aanvaardt dat een vereniging, die de collectieve belangen verdedigt van kleinhandelaars van de streek die zich bedreigd achten door de verkoop van goederen voor privaat gebruik tegen groothandelsprijzen, kan opkomen tegen een bouwvergunning verleend aan een groothandelaar voor het optrekken van gebouwen bestemd voor de handel. Bovendien is er volgens de eerste verzoekende partij wel een rechtstreeks en zeker verband tussen het aangevoerde nadeel, namelijk de omzetdaling van haar leden, en het bestreden besluit. Zij verwijst hiervoor onder meer naar de stelling in het beroepschrift van Unizo dat de reguliere meubeldetailhandel gemiddeld 50 % van de aankopen verricht bij Belgische toeleveranciers, terwijl de aankopen voor het meubelassortiment van IKEA volledig in het buitenland zouden gebeuren. Zij besluit dat er "voldoende (met) elkaar overeenstemmende ernstige vermoedens" voorhanden zijn die, volgens haar, aantonen dat het nadeel als zeker voorkomt. Beoordeling 13. Volgens artikel 3 van de statuten van de eerste verzoekende partij heeft deze tot doel: VII-37.452-9/36 "3.1. de ondernemingen van de houtverwerking te verenigen door banden van daadwerkelijke samenhorigheid; 3.2. hun algemene belangen te bestuderen, te vertegenwoordigen en te behartigen; (...) 3.4. met alle beschikbare middelen de bloei en de uitbreiding van deze ondernemingen te bevorderen". Ingevolge het specialiteitsbeginsel is het voor de eerste verzoekende partij bijgevolg niet mogelijk om voor de Raad van State op te treden ter behartiging van de belangen van meubelwinkels. In dat geval zou zij immers de bescherming van andere belangen nastreven dan degene die tot haar maatschappelijk doel behoren en dergelijk annulatieberoep is niet ontvankelijk. De beweerde omzetdaling in hoofde van de leden is een nadeel dat niet het vereiste rechtstreekse verband vertoont met het bestreden besluit. Dit nadeel is bovendien onvoldoende zeker. De exceptie is gegrond. Het beroep van de eerste verzoekende partij is niet ontvankelijk. 2. Gebrek aan belang in hoofde van de tweede verzoekende partij Standpunt van de partijen 14.1. De verwerende en de tussenkomende partij werpen tevens het gebrek aan belang van de tweede verzoekende partij op. Ter ondersteuning van deze exceptie verwijst de verwerende partij naar de specifieke bedrijfsformule van de tussenkomende partij en naar het feit dat de klanten van die partij -die zich als meubelwinkel onderscheidt door zijn typisch Scandinavische stijl en door het prijssegment waarop zij zich richt- een ander doelpubliek vormen dan het publiek waar de tweede verzoekende partij zich toe richt, zodat de tussenkomende partij volgens de verwerende partij niet in rechtstreekse concurrentie staat met de tweede verzoekende partij. 14.2. In haar memorie van wederantwoord verwijst de tweede verzoekende partij naar het aanvraagdossier van de tussenkomende partij waar, bij de beschrijving van het concurrentieel aanbod binnen het marktgebied van de IKEA-vestiging te Anderlecht, de winkel van de tweede verzoekende partij is ondergebracht bij de zeer grote meubelzaken, groter dan 3.000 m², en dat die winkel ligt in de directe zone van het marktgebied van de tussenkomende partij. Zij verwijst VII-37.452-10/36 voorts ook onder meer naar het bestreden besluit zelf waarin wordt gesteld dat de inplanting van de IKEA-vestiging een belangrijke weerslag zal veroorzaken op de overige in het marktgebied gevestigde meubel-, binnenhuisinrichting- en decoratiezaken. Beoordeling 15. Zoals ook blijkt uit het aanvraagdossier van de tussenkomende partij, is de tweede verzoekende partij een zeer grote meubelzaak, gelegen binnen het directe marktgebied van de IKEA-vestiging, met een concurrentieel aanbod. Er mag in redelijkheid worden aangenomen dat de doelgroep van de tussenkomende partij voor een belangrijk deel overeenstemt met die van de tweede verzoekende partij. Vermits de bestreden vestiging mogelijk gevolgen heeft voor de leefbaarheid van de vestiging van de tweede verzoekende partij, lijdt deze door het bestreden besluit een voldoende zeker en rechtstreeks nadeel en beschikt zij over het vereiste belang om op ontvankelijke wijze een annulatieberoep in te stellen. De exceptie wordt verworpen. 16. In hetgeen volgt, zal de tweede verzoekende partij worden vermeld als de verzoekende partij. B. Ratione temporis Standpunt van de partijen 17.1. De verwerende en de tussenkomende partij betwisten eveneens de tijdigheid van het beroep, ingesteld door de verzoekende partij op 26 november 2004. 17.2. De verwerende partij voert aan dat de termijn van 60 dagen om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te dienen van een handeling die noch bekendgemaakt, noch betekend moet worden, ingaat op de dag waarop de verzoekende partij er in feite kennis van heeft. Met verwijzing naar het arrest van de Raad van State nr. 83.194 van 28 oktober 1999 benadrukt de verwerende partij dat het begrip "feitelijke kennis" niet vereist dat de belanghebbende kennis heeft van de volledige tekst van de beslissing, maar wel dat hij een voldoende kennis heeft van de inhoud en de draagwijdte ervan. Daarnaast wijst de verwerende partij er op dat uit VII-37.452-11/36 de rechtspraak van de Raad van State zou blijken dat wanneer in de media aan het bestreden besluit grote weerklank is gegeven die de verzoekende partij niet kan zijn ontgaan, niet aanvaard wordt dat de verzoekende partij slechts geruime tijd nadien kennis heeft genomen van het bestaan van het bestreden besluit. De verwerende partij stelt dat er moet worden van uitgegaan dat de verzoekende partij reeds in augustus, uiterlijk september 2004, op grond van een aantal persberichten op de hoogte moet zijn geweest van het bestreden besluit en dat het niet aannemelijk is dat zij pas in november 2004, zoals de verzoekende partij zelf beweert, naar aanleiding van een gesprek op de meubelbeurs, op de hoogte werd gebracht van het bestreden besluit. Beoordeling 18. Op grond van artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verjaren de beroepen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, zoals te dezen het geval is, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. De vraag wanneer de verzoekende partij kennis had van de bestreden beslissing betreft de feitelijke toedracht van het geschil. Het enige element dat de verwerende partij naar voren brengt om aan te tonen dat de verzoekende partij reeds meer dan 60 dagen voor het indienen van het verzoekschrift op de hoogte zou zijn geweest van het bestreden besluit zijn persartikelen waarin wordt vermeld dat de tussenkomende partij een machtiging zou hebben verkregen voor een nieuwe vestiging in Anderlecht. Krantenberichten geven vaak niet altijd de exacte weergave van de