← België

Arrest 202130 - Overheidsopdrachten - 18/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.130 Rolnummer: A. 195599/XII-6118 Zaak: Arrest 202130 - Overheidsopdrachten - 18/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-19 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:29 Fiche Arrest nr 202.130 van 18 maart 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 202.130 van 18 maart 2010 in de zaak A. 195.599/XII-6118 In zake: de NV WILLEMEN GENERAL CONTRACTOR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1070 Brussel Ninoofsesteenweg 643 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten France Maussion en Leopold Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. de NV VALENS, 2. de NV SOCATRA, samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap VALENS- SOCATRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stéphane Nopere kantoor houdend te 1200 Brussel Paul Hymanslaan 71 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 23 februari 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “(

  1. i)de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Brussel van 24.09.2009, waarbij werd beslist om de offerte van de nv Willemen General Contractor onregelmatig te verklaren en te weren in het kader van de offerteaanvraag in verband met de studie en de bouw van een gebouwencomplex verdeeld over 2 loten van minimum 75 hedendaagse appartementen en bijhorende of aanvullende infrastructuur op een site van de Grondregie, gelegen aan de Kraatveldstraat, Sint Pieter en Pauwel, Wimpelberg en Kruisberg te 1120 Brussel; XII-6118-1\14 (
  2. ii)de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Brussel van 24.09.2009 om de opdracht in verband met de studie en de bouw van een gebouwencomplex verdeeld over 2 loten van minimum 75 hedendaagse appartementen en bijhorende of aanvullende infrastructuur op een site van de Grondregie, gelegen aan de Kraatveldstraat, Sint Pieter en Pauwel, Wimpelberg en Kruisberg te 1120 Brussel te gunnen aan de nv Valens- Socatra”; II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Cooreman, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat France Maussion verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Stéphane Nopere en advocaat Frank Vandevoorde, die verschijnen voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een algemene offerteaanvraag uit met het oog op de gunning van een aanneming van werken voor de studie en de bouw van een gebouwencomplex. Op deze opdracht is het bijzonder bestek “Kraatveld - Wimpelberg te 1120 Brussel” nr. RF/07/AOG/589 van toepassing. Het bestek (blz. 5/50) bepaalt dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de elementen en concepten in verband met duurzaam bouwen en somt elementen op die van bijzonder belang zijn voor dit project, onder meer XII-6118-2\14 “maximale eco-efficiëntie teneinde de energiebalans van de nieuwe woningen, het verbruik van natuurlijke bronnen, de productie van afval en de uitstoot van luchtvervuilers en iedere andere schadelijke invloed op de mens en de natuur te doen afnemen” en “het verlagen van de lasten door een significante daling van het energieverbruik van iedere inwoner”. De gunningscriteria zijn de volgende (blz. 9/50) : 1/ De globale prijs en forfaitaire prijs van de constructie, 2/ - De kwaliteit van de technische eigenschappen van de constructies, - De uitwerking en integratie in het programma van oplossingen betreffende de energieprestatie van de gebouwen, de duurzame ontwikkeling en de bouwecologie, 3/ De kwaliteit van de esthetische eigenschappen van de constructies, 4/ De uitvoeringstermijn vanaf de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning. Het eerste criterium wordt gewaardeerd op 45 punten, het tweede op 40 punten, het derde op 10 punten en het laatste op 5 punten. Het bestek (blz. 10-11/50) bevat in deel II, onder artikel 89 en 90 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, ook een bepaling over de vorm en inhoud van de offerte. Aldus moeten op