← België

Arrest 202040 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.040 Rolnummer: A. 181760/X-13215 Zaak: Arrest 202040 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-24 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:29 Fiche Arrest nr 202.040 van 18 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.040 van 18 maart 2010 in de zaak A. 181.760/X-13.

  1. In zake: Pierre VANDERVEE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te 3870 HEERS Steenweg 161 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van LIMBURG --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 15 maart 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 11 januari 2007 van de deputatie van de provincieraad van Limburg houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 17 oktober 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het herbouwen van een woning met stallingen, na afbraak van de bestaande boerderij te Leopoldsburg, Lidostraat 130, kadastraal bekend sectie A, nrs. 3537/A en 3538/A. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-13.215-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ellen Marès, die loco advocaat Gerald Kindermans verschijnt voor de verzoeker, en Tom Roosen, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 22 juli 2003 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg aan de verzoeker en zijn echtgenote een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van de boerderij op percelen gelegen aan de Lidostraat 130 te Leopoldsburg en kadastraal bekend sectie A, nr. 3537/A en 3538/A. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk zijn de voormelde percelen gelegen in agrarisch gebied. Ze zijn niet gelegen binnen het gebied van een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 3.
  7. Op 1 april 2004 wordt lastens de verzoeker een proces-verbaal van verhoor opgesteld, waaruit blijkt dat hij de bestaande boerderij heeft afgebroken. 3.
  8. Op 25 oktober 2004 dient de verzoeker een aanvraag in met het volgende voorwerp: “- regulariseren van reeds uitgevoerde werken (het slopen van de bestaande woning met paardenstallen, het storten van kelders en de montage van de metalen constructie van de paardenstallen); - herbouwen van een bestaande woning met paardenstallen”. X-13.215-2/10 3.
  9. Op 17 mei 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg aan de verzoeker de stedenbouwkundige vergunning. 3.
  10. Op 17 juni 2005 stelt de verzoeker tegen het laatstgenoemde weigeringsbesluit administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. 3.
  11. Op 18 augustus 2005 verwerpt de bestendige deputatie het beroep van de verzoeker en wordt de stedenbouwkundige vergunning geweigerd. Bij arrest nr. 196.258 van 22 september 2009 verwerpt de Raad van State het beroep tot nietigverklaring van de verzoeker tegen dit laatste besluit. 3.
  12. Op 23 mei 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker andermaal een aanvraag in voor het “demonteren van een bestaande woning met stallen (regularisatie)” en “het herbouwen van een woning met stallen”. In de bij de aanvraag gevoegde beschrijvende nota bevestigt de architect dat de vroegere woning om diverse redenen werd afgebroken waarna het voormelde proces-verbaal van 1 april 2004 werd opgesteld. 3.
  13. Op 5 juni 2006 verwijst de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling naar het gunstig advies van 4 januari 2005 dat “behouden blijft”. 3.