juridische situatie en kunnen daardoor in beginsel niet dienen als uitgangspunt voor de beroepstermijn bij de Raad van State. In tegenstelling tot de arresten waarnaar de verwerende partij verwijst en waarbij er telkens, naast de berichtgeving in de pers, ook andere elementen aanwezig waren die erop duidden dat de verzoeker in die zaken eerder VII-37.452-12/36 kennis had van het bestreden besluit, brengen de verwerende partij en de tussenkomende partij geen andere elementen aan die kunnen duiden op de feitelijke kennisname van het bestreden besluit door de verzoekende partij, buiten de termijn voorzien om het beroep tot nietigverklaring in te dienen. De exceptie is niet gegrond. VI. Onderzoek van de middelen A. Ontvankelijkheid van het eerste, het tweede en het derde middel Standpunt van de tussenkomende partij 19. De tussenkomende partij stelt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de middelen die geen betrekking hebben op het criterium van de weerslag van de nieuwe vestiging op de bestaande handel. Zo zou de verzoekende partij geen belang hebben bij het middel dat gebaseerd is op een schending van de criteria met betrekking tot de ruimtelijke lokalisatie van het handelsapparaat (eerste middel) omdat zij te ver verwijderd ligt van de vestiging van de tussenkomende partij om enige stedenbouwkundige hinder te ondervinden, noch op het middel dat betrekking heeft op het facet verbruiker (tweede middel), omdat zij geen verbruiker is, noch op het middel dat betrekking heeft op de tewerkstelling (derde middel), omdat zij geen werknemer is. Beoordeling 20. Als concurrent van de tussenkomende partij heeft de verzoekende partij belang bij de vernietiging van de socio-economische vergunning op grond waarvan de tussenkomende partij haar vestiging kan uitbaten. Hiertoe kan de verzoekende partij elk middel aanwenden dat steunt op een overtreding van de wet of van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De exceptie van gebrek aan belang bij het eerste, tweede en derde middel is niet gegrond. VII-37.452-13/36 B. Onderzoek ten gronde 1. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij 21.1. De verzoekende partij voert een eerste middel aan, gesteund op de schending van artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 tot vaststelling van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van de vragen tot handelsvestiging (hierna: koninklijk besluit van 8 augustus 1975), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), van het gewestelijk bestemmingsplan, goedgekeurd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 mei 2001, in het bijzonder artikel 5.1., en van "de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het materiële motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel". Zij voert tevens het ontbreken aan van de rechtens vereiste juridische en feitelijke grondslag en machtsoverschrijding. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij in essentie aan dat het Interministerieel Comité bij de beoordeling van het criterium van de ruimtelijke lokalisatie van het handelsapparaat kennelijk niet in redelijkheid heeft besloten dat er een aanvaardbaar verband bestaat tussen enerzijds de omvang en het type van het ontworpen verkooppunt, en anderzijds de plaats in het stedennet van de gemeente op het grondgebied waarvan de handelsvestiging wordt ontworpen, haar omvang, en het demografisch gewicht van het hinterland. Volgens de verzoekende partij zouden de overwegingen met betrekking tot dit criterium grotendeels identiek zijn aan die van het ongunstig advies van het SECD van 20 januari 2004 met betrekking tot een vorige aanvraag en zouden zij aldus niet zonder meer toelaten om te besluiten tot een aanvaardbaar verband tussen het betrokken verkooppunt en de gemeente van vestiging, temeer nu het bestreden besluit geen motieven bevat waaruit blijkt dat het Interministerieel Comité tot dergelijk besluit zou zijn gekomen op basis van een nieuwe beoordeling van de feitelijke gegevens. Steeds volgens de verzoekende partij zou het bestreden besluit er ook ten onrechte aan voorbijgaan dat de vestiging zich ook richt op een gedeelte van Henegouwen en van Zuid- en Oost-Vlaanderen, zodat bij de beoordeling ten onrechte een deel van het hinterland niet in aanmerking is genomen. VII-37.452-14/36 De verzoekende partij betoogt voorts dat men enkel de netto handelsoppervlakte van de nieuwe vestiging in Anderlecht in rekening zou hebben mogen brengen en dat het Interministerieel Comité ten onrechte rekening heeft gehouden met de handelsoppervlakte van IKEA Ternat en IKEA Zaventem, die volgens het bestreden besluit samen met de vestiging in Anderlecht tot de Brusselse agglomeratie behoren. In een tweede onderdeel van het middel voert de verzoekende partij aan dat het Interministerieel Comité er ten onrechte is van uitgegaan dat de aanvraag "distributieplanologisch" aanvaardbaar is op grond van de bestemming van de betreffende percelen. Zij wijst er op dat de stedenbouwkundige bestemming bij de beoordeling van dit criterium van geen belang is, en dat de aanvraag bovendien ook niet verenigbaar zou zijn met de stedenbouwkundige bestemming "stedelijk industriegebied" omdat in deze gebieden grote speciaalzaken enkel toegelaten zijn voor zover zij tot een gespecialiseerde sector behoren, en de tussenkomende partij als woonwarenhuis niet tot de gespecialiseerde sector zou behoren. In een derde onderdeel van het middel betoogt de verzoekende partij dat bij de motivering met betrekking tot het subcriterium "evenwicht tussen centrum en periferie" ten onrechte de weerslag op de bestaande handel werd beoordeeld in plaats van het functioneel evenwicht tussen de periferie en de bestaande handelscentra. 21.2. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat het Interministerieel Comité ook rekening diende te houden met de argumenten van de beroepschriften, waarvan zij zelf slechts via het administratief dossier kennis zou hebben gekregen. Voorts repliceert de verzoekende partij dat het Interministerieel Comité, wanneer het zich buigt over een aanvraag voor eenzelfde vestiging waarvan bepaalde gegevens werden gewijzigd ten opzichte van vorige aanvragen waarover negatief werd geadviseerd, zich er niet mee kan vergenoegen uit te gaan van deze gegevens, temeer nu de beroepschriften, waardoor het Comité werd gevat, op deze adviezen zijn gesteund en zij er expliciet naar verwijzen. Met betrekking tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van het Interministerieel Comité stelt de verzoekende partij vast dat dit Comité, door in zijn beslissing de verschillende criteria van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 één voor één te bespreken, zelf heeft aangegeven er door gebonden te