alle documenten die de inschrijver bij zijn offerte voegt het nummer van het bijzonder lastenboek (RG/07/AOG/589) worden vermeld, het voorwerp van de opdracht (“Opdracht van werken Kraatveld - Wimpelberg”) en de datum van de offerte. Deze documenten moeten gedateerd en ondertekend worden door de aannemer en opgenomen in een inventaris toegevoegd aan de offerte. Ook de samenstelling van het technisch dossier wordt hier bepaald, onder meer de algemene meetstaat en gedetailleerde meetstaat, deel VIII en IX volledig ingevuld, een beschrijvende meetstaat en detailplannen en een argumentatie betreffende de toegepaste principes en innovatieve voorstellen omtrent duurzame ontwikkeling, de energieprestaties van de gebouwen en de bouwecologie. Artikel 2.5.1 van de technische bepalingen van het bestek (blz. 42- 43/50) bepaalt onder “Verwarming en warm water” dat de “appartementen worden XII-6118-3\14 voorzien van een individuele combi-condensatie-gaswandketel voor de verwarming en de warmwaterproductie [...]” Artikel 2.5.2 van de technische bepalingen van het bestek (blz. 43/50) bevat de volgende “verplichte variant”: “Een variante voor de installatie van een centrale verwarming met co- generatie (warmtekrachtkoppeling) wordt geëist. In dit geval moet de opname van de teller van het waterverbruik (koud en warm) mogelijk zijn, zonder in de privatieve wooneenheden binnen te moeten gaan. Dit door de plaatsing van elektronische warmtekostenverdelers op alle verwarmingselementen van de verwarmingsinstallaties”. 3.2. De opdracht wordt op 29 september 2008 aangekondigd in het Publicatieblad van de Europese Unie en op 1 oktober 2008 in het Bulletin der Aanbestedingen. 3.3. De offertes moeten worden ingediend uiterlijk tegen 19 januari 2009 om 10 uur. Blijkens het proces-verbaal van de opening der inschrijvingen zijn er zeven inschrijvers waaronder de tussenkomende partijen en de verzoekende partij. 3.4. Op 24 september 2009 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel om de offertes van vijf inschrijvers, waaronder deze van de verzoekende partij, onregelmatig te verklaren en om de opdracht toe te wijzen aan de tussenkomende partijen voor een bedrag van 13.607.937,81 [euro] + 21 % btw”. Dit zijn de bestreden beslissingen. Voor de verzoekende partij wordt, verwijzend naar de verklaring in haar offerte dat “het gebruik van cogeneratie niet aan te raden is”, vastgesteld dat zij aldus besliste geen offerte voor de verplichte variant in te dienen en dat zij bijgevolg niet voldoet aan een essentiële bestekvoorwaarde, namelijk het indienen van een basisofferte en een verplichte variant zodat geheel haar offerte absoluut nietig is, zowel wat betreft de basisofferte als de vrije varianten. 3.5. Bij aangetekend schrijven van 8 februari 2010 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij, “in toepassing van artikel 21 bis, § 2, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten [en sommige XII-6118-4\14 opdrachten] voor aanneming van werken, leveringen en diensten”, mee dat haar offerte onregelmatig werd verklaard “voor de volgende reden”: “Geen indiening van de verplichte variant voor de warmtekrachtkoppeling”. Een uittreksel uit de bestreden beslissing wordt bijgevoegd met de analyse van de onregelmatigheid van de offerte van de verzoekende partij. Voorts wordt vermeld dat “een ‘stand still’ van 15 dagen zal nageleefd worden tussen de bekendmaking en het vervolg van de procedure”. 3.6. Met een faxbericht van 18 februari 2010 wordt een afschrift meegedeeld van de volledige toewijzingsbeslissing. 3.7. Op 23 februari 2010 dient de verzoekende partij de huidige vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. IV. Tussenkomst 4. Met een op 4 maart 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vragen de nv Valens en de nv Socatra, samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap Valens-Socatra, om in het geding te mogen tussenkomen. Zij blijken voordeel te halen uit de bestreden beslissing en hebben er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Dienvolgens moet hun verzoek worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van het beroep 5. De tussenkomende partijen stellen op blz. 5 van hun verzoekschrift tot tussenkomst dat de vordering niet ontvankelijk is. De offerte van de verzoekende partij is “manifest onregelmatig” en bijgevolg heeft zij als onregelmatige inschrijver geen belang om de toewijzingsbeslissing aan te vechten. 