  14. Op 14 juli 2006 verleent de gemeentelijk stedenbouwkundige ambtenaar een advies. 3.
  15. Na het openbaar onderzoek, dat geen bezwaren oplevert, brengt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg op 16 augustus 2006 een gunstig advies uit. Daarin wordt onder meer het volgende overwogen : “(...) Afwijkingsbepalingen Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar bij het verlenen van een gunstig advies toepassing mag maken van artikel 145bis van de decreten van 13 juli 2001 en wijzigingen houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Overwegende dat overeenkomstig artikel 145 bis §1.2/ de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij de beoordeling van X-13.215-3/10 aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaande woning binnen het bestaande bouwvolume mits voldaan is aan volgende voorwaarden - het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw blijven behouden; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen ; - de woning is op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot; - de woning is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft; - het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1.000 m3, indien het bestaande bouwvolume meer dan 1.000 m3 bedraagt - het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal; Overwegende dat met betrekking tot de afweging van de wettelijke context het noch aan de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar noch aan het college van burgemeester en schepenen is, om het toepassingskader van artikel 145 bis te interpreteren; Overwegende dat het al dan niet kunnen toepassen van artikel 145 bis afhankelijk is van welk ogenblik men beschouwt voor de regularisatie - namelijk het ogenblik van de overtreding (afbraak en de gedeeltelijke heropbouw van een bestaand gebouw) of het ogenblik van het indienen van de regularisatieaanvraag (gebouw reeds afgebroken en gedeeltelijk heropgebouwd); Overwegende dat het meest logische is bij een regularisatieaanvraag het ogenblik van de overtreding te beschouwen; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen beslist in dit dossier de aanvrager het voordeel van de twijfel te gunnen (en het ogenblik van de overtreding, dus de afbraak, in aanmerking te nemen) zolang er geen definitieve uitspraak van de Raad van State is betreffende het toepassingskader van artikel 145 bis; (...) Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Gelet op het advies van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar van 14 juli 2006 (...); Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen de argumentatie die tot dit advies geleid heeft niet kan bijtreden; Overwegende dat evenwel de stedenbouwkundige evaluatie en de afweging van de ruimtelijke context zoals in het advies van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar, volledig bijgetreden wordt; Overwegende dat uit het vorige dossier duidelijk blijkt dat er zich op het ogenblik van de overtreding (afbraak en gedeeltelijke heropbouw) wel degelijk een niet verkrotte, vergunde woning met stallen bevond; Overwegende dat uit de plannen voor de heropbouw blijkt dat ook aan de overige voorwaarden voldaan wordt: namelijk heropbouw op dezelfde plaats, karakter, verschijningsvorm en functie blijven behouden; Overwegende dat uit de volumeberekening van de architect blijkt dat het woongedeelte onder de toegelaten 1000 m3 blijft en dat de oppervlakte van de stallen voldoet aan de richtlijnen in de omzendbrief betreffende het oprichten van stallen voor weidedieren, geen betrekking hebbend op effectieve beroepslandbouwbedrijven; Gelet op het gunstig advies van de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling van het Departement Landbouw en Visserij van 5 juni 2006 (kenmerk 06/0590G71034/31/RESU); Algemene conclusie X-13.215-4/10 Overwegende dat, de aanvraag in overeenstemming is (of kan gebracht worden mits het opleggen van de nodige voorwaarden) met de wettelijke bepalingen betreffende ruimtelijke ordening”. 3.
  16. Op 6 oktober 2006 adviseert de gemachtigde ambtenaar de aanvraag ongunstig. Hij overweegt als volgt: “Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen op 16 augustus 2006 een gunstig advies verleende; dat ik niet kan instemmen met de overwegingen die geleid hebben tot dit advies; dat de aanvraag immers niet past in het geschetste wettelijk en stedenbouwkundig kader daar de aanvraag niet beantwoordt aan de uitzonderingsbepalingen van artikel 145bis en 195bis en de schaal en uitvoeringswijze niet bestaanbaar blijven met de vereisten van een goede perceelsordening; Overwegende dat de aanvraag in grote lijnen identiek is aan de vorige aanvraag waarvoor het college van burgemeester en schepenen op 5 april 2005 een ongunstig vooradvies verleende en naar aanleiding van het ongunstig advies van 11 mei 2005 van de gemachtigde ambtenaar, een weigering van de bouwvergunning afleverde op 17 mei 2005; Overwegende dat bijgevolg de in het vorig advies aangehaalde argumenten ook voor deze aanvraag van toepassing blijven; Overwegende dat artikel 145 bis hier niet van toepassing is daar de werken niet gebeuren aan een bestaand, vergund gebouw; dat de woning werd afgebroken, dit in strijd met de vergunning van 22 juli 2003 voor het verbouwen van een boerderij; Overwegende dat tijdens de voorbesprekingen uitdrukkelijk werd gesteld dat enkel bij verbouwen van de bestaande bebouwing een dergelijk bouwvolume kon bewaard blijven; dat bij nieuwbouw het volume moest beperkt blijven volgens de voorschriften van artikel 145bis; Overwegende dat door de beslissing om in plaats van verbouwingswerken uit te voeren toch een nieuwbouw te voorzien (beperkte isolatie, vochtproblemen,...) het al dan niet verkrot zijn van de afgebroken bebouwing in vraag kan gesteld worden; Overwegende dat ook geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 195quinquies aangezien de aanvraag voor herbouwen van de reeds afgebroken woning niet gebeurde vóór 1 februari 2003; Overwegende dat de nieuwe aanvraag in grote lijnen identiek is aan de vorige; dat door enkele interne verschuivingen het volume van de stallen nog groter is geworden, zelfs groter dan het volume van de woning (hoge zoldering en zeer ruime circulatieruimtes); Overwegende dat bijgevolg het herbouwen van de woning met stallen niet kan aanvaard worden; BESCHIKKEND GEDEELTE ONGUNSTIG voor het herbouwen van een woning en stallingen na afbraak van de bestaande boerderij”. 3.