zijn. VII-37.452-15/36 Met betrekking tot het eerste onderdeel preciseert de verzoekende partij dat dit inhoudt dat, gelet op de overeenstemming tussen de overwegingen van het bestreden besluit en het advies van de SECD van 20 januari 2004, de overwegingen van het bestreden besluit niet toelaten te besluiten tot een aanvaardbaar verband tussen het betrokken verkooppunt en de gemeente van vestiging. Zij verduidelijkt voorts dat het Interministerieel Comité, wanneer dit in het kader van een administratief beroep een aanvraag opnieuw dient te beoordelen, niet kan volstaan met het letterlijk overnemen van de overwegingen van een advies waardoor het niet gebonden is. Ook voegt de verzoekende partij toe dat het Interministerieel Comité niet heeft geantwoord op het bezwaar in het beroepschrift dat, gelet op het schaalniveau en de aantrekkingskracht van de plaats, de inplanting niet te verantwoorden is. Met betrekking tot het derde onderdeel van het middel vult de verzoekende partij nog aan dat het bestreden besluit geen aanduiding geeft over de complementariteit tussen het stadscentrum en de buitenrand. Beoordeling Algemeen 22. De motiveringswet, die te dezen van toepassing is, bepaalt dat de motivering van een bestuursbeslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. De motivering moet in rechte en in feite evenredig zijn aan het belang van de beslissing. Die motivering moet ook draagkrachtig zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Een motivering is afdoende wanneer deze de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen en de bestuurde aldus met kennis van zaken desgevallend tegen deze beslissing in rechte kan optreden en wanneer zij de Raad van State in staat stelt de hem opgedragen wettigheidscontrole uit te oefenen. De motiveringsplicht houdt in dat de motivering duidelijk is, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet en precies. Wanneer een administratieve overheid zoals te dezen een beslissing neemt als beroepsorgaan, houdt de formele motiveringsverplichting in dat uit de beslissing van het beroepsorgaan blijkt dat de argumentatie van de betrokkene daadwerkelijk in de besluitvorming betrokken is. Het is evenwel niet vereist dat de administratieve overheid, in tegenstelling tot een jurisdictioneel orgaan, alle door de beroeper opgeworpen argumenten beantwoordt. Het is noodzakelijk, doch VII-37.452-16/36 voldoende, dat de beslissing duidelijk en omstandig de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen. De beslissing moet eveneens voldoende gemotiveerd zijn ten aanzien van de adviezen waarmee het Interministerieel Comité rekening moest houden. De materiële motiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijke bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiële motiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. Het komt de Raad van State daarbij in principe niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van de administratie. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan indien ze betwist worden. Indien geoordeeld wordt dat de beslissing steunt op onbestaande, onvoldoende bewezen feiten, dan is eveneens het materiële motiveringsbeginsel geschonden. Te dezen beschikt de verwerende partij over een beoordelingsvrijheid zodat verschillende beslissingen mogelijk kunnen zijn, zij het enkel binnen de grenzen van de redelijkheid. Eerste onderdeel 23. Het advies van het SECD van 20 januari 2004, waarover sprake in het eerste onderdeel, had geen betrekking op de thans in het geding zijnde aanvraag. De motivering die het voorwerp uitmaakt van de huidige kritiek kwam ook voor in het advies van de SECD van 1 april 2004, dat wel betrekking had op dezelfde aanvraag. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, kan het Interministerieel Comité een motief uit een advies waardoor het niet gebonden is overnemen en alzo tot het zijne maken. Dit sluit niet uit dat het Interministerieel Comité een nieuwe beoordeling heeft gedaan van de zaak. Deze motieven onderbouwen de beslissing voldoende. Met betrekking tot de klantenzone mocht de verwerende partij in redelijkheid uitgaan van de door de tussenkomende partij verstrekte gegevens. De VII-37.452-17/36 verzoekende partij maakt niet voldoende aannemelijk dat deze gegevens manifest in strijd zouden zijn met de realiteit. Het komt de Raad van State toe na te gaan of de overheid de prognose betreffende de klantenzone in alle redelijkheid heeft gemaakt op basis van de gegevens van het dossier. De verzoekende partij maakt evenmin aannemelijk dat de beoordeling van de gegevens terzake kennelijk onredelijk is. Aangezien de verwerende partij op grond van de andere overwegingen voor het subcriterium reeds voldoende motiveert waarom zij het verband aanvaardbaar acht, is de overweging met betrekking tot het verband tussen het betrokken verkooppunt en de gemeente van vestiging, die misschien wat onhandig is geformuleerd, een overtollig motief. Tweede onderdeel 24. Bij de beoordeling van het distributieplanologisch kader is het wel verantwoord dat de vergunningverlenende overheid rekening houdt met de planologische bestemming. De overheid die de machtiging verleent, moet overgaan tot een planologische toets van de aanvraag en moet deze weigeren indien de handelsvestiging daarmee strijdig is. Volgens het gewestelijk bestemmingsplan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest komt de geplande vestiging te liggen in een gebied voor stedelijke industrie. Volgens artikel 5.1. van de voorschriften van het ten tijde van het bestreden besluit geldende gewestelijk bestemmingsplan, dat werd goedgekeurd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 mei 2001, kunnen die gebieden, mits toepassing van speciale regelen van openbaarmaking, ook bestemd worden voor grote speciaalzaken. Volgens het "glossarium" dat integraal deel uitmaakt van dat gewestelijk bestemmingsplan, moet onder grote speciaalzaken begrepen worden een handelszaak met een oppervlakte van 500 m² en meer waarvan de activiteit bestaat uit een dienstverlening of de verkoop van roerende goederen en die tot een gespecialiseerde sector behoort, met uitsluiting van de voedingssector. De geplande vestiging is een kleinhandel in wooninrichting, woondecoratie en huishoudartikelen. Een dergelijke handelszaak kan onder de term "gespecialiseerde sector" worden ondergebracht en is aldus in overeenstemming met de bestemming "gebied voor stedelijke industrie" aangezien deze gebieden volgens de voorschriften eveneens bestemd zijn voor "grote speciaalzaken". VII-37.452-18/36 Bovendien heeft de geplande vestiging reeds een stedenbouwkundige vergunning verkregen zodat ook de voor ruimtelijke ordening bevoegde overheid van oordeel was dat de geplande vestiging in overeenstemming is met de bestemming "stedelijke industrie". Derde onderdeel 25. Het kwalificeren van de goederen als autonoom is in het voorliggende geval een afdoende motivering om te besluiten tot de afwezigheid van een weerslag op het evenwicht tussen de periferie en het centrum. De verwerende partij kon op basis hiervan in redelijkheid tot dit besluit komen. De verzoekende partij toont niet aan dat dit motief feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk is. Het eerste middel is niet gegrond. 2. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 26.1. De verzoekende partij voert een tweede middel aan, gesteund op de schending van artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en "de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het materiële motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel", op de ontstentenis van de rechtens vereiste juridische en feitelijke grondslag en op machtsoverschrijding. Het eerste onderdeel van het middel houdt in essentie in dat het Interministerieel Comité bij de beoordeling van het facet "verbruiker" zonder meer is uitgegaan van de klantenzones opgegeven door de tussenkomende partij in haar aanvraagdossier van 6 februari 2004, terwijl de overheid in het kader van haar zorgvuldigheidsplicht bij de beoordeling van een aanvraag voor een handelsvestiging dient uit te gaan van correcte feitelijke gegevens. De opgegeven klantenzones verschillen volgens de verzoekende partij van diegene die werden opgegeven in een voorgaande aanvraag. De verzoekende partij wijst er op dat de Commissie voor de distributie in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad in zijn advies van 26 april 2004 de correctheid van de opgegeven gegevens in twijfel heeft getrokken en dat het Interministerieel Comité had moeten motiveren waarom het meende voorbij te kunnen gaan aan dat advies. VII-37.452-19/36 In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het nieuwe verkooppunt de keuzemogelijkheid van de verbruikers tussen verschillende handelsvormen, verkoopsmethoden en assortimenten uitbreidt terwijl deze uitbreiding een essentiële voorwaarde is voor de afgifte van een machtiging. In een derde onderdeel betoogt de verzoekende partij, samengevat, dat de overwegingen in het bestreden besluit niet toelaten om in redelijkheid te besluiten tot de bereikbaarheid van het verkooppunt zonder specifieke lasten voor de gemeenschap. In een vierde onderdeel argumenteert de verzoekende partij dat het Interministerieel Comité bij de beoordeling van het gevaar voor monopolievorming geen gegronde redenen aanvoert waaruit blijkt dat de positie van de tussenkomende partij sterk zou zijn maar niet dominant, terwijl het SECD in zijn advies van 1 april 2004 van oordeel was dat de tussenkomende partij een dominante positie zou innemen. Bij deze beoordeling zou het Interministerieel Comité volgens de verzoekende partij ten onrechte zijn uitgegaan van hypotheses en bovendien zou deze beoordeling in tegenspraak zijn met de overweging in het bestreden besluit dat de weerslag op de overige in het marktgebied gevestigde meubel-, binnenhuisinrichting- en decoratiezaken belangrijk zal zijn. 26.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat, volgens de beroepschriften, het Interministerieel Comité niet zonder meer mocht uitgaan van de door de tussenkomende partij opgegeven gegevens. Inzake de kritiek van de tussenkomende partij aangaande de niet-naleving van het aanwezigheidsquorum bij het geven van het advies door de Commissie voor de distributie in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, stelt de verzoekende partij dat het koninklijk besluit van 24 oktober 1975 houdende vaststelling van de organisatie en de werkingsmodaliteiten van de provinciale commissie voor de distributie waarnaar de tussenkomende partij verwijst, betrekking heeft op de Provinciale Commissie voor de distributie, en niet op de Commissie voor de distributie in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. Met betrekking tot het derde onderdeel merkt de verzoekende partij op dat in het bestreden besluit nergens wordt verwezen naar de verkeersstudie die de tussenkomende partij heeft laten uitvoeren zodat niet blijkt dat het Interministerieel Comité bij zijn beslissing deze nieuwe omstandigheden in acht zou VII-37.452-20/36 hebben genomen. Volgens haar volstaat het niet de bereikbaarheid pas te beoordelen bij de opening van de vestiging en blijkt uit het bestreden besluit op dit punt niet op welke wijze rekening werd gehouden met de beroepschriften. Met betrekking tot het vierde onderdeel voegt de verzoekende partij nog toe dat het Interministerieel Comité bij zijn beoordeling slechts het gevaar van een monopoliepositie moet onderzoeken en niet het bestaan ervan. Beoordeling Eerste onderdeel 27. Een overheid die in beroep uitspraak doet over een aanvraag hoeft niet te motiveren waarom zij geen gevolg geeft aan een advies dat niet aan haar gericht was maar aan de overheid die in eerste aanleg diende te beschikken. Te dezen moest de verwerende partij dan ook niet antwoorden op de opmerkingen in het advies van de Commissie voor de distributie in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad van 26 april 2004, ongeacht of dit advies geldig is uitgebracht of niet. Tweede onderdeel 28. Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat uit de desbetreffende overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat het Interministerieel Comité geoordeeld heeft dat de nieuwe IKEA-vestiging, die een breed assortiment esthetische en functionele meubelen aanbiedt tegen lage prijzen, die tegemoet komt aan de groeiende behoefte aan "fun-shopping", die ook aanleunende productgroepen zoals verlichting, textiel, keukens en woningtextiel aanbiedt en die ervoor zorgt dat de andere spelers op de meubelmarkt zich zullen moeten positioneren, een verruiming van de keuzemogelijkheden van de verbruiker betekent. De verwerende partij heeft hierbij op voldoende en niet kennelijk onredelijke wijze gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat de nieuwe vestiging aan het betreffende subcriterium voldoet. VII-37.452-21/36 Derde onderdeel 29. Bij de beoordeling van het facet "verbruiker" moet volgens het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 onder meer rekening gehouden worden met de bereikbaarheid van het verkooppunt via verschillende vervoermiddelen, inzonderheid met het gemeenschappelijk vervoer, zonder specifieke lasten voor de gemeenschap. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij aandacht heeft gehad voor de bereikbaarheid van het verkooppunt met het openbaar vervoer -via een bushalte, een metrostation, te voet en via een voetgangersbrug- en met de wagen. Bij de beoordeling van de bereikbaarheid met de wagen mag de vergunningverlenende overheid rekening houden met de door de aanvrager ingediende plannen voor de heraanleg van de verkeersinfrastructuur, ook al is deze heraanleg op het ogenblik van het verlenen van de machtiging nog niet gerealiseerd. Dit is des te meer zo nu de heraanleg van de weginfrastructuur werd opgelegd als voorwaarde in de stedenbouwkundige vergunning die bij het aanvraagdossier werd gevoegd en die zich in het administratief dossier bevindt zodat mag aangenomen worden dat de verwerende partij er kennis heeft van genomen. Zij mocht er bij haar beoordeling dan ook in redelijkheid van uitgaan dat de infrastruc- tuurwerken voor de heraanleg van de wegen zouden worden uitgevoerd. De verwerende partij heeft de bereikbaarheid van het verkooppunt dus op voldoende wijze onderzocht en in de motivering van haar beslissing opgenomen. Door het enkele feit dat de verwerende partij in het bestreden besluit bij de bespreking van een ander criterium onderkent dat er verkeersproblemen zijn, kan niet worden afgeleid dat zij op kennelijk onredelijke wijze zou besluiten wanneer zij het criterium bereikbaarheid in het algemeen positief beoordeelt, mede gelet op de te verwezenlijken aanpassingswerken en op de bereikbaarheid via het openbaar vervoer. De verzoekende partij toont niet aan dat de beoordeling van dit criterium kennelijk onredelijk is. Vierde onderdeel 30. De verzoekende partij toont niet aan waarom de "sterke positie" van de tussenkomende partij, waarover sprake in het bestreden besluit, een monopoliepositie zou zijn. De verwerende partij mocht er in redelijkheid van uit gaan dat een "sterke positie" nog geen "monopoliepositie" is. Deze stelling vindt trouwens geen steun in het aanvraagdossier aangezien daaruit blijkt dat er nog verschillende andere grote aanbieders zijn van meubelen in de omgeving, zoals de verzoekende partij zelf. De verzoekende partij toont ook niet concreet aan waarom VII-37.452-22/36 het door de tussenkomende partij naar voren gebrachte verwachte marktaandeel van 9,4 % manifest verkeerd zou zijn of waarom dit marktaandeel van die aard is dat het gevaar voor het verdwijnen van andere handelszaken en het ontstaan van een monopolie dermate groot is dat niet in redelijkheid moet worden gesproken van een "sterke" positie, maar van een monopoliepositie. Bij de beoordeling dat de tussenkomende partij slechts een "sterke" positie inneemt, is de verwerende partij niet buiten de grenzen van de redelijkheid getreden. Het tweede middel is niet gegrond. 3. Derde middel Standpunt van de verzoekende partij 31.1. De verzoekende partij steunt een derde middel op de schending van artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en "de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het materiële motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel", op het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag en op machtsoverschrijding. In een eerste onderdeel betoogt zij dat het Interministerieel Comité voorbijgaat aan de negatieve impact voor de tewerkstelling in de meubeldistributie, de meubelindustrie en de toeleveringsbedrijven. Bovendien is het Comité uitsluitend uitgegaan van de door de tussenkomende partij opgegeven gegevens, welke volgens de verzoekende partij niet correct zijn, zoals zou blijken uit het advies van de Commissie voor de distributie in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad van 26 april 2004. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat het bestreden besluit zich, wat de kwaliteit van de tewerkstelling en de arbeid betreft, beperkt tot enkele algemeenheden en tot een stijlformulering. 31.2. Met betrekking tot het tweede onderdeel verduidelijkt de verzoekende partij dat de CAO's van het Paritair Comité nr. 311 niets bepalen ten aanzien van de stabiliteit van de tewerkstelling, de kwaliteit van de arbeid, de sociale uitrusting en het werkritme of de mogelijkheden tot sociale promotie, zodat de verwijzing er naar, door het Interministerieel Comité, niet volstaat om te besluiten dat de kwaliteit van de tewerkstelling en de arbeid gewaarborgd zijn. VII-37.452-23/36 Beoordeling Eerste onderdeel 32. Volgens het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 moet bij het criterium van de tewerkstelling onder meer worden beoordeeld of de nieuwe handelsvestiging bijdraagt tot de handhaving of de aangroei van de tewerkstelling in de streek. Volgens het aanvraagdossier zal de werkgelegenheid in de streek stijgen met 340 arbeidsplaatsen. Het beoordelen van de verwachte toename van de tewerkstelling is een beoordeling in feite die toekomt aan de overheid die de machtiging verleent. Het komt de Raad van State niet toe te oordelen of deze vooropgestelde cijfers correct zijn. Dit oordeel valt buiten de grenzen van de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State. Deze kan slechts beoordelen of de overheid niet kennelijk onredelijk is geweest in haar beoordeling van de prognose voor de tewerkstellingscijfers. Uit het administratief dossier blijkt niet dat de overheid bij deze beoordeling manifest van verkeerde cijfers zou zijn uitgegaan of over andere cijfers beschikte die ze niet in haar beoordeling heeft betrokken. In de beroepschriften werd weliswaar aangevoerd dat de cijfergegevens in verband met de te verwachten tewerkstelling niet exact waren. Deze stelling werd echter tegengesproken door de tussenkomende partij in de zitting van de Nationale Commissie voor de Distributie van 29 juli 2004, zoals blijkt uit de voorafgaande bespreking bij het advies, waarvan de verwerende partij kennis heeft genomen voorafgaand aan zijn beslissing. Impliciet heeft de verwerende partij zich dan ook aangesloten bij het verweer van de tussenkomende partij aangaande de tewerkstellingscijfers. De overheid kan onmogelijk met absolute zekerheid de juistheid van de tewerkstellingscijfers die door de tussenkomende partij in het aanvraagdossier naar voren werden gebracht beoordelen aangezien het gaat om prognoses die door verschillende elementen worden beïnvloed en waarvoor geen objectieve wetenschappelijke onderbouwing wordt gegeven. Net zo min kan de overheid met absolute zekerheid de juistheid beoordelen van de te verwachten tewerkstellingscijfers die door het SECD zouden zijn aangebracht. Bijgevolg beschikt de overheid hier over een vrij ruime beoordelingsmarge met betrekking tot de cijfers die zij in overweging neemt. Op basis van de cijfers voor de verwachte tewerkstelling, zoals die blijken uit het administratief dossier, kon de overheid evenwel in redelijkheid beslissen tot een gunstige beoordeling van het aspect werkgelegenheid. De analyse van de impact op de tewerkstelling bevindt zich, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, wel