id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.182 Rolnummer: A. 190777/IX-6154 Zaak: Arrest 202182 - Penitentiair recht - 22/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-31 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:30 Fiche Arrest nr 202.182 van 22 maart 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 202.182 van 22 maart 2010 in de zaak A. 190.777/IX-6154 In zake : Mohamed HELLEMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carl Devlies en Kristien Van Steenberghe kantoor houdend te Leuven Bondgenotenlaan 132 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 december 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 24 oktober 2008 van de directeur van de gevangenis te Leuven-centraal, waarbij aan Mohamed Hellemans een tuchtsanctie “afzondering op cel van 25 oktober 2008 tot en met 28 oktober 2008” wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. IX-6154-1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 maart
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristien Van Steenberghe, die verschijnt voor de verzoeker, is gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op het ogenblik van de feiten is de verzoeker gedetineerd in de gevangenis van Leuven-centraal. 3.
- Op 19 oktober 2008 wordt ten laste van de verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld wegens agressief gedrag en het weggooien van een bureaustoel. Dit rapport wordt opgesteld door de penitentiaire beambte D. Willems. Naar aanleiding van dit rapport wordt een tuchtprocedure opgestart. De verzoeker krijgt op 23 oktober 2008 de tuchtstraf “zware verwitti- ging”. 3.
- Op 22 oktober 2008 wordt ten laste van de verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld door dezelfde penitentiaire beambte D. Willems. In dit rapport staat : “Tijdens mijn dienst van 14.00 uur tot 22.00 uur heb ik ondergetekende Penitentiaire beambte met dienst op vleugels A/2 omstreeks 14.00 uur toezicht gedaan in het werkhuis Kabels. Omstreeks 14.40 uur moest ik een gedetineerde die de heftruck bediende begeleiden naar de schrijnwerkerij. Toen ik in het midden van de schrijnwerkerij stond te wachten op de P.B. van toezicht om hem te melden dat de heftruckbediende hier was, voerde ik een klein gesprek met Gedetineerde Moons. Plots stond bovengenaamde gedeti- IX-6154-2/9 neerde [Mohamed Hellemans] neus tegen neus tegenover mij. Ik had geen oogcontact of iets dergelijks met hem gehad en was geschrokken hem te zien. Hij vroeg mij op agressieve toon (neus tegen neus) en met gebalde vuisten of ik hem kwam uitdagen. Hij zou mij anders wat kloppen op mijn gezicht verkopen. Vooraleer dat ik iets kon zeggen heeft een gedetineerde (ik denk Youssef?) hem langs achter vast gepakt, en hem weggetrokken. De technieker van de schrijnwerkerij (D’Hooge) is dan naar mij gekomen, en zei tegen mij dat ik de schrijnwerkerij moest verlaten en dat ik daar niks te zoeken had. Waarop ik de schrijnwerkerij heb verlaten en terug naar het werkhuis kabels ben gegaan.” Op dezelfde dag stelt F. D’Hooge, de verantwoordelijke voor de schrijnwerkerij, een verslag op omtrent D. Willems. Hierin staat het volgende: “Vandaag heeft bovenvermelde [D. Willems] de taak om het toezicht in het werkhuis Kabels Eupen te verzekeren. Omstreeks 14.30u bevond ik mij op de regie waardoor dat de deur tussen de schrijnwerkerij en kabels Eupen open was. Bij mijn terugkomst in de schrijn- werkerij werd ik aangesproken door collega Wouters Nancy dat de heer Willems in de schrijnwerkerij geweest was. Dit heeft al voor zekere spanning gezorgd tussen Hellemans en de heer Willems. Hellemans heeft mij hierover aangesproken waarop ik hem gezegd heb dat de deur tussen de kabels en de schrijnwerkerij gesloten zal blijven. Op gegeven moment zag ik dat de heer Willems zich terug in de schrijnwer- kerij bevond. Het viel mij op dat hij zich zeer uitdagend gedroeg naar gedetineerde Hellemans Mohamed. Hellemans is op zijn beurt richting Willems gegaan met de vraag of hij hem aan het uitdagen was. Ik ben hierop onmiddellijk tussen beiden gekomen en heb Hellemans weggestuurd naar het rooklokaal waarop ik de heer Willems heb teruggestuurd naar Kabels Eupen. Blijkt dat er in het weekend al problemen geweest zijn tussen beide partijen. Ik vind het niet nodig dat de heer Willems in de schrijnwerkerij rond loopt als hij dienst heeft in Kabels Eupen. Hierop wil ik de vraag stellen wat de heer Willems in de schrijnwerkerij kwam doen?” 3.
- Op 23 oktober 2008 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart. Op de hoorzitting van 24 oktober 2008 wordt de verzoeker in de aanwezigheid van zijn raadsman gehoord. De verzoeker ontkent gedeeltelijk de feiten en verklaart dat D. Willems op de dag van de feiten tweemaal in de schrijnwerkerij is langs geweest en hem heeft uitgedaagd. Eveneens wordt op de hoorzitting door de verzoeker en zijn raadsman het bestaan van het rapport ter sprake gebracht dat door F. D’Hooghe is opgesteld over D. Willems en wijst de raadsman van de verzoeker er tevergeefs op dat dit rapport belangrijk is voor deze tuchtzaak en in het voordeel is van de verzoeker. IX-6154-3/9 3.