  17. De stedenbouwkundige vergunning wordt vervolgens op 17 oktober 2006 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Leopoldsburg geweigerd. X-13.215-5/10 3.
  18. Tegen deze weigeringsbeslissing stelt de verzoeker op 9 november 2006 beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. 3.
  19. Op 7 december 2006 wordt door de diensten van de provincie Limburg een nota opgesteld ten behoeve van de deputatie waarin wordt voorgesteld het beroep niet in te willigen. 3.
  20. Op 19 december 2006 wordt de verzoeker gehoord. 3.
  21. Met het bestreden besluit van 11 januari 2007 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep. IV. Onderzoek van de middelen Standpunt van de verzoeker
  22. In een enig middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 145bis, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het “materieel motiveringsbeginsel”. De verzoeker licht dit middel als volgt toe in het verzoekschrift: “Er wordt door de verwerende partij een verkeerde interpretatie gegeven aan de bepalingen van art. 145bis DRO en meer bepaald aan de vereisten dat de aanvraag betrekking heeft op een bestaand hoofdzakelijk vergund gebouw. Een regularisatie wordt op algemene wijze omschreven als ‘een positief correctiemechanisme, waardoor een wederrechterlijke situatie of een rechtshandeling, verricht in strijd met de voorschriften opnieuw in overeenstemming wordt gebracht met het recht, en dit voor, na of onafhankelijk van een rechterlijke tussenkomst’ (...). Eerder besliste Uw Raad reeds (...) dat ingeval het gaat om een formele overtreding die erin bestaat zonder vergunning te hebben gebouwd, de regularisatie toch kan worden verleend ingeval de bouwwerken niet in strijd waren met de stedenbouwkundige reglementering die van toepassing was ten tijde van de overtreding: (...) Eveneens kan verwezen worden naar het arrest (...). Er dient derhalve onderzocht te worden of op het moment van de overtreding sprake was van een bestaand of hoofdzakelijk vergund gebouw dat werd afgebroken en waarvoor vervolgens een aanvang werd genomen met het herbouwen van een woning en stallingen. Voor de toepassing van de afwijkingsmogelijkheden, voorzien in art. 145bis DRO, dient geenszins te worden nagegaan of op het moment van het indienen van de aanvraag tot X-13.215-6/10 regularisatie het gebouw, waarvan de afbraak en de herbouw wordt gevraagd, nog bestaat en vergund of hoofdzakelijk vergund is. Als bijlage voegt verzoeker kopie van een uitprint van de website van het Vlaams Gewest, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld: (...) ‘Conform dit artikel bekijkt men dus voor de toepassing van het uitzonderingsregime niet de toestand op het ogenblik van de aanvraag maar wel de toestand op het ogenblik van het begin van de onvergunde werken.’ In deze kan niet betwist worden dat tot aan de afbraak door verzoeker in het jaar 2003 een hoeve heeft bestaan op het perceel, gelegen langs de Lidostraat 130 te Leopoldsburg en dat de hoeve hoofdzakelijk vergund was. Zulks wordt aangetoond: % door de foto's die worden bijgebracht. (...) % door het feit dat het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Leopoldsburg op datum van 22 juli 2003 nog een stedenbouwkundige vergunning verleende voor het verbouwen van de boerderij (stuk 3) % Door de verklaring van ouderdom van de woning van beëdigd landmeter-expert HAMBLOK dd. 17 februari 2003, waarbij vaststellingen ter plaatse worden gedaan en een uitvoerige beschrijving wordt gemaakt van de bestaande woning en waarbij wordt bevestigd dat de huidige toestand van dat gebouw, op datum van 17 februari 2003, reeds bestond in de late jaren ‘
  23. De woning werd reeds een eerste maal ingetekend in