degelijk in het administratief dossier. VII-37.452-24/36 Tweede onderdeel 33. Het Paritair Comité voor de grote kleinhandelszaken werd opgericht bij koninklijk besluit van 22 maart 1973. Binnen dit Paritair Comité worden meerdere collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten, onder meer met betrekking tot het loon, het tijdskrediet, het brugpensioen, de opeenvolgende arbeidscontracten, het statuut van de vakbondsafvaardigingen, het gewaarborgd minimum maandinkomen en dergelijke. Doordat het personeel van de geplande handelsvestiging onder de bevoegdheid van dit Paritair Comité ressorteert, valt het mede onder de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomsten die het loon, de mogelijkheden tot het nemen van tijdskrediet, de modaliteiten inzake het recht op brugpensioen en dergelijke meer regelen. De verwerende partij heeft de kwaliteit en de stabiliteit van de tewerkstelling en van de arbeid dan ook afdoende gemotiveerd en naar redelijkheid beoordeeld door te verwijzen naar de bevoegdheid van het betreffende Paritair Comité. Het derde middel is niet gegrond. 4. Vierde middel Standpunt van de verzoekende partij 34.1. De verzoekende partij roept als vierde middel de schending in van artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en "van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het materiële motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel". Voorts steunt het middel op het ontbreken van de rechtens vereiste juridische en feitelijke grondslag en op machtsoverschrijding. In een eerste onderdeel betoogt de verzoekende partij dat het Interministerieel Comité zich beperkt heeft tot de overweging dat de inplanting van de betrokken meubel- en binnenhuisinrichtingszaak een weerslag zal hebben op de overige in het marktgebied gevestigde meubel-, binnenhuisinrichtings- en decoratiezaken terwijl volgens artikel 5, a), van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 onderzocht moet worden of de nieuwe handelsvestiging de leefbaarheid van de bestaande handelsuitrustingen niet in gevaar brengt voor zover deze kwalitatief en kwantitatief voldoening schenken. De verzoekende partij verwijst hierbij naar het arrest van de Raad van State nr. 130.195 van 7 april 2004, waarbij VII-37.452-25/36 de Raad van oordeel was dat uit de beslissing moet blijken "of de bestaande handelsuitrustingen kwalitatief en kwantitatief voldoening schenken en in voorkomend geval of de beoogde inplanting de leefbaarheid van deze handelsuitrustingen niet in gevaar brengt". Bovendien zijn volgens de verzoekende partij de gegevens verstrekt door de tussenkomende partij onjuist en heeft het Interministerieel Comité niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat het Interministerieel Comité het criterium van artikel 5, b), van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 met betrekking tot de weerslag op de bestaande handel niet correct heeft beoordeeld nu het Comité heeft nagelaten aan te geven wat de omvang, de functie en de lokalisatie van de geplande IKEA-vestiging is en of het evenwicht met de bestaande handelsuitrustingen wordt bevorderd. 34.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het Interministerieel Comité heeft onderzocht of de bestaande handelsuitrustingen kwalitatief en kwantitatief voldoening zouden schenken en evenmin of dit Comité hun leefbaarheid heeft onderzocht. De verzoekende partij vult haar middel tenslotte nog aan door te stellen dat het bestreden besluit onvoldoende antwoordt op de in de beroepschriften opgeworpen bezwaren met betrekking tot de weerslag op de bestaande handel. Beoordeling 35. Het belang bij het middel hangt samen met de gegrondheid ervan, zodat deze gegrondheid moet worden onderzocht. Eerste onderdeel 36. De verzoekende partij is van oordeel dat er een belangrijke weerslag zal zijn op de overige in het marktgebied gevestigde meubel-, binnenhuisinrichting- en decoratiezaken. De verwerende partij heeft echter, bij de afweging met de andere criteria, die wel positief werden beoordeeld, toch beslist de machtiging van de handelsvestiging te verlenen. Uit het dictum van het bestreden VII-37.452-26/36 besluit blijkt dat het tot stand kwam "na afweging van de verschillende aspecten van het dossier". De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat die afweging de toets van het wettelijkheidstoezicht niet doorstaat. Tweede onderdeel 37. Bij de beoordeling van het evenwicht tussen het centrum en de periferie heeft de verwerende partij rekening gehouden met het feit dat de nieuwe handelsvestiging aanleiding zou geven tot het verdwijnen van decoratie- assortimenten, gelegen in de gemeenten van de directe klantenzone, en met het feit dat er een negatieve weerslag zou zijn op de handelszaken met een gelijkaardig assortiment in de omliggende centra. Hieruit blijkt dat het Interministerieel Comité van oordeel was dat het evenwicht met de bestaande handelsuitrusting in de omliggende centra verstoord wordt en dat het Comité dit criterium dan ook eerder negatief beoordeeld heeft. Uit de overwegingen blijkt dat het Interministerieel Comité vanuit de omvang, de lokalisatie en de functie van de handelsvestiging het evenwicht met de bestaande handelsuitrustingen wel degelijk heeft beoordeeld. Het criterium werd afdoende gemotiveerd in het licht van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975. Het tweede onderdeel van het middel mist feitelijke grondslag. De memorie van wederantwoord 38. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekende partij nieuwe argumenten aan die zij reeds had kunnen aanvoeren in haar verzoekschrift. Aldus wordt aan het middel een andere grondslag verleend. Enkel het middel, zoals het werd ontwikkeld in het verzoekschrift, moet worden onderzocht. Het vierde middel is niet gegrond. 5. Vijfde middel Standpunt van de verzoekende partij 39.1. De verzoekende partij voert een vijfde middel aan, genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het materiële motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. VII-37.452-27/36 Zij betoogt in een eerste onderdeel dat de formele motiveringsplicht en het beginsel van de materiële motivering werden geschonden omdat uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid op grond van welke motieven het Interministerieel Comité tot zijn besluit is gekomen. Het Interministerieel Comité zou niet hebben aangegeven welke criteria van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 gunstig en welke ongunstig werden beoordeeld, noch welk gewicht aan deze criteria werden toegekend om tot een gunstige beslissing over de aanvraag te komen. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de motieven niet draagkrachtig zijn nu uit deze motieven, die grotendeels identiek zijn aan de motieven van de meergenoemde ongunstige adviezen van het SECD van 20 januari 2004 en van 26 juni 2003, niet blijkt waarom de aanvraag thans gunstig kan worden beoordeeld. In een derde onderdeel meent de verzoekende partij dat het bestreden besluit de motiveringsplicht schendt doordat uit het bestreden besluit niet blijkt waarom het Interministerieel Comité afwijkt van het reeds genoemde ongunstig advies van de Commissie voor de distributie in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad van 26 april 2004 en van het verdeeld advies van de Nationale Commissie voor de Distributie van 29 juli 2004. In een vierde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat uit het bestreden besluit niet blijkt waaruit de argumenten in hoger beroep van Unizo en de Syndicale Unie van de Belgische Middenstand bestaan, in welke mate met deze argumenten werd rekening gehouden en waarom zij niet werden gevolgd. 39.2. In haar memorie van wederantwoord herneemt de verzoekende partij haar kritiek dat niet valt in te zien hoe een zelfde overweging over een identieke, minstens gelijkaardige aanvraag kan leiden tot een negatieve beoordeling, weze het dat deze door een andere overheid gebeurd is, om vervolgens te leiden tot een positieve beoordeling, noch hoe dergelijke overweging voldoende draagkrachtig is om de positieve beoordeling te steunen. VII-37.452-28/36 Beoordeling Eerste onderdeel 40. Uit het bestreden besluit blijkt afdoende dat de criteria door de verwerende partij overwegend positief beoordeeld worden. Enkel het criterium met betrekking tot de weerslag op de bestaande handel wordt negatief beoordeeld. De verwerende partij besluit, "na afweging van de verschillende aspecten van het dossier", dat de machtiging voor de betrokken handelsvestiging wordt aanvaard. In de motivering wordt een globale afweging van de criteria gemaakt waarbij de positieve beoordeling van drie van de vier criteria geleid heeft tot een positieve beslissing. Uit de motivering van het besluit blijkt afdoende welke motieven geleid hebben tot het besluit om de machtiging voor de geplande handelsvestiging te aanvaarden. Tweede onderdeel 41. Het bestreden besluit is een eigen beslissing van de verwerende partij die als beroepsorgaan door de devolutieve werking van het administratief beroep een volledig nieuwe beslissing neemt. Voor zover een aantal overwegingen identiek zijn aan overwegingen uit eerdere adviezen van het SECD, betekent dit dat de verwerende partij zich deze overwegingen eigen gemaakt heeft. Zoals uit de bespreking van de eerste vier middelen blijkt, zijn de motieven van het bestreden besluit voldoende draagkrachtig om haar te onderbouwen. Veel van deze overwegingen komen trouwens ook voor in het gunstig advies van het SECD van 1 april 2004 dat, in tegenstelling tot de adviezen van 20 januari 2004 en 26 juni 2003, wel betrekking had op dezelfde aanvraag. Het is dan ook niet onredelijk dat de verwerende partij onder meer op grond van dezelfde overweging eveneens tot een gunstige beslissing komt. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, kan de verwerende partij een motief uit een advies waardoor het niet gebonden is, overnemen en alzo tot het hare maken. Dit sluit niet uit dat de verwerende partij de zaak opnieuw heeft beoordeeld. VII-37.452-29/36 Derde onderdeel 42. De verwerende partij moest niet motiveren waarom zij afwijkt van een advies van de Commissie voor de distributie in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, dat niet voor haar was bestemd. Het advies van de Nationale Commissie voor de Distributie van 29 juli 2004 was een gemengd, maar overwegend gunstig advies. De verwerende partij moest niet motiveren waarom zij niet het minderheidsstandpunt van dit advies volgt. Uit het bestreden besluit blijkt ook voldoende dat het Interministerieel Comité impliciet rekening gehouden heeft met de behandeling van de bezwaren door de Nationale Commissie voor de Distributie, zoals uit de bespreking van het volgende onderdeel blijkt. Vierde onderdeel 43. De verwerende partij heeft in haar beslissing de verschillende criteria van het koninklijk besluit van 8 augustus 1975 beoordeeld en op een afdoende wijze besproken. Daarbij heeft zij ook aandacht gehad voor de opmerkingen van de bezwaarindieners. Overeenkomstig artikel 12, zesde lid, van de wet van 29 juni 1975 heeft de Nationale Commissie voor de Distributie aan het Interministerieel Comité een met redenen omkleed advies gegeven, dat rekening hield met de criteria vermeld in artikel 9 van dezelfde wet en dat de verschillende standpunten weergaf die door de aanwezige leden werden uiteengezet, mede met betrekking tot de ingediende bezwaarschriften. In de bezwaarschriften werd het standpunt van de bezwaarindieners met betrekking tot de beoordeling van enkele van de criteria toegelicht. Zoals de verwerende partij stelt, hoefde zij deze bezwaren niet expliciet op te nemen in het bestreden besluit, noch moest zij expliciet antwoorden op deze bezwaren. Vooreerst heeft de verwerende partij in de aanhef van haar besluit verwezen naar het advies van de Nationale Commissie voor de Distributie van 29 juli 2004 en heeft zij uitdrukkelijk gesteld dat hiermee rekening werd gehouden. Daarnaast heeft zij door de bespreking van de verschillende criteria in het besluit impliciet geantwoord op de bezwaren en blijkt uit deze bespreking dat zij voldoende rekening heeft gehouden met deze bezwaren. De bezwaren van de beroepers hadden immers in hoofdzaak betrekking op de relatie tussen de gemeente van vestiging en het verkooppunt, de bereikbaarheid van de vestiging, het risico op een dominante positie voor de tussenkomende partij, de weerslag op de werkgelegenheid en de weerslag op de bestaande handel. Uit de bespreking van elk van de criteria in het bestreden besluit is af te leiden hoe op de bezwaren van de vertegenwoordigers van de middenstandsorganisaties wordt ingegaan. Inzake de lokalisatie van de vestiging VII-37.452-30/36 benadrukt het Interministerieel Comité dat de vestiging zich voornamelijk zal richten naar het zuidwesten van Brussel, het westen van de provincie Vlaams-Brabant en een gedeelte van de provincie Waals-Brabant en dat de vestiging nog in verhouding is met het belang en de functie van de gemeente, onder meer omdat Anderlecht tot de Brusselse agglomeratie behoort. Inzake de bereikbaarheid van de vestiging wordt de klemtoon gelegd op een aantal specifieke initiatieven die ter zake door de tussenkomende partij genomen zijn. Het risico op een dominante positie wordt gerelativeerd doordat, gelet op de totale nettoverkoopsoppervlakte van de drie vestigingen in de omgeving van Brussel, er enkel sprake is van een "sterke positie". De weerslag op de werkgelegenheid wordt als positief beoordeeld omdat er een verwachte uitbreiding van de werkgelegenheid is. De weerslag op de bestaande handel wordt als negatief beoordeeld zodat de argumenten van de vertegenwoordigers van de middenstand op dit punt gevolgd worden. Uit het bestreden besluit blijkt voldoende dat de bezwaren mee in rekening werden gebracht bij de beoordeling. Het vijfde middel is niet gegrond. 