← België

Arrest 202036 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.036 Rolnummer: Zaak: Arrest 202036 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:29 Fiche Arrest nr 202.036 van 18 maart 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 202.036 van 18 maart 2010 in de zaak A. 162.759/XII-4459 (I) 162.760/XII-4460 (II) In zake: I. Eddy DE COOMAN II. Jean-Pierre SWINNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Van Bever kantoor houdend te Grimbergen Pastoor Woutersstraat 32/7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-Paul Lagasse kantoor houdend te Brussel de Jamblinne de Meuxplein 41 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen

  1. Het beroep in de zaak A. 162.759, ingesteld op 24 mei 2005, strekt tot de nietigverklaring van: “
  2. De uitslag, vastgesteld door de examencommissie en opgenomen in het proces-verbaal van 1 maart 2005 van het tweede schriftelijk gedeelte van het examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) (zittijd: 07.11.2003) bestaande uit een persoonlijkheidstest en een gevalstudie en waarbij de heer Eddy De Cooman niet geslaagd wordt verklaard
  3. De beslissing van 10.03.2005 van de Stad Brussel, waarbij werd beslist: ‘De uitslagen, vastgesteld door de examencommissie en opgenomen in het proces-verbaal van 1 maart 2005 van het tweede schriftelijk gedeelte van het examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) (zittijd: 07.11.2003) bestaande uit een persoonlijkheidstest en een gevalstudie en waarbij de heer Eddy De Cooman niet geslaagd wordt verklaard, worden bekrachtigd’. [...]
  4. De impliciete weigering om verzoeker geslaagd te verklaren voor het tweede schriftelijk gedeelte van het examen.
  5. De impliciete weigering om verzoeker te benoemen/bevorderen tot bestuurssecretaris.
  6. De beslissing van 29.07.2004 van de Stad Brussel waarbij de rangschikking van de laureaten van het examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) (zittijd: 07.11.2003) wordt goedgekeurd, in zoverre verzoeker niet wordt gerangschikt”. XII-4459-1\16 Tevens vraagt verzoeker de examencommissie te bevelen opnieuw samen te komen en hem geslaagd te verklaren.
  7. Het beroep in de zaak A. 162.760, ingesteld op 24 mei 2005, strekt tot de nietigverklaring van: “
  8. De uitslag, vastgesteld door de examencommissie en opgenomen in het proces-verbaal van 1 maart 2005 van het tweede schriftelijk gedeelte van het examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) (zittijd: 07.11.2003) bestaande uit een persoonlijkheidstest en een gevalstudie en waarbij de heer Jean-Pierre Swinnen niet geslaagd wordt verklaard
  9. De beslissing van 10.03.2005 van de Stad Brussel, waarbij werd beslist: ‘De uitslagen, vastgesteld door de examencommissie en opgenomen in het proces-verbaal van 1 maart 2005 van het tweede schriftelijk gedeelte van het examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) (zittijd: 07.11.2003) bestaande uit een persoonlijkheidstest en een gevalstudie en waarbij de heer Jean-Pierre Swinnen niet geslaagd wordt verklaard, worden bekrachtigd’. [...]