  24. (...) Met andere woorden bestond de hoeve reeds voor de uitvaardiging van de stedenbouwwet en voor de uitvaardiging van het gewestplan Hasselt-Genk, zodoende dat alleszins de bestaande constructies geacht moet worden vergund te zijn. Art. 96 § 4 DRO bepaalt immers dat constructies waarvan door enig bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn voor de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, in het vergunningenregister de vermelding krijgen dat er een vermoeden bestaat dat de constructie als vergund moet worden beschouwd. Indien derhalve voorafgaandelijk aan het aanvragen van de stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van de bestaande boerderij was gebleken dat het gebouw op bouwfysisch vlak dermate was aangetast dat een volledige afbraak ervan en een volledige herbouw zich opdrong, dan was in plaats van het aanvragen van een bouwvergunning voor verbouwingswerken een stedenbouwkundige vergunning kunnen aangevraagd worden voor afbraak en herbouw en deze stedenbouwkundige vergunning had op dat moment perfect kunnen beoordeeld en toegekend worden in het kader van art. 145bis DRO nu op dat moment zonder meer voldaan was aan de voorwaarde dat de werken betrekking hebben op een bestaand hoofdzakelijk vergund gebouw. Het is slechts na het bekomen van een verbouwingsvergunning en na de aanvang van de verbouwingswerken dat evenwel de bouwfysische gebreken aan de bestaande constructie tot uiting zijn gekomen en verzoeker onder druk van de omstandigheden en de financiële implicaties van een tijdelijke stillegging van de werken besloten heeft om onmiddellijk over te gaan tot de afbraak van de bestaande gebouwen. Deze afbraak heeft zich alleszins voorgedaan na het bekomen van de verbouwingsvergunning dd. 22 juli 2003”. X-13.215-7/10 Beoordeling
  25. De relevante overwegingen in het bestreden besluit luiden als volgt: “Overwegende dat het betreffend perceel in een agrarisch gebied is gelegen waarin langs dezelfde straat nog zonevreemde woningen gelegen zijn; dat zich aan de overzijde van de weg een KMO-zone bevindt; dat de beroeper in 2003 een vergunning kreeg om de bestaande zonevreemde woning met stallen te verbouwen; dat de bestaande woning, in strijd met de afgeleverde vergunning, echter volledig werd gesloopt en werd begonnen aan het herbouwen van een gelijkaardige woning; dat er in 2004 over deze feiten een proces-verbaal werd opgesteld; dat hij in 2005 een aanvraag indiende voor de regularisatie van de gebeurde werken en voor het herbouwen van een woning met stallen; dat deze aanvraag zowel door het college van Burgemeester en Schepenen als door de deputatie werd geweigerd, dat de beroeper daarna bij de Raad van State een verzoek indiende om het besluit van de deputatie nietig te laten verklaren; Overwegende dat beroeper nu een nieuwe aanvraag indient om de afbraak van de oorspronkelijke woning met stal en het herbouwen van de woning en paardenstal te regulariseren; dat hij hiervoor een beroep doet op de bepalingen van art. 145bis; dat art. 145bis van het decreet RO de uitzonderingsmaatregelen op gewestplanbestemmingen voor zonevreemde gebouwen bevat; dat een belangrijke toepassingsvoorwaarde voor de uitzonderingsmaatregelen is dat de aanvraag op het moment van het indienen betrekking heeft op een bestaand, hoofdzakelijk vergund gebouw; Overwegende dat bij de vorige aanvraag werd gesteld dat deze toepassingsvoorwaarde het probleem vormt in dit dossier; dat de bouwheer immers in strijd met zijn stedenbouwkundige vergunning het bestaande gebouw heeft gesloopt en herbouwd zodat er op dit moment (het moment van het indienen van de regularisatieaanvraag) geen sprake meer is van werken aan een bestaand en hoofdzakelijk