← België

Arrest 202174 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 19/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.174 Rolnummer: A. 195712/X-14530 Zaak: Arrest 202174 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 19/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-23 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:30 Fiche Arrest nr 202.174 van 19 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 202.174 van 19 maart 2010 in de zaak A. 195.712/X-14.

  1. In zake: Peter KIEKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Ingrid Van Aken kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Graaf van Hoornestraat 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. de gemeente SINT-KATELIJNE-WAVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Lens kantoor houdend te 2800 MECHELEN Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  4. De vordering, ingesteld op 3 maart 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “het besluit van de Deputatie van de provincieraad van Antwerpen dd. 11 februari 2010 dat goedkeuring verleent aan het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘MAENHOEVEVELDEN’, definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Sint-Katelijne-Waver in zitting van 7 december 2009”. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partijen hebben een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
  6. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. X-14.530-1/9 Advocaat Stijn Verbist, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Sarah Bogaerts, die loco advocaat Kris Lens verschijnt voor de eerste verwerende partij, en Hildegard Pettens, afdelingschef, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. De verzoeker is, enerzijds, mede-eigenaar van het perceel gelegen te Sint-Katelijne-Waver, Akelei, kadastraal bekend sectie C, nr. 217/w
  9. Anderzijds woont hij aan de Berkelei 117 eveneens te Sint-Katelijne-Waver, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 217/s. Het zal blijken dat in de huidige stand van het geding alleen de eerste hoedanigheid van de verzoeker van belang is voor het beoordelen van de thans voorliggende vordering.
  10. Het eigendom van de verzoeker was oorspronkelijk volgens het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen grotendeels bestemd tot woongebied met landelijk karakter en, achteraan, tot woonuitbreidingsgebied.
  11. Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening regionaalstedelijk gebied Mechelen” van 18 juli 2008 neemt het eigendom van de verzoeker op in het regionaalstedelijk gebied Mechelen en vormt het achterliggend woonuitbreidingsgebied om tot woongebied.
  12. Op 20 februari 2009 dient de verzoeker bij het gemeentebestuur van Sint-Katelijne-Waver een aanvraag in tot stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een tweewoonst op zijn eigendom. X-14.530-2/9
  13. Bij besluit van 2 juni 2009 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Katelijne-Waver de vergunning, onder meer omdat de ontwikkeling van het achterliggend woongebied door het ontwerp in het gedrang komt. Concreet stelt het college van burgemeester en schepenen in dat verband dat geen stedenbouwkundige vergunningen kunnen worden afgeleverd voor het betrokken perceel, noch voor alle percelen langsheen de Berkelei en de Akelei, zolang niet definitief is beslist over de inrichting van het achterliggend woongebied en de noodzakelijke toegangen tot dit gebied gekend zijn.
  14. Bij besluit van 29 juni 2009 van de gemeenteraad van Sint-Katelijne-Waver wordt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Maenhoevevelden” voorlopig vastgesteld. Het perceel van de verzoeker wordt gedeeltelijk bestemd tot “openbaar domein-wegenis” en “tuinzone”.
  15. Op 4 juli 2009 tekent de verzoeker bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen beroep aan tegen de weigeringsbeslissing van 2 juni 2009 van het college van burgemeester en schepenen in verband met de vergunningsaanvraag.
  16. Van 3 augustus 2009 tot en met 1 oktober 2009 loopt het openbaar onderzoek naar aanleiding van het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Maenhoevevelden”. De verzoeker tekent bezwaar aan en wijst op de alternatieven voor de ontsluiting van het achterliggend woongebied.
  17. Bij besluit van 1 oktober 2009 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de vergunning voor de bouw van de tweewoonst. In verband met de ontsluiting van het achterliggend gebied wordt opgemerkt dat “het ruimtelijk uitvoeringsplan nog geen bindende kracht heeft verkregen en dat er voldoende alternatieven voorhanden zijn”.