  10. De impliciete weigering om verzoeker geslaagd te verklaren voor het tweede schriftelijk gedeelte van het examen.
  11. De impliciete weigering om verzoeker te benoemen/bevorderen tot bestuurssecretaris.
  12. De beslissing van 29.07.2004 van de Stad Brussel waarbij de rangschikking van de laureaten van het examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) (zittijd: 07.11.2003) wordt goedgekeurd, in zoverre verzoeker niet wordt gerangschikt”. Tevens vraagt verzoeker de examencommissie te bevelen opnieuw samen te komen en hem geslaagd te verklaren. II. Verloop van de rechtspleging
  13. Bij arrest nr. 153.310 van 6 januari 2006 (in de zaak 162.759/XII- 4459) is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Bij arrest nr. 153.312 van 6 januari 2006 (in de zaak 162.760/XII- 4460) is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekers hebben in beide zaken een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-4459-2\16 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend in beide zaken. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober
  14. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Durnez, die loco advocaat Marc Van Bever verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Emmanuel Jacubowitz, die loco advocaat Jean-Paul Lagasse verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  15. III. Feiten
  16. Op 18 september 2003 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel een examen in te richten voor de aanwerving en de bevordering voor bestuurssecretaris. Het examen bestaat uit twee schriftelijke gedeelten en één mondeling gedeelte; het tweede schriftelijke gedeelte bestaat uit een computergestuurde persoonlijkheidstest en een proef betreffende een gevalstudie. Verzoekers slagen achtereenvolgens voor het eerste schriftelijke gedeelte en voor het mondelinge gedeelte. XII-4459-3\16 Voor het tweede schriftelijke gedeelte behalen verzoekers blijkens het proces-verbaal van 2 juli 2004 van de examencommissie elk 66 punten op 120, namelijk elk 30 op 40 voor de persoonlijkheidstest en elk 36 op 80 voor de gevalstudie. Zij scoren daarmee minder dan de minimaal vereiste 72 punten op
  17. Het college bekrachtigt deze door de examencommissie vastgestelde uitslag op 8 juli
  18. Aan ieder van de verzoekers wordt met een brief van 27 juli 2004 meegedeeld dat zij niet hebben voldaan “bij de schriftelijke schiftingsproef b” van het examen voor bestuurssecretaris. Bij beslissing van 29 juli 2004 stelt het college van burgemeester en schepenen de lijst van de laureaten van het examen vast. De namen van verzoekers komen niet op de lijst voor. Op 28 januari 2005 vernietigt de Raad van State bij arresten nr. 139.746 en 139.932 de bij beslissing van 8 juli 2004 van het schepencollege bekrachtigde uitslag van het examen voor bestuurssecretaris in zoverre respectievelijk eerste en tweede verzoeker niet geslaagd worden verklaard. Het vernietigingsmotief is schending van de formele-motiveringsplicht doordat een louter cijfer niet volstaat om het niet-geslaagd zijn in de proef betreffende een gevalstudie te verantwoorden en omdat een andere verantwoording klaarblijkelijk ontbreekt. Ten gevolge van het arrest geeft de examencommissie op 1 maart 2005 nadere toelichting bij de door verzoekers behaalde uitslag op het tweede schriftelijke examengedeelte. De examencommissie beslist dat iedere verzoeker op het tweede schriftelijke gedeelte 66 punten op 120 behaalt en dus niet geslaagd is. Het college van burgemeester en schepenen bekrachtigt op 10 maart 2005 de uitslagen die de examencommissie op 1 maart 2005 vaststelde. IV. Samenvoeging
  19. De feitelijke en juridische gegevens van de beide zaken zijn zo nauw verwant dat het passend is de zaken in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen. XII-4459-4\16 V. Ontvankelijkheid A. Excepties in de memorie van antwoord
  20. Verwerende partij betwist in de memorie van antwoord de ontvankelijkheid van de beroepen wat de derde tot en met vijfde bestreden beslissing betreft, evenals van de vordering tot het opleggen van een bevel aan de examencommissie.
  21. In zoverre de beslissing van 29 juli 2004 van het schepencollege de weigering inhoudt om verzoekers op te nemen in de lijst van de laureaten van het examen voor bestuurssecretaris, is deze beslissing op 10 maart 2005 vervangen door de besluiten waarbij het schepencollege de nieuwe vaststelling van 1 maart 2005 van de examencommissie bekrachtigt dat, meer bepaald, de ene noch de andere verzoeker het vereiste minimum heeft behaald voor het tweede schriftelijke gedeelte en dus geslaagd is. Ambtshalve is vast te stellen dat de beroepen zonder voorwerp zijn wat de onderscheiden vijfde bestreden beslissing aangaat.