6. De beoordeling van deze exceptie hangt samen met de beoordeling van het eerste middel, waarin de verzoekende partij juist de wettigheid betwist van de beslissing haar offerte absoluut nietig te achten omdat zij geen verplichte variante zou hebben ingediend. XII-6118-5\14 VI. De schorsingsvoorwaarden 7. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 8. Wat de tweede van de in het voornoemde artikel 17 gestelde voorwaarden betreft voert de verzoekende partij als eerste middel aan: “Schending van artikel 16 van de Wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten [...]; artikelen 110 en 115 van het Koninklijk Besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies van openbare werken [...]; het wettigheidsbeginsel; de beginselen van behoorlijk bestuur waaronder in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel; de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; Doordat de bestreden beslissing de volledige offertes van verzoekster als onregelmatig heeft geweerd omdat zij geen verplichte variant zou hebben ingediend; Terwijl verzoekster naast haar basisofferte wel degelijk een studie met prijs heeft toegevoegd aan haar basisofferte voor de verplichte variant; Terwijl zelfs in de hypothese dat de door de inschrijver opgenomen verplichte variant onregelmatig zou zijn, deze onregelmatigheid op zich niet de onregelmatigheid van de basisofferte tot gevolg kan hebben; Zodat het eerste middel ernstig is”. XII-6118-6\14 Beoordeling Het middel wordt over tien bladzijden in een toelichting zonder nadere onderverdelingen uitgewerkt. Wegens de snelle toetsing die in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verwacht en wegens de veelheid aan rechtsnormen waarvan de schending wordt aangevoerd is de beoordeling hierna beperkt tot grieven die meteen, prima facie, duidelijk zijn, in feite en in rechte. 9.1. In hoofdorde voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij er geheel ten onrechte vanuit gaat dat zij geen offerte zou hebben ingediend voor de verplichte variant, opgelegd door het aangehaalde artikel 2.5.2. van het bestek. Die stelling wordt niet bijgevallen om de volgende redenen. 9.1.1. In het technisch dossier van haar offerte heeft de verzoekende partij in deel 5 een “argumentatie betreffende duurzame ontwikkeling” opgenomen, met een “Conceptnota duurzaam bouwen en technieken. Bouwen van collectieve woongebouwen te Neder-over-Heembeek” uitgaande van Vitech bvba, met een aantal technische bijlagen - hierna lijkt enkel de “Benaderende (+/- 30%) studie van de rendabiliteit van een WKK” relevant, en met een - voorts niet relevante - nota “Duurzaam bouwen tijdens de duur van de werf” van de verzoekende partij zelf. In punt 5 “Alternatieve energiesystemen niet opgenomen in huidig budget” van voormelde conceptnota wordt onder meer vermeld: “Het gebruik van cogeneratie is niet aan te raden gezien de vrije lage gebruik van sanitair warm water, het sterk wisselend elektriciteitsverbruik en de problematiek van de aansluitingen van de verschillende flats en meters bij individuele meting (per flat)”. Blijkens de bestreden beslissing leidt de verwerende partij hieruit af dat de verzoekende partij aldus de mogelijkheid uitsluit de variant te realiseren en in gebreke blijft een offerte in te dienen voor de verplichte variant. 