← België

Arrest 202181 - Tucht (openbaar ambt) - 22/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.181 Rolnummer: A. 164556/IX-4983 Zaak: Arrest 202181 - Tucht (openbaar ambt) - 22/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-31 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-30 04:30 Fiche Arrest nr 202.181 van 22 maart 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.181 van 22 maart 2010 in de zaak A. 164.556/IX-4983 In zake : Dirk BOLS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de lokale politiezone regio TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te Turnhout De Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone regio Turnhout van 18 april 2005 waarbij wordt vastgesteld dat Dirk Bols voldoet aan alle voorwaarden voor een baremische loonschaalverhoging zoals voorzien in artikel VII.II.22 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol) vanaf 1 juli 2004 maar waarbij vervolgens toch wordt beslist de beslissing tot toekenning van die loonschaalverho- ging op te schorten tot na een strafrechtelijke uitspraak lastens de verzoeker om in geval van vrijspraak de baremische loonschaalverhoging toe te kennen met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2004 en in geval van veroordeling, uitstel of opschorting de aangelegenheid opnieuw te evalueren. IX-4983-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 maart
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Yeliz Güner, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor de verzoeker en advocaat Jan Surmont, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is als inspecteur van politie tewerkgesteld bij de lokale politiezone regio Turnhout. Hij wordt op 23 september 2004 door zijn korpschef geëvalueerd als “onvoldoende”. 3.
  6. Op 4 oktober 2004 beslist het politiecollege om de verzoeker de baremische loonschaalverhoging, waarop hij in principe recht had met ingang van 1 juli 2004, niet toe te kennen omdat overeenkomstig artikel VII.II.22 RPPol de IX-4983-2/8 hogere loonschaal in de baremische loopbaan niet wordt toegekend indien de laatste tweejaarlijkse evaluatie de eindvermelding “onvoldoende” draagt. 3.
  7. De verzoeker heeft tegen zijn ongunstige evaluatie beroep ingediend bij de Raad van Beroep die op 15 februari 2005 beslist de eindvermelding “onvoldoende” te wijzigen in “goed”. 3.
  8. De procureur des Konings van Turnhout deelt op 17 december 2004 aan de verwerende partij mee dat de verzoeker zou worden gedagvaard voor de correctionele rechtbank voor de zitting van 19 mei
  9. De dagvaarding vermeldt vier tenlasteleggingen, waarvan er één betrekking heeft op twee pogingen tot afpersing, en de overige drie betrekking hebben op handelingen - [al dan niet in toepassing van artikel 830ter, §§ 1 en 2 Sw] - met het oog op het plegen van, exploiteren van en het maken van reclame voor ontucht of prostitutie. 3.
  10. Op 7 maart 2005 wordt door de Officier Personeel van de verwerende partij een formulier L-124 opgemaakt ten behoeve van het sociaal secretariaat GPI van de federale politie met de opdracht de verzoeker met ingang van 1 juli 2004 over te laten gaan van loonschaal B4 naar loonschaal B
  11. 3.
  12. Op 26 maart 2005 wordt door de Officier Personeel van de verwerende partij een verbeterend formulier L-124 opgemaakt met de melding “niet akkoord met B5” en onder de rubriek “Bijlage(n): uittreksel politiecollege”. Deze ingreep wordt als volgt verduidelijkt: “Ondanks de beslissing van AIG inzake de omzetting van de ongunstige evaluatie in een gunstige heeft het politiecollege beslist B5 niet toe te kennen. Kan u de uitvoering dan wijzigen a.u.b.”. 3.