  22. Met hun nieuwe beslissingen van 1 maart 2005, respectievelijk 10 maart 2005, weigeren de examencommissie en het schepencollege expliciet om verzoekers geslaagd te verklaren voor het tweede schriftelijk gedeelte en, zo doende, om hen in de lijst van de geslaagden op te nemen. Die expliciete weigering is er de ontkenning van dat impliciet geweigerd zou zijn om verzoekers geslaagd te verklaren. Aangezien zij uitdrukkelijk niet geslaagd zijn verklaard in het examen voor bestuurssecretaris, is onduidelijk waar en wanneer dan de verwerende partij bovendien nog impliciet beslist zou hebben hen tevens niet tot bestuurssecretaris te benoemen. Het derde en vierde voorwerp van de onderscheiden beroepen bestaan niet.
  23. Zowel de verwerende partij, in haar memories van antwoord, als de eerste auditeur, in haar verslagen, stellen vast dat verzoekers op 29 november XII-4459-5\16 2005 afstand deden van hun respectieve vordering tot het opleggen van een bevel aan de examencommissie. Verzoekers betwisten dat niet, noch in de memorie van wederantwoord, noch in een laatste memorie, die zij immers niet indienen.
  24. De conclusie is dat de beroepen niet ontvankelijk zijn met betrekking tot de derde, vierde en vijfde bestreden beslissingen. Wat het op te leggen bevel betreft, moet in de beide zaken de afstand worden vastgesteld. B. Bijkomende exceptie
  25. Ter terechtzitting en in de laatste memorie betwist verwerende partij het actueel belang van eerste, respectievelijk tweede verzoeker omdat zij uiteindelijk dan toch geslaagd zijn verklaard in het examen voor bestuurssecretaris, bij beslissing van 11 juni 2009 van het college van burgemeester en schepenen. Verzoekers van hun kant menen stellig wel nog belang bij de aangespannen beroepen te hebben.
  26. Een uitspraak over het actueel belang van verzoekers is overbodig aangezien, zoals hierna zal blijken, verzoekers geen gegronde middelen aanvoeren en hun beroepen dus hoe dan ook verworpen moeten worden. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoekers
  27. Een eerste van vijf middelen luidt: “schending van artikel 2 en 3 wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht, machtsafwending, machtsoverschrijding, schending van het principe van de behoorlijke feitenvinding, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van fair play, het redelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel”. Het middel behelst vier onderdelen. XII-4459-6\16 Volgens een eerste onderdeel ontbreekt het de beslissingen van 10 maart 2005 aan een deugdelijke motivering; de motivering “voegt in se niets wezenlijks toe aan de naar aanleiding van vorige beslissing overgemaakte stukken”. Vervolgens staan verzoekers stil bij de uitslag van de persoonlijkheidstest en die van de gevalstudie. Met betrekking tot de persoonlijkheidstest wordt opgemerkt dat de inhoud wordt hernomen van het verslag dat verzoekers bij schrijven van 10 september 2004 werd meegedeeld. Daaruit kan nog steeds niet worden afgeleid hoe men tot de quotering 30 op 40 punten komt. Met betrekking tot de gevalstudie menen verzoekers dat er sprake is van een a posteriori motivering: ze brengt geen duidelijkheid over hoe de antwoorden afzonderlijk werden gequoteerd, noch over de tekortkomingen van verzoekers aan de doelstellingen van de proef; ze is vaag of nietszeggend; ze is “niet sluitend” en vertoont “zwakke plekken”. Een tweede onderdeel klaagt de arbitraire beoordeling van de antwoorden aan, de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Wat de persoonlijkheidstest betreft vragen verzoekers zich af hoe aan dergelijke test punten verbonden kunnen worden. Bovendien had een toelichtend interview moeten plaatshebben. Wat de gevalstudie betreft verwijten verzoekers de