  18. Op 17 november 2009 vordert de gemeente Sint-Katelijne-Waver bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen de schorsing en de nietigverklaring van deze vergunning. Op 3 maart 2010 blijkt de vordering tot schorsing verworpen te zijn. X-14.530-3/9
  19. Bij besluit van 7 december 2009 stelt de gemeenteraad van Sint-Katelijne-Waver het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Maenhoevevelden” definitief vast. De ontsluiting van het achterliggend woongebied blijft ingetekend over het perceel waarvan de verzoeker eigenaar is. Het onteigeningsplan zoals voorlopig goedgekeurd op 29 juni 2009, wordt niet definitief vastgesteld. Artikel 1, II.1 van het gemeenteraadsbesluit van 7 december 2009 bepaalt dat de procedure van de onteigening zal worden losgekoppeld van de procedure van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
  20. Op 11 februari 2010 keurt de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, middels het bestreden besluit, het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Maenhoevevelden” goed. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  21. De tweede verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Onderzoek van de vordering
  22. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden overgegaan indien tegelijk drie voorwaarden zijn vervuld, te weten het aangetoond zijn van het uiterst dringend karakter van de vordering, het voorhanden zijn van minstens één ernstig middel en het voorhanden zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voortvloeiend uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte. De uiterst dringende noodzakelijkheid
  23. De verzoeker stelt, na aangetoond te hebben voldoende alert te zijn opgetreden, aangaande de uiterst dringende noodzakelijkheid het volgende: X-14.530-4/9 “
  24. Ten tweede kan een gewone schorsingsprocedure bij Uw Raad niet volstaan om het nadeel van verzoekende partij te ontnemen. Zoals aangetoond is het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zowel materieel, moreel als financieel van aard. Het bestreden besluit houdt in dat verzoekende partij niet kan starten met de uitvoering van zijn wettige stedenbouwkundige vergunning. Deze onmogelijkheid om met de werken te starten moet uiteraard in de tijd worden beperkt en wel zoveel als mogelijk. Een gewone schorsingsprocedure kan mogelijk enkele maanden aanslepen, welke maanden cruciaal zijn in het bouwproces van verzoekende partij. De bouw van zijn woning kan aldus met meer dan een jaar worden uitgesteld. Ook de rechtsonzekerheid die het bestreden besluit genereert moet zoveel als enigszins mogelijk in de tijd worden beperkt. Een gewone schorsingsprocedure volstaat hiertoe niet als een UDN deze termijn van onzekerheid nog aanzienlijk kan verkorten. In dat kader is het bovendien belangrijk Uw Raad mee te delen dat momenteel een procedure hangende is voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen waarbij eerste verwerende partij de beslissing van 1 oktober 2009 van de deputatie van de provincie Antwerpen tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning aan verzoekende partij aanvecht. Deze zaak, met rolnummer 2009/0064/SA/3/0038, is ook in huidige procedure van belang. In die procedure wenst eerste verwerende partij de annulatie te bekomen van de stedenbouwkundige vergunning van huidig verzoekende partij, nu zij onder meer stelt dat de vergunning niet verenigbaar is met het voorlopig vastgestelde het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘MAENHOEVEVELDEN’ en wijzen op de mogelijkheid tot negatieve anticipatie van de vergunningverlenende overheid zoals voorzien in artikel 4.3.2 VCRO. Het college van burgemeester en schepenen motiveert in haar verzoekschrift wat volgt: ‘In de motivatie onder punt 9 haalt de deputatie aan dat er voldoende alternatieven voorhanden zijn voor de ontsluiting van het achterliggend gebied en dat het uitvoeringsplan nog geen bindende kracht heeft. Hiermee wordt voorbijgegaan aan een jarenlang proces van onderzoek over hoe dit binnengebied best zou ontwikkeld en ontsloten worden zodat dit optimaal kan gebeuren voor de omgeving. Het aanhalen dat er voldoende alternatieven zijn zonder deze te noemen en zonder hiervan ooit melding gemaakt te hebben tijdens de plenaire vergadering of tijdens het openbaar onderzoek (zie hoger) getuigt van onbehoorlijk bestuur. De deputatie gaat hier voorbij aan het feit dat wanneer alternatieven moeten aangesproken worden, dit een fundamentele wijziging van dit plan met zich mee zou brengen waardoor het uitvoeringsplan opnieuw in openbaar onderzoek moet gebracht worden. De decreetgever heeft juist planningsinitiatieven willen beschermen door aan te geven dat een bouwaanvraag die niet in overeenstemming is met een ruimtelijk uitvoeringsplan, kan geweigerd worden (Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening art. 4.3.2). Aangezien de voorliggende aanvraag in strijd is met het RUP Maenhoevevelden, is het afleveren van een stedenbouwkundige vergunning door de deputatie op 01 oktober 2009, in strijd met het standpunt dat zij heeft ingenomen op 10 september 2009 omtrent het voorlopig vastgestelde RUP Maenhoevevelden. Dit getuigt van een onbehoorlijk bestuur en druist in tegen de geest van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.’ Uiteraard komen de belangen van huidig verzoekende partij in de vernietigingsprocedure van hun stedenbouwkundige vergunning bijzonder ernstig onder druk te staan indien de huidig bestreden onwettige beslissingen, X-14.530-5/9 die het ruimtelijk uitvoeringsplan ‘MAENHOEVEVELDEN’ definitief vaststelt enerzijds en definitief goedkeurt anderzijds, niet geschorst worden bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Immers, een gewone schorsingsprocedure biedt voor verzoekende partij geen uitweg, nu vóór er uitspraak zou zijn over de schorsing door Uw Raad, de Raad voor Vergunningsbetwistingen reeds uitspraak dient te doen over de daar aanhangige zaak. Immers, momenteel beraadt de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich reeds over zijn uitspraak over de schorsing van de tenuitvoerlegging van de aan verzoekende partij verleende stedenbouwkundige vergunning. Gelet op de procedureverloop bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, omschreven in hoofdstuk 8 VCRO, zijn er tussen de betekening van de laatste administratieve aanleg en een uitspraak slechts ongeveer 200 dagen. De vaststelling dat er sprake is van een definitief goedgekeurd ruimtelijk uitvoeringsplan dat in strijd is met de verleende stedenbouwkundige vergunning, heeft voor verzoekende partij mogelijk nefaste gevolgen in de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen en zal mogelijk als nieuw ter zake dienend feit worden aangewend. Indien de stedenbouwkundige vergunning van verzoekende partij wordt vernietigd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen door een beslissing die mede is gebaseerd op huidig bestreden onwettige beslissingen, zou voor verzoekende partij onherstelbare schade veroorzaken, nu geen beroep (dan cassatieberoep) meer openstaat tegen een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en verzoekende partij aldus voor voldongen feiten komt te staan.
  25. Ook is het legio dat door tussengekomen bestreden beslissingen de stedenbouwkundige vergunning van verzoekende partij uiterst precair is geworden. Op 1 oktober 2009 verkreeg hij een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een woning, maar op grond van tussengekomen bestreden beslissingen bestaat de kans dat bij het uitvoeren van zijn vergunning, wat tot op vandaag theoretisch mogelijk is, hij mogelijk zelfs nog tijdens de oprichting van zijn woning, geconfronteerd zal worden met onteigeningsplannen van eerste verwerende partij, wat hem onmiskenbaar onnodig financiële lasten zal bezorgen. Niet uitvoeren betekent niet alleen dat de vervaltermijnen voor de verkregen stedenbouwkundige vergunning onverbiddelijk verder lopen, maar tevens dat hij extra financiële lasten zal moeten dragen door de afgesloten contracten met diverse aannemers. Meer zelfs, door het uitvoeren van zijn vergunning, richt hij een woning op die strijdig is met de bestemmingsvoorschriften. Dit maakt een stedenbouwkundig misdrijf uit, nu zelfs een toepassing van de regels inzake zonevreemdheid geen uitweg bieden voor verzoekende partij.
  26. Het is duidelijk dat het afwachten van een gewone schorsingsprocedure in deze specifieke omstandigheden niet kan volstaan. Verzoekende partij toont ontegensprekelijk aan dat in casu een uiterst dringende noodzaak bestaat om tot schorsing van de bestreden beslissingen over te gaan”.