  13. Op 18 april 2005 neemt het politiecollege van de politiezone regio Turnhout de volgende beslissing: “
  14. Baremische loonschaalverhoging INP BOLS Het politiecollege van de Politie Regio Turnhout; [...] Overwegende dat, ingevolge de beslissing van de Raad van Beroep van 15 februari 2005, INP BOLS voldoet aan alle voorwaarden voor een baremi- sche loonschaalverhoging zoals voorzien in artikel VII.II.22 RPPol; IX-4983-3/8 Overwegende echter dat de Procureur des Konings bij brief van 17 december 2004 heeft meegedeeld dat INP Bols zal gedagvaard worden voor de zitting van 19 mei 2005, 13de kamer; Overwegende m.a.w. dat de Procureur des Konings van oordeel is dat er voldoende bezwarende elementen zijn lastens INP Bols op grond waarvan laatstgenoemde zal gedagvaard worden; Overwegende dat de wetgever thans geen soort ‘wachtkamerprocedure’ voorziet; Overwegende anderzijds dat de wetgever dan ook geen soort ‘wachtkamer- procedure’ uitsluit; Overwegende dat het politiecollege handelt als een goed huisvader - en dus de beslissing tot het toekennen van een baremische loonschaalverhoging voorlopig opschort in afwachting van de uitspraak van de rechtbank; Gelet op artikel VII.II.3, § 2 RPPOL op grond waarvan de hogere loonschaal binnen de baremische loonschaal wordt toegekend door het politiecollege, op voorstel van de korpschef; Overwegende dat de korpschef adviseert om de beslissing tot het toekennen van een baremische loonschaalverhoging aan INP BOLS op te schorten totdat in de zaak waarvoor betrokkene gedagvaard wordt voor de zitting van 19 mei 2005, een gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan; Besluit: Artikel 1 Het Politiecollege stelt enerzijds vast dat, gelet op de uitspraak van de Raad van Beroep van 15 februari 2005 waarbij INP BOLS een eindvermelding ‘goed’ heeft gekregen, aan de drie voorwaarden voor een baremische loonschaalver- hoging van B4 naar B5 is voldaan vanaf 1 juli
  15. Artikel 2 Het Politiecollege stelt anderzijds vast dat INP BOLS op 19 mei 2005 wordt gedagvaard wegens twee pogingen tot afpersing en wegens inbreuk op artikel 380ter van het Strafwetboek, en beslist haar beslissing tot het toekennen van een loonschaalverhoging op te schorten tot na een definitieve uitspraak van de rechtbank. Artikel 3 In geval van vrijspraak zal de baremische loonschaalverhoging worden toegekend met terugwerkende kracht vanaf 1 juli
  16. Artikel 4 In geval van veroordeling, uitstel of opschorting zal de korpschef een nieuwe evaluatie maken. [...]” IX-4983-4/8 Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt evenwel niet onmiddel- lijk aan de verzoeker betekend. 3.
  17. Bij brief van de Directie Financiën van de federale politie van 28 april 2005 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat het secretariaat GPI voor de periode 1 juli 2004 tot 31 maart 2005 onrechtmatig een bedrag van 1273,06 euro heeft berekend. De reden hiervoor is dat de baremische verhoging van B4 naar B5 op grond van het verbeterend formulier L-124 van 24 maart 2005 (lees: 26 maart 2005) “nietig werd verklaard”. De brief besluit met het volgende verzoek: “Teneinde uw geldelijke toestand te regelen, gelieve het bedrag van 1273,06 i te storten op het hierna vermelde rekeningnummer (...)”. 3.
  18. Ingevolge dit schrijven richt de raadsman van de verzoeker op 23 mei 2005 een aangetekend schrijven aan de verwerende partij waarin hij om verduidelijking verzoekt, onder meer inzake het “uittreksel politiecollege” waar het verbeterend formulier L-124 van 26 maart 2005 naar verwijst en waarop de “regularisatie” gesteund is. In antwoord op dit schrijven deelt de verwerende partij bij brief van 27 mei 2005 de bestreden beslissing aan de verzoeker mee. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  19. Bij brief van 19 april 2006 deelt de raadsman van de verwerende partij mee dat de betwiste baremische loonschaalverhoging aan de verzoeker is toegekend.
  20. Ingevolge dit schrijven heeft de auditeur-verslaggever bij de raadsman van de verzoeker geïnformeerd of de verzoeker daadwerkelijk de baremische loonschaalverhoging van B4 naar B5 werd toegekend met terugwerken- de kracht tot 1 juli 2004, zo ja of de verzoeker nog aandringt op een verdere afhandeling van de zaak en waarin het eventuele actueel belang van de verzoeker nog precies gelegen is.
  21. Bij brief van 27 november 2006 antwoordt de raadsman van de verzoeker dat de verzoeker inderdaad alsnog de loonschaalverhoging van B4 naar B5 retroactief vanaf 1 juli 2004 ontvangen heeft en dat hij niet zou aandringen op IX-4983-5/8 de verdere gewone afhandeling van de zaak indien deze toekenning zou inhouden dat de bestreden beslissing als ingetrokken wordt beschouwd. Dat blijkt evenwel niet het geval te zijn aangezien de retroactieve toekenning van de loonschaalverho- ging geen intrekking is, maar een uitvoering van artikel 3 van de bestreden beslissing. Hij voert aan dat hij thans nog over een moreel belang beschikt nu hij zich in zijn eer en rechten aangetast voelt: ondanks het feit dat hij aan de voorwaar- den voldeed voor de baremische loonschaalverhoging heeft hij deze moeten ontberen, hetgeen zowel een weerslag gehad heeft op zijn levensstijl, die op een lagere financiële basis georganiseerd moest worden, als op zijn zelfbeeld in vergelijking met collega’s die ook aan de voorwaarden voldeden en wel de verhoging toegekend kregen.
  22. De auditeur-verslaggever besluit in zijn verslag tot de onontvan- kelijkheid van het beroep. Hij is van oordeel dat de verzoeker het materieel voordeel dat hij initieel met zijn beroep beoogde, ondertussen verkregen heeft. Voorts ziet hij niet in hoe de negatieve impact van de bestreden beslissing op de levenswijze en het zelfbeeld van de verzoeker op een meer ingrijpende wijze ongedaan gemaakt zou kunnen worden door de vernietiging van de bestreden beslissing, dan door de uitvoering van artikel 3 van de bestreden beslissing.