motivering op geen enkel moment een verband te leggen met de doelstellingen van de proef. In een derde onderdeel betogen verzoekers dat “totaal tegenstrijdige motiveringen en richtlijnen” worden gehanteerd om de onderscheiden examens te verbeteren. Eveneens wordt bekritiseerd dat de puntenquotering uitsluitend gebeurt met even en afgeronde cijfers. Volgens een vierde onderdeel is het examenprogramma in de loop van de selectieprocedure “op verschillende punten drastisch gewijzigd”, hetgeen een schending uitmaakt van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, evenals van het gemeenteraadsbesluit dat het examenprogramma heeft vastgelegd. Namelijk is het examen omgevormd tot een schiftingsexamen, is de volgorde van de proeven gewijzigd en werd het derde deel gesplitst in twee proeven. XII-4459-7\16 Het laatste examendeel is trouwens niet regelmatig verlopen. Dit maakt tevens een schending uit van het gelijkheidsbeginsel. De principes van de gelijkheid worden ook nog geschonden doordat de principes van een aanwervingsexamen vermengd werden met die van een bevorderingsexamen: “men laat twee verschillende types van kandidaten met verschillende kwalificaties en doelstellingen, de ene voor bevordering en de andere voor een aanwerving, in competitie treden, zonder de kans te geven zich op gelijk niveau te plaatsen”. Beoordeling
  28. Het kan bezwaarlijk worden betwist dat de beslissingen van 1 maart 2005 van de examenjury, waarbij het schepencollege zich op maart 2005 aansluit, uitvoerig formeel gemotiveerd zijn.
  29. Wat de persoonlijkheidstest betreft luidt die motivering voor verzoeker De Cooman: “Zelfzekere persoonlijkheid die graag op het voorplan treedt en een actieve rol speelt in groepen. Houdt ervan invloed uit te oefenen op anderen en een machtspositie te bekleden. Zwakke luisterbereidheid. Hoge geldingsdrang die soms op agressieve wijze geuit wordt. Zou anderen kunnen ‘verpletteren’ en vervallen in autoritair gedrag. Weinig bekommerd om het beeld dat anderen van hem hebben. Streeft er niet naar in sociaal opzicht status te verwerven. Hecht weinig belang aan aanmoediging of begrip vanwege omgeving. Weinig gehecht aan het materiële, denkt eerder op lange termijn. Het risico bestaat dat efficiëntie en rendement uit het oog worden verloren. Stelt zichzelf realistische doelen. Open geest. Kan zich aanpassen aan veranderingen. Kan zich persoonlijk engageren in zijn beslissingen maar vraagt meestal toch advies van personen uit zijn omgeving. Voorzichtig, denkt na alvorens beslissingen te nemen. Kan blijk geven van doorzettingsvermogen wanneer de opdracht hem interesseert. Stelt organisatie, orde en respect voor procedures erg op prijs. Werkt op een systematische manier. Geeft de voorkeur aan een zeer gestructureerde omgeving, richtlijnen, een organisatie waar op methodische manier gewerkt wordt. Dit kan hem afhankelijk maken van structuren en de voorkeur doen geven aan herhaling, soms leidt dit tot een zekere rigiditeit en gebrek aan flexibiliteit. De persoonlijkheidstest wordt gunstig beoordeeld. De examencommissie kent 30 punten op 40 toe”. Voor verzoeker Swinnen wordt met betrekking tot de persoonlijkheidstest gemotiveerd: XII-4459-8\16 “Positief zelfbeeld, is zich bewust van de eigen waarde en mogelijkheden. Zelfzeker. Stelt zich niet systematisch dominant op, maar kan zich doen gelden als de context gunstig is. Zoekt niet op het voorplan te treden, noch een positie te bekleden waarin hij voor anderen kan beslissen. Aanvaardt gemakkelijk de autoriteit en competentie van anderen. Kan soms weinig overtuigd zijn of een tekort aan geldingsdrang hebben. Plichtsbewuste persoon die zijn ondernemingen afwerkt en gekregen taken voltooid. Kan zich inspannen voor iets er zich ook langdurig