id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.029 Rolnummer: A. 186221/VII-37480 Zaak: Arrest 202029 - Onteigeningen - 18/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-26 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:29 Fiche Arrest nr 202.029 van 18 maart 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.029 van 18 maart 2010 in de zaak A. 186.221/VII-37.
- In zake: Crist VANDENDRIESSCHE die woonplaats kiest te Herzele Leugenstraat 10 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 oktober 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 24 juli 2007 waarbij in het algemeen belang, voor de aanleg van de gewestweg N42 Wetteren-Geraardsbergen, de onroerende goederen, op het grondgebied van de gemeente Herzele, zoals aangeduid op de plannen bij dit besluit, onmiddellijk in bezit worden genomen en worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. VII-37.480-1/7 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 februari
- Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, die in persoon verschijnt, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoeker is eigenaar van een woonhuis, gelegen aan de Leugenstraat 10 te Herzele, kadastraal bekend onder Herzele, zevende afdeling, sectie A, nr. 414/D en van een perceel weiland, gelegen in diezelfde straat en kadastraal bekend onder Herzele, zevende afdeling, sectie A, deel van nr. 416/D.
- In januari 2003 wordt een "startnota N42 Herinrichting te Zottegem en aanleg van een nieuw wegvak te Herzele" opgesteld. Daaruit blijkt dat op het grondgebied van de gemeente Herzele wordt geopteerd voor een herinrichting en een heraanleg van de gewestweg N
- Op 29 mei 2007 stuurt de administrateur-generaal van de afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen aan de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur een voorstel tot onteigening van een aantal percelen. VII-37.480-2/7
- Op 24 juli 2007 besluit de voormelde minister, in het algemeen belang, voor de aanleg van de gewestweg N42 Wetteren-Geraardsbergen, een aantal onroerende goederen op het grondgebied van de gemeente Herzele te onteigenen. Die onteigening gebeurt met toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte (hierna : wet van 26 juli 1962). Door dat besluit worden twee vroegere ministeriële besluiten, van 30 januari 1990 en 16 november 1993, vervangen, en worden twee onteigeningsplannen, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 4 februari 2005, aangepast. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij als exceptie op dat de verzoeker niet over het vereiste belang beschikt, aangezien zijn eigendom niet is vervat in het onteigeningsplan en de ingeroepen nadelen, indien ze zouden bewezen zijn, niet voortvloeien uit de onteigening, maar uit de te verlenen bouwvergunning. Zij betoogt tevens dat het verzoekschrift niet op concrete wijze de ligging van de eigendom van de verzoeker aangeeft.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat "ook diegenen die de weg niet rechtstreeks op hun eigendom krijgen belang kunnen hebben" en verwijst hij, wat de ligging van zijn eigendom betreft, naar het administratief dossier.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de ligging van de eigendom "in de nabijheid" van de aan te leggen weg, geenszins volstaat om het vereiste belang aan te tonen, zeker nu de verzoeker zich beroept op "algemene nadelen als 'aantasting van de levenskwaliteit'". Zij betoogt eveneens dat het voorstel tot omlegging van de N42 rekening houdt met een reservatiestrook die reeds was opgenomen in het gewestplan en waarmee de verzoeker bij de aankoop van zijn woning rekening had moeten houden. VII-37.480-3/7 Beoordeling
- De verzoeker wil zijn belang vrijwaren voor het geval hij de bouwvergunning zou willen aanvechten voor de weg die in de onmiddellijke nabijheid van zijn woning is gepland. Wie voldoende dicht bij een weg woont, heeft belang bij het aanvechten van een onteigeningsbesluit met betrekking tot die weg, gelet op de hinder die de weg kan veroorzaken. Te dezen toont de verzoeker aan dat hij woont in de onmiddellijke nabijheid van de geplande weg. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept in het eerste middel de schending in van de materiële motiveringsplicht en het "dito beginsel", en van de formele motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), op zichzelf genomen en in samenhang met artikel 1 van de wet van 26 juli
- De verzoeker voert onder meer aan dat het bestreden besluit niet motiveert waarom moet worden overgegaan tot een onmiddellijke inbezitneming.
- In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat in één middel niet tegelijkertijd de schending van de formele en de materiële motiveringsplicht kan worden ingeroepen. Met betrekking tot de schending van de materiële motiveringsplicht wijst zij op het motief van het bestreden besluit dat er thans een "maatschappelijk en bestuurlijk verlangen bestaat om snel tot actie over te gaan" en dat een dringende onteigening en inbezitneming noodzakelijk is om de ontbrekende schakels in de wegeninfrastructuur te realiseren. VII-37.480-4/7
- In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoeker aangaande de formele motiveringsplicht dat uit de motiveringswet blijkt dat de motivering afdoende moet zijn, waardoor er een verwevenheid is tussen de formele en de materiële motivering.
- In de laatste memorie wijst de verwerende partij op "elementen en argumenten" in het bestreden besluit die de hoogdringendheid zouden ondersteunen. De beoordeling daarvan zou buiten de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State liggen. Beoordeling
- Het bestreden besluit valt onder het toepassingsgebied van de motiveringswet. Artikel 2 van die wet bepaalt dat bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Artikel 3 bepaalt dat de motivering afdoende moet zijn. Het loutere feit dat een beslissing formeel is gemotiveerd, betekent niet dat een verzoekende partij geen kritiek meer zou kunnen leveren op die formele motivering. Zelfs al is een beslissing formeel gemotiveerd, en zelfs al kent de verzoekende partij aldus de motieven, dan nog kan die verzoekende partij kritiek uiten op het feit dat de motivering niet afdoende is. In het middel uit de verzoeker kritiek op het feit dat de hoogdringendheid van de inbezitneming niet afdoende is gemotiveerd. De verwijzing, in de aanhef van het bestreden besluit, naar de ruime consensus die zou bestaan omtrent de aangenomen opties, vormt geen afdoende motivering inzake de hoogdringendheid. Het motief "dat thans het maatschappelijk en bestuurlijk verlangen bestaat om snel tot actie over te gaan" en dat "de ontbrekende schakels in de wegeninfrastructuur" moeten worden gerealiseerd, vormt evenmin een afdoende motivering. Deze gegevens betekenen immers op zich nog niet dat de daadwerkelijke realisatie van de weg hoogdringend is. VII-37.480-5/7 Aangezien het kennelijk onredelijk is om hieruit af te leiden dat de bestreden onteigening hoogdringend is, blijft de Raad van State binnen de perken van de marginale toetsing. Uit het administratief dossier blijkt dat de zaak reeds zeventien jaar aansleept. Die omstandigheid alleen reeds toont aan dat de verwerende partij slecht geplaatst is om de hoogdringendheid in te roepen. Het eerste middel is gegrond in de mate dat daarin wordt aangevoerd dat het bestreden besluit niet afdoende is gemotiveerd inzake de hoogdringendheid. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 24 juli 2007 waarbij in het algemeen belang, voor de aanleg van de gewestweg N42 Wetteren- Geraardsbergen, de onroerende goederen, op het grondgebied van de gemeente Herzele, zoals aangeduid op de plannen bij dit besluit, onmiddellijk in bezit worden genomen en worden onteigend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. VII-37.480-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien maart tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Luc Hellin VII-37.480-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.