6. Zesde middel Standpunt van de verzoekende partij 44.1. De verzoekende partij voert een zesde middel aan, dat steunt op de schending van artikel 12 van de wet van 29 juni 1975, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en "de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het materiële motiveringsbeginsel, (het) zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel", en op machtsoverschrijding. In een eerste onderdeel betoogt zij dat de motieven van het bestreden besluit een overname zijn van de motieven uit het ongunstig advies van het SECD van 20 januari 2004 met betrekking tot de derde aanvraag van de tussenkomende partij en uit het gunstig advies van datzelfde Comité van 1 april 2004 met betrekking tot de voorliggende aanvraag, terwijl het Interministerieel Comité zelf tot een beoordeling van de aanvraag dient over te gaan en deze beoordeling moet blijken uit de motivering van de beslissing. VII-37.452-31/36 In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat het Interministerieel Comité niet bij unanimiteit heeft beslist terwijl het enkel op die wijze geldig kan beslissen. 44.2. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij op een verkeerde lezing van het middel door de verwerende partij en repliceert zij voor het overige dat uit het feit dat in het koninklijk besluit van 12 april 2005 tot vaststelling van de organisatie, werking, vergoeding en incompatibiliteitsregels van het Interministerieel Comité voor de Distributie bedoeld bij artikel 11, § 1, van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen (hierna : koninklijk besluit van 12 april 2005) expliciet is bepaald dat het Interministerieel Comité bij meerderheid beslist, a contrario moet worden afgeleid dat dit in het verleden niet zo was. Beoordeling Eerste onderdeel 45. Voor de bespreking van het eerste onderdeel van het middel wordt verwezen naar de bespreking van het vijfde middel. Tweede onderdeel 46. In toepassing van het koninklijk besluit van 9 september 1975 tot vaststelling van de samenstelling van het Interministerieel Comité bedoeld bij artikel 12, tweede lid, van de wet van 29 juni 1975 is dit Comité samengesteld uit de ministers van Economische Zaken, Middenstand, Openbare Werken en Gewestelijke Aangelegenheden. Het betreft aldus een collegiaal samengesteld orgaan. De wet van 29 juni 1975 bepaalt niet dat het Interministerieel Comité bij unanimiteit moet beslissen. Bij gebreke aan een dergelijke bepaling moet ervan worden uitgegaan dat het Interministerieel Comité als collegiaal orgaan beslist, wat betekent dat beslist wordt volgens de gemeenrechtelijke meerderheidsregel. Uit het feit dat in het huidige artikel 7 van het koninklijk besluit van 12 april 2005, genomen in uitvoering van artikel 11, §1, van de (nieuwe) wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, uitdrukkelijk bepaald wordt dat het Interministerieel Comité een beslissing neemt bij meerderheid van haar leden, kan niet a contrario worden afgeleid dat dit volgens de oude procedure niet zo was. VII-37.452-32/36 Het zesde middel is niet gegrond. VII-37.452-33/36 7. Zevende middel Standpunt van de verzoekende partij 47.1. De verzoekende partij roept een zevende middel in, dat steunt op de schending van artikel 2 van de wet van 29 juni 1975. Zij vraagt tevens de toepassing van artikel 159 van de Grondwet. De verzoekende partij voert aan dat het bestreden besluit een machtiging tot handelsvestiging verleent voor een ontwerp van handelsvestiging waarvoor voorafgaandelijk geen wettige stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd, terwijl uit artikel 2 van de voormelde wet van 29 juni 1975 volgt dat de machtiging tot handelsvestiging slechts kan worden verleend indien voorafgaandelijk de vereiste stedenbouwkundige vergunning werd afgegeven. De stedenbouwkundige vergunning die voor de vestiging werd afgeleverd op 20 januari 2004 is volgens de verzoekende partij onwettig omdat de vergunningverlenende overheid er ten onrechte zou van zijn uitgegaan dat het project verenigbaar is met de bestemming "gebieden voor stedelijke industrie" en omdat in de beslissing ook niet gemotiveerd zou zijn waarom de vestiging van IKEA als een grote speciaalzaak in de zin van het gewestelijk bestemmingsplan kan worden beschouwd. Het Interministerieel Comité diende volgens de verzoekende partij dan ook de vergunningsbeslissing van 20 januari 2004 op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten. 47.2. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij er nog op dat een bestuurlijk orgaan, in tegenstelling tot de Raad van State, een individuele beslissing waartegen geen beroep is ingesteld wel met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing kan laten, en dat de rechtspraak uit het door de tussenkomende partij aangehaalde arrest van de Raad van State nr. 80.599 van 2 juni 1999 te dezen niet kan worden toegepast, aangezien in voormeld arrest werd geoordeeld dat, bij het gegrond bevinden van het middel, de overheid die bevoegd is om zich opnieuw uit te spreken over de socio-economische vergunning, niet anders zou kunnen dan vaststellen dat de bouwvergunning is verleend, terwijl hier wordt gevraagd overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet de bouwvergun- ning buiten toepassing te laten. VII-37.452-34/36 Beoordeling 48. Ongeacht de vraag of slechts een socio-economische vergunning kan worden afgeleverd nadat voor de geplande handelsvestiging een stedenbouwkun- dige vergunning werd verkregen, blijkt uit het administratief dossier dat voor de geplande handelsvestiging te dezen op 20 januari 2004 een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anderlecht. De eventuele onwettigheid van individuele rechtshandelingen kan in beginsel niet meer worden ingeroepen om de nietigverklaring te vorderen van een ander individueel besluit wanneer het vermeende onwettige besluit inmiddels definitief is geworden. De wettigheid van een stedenbouwkundige vergunning die niet werd aangevochten met een annulatieberoep bij de Raad van State kan thans bijgevolg niet meer worden betwist. Het zevende middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. VII-37.452-35/36 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien maart tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.452-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div