inzetten. Men kan op hem rekenen indien de opdracht voldoende duidelijk is. Kan voorzichtig en bedachtzaam zijn zonder evenwel acties of beslissingen te lang uit te stellen. Hecht belang aan orde, organisatie en respect voor procedures. Kan vervallen in een zekere rigiditeit en gebrek aan flexibiliteit. Wordt niet gedreven door persoonlijke ambitie. Stelt geen hoge eisen aan zichzelf. Zoekt geen uitdagingen. Verlangen naar perfectie en naar het overstijgen van zichzelf ontbreekt. Toont weinig persoonlijk engagement in zijn beslissingen. Heeft behoefte aan aanmoedigingen. Stelt het op prijs wanneer men met hem bezig is en begrip opbrengt. Vriendelijk. Wil dat anderen het goed hebben. Behulpzaam. Loopt het risico zich door anderen te laten opslorpen en de reële doelstellingen uit het oog te verliezen. De persoonlijkheidstest wordt gunstig beoordeeld. De examencommissie kent 30 punten op 40 toe”. Hoe verwerende partij tot die beoordelingen en cijfers is gekomen, is pas bijzonder laat meegedeeld, in de laatste memorie in de zaak A. 162.
  30. Daarin heet het dat de beoordelingen met betrekking tot de computergestuurde persoonlijkheidstest “gebaseerd zijn op een globaal onderzoek van de resultaten van elke kandidaat”: “Het resultaat bekomen voor de computergestuurde persoonlijkheidstest vloeit niet voort uit de eenvoudige optelling van de voor elke vraag behaalde punten. Deze punten dienen geïnterpreteerd te worden door de leden van de examencommissie in functie van een leesschema voorzien door de auteurs van de persoonlijkheidstest en worden vertaald in de vorm van schriftelijke bevindingen. Deze bevindingen worden vervolgens becijferd om een resultaat te bekomen op een maximum van 40 punten”. Het betoog wordt gestaafd met een aantal nieuwe stukken, waaronder een “Gebruiksaanwijzing” met betrekking tot de toegepaste persoonlijkheidstest Sosie. In zijn “antwoord” hierop van 17 november 2009 verwondert de raadsman van verzoekers zich erover “dat tegenpartij, na negatief advies van de Auditeur, plots komt aandraven met leesschema’s, schriftelijke bevindingen, lijst van vragen, gebruiksaanwijzingen en een teruggavengids”, evenwel zonder dat hij op die stukken ook maar enige inhoudelijke kritiek levert. XII-4459-9\16 Is weliswaar de laattijdigheid van de uitleg en de stukken ten zeerste afkeurenswaard, als zodanig is daarmee niet aangetoond dat de uitleg en stukken ook foutief of niet ter zake dienend zijn. Iets dergelijks wordt zelfs niet beweerd. Vermits verzoekers in de gelegenheid zijn geweest om van de uitleg en de stukken kennis te nemen en erop te reageren, zo zij dat gewenst hadden, wordt op hun vraag ter terechtzitting om de stukken te weren, niet ingegaan. Tezamen met de deskundigheid waarover de jury -inzonderheid B. Cobut, licentiaat in de psychologie, leraar aan de “Haute Ecole Francisco Ferrer” van de stad Brussel, consultant in Human Resources Management voor Impact Cooremans vzw, houder van het bekwaamheidsgetuigschrift voor het gebruik van de persoonlijkheidstest Sosie uitgereikt door ECPA (Les Editons du Centre de Psychologie Appliquée), en D. Van Elewijck, adunct-adviseur bij het departement Personeel, afdeling Human Resources, Selectie en Loopbaan, eveneens houder van het bekwaamheidsgetuigschrift voor het gebruik van de persoonlijkheidstest Sosie uitgereikt door ECPA- geacht moet worden te beschikken, overtuigen de uitleg en de stukken de Raad van State er alsnog van dat de jury naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, verzoekers elk met 30 op 40 punten heeft bedacht voor de computergestuurde persoonlijkheidstest. Dat de test niet door een interview werd gevolgd, strijdt niet met enige rechtsregel; het wordt althans door verzoekers niet aannemelijk gemaakt.