  23. In zijn laatste memorie beklemtoont de verzoeker dat de bestreden beslissing, ondanks de retroactieve loonschaalverhoging, niet uit de rechtsorde verdwenen is. Het feit blijft aldus dat de verwerende partij haar gebonden bevoegdheid -de toekenning van de loonschaalverhoging- afhankelijk gesteld heeft van een strafrechtelijke vrijspraak van de verzoeker. Dergelijke onwettige beslissing dient volgens de verzoeker uit het rechtsverkeer genomen te worden, aangezien de overheid later op de bestreden beslissing kan terugkomen, met alle juridische- technische problemen van dien en aangezien hij op materieel vlak toch ook geen volledige genoegdoening heeft verkregen, nu hij pas met aanzienlijke vertraging gekregen heeft waar hij recht op had. De verzoeker herhaalt voorts dat de handelwijze van de verwerende partij hem een moreel nadeel heeft toegebracht. Beoordeling
  24. De verzoeker bestrijdt, blijkens het verzoekschrift, formeel de beslissing van de verwerende partij om, wegens zijn dagvaarding voor de correctionele rechtbank, de beslissing tot het toekennen van een loonschaalverho- IX-4983-6/8 ging op te schorten tot na een uitspraak van de rechtbank en hem aldus de overgang naar de loonschaal B5 te weigeren hoewel hij alle toekenningsvoorwaarden vervult. Hij legt een materieel belang in het ontberen van de financiële inkomsten en een moreel belang in het genoegen het loon te ontvangen waar hij recht op heeft. Hij verwijt in essentie aan het bestuur dat het ter zake slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt en dat het de korpschef en het politiecollege niet toekomt om aan de toekenning van de betrokken loonschaal bepaalde voorwaarden te verbinden die niet in het RPPol opgenomen zijn.
  25. De verzoeker heeft hangende de procedure gekregen wat hij steeds als zijn recht heeft nagestreefd: de toekenning van de loonschaal B5 vanaf 1 juli
  26. Een vernietiging van het bestreden besluit kan hem wat dat betreft dan ook geen materieel voordeel meer opleveren. Het moreel nadeel dat de verzoeker mogelijks heeft ondervonden doordat de toekenning van de loonschaal B5 in zijn geval uitgesteld werd, wordt door de verzoeker onvoldoende geïndividualiseerd en volstaat op zich niet om de bestreden beslissing te vernietigen. Een vernietigingsar- rest zal ook niet remediëren aan de klacht van de verzoeker dat hij een zekere tijd heeft moeten wachten op de bedragen die hem toekwamen, aangezien de vernieti- ging op zich aan de verzoeker geen titel verleent om de schade die hij geleden heeft in te vorderen.
  27. De verzoeker wil alsnog vastgesteld zien dat de verwerende partij hem op 18 april 2005 ten onrechte de loonschaal B5 geweigerd heeft door op dat ogenblik haar beslissing daaromtrent uit te stellen en afhankelijk te maken van de uitspraak van de strafrechter. Hij stelt dat die beslissing als zodanig blijft bestaan en dat de vernietiging daarvan hem nog een voordeel kan opleveren omdat de verwerende partij er dan in de toekomst niet meer zal kunnen naar verwijzen en hij er een moreel nadeel van ondergaan heeft. Het bestaan van een moreel nadeel is onvoldoende aangetoond. De loutere omstandigheid dat een administratieve beslissing, die geen uitwerking meer heeft, in het rechtsverkeer aanwezig blijft, verantwoordt op zich de nietigver- klaring ervan door de Raad van State niet. Decisief is immers dat de beslissing de rechtstoestand van de betrokkenen nog beïnvloedt en het belang van de betrokkene erin bestaat de wijziging in zijn rechtstoestand of de weigering daarvan ongedaan te maken. Als gezegd is door de retroactieve toekenning van de loonschaal B5 aan de verzoeker, aan de bestreden beslissing elke uitwerking ontnomen. Waar de IX-4983-7/8 verzoeker alsnog vastgesteld wil zien dat in het besluit ten onrechte wordt aangenomen dat het bestuur de toekenning van de loonschaal kan uitstellen, bekritiseert hij nog enkel de redenen die het bestuur tot het bestreden besluit hebben gebracht en is zijn belang beperkt tot het louter onwettig horen verklaren van de beslissing die op zich geen rechtsgevolgen meer heeft. Dergelijk belang is onrechtstreeks. Het beroep is niet meer ontvankelijk. V. Kosten
  28. De verzoeker vraagt in zijn laatste memorie om de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen. Aangezien het teloorgaan van het belang van de verzoeker het rechtstreeks gevolg is van een nieuwe beslissing van de verwerende partij, kan op die vraag worden ingegaan. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4983-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.181 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.