9.1.2. Aangenomen lijkt te kunnen worden dat het indienen van een voorstel voor de verplichte variant veronderstelt dat daaruit een ondubbelzinnige XII-6118-7\14 verbintenis van de inschrijver blijkt om die variante uit te voeren en tegen welke voorwaarden en (meer)prijs. Het feit dat volgens de verzoekende partij in het bestek geen enkele vormvereiste was gesteld voor het indienen van de verplichte variant, dat de verplichte variant enkel wordt geëist op bladzijde 43 van het bijzonder bestek in het technisch gedeelte en dat op het bij het bijzonder bestek gevoegde offerteformulier geen uitdrukkelijke prijs van de verplichte variant wordt opgelegd, lijkt hieraan geen afbreuk te doen. In de mate dat zij ook lijkt te betogen dat het bestek enkel bepaalt dat een verplichte variant op technisch vlak moest worden gegeven, verduidelijkt de verzoekende partij niet waaruit zij dit afleidt. Ook in de mate dat de verzoekende partij stelt dat het bestek nergens uitdrukkelijk vereist dat een prijs moet worden opgegeven voor de variant, lijkt zij er aan voorbij te gaan dat deze in een verbindend voorstel moet zijn begrepen. Het valt daarbij trouwens op dat zij in het verzoekschrift juist omstandig motiveert waarom de bij haar offerte gevoegde technische nota en de bijhorende “Benaderende studie van de rendabiliteit van een WKK” een prijsopgave zou zijn voor de verplichte variante. 9.1.3. Onder het voornoemde punt 5 “Alternatieve energiesystemen niet opgenomen in het huidig budget” van de voornoemde conceptnota, worden vier systemen vermeld, waarvan één overwogen kan worden, één niet aangewezen is, één enkel in een bepaald geval aangewezen is en waarbij het gebruik van cogeneratie wordt vermeld als niet aan te raden. Anders dan voor die drie andere elementen, waar onder punt 5 telkens naar kosten wordt verwezen, lijkt voor de cogeneratie onder dat punt 5 of elders in die conceptnota, ook niet onder punt 6 “Budgetten alternatieven”, geen prijs te zijn vermeld of op enig andere wijze te zijn aangegeven dat de verzoekende partij desalniettemin bereid is deze variant met cogeneratie te realiseren en tegen welke voorwaarden. XII-6118-8\14 9.1.4. De in hetzelfde deel 5 van het technisch dossier bij de offerte van de verzoekende partij bijgevoegde “Benaderende (+/- 30%) studie van de rendabiliteit van een WKK” leidt op het eerste gezicht niet tot een andere conclusie. 9.1.5. Het lijkt dat volgens de verzoekende partij de daar vermelde netto- investering van 30.183 euro, ook de kostprijs van één WKK (warmtekracht- koppeling) is en de totale kostprijs bedraagt volgens haar offerte dus 60.366 euro, btw niet inbegrepen, aangezien in de bijgevoegde technische nota nr. 1 werd aangegeven dat er voor het project twee stookplaatsen zijn en er dus ook 2 WKK’s nodig zijn. 9.1.6. In de eerste plaats wordt vastgesteld dat die technische nota, nr. 1 waarin wordt gewezen op de noodzaak van twee WKK’s, geciteerd in het verzoekschrift, wel lijkt opgenomen in deel 5 van de technische studie van de offerte van de verzoekende partij zoals gevoegd bij haar verzoekschrift maar niet lijkt opgenomen in dat deel 5 bij die offerte zoals opgenomen in het administratief dossier en zoals dus, per hypothese, voorgelegd aan de verwerende partij en gebruikt bij de beoordeling, in welk geval de verwerende partij er uiteraard ook geen rekening mee kon houden. Los daarvan lijkt die nota, die enkel verwijst naar de bijgevoegde benaderende studie van de rendabiliteit van een WKK en opmerkt dat de rendabiliteit van een WKK eigenlijk niet kan worden berekend, ook niet doorslaggevend. Die studie bevat een blijkbaar benaderende (+/- 30%) berekening van de rendabiliteit van een WKK. In de zesde stap van de berekening is een “raming van de investering” opgenomen, dewelke op grond van een “Investering van de WKK ‘All in’”, een “Over-investeringsfactor” leidt tot een “Bruto- investering” en vervolgens via premies leidt tot een bedrag van de netto-investering dat hernomen wordt in de synthese, en het volgende besluit: “De rendabiliteit van de WKK (met o.a. de Pay-back-Time) kan eigenlijk niet berekend worden aangezien de premie die de elektriciteitsdistributeur zou toekennen aan de uitbater van de WKK voor het uitsparen van de transport- en distributiekosten, nog niet gekend zijn !!” Dit