  31. De gevalstudie richt zich tot de geëxamineerde als zijnde “verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de integrale kwaliteitszorg voor de stad Brussel”. Geschetst wordt in de opgave dat “u” het plan hebt opgevat om een peiling te organiseren naar de personeelstevredenheid en dat “u” door de departementshoofden en leden van het schepencollege, die het project niet allen even genegen zijn, bent uitgenodigd om het project voor te stellen. Concreet wordt gevraagd argumenten pro en contra de enquête op te sommen, een actieplan voor de ontwikkeling, organisatie en opvolging te maken, toe te lichten welke maatregelen voor een hoge respons moeten helpen zorgen en welke facetten van tevredenheid in de vragenlijst zeker opgenomen moeten worden. Anders dan verzoekers menen, houdt de gevalstudie redelijkerwijze voldoende verband met het doel van de proef om het analytisch en synthetisch redeneringsvermogen van de kandidaten, hun organisatiezin en XII-4459-10\16 vermogen om een ploeg te leiden alsook hun geschiktheid ten opzichte van administratief werk en beheer te evalueren. Voorts bevatten de beslissingen van 1 maart 2005 van de examencommissie, door het schepencollege bekrachtigd, een vrij omstandige en gedetailleerde bespreking van de antwoorden van verzoekers wat elke opdracht of vraag betreft. Die bespreking mondt telkens uit in een deelcijfer. In het auditoraatsverslag zijn de bezwaren die verzoekers tegen de motieven inbrachten, besproken en verworpen, hetzij als irrelevant, want betrekking hebbend op ondergeschikte motieven, hetzij als ongegrond. Ofschoon de laatste memorie de gelegenheid bij uitstek is om mee te delen wat, in het licht van het auditoraatsverslag nog als middel gehandhaafd wordt, hebben verzoekers geoordeeld geen laatste memorie te moeten indienen. Ook de Raad van State besluit, in die omstandigheden, dat, in haar geheel beschouwd, de motivering van het cijfer van 36 op 80 punten dat elk van de verzoekers voor de gevalstudie is toebedeeld, niet als ondeugdelijk kan worden beschouwd.
  32. Het eerste tot en met derde onderdeel van het middel worden verworpen.
  33. Wat het vierde onderdeel aangaat, gaan verzoekers er ten onrechte van uit dat belangrijke modaliteiten hangende het examen gewijzigd werden. Alleszins doen zij niet aannemen dat die wijzigingen hen op enigerlei wijze geschaad zouden hebben. Aldus is onduidelijk welk nadeel verzoekers leden doordat het derde mondelinge gedeelte georganiseerd is geworden vóór het tweede schriftelijke gedeelte. Hetzelfde geldt de gewraakte “wijziging tot schiftingsexamen”, nu verzoekers hoe dan ook alle drie de gedeelten hebben kunnen afleggen en pas na afloop van het derde en laatste gedeelte geëlimineerd werden. Naar verzoekers in verband met de opsplitsing van het tweede schriftelijke examengedeelte in, eensdeels, een computergestuurde persoonlijkheidstest en, anderdeels, een gevalstudie onder meer doen gelden, was XII-4459-11\16 de eerste proef een “[s]oort multiple-choice examen, hetgeen niet gelijkstaat met een ‘schriftelijk’ examen”. De Raad van State deelt niet die mening; een schriftelijke multiplechoicetest is een schriftelijke proef.