- Op 24 oktober 2008 wordt de verzoeker de tuchtmaatregel “afzondering op eigen cel vanaf 25 oktober tot en met 28 oktober 2008” opgelegd. Deze tuchtmaatregel steunt onder meer op de volgende motieven: “We verwachten van alle gedetineerden, respect t.a.v. het personeel. De door betrokkene en zijn advocaat aangehaalde personeelsproblemen horen zoals aangekaart tijdens de tuchtprocedure niet binnen deze procedure thuis. Hiervoor bestaan andere kanalen en wegen, die zo nodig door de directie, en niet door betrokkene, te bewandelen zijn.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Bij brieven van 28 oktober en 12 december 2008 verzoekt de raadsman van de verzoeker de verwerende partij de nota opgesteld door F. D’Hooge aan hem over te maken. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verzoeker zet in zijn verzoekschrift met betrekking tot zijn belang uiteen dat de tuchtsanctie in zijn detentiedossier wordt opgenomen zodat de directie hiermee rekening zal houden ingeval er later een echte overtreding zou vastgesteld worden. Voorts ervaart de verzoeker de schending van zijn rechten als een moreel leed. Bovendien is de verzoeker in de tijdsvoorwaarden voor voorwaar- delijke invrijheidstelling. Aangezien tuchtsancties in het dossier van de Strafuitvoe- ringsrechtbanken worden vermeld, wordt er rekening mee gehouden, zelfs al zijn ze volledig ondergaan. Hij merkt op dat bedreigingen aan het personeel als zeer ernstig aanzien worden in het kader van de reclassering. Hij wijst er ten slotte op dat de gevolgen van de tuchtsanctie reeds zijn gebleken doordat de Dienst Individuele gevallen in haar beslissing van 17 november 2008 alle uitgaansvergunningen van de verzoeker heeft ingetrokken.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan dat de verzoeker niet aantoont dat de tuchtsanctie een negatieve invloed op zijn reclassering heeft. Zij wijst er op dat de verzoeker na de bestreden tuchtsanctie nog een aantal uitgaansvergunningen heeft genoten en dat pas op 17 november 2008 twee keer een uitgaansvergunning werd IX-6154-4/9 herroepen. Deze weigeringen waren niet ingegeven door de bestreden beslissing, maar wel door het gedrag van de verzoeker binnen de strafinrichting voorafgaand aan de weigeringsbeslissingen. Bovendien had de verzoeker zich bij een voorgaande uitgaansvergunning niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Op 17 december 2008 werd de verzoeker opnieuw een uitgaansvergunning geweigerd omdat de aanwezigheid van de verzoeker buiten de gevangenis niet was vereist.
- De verzoeker antwoordt dat bij het nemen van de beslissing van 17 november 2008 wel rekening werd gehouden met de elementen die aan de basis lagen van de bestreden beslissing. Zo staat in deze beslissing : “Er vonden de laatste periode enkele woedeuitbarstingen plaats en veroordeelde bedreigde meermaals een beambte.” Dit slaat volgens de verzoeker op de bestreden beslissing. Hij betwist ook de stelling van de verwerende partij dat de voorwaarden van de uitgangsver- gunningen geschonden werden. Beoordeling
- Het wordt niet betwist dat de bestreden beslissing een tuchtsanctie is die aan de verzoeker is opgelegd wegens diens laakbaar gedrag. Aldus heeft de verzoeker nog minstens een moreel belang om de bestreden beslissing aan te vechten. De exceptie kan niet worden aangenomen. V. Onderzoek van het tweede en het derde middel, tezamen genomen Standpunt van de partijen
- In zijn tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de verwerende partij geweigerd heeft om de nota van F. D'Hooge in de tuchtprocedure te betrekken. De verzoeker voert aan dat uit die nota afgeleid kan worden wat er werkelijk gebeurd is en dat de verklaring van D. Willems gelogen is. In zijn derde middel voert de verzoeker de schending aan van de rechten van de verdediging als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur doordat de verwerende partij geweigerd heeft om de nota van F. D'Hooge in de tuchtprocedure IX-6154-5/9 te betrekken. Hij stelt dat de nota, die handelt over de feiten die in de tuchtsanctie aan de verzoeker ten laste worden gelegd, een onontbeerlijk element is voor de verzoeker om zich te verdedigen, hetgeen niet mogelijk was nu de nota uit het tuchtdossier gehouden werd. Voorts stelt de verzoeker dat hij nog een aantal andere getuigen opgegeven heeft die zijn versie van de feiten kunnen bevestigen. Ook naar deze getuigen werd niet geluisterd.