besluit wordt door de opsteller van de voornoemde technische nota hernomen als “Belangrijke opmerking”. De studie lijkt dan ook meer bedoeld XII-6118-9\14 om de pertinentie van centrale verwarming met cogeneratie of WKK te beoordelen en om het ingenomen standpunt dat cogeneratie hier niet aan te raden is, te motiveren dan om een verbindend voorstel te zijn met prijs voor de gevraagde verplichte variant. Ook de daarin vermelde cijfers over de investeringskost lijken veeleer de berekening van die rendabiliteit te ondersteunen. Daargelaten de vraag gesteld door de verwerende partij of het bedrag van de subsidies wel relevant is voor de berekening van de totale netto- kostprijs en niet enkel, zoals zij meent, voor de beoordeling van de rendabiliteit, toont de verzoekende partij ook niet prima facie aan waarom uit deze “Netto- investering” van 30.183 euro per WKK of wat zij in het verzoekschrift “totale netto- kostprijs van één WKK” noemt, met zekerheid moest worden afgeleid dat zij zich er ook toe verbond de verplichte variante tegen die voorwaarden uit te voeren. De investeringskost of netto kost stemt, zo lijkt het, immers niet noodzakelijk overeen met de inschrijvingsprijs waartegen een inschrijver zich verbindt. Zelfs indien die prijs voor twee WKK’s de inschrijvingsprijs voor de verplichte variant zou zijn, lijkt dan nog onduidelijk te blijven hoe deze prijs zich verhoudt tot de totale inschrijvingsprijs van de basisofferte (en of het bijvoorbeeld om een supplement gaat of niet). Het lijkt ook niet de taak van een aanbestedende overheid om zelf in het kader van de beoordeling van de offertes aan de hand van een aantal gegevens in een offerte een verbindend voorstel voor een verplichte variant als het ware te construeren. Er wordt dan ook niet prima facie aangetoond dat de verwerende partij, op grond van de passage ter zake de WWK in het voornoemde punt 5 van de voornoemde conceptnota gevoegd in deel 5 van het technisch dossier van de verzoekende partij, ten onrechte oordeelde dat de verzoekende partij niet, zoals vereist, een offerte indiende voor de verplichte variant. 9.2. Vervolgens voert de verzoekende partij als tweede grief in haar middel aan: “terwijl zelfs in de hypothese dat de door de inschrijver opgenomen verplichte variant onregelmatig zou zijn, deze onregelmatigheid op zich niet de onregelmatigheid van de basisofferte tot gevolg kan hebben”. XII-6118-10\14 Het volstaat ter zake in de huidige stand van het geding vast te stellen dat het bestuur redelijkerwijze kon oordelen, zoals het deed, dat de verzoekende partij geen verplichte variant indiende, zodat de hypothese van een “onregelmatige” variant te dezen niet dienend is en de grief geen nader onderzoek behoeft. 9.3. In de toelichting bij dit middel stelt de verzoekende partij ten slotte nog dat slechts drie van de zeven inschrijvers een prijs hebben ingediend voor de verplichte variant, hetgeen aantoont dat het te wijten is aan een lacune in het bestek met betrekking tot het offerteformulier dat in geen prijs voorzag voor de in het technisch gedeelte van het bestek voorgeschreven verplichte variante en het gebrek aan op straffe van nietigheid in het bestek voorgeschreven vormvereisten inzake de verplichte variant, dat slechts twee van de zeven inschrijvers regelmatig werden bevonden en dat de onregelmatigheid van vijf van de zeven offertes hoofdzakelijk te maken had met de afwezigheid of onregelmatigheid van de verplichte variant. Daargelaten de vaststelling dat de onregelmatigverklaring van slechts vier van de vijf onregelmatig verklaarde inschrijvers verband lijkt te houden met de verplichte variante - voor een vijfde heeft deze immers te maken met het niet ondertekenen van het offerteformulier - lijkt niet duidelijk waarom dit tot gevolg zou moeten hebben dat het bestuur niet redelijkerwijze van oordeel mocht zijn dat de inschrijving van de verzoekende partij in haar geheel als onregelmatig diende te worden beschouwd omdat deze niet de verplichte variant bevatte. Deze werd vereist in het bestek en de verzoekende partij wist dit, zoals blijkt uit haar offerte en diende dan ook te weten dat ter zake een verbindend voorstel wordt verwacht. Het feit dat het offerteformulier niet in een prijs voorzag voor de verplichte variant sluit dit niet uit en belette niet dat een inschrijver aan die vereiste kon voldoen, zoals blijkbaar ook drie van de zeven inschrijvers deden. 