  34. Verder maken verzoekers niet geloofwaardig dat het verloop van de persoonlijkheidstest en de gevalstudie onregelmatig was. Dat sommige kandidaten voor het afleggen van de gevalstudie over meer tijd beschikten dan andere wordt formeel betwist door verwerende partij. In dat verband bewijst haar stuk 18 dat voor elke kandidaat afzonderlijk, precies werd bijgehouden wanneer de 2,5 uur, waarvoor hij voor het afleggen van de proef beschikte, verstreek. De mogelijkheid dat, gelet op het verschillende tijdstip waarop de kandidaten de proef aanvingen, niet iedereen dezelfde informatie kreeg, is niets meer dan een loutere hypothese.
  35. Evenmin wordt bijgevallen dat de gelijkheid is geschonden doordat voor de kandidaten voor bevordering en die voor aanwerving in hetzelfde examen is voorzien. Het is ten aanzien van de gelijkheidsregel niet a priori noodzakelijk of evident dat gegadigden voor eenzelfde post aan verschillende proeven worden onderworpen. Ten onrechte zoeken verzoekers ter staving van de door hen voorgestane differentiatie tussen kandidaten voor bevordering en die voor aanwerving, steun in de zogenaamde doelstellingen of “ratio legis” van de beslissing van 23 juni 2003 van de gemeenteraad waarbij het examenprogramma werd vastgesteld. In het betreffende verslag aan de gemeenteraad wordt uitgelegd dat is getracht aan een dubbele uitdaging tegemoet te komen: nagaan of de kandidaten de potentiële kwaliteiten bezitten om met succes een basisfunctie te kunnen verzekeren van eerste niveau en nagaan of personeelsleden bij de vordering van hun loopbaan de onmisbare bekwaamheden bezitten die, doorgaans, bij hun aanwerving ontbrak. Een identiek examen voor beide categorieën is met die doelstellingen geenszins strijdig. Of een verschillend examen mogelijk ook met de gelijkheidsregel en die doelstellingen overeen te brengen zou zijn geweest, doet niet terzake. Overigens zijn verzoekers in het auditoraatsverslag bij de betrokken grief zonder belang verklaard en hebben zij dat niet betwist, wat erop wijst dat zij het daarmee eens zijn. XII-4459-12\16
  36. Het vierde en laatste onderdeel van het eerste middel wordt eveneens verworpen. B. Tweede middel Standpunt van verzoekers
  37. Een tweede middel is afgeleid uit “schending van het besluit van de gemeenteraad van 23.06.2003 zoals hernomen in het dienstorder nr. 5506 en het examenprogramma 10031; schending van het beginsel ‘legem quem ipse fecisti patere’; machtsoverschrijding; schending van het redelijkheidsbeginsel”. In een eerste onderdeel betogen verzoekers dat het examen niet voldoet aan de ratio legis ervan en zijn doel voorbijschiet. In een tweede onderdeel wordt bekritiseerd dat het examenprogramma in de loop van de procedure is gewijzigd en dat het laatste examengedeelte niet regelmatig is verlopen. Beoordeling
  38. Het middel valt samen met het vierde onderdeel van het eerste middel. Het wordt om dezelfde redenen verworpen. C. Derde middel Standpunt van verzoekers
  39. Het middel klaagt een dubbele schending van de gelijkheid aan. Naar luid van een eerste onderdeel “is er de ongelijkheid tussen de pas afgestudeerden en de ‘anciens’, daar waar de examens klaarblijkelijk werden opgesteld in het voordeel van de pas afgestudeerden, en waar geen onderscheid wordt gemaakt tussen het aanwervings- en bevorderingsexamen”. Naar in een tweede onderdeel wordt uiteengezet, is de gelijkheid onder de kandidaten geschonden doordat niet alle kandidaten voor het afwerken van XII-4459-13\16 de gevalstudie over dezelfde toegekende tijdspanne beschikten en mogelijk niet allen dezelfde informatie verstrekt kregen. Beoordeling
  40. Ook dit middel is een herhaling van het vierde onderdeel van het eerste middel. Het wordt om de hiervoor vermelde redenen verworpen. D. Vierde middel Standpunt van verzoekers