  27. De verzoeker argumenteert aldus de hoogdringendheid van de vordering uitsluitend vanuit zijn hoedanigheid van eigenaar van het perceel 217/w
  28. Gelet op het uitzonderlijk karakter van de schorsingsprocedure bij hoogdringendheid, moet de verzoeker concreet aannemelijk maken dat een gewone schorsingsprocedure niet kan volstaan om de ingeroepen nadelen weg te nemen. X-14.530-6/9
  29. De bewering van de verzoeker dat hij zich genoodzaakt ziet de voorliggende procedure in te stellen omdat door de toepassing van de gewone schorsingsprocedure “de bouw van zijn woning (...) met meer dan een jaar (kan) worden uitgesteld” strookt niet met de huidige reële behandelingstermijnen van verzoeken tot schorsing en wordt trouwens door de verzoeker zelf tegengesproken waar hij ook stelt dat dergelijke schorsingsprocedure “mogelijk enkele maanden (kan) aanslepen”.
  30. De kern van het betoog van de verzoeker wordt echter gevormd door het hangend beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen de stedenbouwkundige vergunning van 1 oktober
  31. De verzoeker tracht met name het uiterst dringend karakter van de vordering te koppelen aan een mogelijk tussenkomen van een uitspraak door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vóór de afloop van een gewone schorsingsprocedure voor de Raad van State. Daartoe roept hij in dat het definitief goedgekeurd ruimtelijk uitvoeringsplan dat in strijd is met de verleende stedenbouwkundige vergunning mogelijkerwijze als een nieuw ter zake dienend feit zal worden aangewend en dat, indien de vergunning door de Raad voor Vergunningsbetwistingen zou worden vernietigd mede op grond van de thans aangevochten beslissing, dat voor hem onherstelbare schade zou meebrengen, nu geen beroep dan een cassatieberoep openstaat tegen de uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
  32. In dit verband dient vooreerst te worden opgemerkt dat de vordering tot schorsing door de Raad voor Vergunningsbetwistingen inmiddels werd verworpen.
  33. De eventualiteit dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen een uitspraak zou doen over het beroep tot nietigverklaring van de stedenbouwkundige vergunning van de verzoeker, vóór de afloop van een gewone vordering tot schorsing voor de Raad van State van het bestreden plan, kan op zichzelf niet in aanmerking worden genomen als argument ter adstructie van de hoogdringendheid. Het wordt ook niet aannemelijk gemaakt -en er valt ook niet in te zien- dat de schorsing van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de te dezen bestreden beslissing enig decisief gevolg heeft met betrekking tot de wettigheid van de door de verzoeker verkregen stedenbouwkundige vergunning. X-14.530-7/9
  34. De loutere omstandigheid dat de vervaltermijnen niet worden geschorst voor de duur van de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen is evenmin van aard om tot de hoogdringendheid van de voorliggende vordering te besluiten. Het betoog dienaangaande van de verzoeker toont geenszins aan dat enkele maanden uitstel tot gevolg dreigen te hebben dat zijn vergunning zal vervallen, noch in welk opzicht hij door een uitstel met enkele maanden “extra financiële lasten zal moeten dragen door de afgesloten contracten met diverse aannemers” en nog minder dat die beweerde extra lasten hem zouden dwingen met de uitvoering te beginnen vóór de afhandeling van de gewone schorsingsprocedure en alzo een “stedenbouwkundig misdrijf” te begaan.
  35. Bij dit alles moet ten slotte nog worden vastgesteld dat in zoverre de ingeroepen hoogdringendheid wordt gekoppeld aan het niet snel kunnen aanvatten van de vergunde bouwwerken, omdat de verzoeker dreigt geconfronteerd te worden met een onteigening, het voorlopig vastgestelde onteigeningsplan niet definitief werd vastgesteld, zodat niet valt in te zien hoe dit argument noopt tot een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de voorliggende bestreden beslissing.
  36. De eerste voorwaarde tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet vervuld. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt de vordering.
  38. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. X-14.530-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-14.530-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.174 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.476 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.099 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.