9.4. Er wordt bijgevolg niet met de vereiste prima facie ernst aangetoond dat de verwerende partij de ingeroepen artikelen 110 en 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 heeft geschonden of onzorgvuldig of onredelijk handelde door te oordelen dat de verzoekende partij geen offerte indiende voor de verplichte variante en bijgevolg haar volledige offerte als substantieel onregelmatig weerde, noch dat dit oordeel niet steunt op een draagkrachtig motief of dat de verzoekende partij zich ter zake niet met kennis van zaken in rechte kon verweren XII-6118-11\14 zodat ook het motiveringsbeginsel of de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991 niet lijken geschonden. Aldus wordt evenmin prima facie aangetoond dat, door het niet toetsen van de offerte van de verzoekende partij aan de gunningscriteria, niet langer vaststaat dat de opdracht werd toegewezen aan de inschrijver die de voordeligste regelmatige offerte indiende, zoals vereist door artikel 16 van de voormelde wet van 24 december 1993. Bijgevolg is het eerste middel niet ernstig B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. In een tweede middel, dat enkel in subsidiaire orde wordt ingeroepen voor zover het eerste middel niet ernstig wordt bevonden, voert de verzoekende partij de schending aan van “de taalwetgeving in bestuurszaken en in het bijzonder artikel 19 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel”. Zij acht deze rechtsnormen geschonden “doordat zowel het uittreksel van de weigeringsbeslissing waarvan verzoekster in kennis werd gesteld van de wering van haar offerte als onregelmatig uit de verdere procedure als de volledige bestreden beslissing enkel opgesteld werden in het Frans, daar waar verzoekster een Nederlandstalige offerte heeft ingediend”, “terwijl de in dit middel ingeroepen en geschonden bepaling vereist dat iedere plaatselijke dienst van Brussel-Hoofdstad in zijn betrekkingen met een particulier de door deze gebruikte taal moet hanteren, voor zover deze taal het Nederlands of het Frans is”. Beoordeling 11. Hiervoor is het ernstig karakter van het eerste middel niet aanvaard. Daaruit volgt dat de offerte van verzoekende partij prima facie terecht door de verwerende partij als substantieel onregelmatig werd geacht en geweerd. Een dergelijke terecht onregelmatig verklaarde inschrijver, doet niet blijken van het rechtens vereiste belang bij het bestrijden van de toewijzing van de opdracht aan een andere inschrijver, tenzij hij aantoont dat de opdracht aan geen enkele inschrijver XII-6118-12\14 rechtsgeldig kon worden toegewezen. De verzoekende partij, die het tweede middel nochtans enkel subsidiair opwerpt voor zover het eerste middel niet ernstig wordt bevonden, en dus in de hypothese dat haar offerte terecht werd geweerd, toont niet prima facie aan dat dit de draagwijdte van dit middel is. In feite gaat zij helemaal niet in op haar belang bij de vordering in die hypothese. Ook het tweede middel kan bijgevolg niet tot schorsing leiden. 12. Nu het eerste middel niet ernstig is bevonden en het tweede middel niet tot de schorsing van de bestreden beslissingen kan leiden, is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING 1. Het verzoek van de nv Valens en de nv Socatra, samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap Valens-Socatra, tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. XII-6118-13\14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 maart 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6118-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.130 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.