  41. Het middel voert de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid het onpartijdigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het beginsel van fair play en het redelijkheidsbeginsel, belangenvermenging”. Uiteengezet wordt dat verwerende partij moet aantonen dat de examencommissie regelmatig was vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke examenreglement, dat de beslissingen van 10 maart 2005 van het schepencollege ondertekend werden door A. Berlage, wijl hij lid is van de examencommissie, zodat de collegebeslissingen “niet als onafhankelijk en onpartijdig [kunnen] worden beschouwd”, en dat, bij een zelfde samenstelling van de examencommissie als voorheen, de anonimiteit noch de objectiviteit gegarandeerd zijn, wijl er in het andere geval sprake is van “een ongelijke behandeling met de andere kandidaten, vermits niet dezelfde personen over hen geoordeeld hebben”. Beoordeling
  42. De arresten nrs. 139.746 en 139.932 van de Raad van State hebben de uitslag van het examen van bestuurssecretaris wat respectievelijk eerste en tweede verzoeker betreft, zoals vastgesteld in het proces-verbaal van 2 juli 2004 van de examencommissie en bekrachtigd bij beslissing van 8 juli 2004 van het college van burgemeester en schepenen, vernietigd. Examenjury en schepencollege zagen zich daardoor teruggeplaatst in de situatie vóórdat zij uitspraak deden over het al dan niet geslaagd zijn van de XII-4459-14\16 verzoekers, met andere woorden in de situatie waarin zij zich alsnog over dat al dan niet geslaagd zijn moeten uitspreken. Dit is een gevolg van de retroactieve werking van het vernietigingsarrest. Een ander gevolg van die vernietiging is dat, nu de vernietigde beslissing in rechte geacht moet worden nooit te hebben bestaan, aan de examenjury en het schepencollege niet a priori kan worden tegengeworpen onvoldoende onbevangen of objectief te zijn om tot een nieuwe beoordeling te kunnen overgaan. Voorts blijkt de examencommissie bij de herbeoordeling te zijn samengesteld geweest uit M. Frere, Ch. Buntinx, D. Berings, B. Cobut en D. Van Elewijck. Deze samenstelling strookt geheel met de samenstelling van de examenjury, wat het tweede schriftelijke examengedeelte betreft, voorgeschreven door de beslissing van 19 mei 2004 van het college van burgemeester en schepenen. A. Berlage, ten slotte, heeft deel gehad noch aan de beslissingen van 1 maart 2005 van de examenjury, noch aan de bekrachtiging van 10 maart 2005 van het schepencollege. Het middel is ongegrond. E. Vijfde middel Standpunt van verzoekers
  43. Volgens het vijfde middel is de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en de gemeenten geschonden doordat verzoekers niet alle stukken hebben ontvangen die zij gevraagd hebben. Na de vernietiging door de Raad van State heeft verwerende partij nieuwe beslissingen genomen, maar de motivering van die nieuwe beslissingen stelt verzoekers nog altijd niet in staat om de concrete motieven voor de negatieve uitslag te kennen. Beoordeling
  44. In haar verslag valt de eerste auditeur het verweer bij dat het middel onontvankelijk is omdat het niet de wettigheid van de bestreden beslissingen betreft, maar de “achteraf geformuleerde vordering tot toegang tot administratieve XII-4459-15\16 documenten”. Verzoekers betwisten dat niet in een laatste memorie, die zij nu eenmaal niet indienden. Ook de Raad van State ziet geen reden om er een andere mening dan de eerste auditeur op na te houden. Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
  45. De zaken A. 162.759 en A. 162.760 worden samengevoegd.
  46. In de beide zaken wordt de afstand vastgesteld wat de vordering betreft tot het opleggen van een bevel aan de examencommissie.
  47. De Raad van State verwerpt de beroepen voor het overige.
  48. De verzoekers worden verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 maart 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-4459-16\16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.