vergund gebouw; dat de aanvraag derhalve niet aan de voorwaarden voldoet opgelegd door art. 145bis en dus niet in aanmerking komt voor regularisatie; Overwegende dat de eerste aanvraag tot regularisatie door de gemeente werd ontvangen op 14 december 2004; dat art. 195quinquies van het decreet betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de voorwaarde van art. 145bis dat de werken en handelingen dienen te gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw, niet geldt voor vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voor zover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht; Overwegende dat conform de bepalingen van dit artikel 195quinquies men dus voor de toepassing van art. 145bis niet de toestand op het ogenblik van de aanvraag bekijkt maar wel de toestand op het ogenblik van het begin van de onvergunde werken; dat aangezien de eerste regularisatieaanvraag voor dit perceel dateert van eind 2004 ze niet in aanmerking komt voor de toepassing van art. 195quinquies en de toestand dus op het ogenblik van de aanvraag beschouwd dient te worden; Overwegende dat er geen aanleiding is om bij deze aanvraag het standpunt te herzien; dat uit bovenstaande argumenten volgt derhalve dat de werken niet in aanmerking komen voor regularisatie”. X-13.215-8/10
  26. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde artikel 145bis DRO als volgt: “§
  27. Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen of bestaande constructies. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op: (...) 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw of een bestaande constructie binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw of de constructie behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen”. De verzoeker meent dat er in het bestreden besluit ten onrechte wordt van uitgegaan dat voor de toepassing van de geciteerde decretale bepaling het gebouw nog moet bestaan op het ogenblik van het indienen van de aanvraag. Volgens de verzoeker volstaat het dat het gebouw bestond bij de aanvang van de werken.
  28. Het door het decreet van 8 maart 2002 ingevoegde artikel 195quinquies, eerste lid DRO luidt als volgt: “De in de artikelen 145bis en 195bis, eerste lid, 3/, vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw geldt niet voor vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voorzover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht”. In de interpretatie van de verzoeker wordt het geciteerde artikel 195quinquies DRO zinledig voor wat de voorwaarde van het bestaan van het gebouw betreft. Uit het geciteerde artikel 195quinquies DRO volgt dat enkel voor de aanvragen waarop die bepaling wordt toegepast -en niet voor de aanvragen waarop uitsluitend artikel 145bis DRO wordt toegepast- de voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand gebouw beoordeeld moet worden bij de aanvang van de werken. Aangezien niet blijkt -en de verzoeker evenmin beweert- dat in onderhavig geval de aanvraag voldeed aan artikel 195quinquies DRO kon de verwerende partij de gesloopte boerderij niet beschouwen als een bestaand gebouw. X-13.215-9/10
  29. In zijn laatste memorie vraagt de verzoeker in ondergeschikte orde de zaak te verzenden naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Artikel 92 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, verleent alleen aan de bevoegde Kamer en het Auditoraat de bevoegdheid de Eerste Voorzitter of de Voorzitter van de Raad van State te vragen een zaak om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak te verwijzen. De vraag is onontvankelijk. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.215-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.