- De verwerende partij wijst erop dat het aan de gevangenisdirectie toekomt om de feiten vast te stellen. De Raad van State beschikt ter zake enkel over een marginale toetsingsbevoegdheid. De verwerende partij stelt dat de nota van F. D'Hooge nergens melding maakt van leugenachtige verklaringen door de kwartieroverste. Zowel het rapport aan de directeur als de nota vermelden dat de verzoeker zelf naar de kwartieroverste is gestapt. Over de tuchtfeiten zelf (verbale agressie en dreiging tegenover de kwartieroverste) vermeldt de nota niets zodat het rapport aan de directeur niet wordt tegengesproken. De gevangenisdirectie heeft dan ook terecht vastgesteld dat de nota geen bijkomende informatie bijbracht over het gedrag van de verzoeker zelf. In zoverre de nota handelt over het al dan niet correct gedrag van een personeelslid hoorde de nota niet in de tuchtprocedure thuis. Bovendien heeft de verzoeker tijdens de hoorzitting zelf toegegeven dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verbale agressie en dreiging ten aanzien van een personeelslid. De verwerende partij besluit dat de gevangenisdirectie terecht kon oordelen dat de feiten voldoende bewezen waren en dat aldus het zorgvuldigheids- beginsel niet geschonden is. Aangaande het derde middel herhaalt de verwerende partij dat de nota niets over de tuchtfeiten vermeldt, het rapport van de directeur niet tegen- spreekt en zelfs bevestigt dat het de verzoeker is die naar het personeelslid is gegaan. Aangezien de nota enkel een personeelsproblematiek aankaartte werd ze terecht uit de tuchtprocedure gehouden. De rechten van de verdediging zijn hierbij niet geschonden.
- In zijn memorie van wederantwoord beklemtoont de verzoeker aangaande het tweede middel dat de nota van F. D'Hooge zijn versie van de feiten volledig bevestigt en dat, nu geen rekening gehouden wordt met die nota bij de beoordeling van de tuchtmaatregel, het zorgvuldigheidsbeginsel manifest ge- schonden is. IX-6154-6/9 Omtrent het derde middel betwist de verzoeker de stelling van de verwerende partij dat de nota enkel over een personeelsproblematiek gaat en hij stelt dat het net die problematiek is die tot de tuchtprocedure heeft geleid. Beoordeling
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op een zorgvuldige feitenvinding en een nauwgezette belangen- afweging zodat het bestuur op basis van een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval tot zijn besluit komt. De zorgvuldigheid verplicht de overheid onder meer om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk geïnventariseerd en gecontroleerd worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. De zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding kan de tuchtover- heid in bepaalde gevallen ertoe verplichten een getuigenverhoor te organiseren om een zorgvuldig oordeel te kunnen vellen over het al dan niet bestaan van de feiten en hun tuchtrechtelijke kwalificatie. Zulks is onder meer het geval indien de tuchtrechtelijk vervolgde de feiten of hun kwalificatie ontkent, om een dergelijk getuigenverhoor vraagt en er geen deugdelijke redenen voorhanden zijn om dat verzoek af te wijzen.
- Het algemeen beginsel van de rechten van verdediging vereist dat de partijen kennis moeten kunnen nemen van alle stukken van het dossier waarop de tuchtoverheid steunt om een sanctie te nemen. Dit houdt in dat een tuchtrechtelijk vervolgde persoon kennis krijgt van al hetgeen in verband met zijn zaak aan de beslissende overheid ter kennis wordt gebracht, en dat het over de tenlastelegging tegenspraak kan voeren. Dit veronderstelt dat de tuchtoverheid haar beslissing slechts steunt op gegevens die aan de tegenspraak van de betrokkene zijn onderwor- pen. De rechten van verdediging van de verzoeker zijn geschonden indien blijkt dat hij geen tegenspraak heeft kunnen voeren over gegevens die van essentieel belang konden zijn voor de beoordeling van de tenlastelegging en de geloofwaardigheid van zijn verweer. De verzoeker moet in principe kennis kunnen krijgen van de bewijselementen waarover de overheid beschikt die het verweer van de betrokkene kunnen ondersteunen. IX-6154-7/9
- Te dezen heeft de verwerende partij geweigerd om de nota van F. D'Hooge over D. Willems in de tuchtprocedure te betrekken en om deze nota aan de verzoeker mede te delen ofschoon die daar om verzocht heeft op de hoorzitting. De verwerende partij is van oordeel dat deze nota niet in de tuchtprocedure dient te worden betrokken. De bestreden beslissing stelt hieromtrent: “De door betrokkene en zijn advocaat aangehaalde personeelsproblemen horen zoals aangekaart tijdens de tuchtprocedure niet binnen deze procedure thuis. Hiervoor bestaan andere kanalen en wegen, die zo nodig door de directie, en niet door betrokkene, te bewandelen zijn”. In de brief van 15 december 2008 gericht aan de raadslieden van de verzoeker wordt dit standpunt nogmaals bevestigd. De stelling van de verwerende partij kan echter niet worden bijgevallen. De nota van F. D'Hooge over D. Willems heeft immers betrekking op de feiten die in het tuchtrapport, opgesteld door D. Willems, vermeld staan. In de nota van F. D'Hooge staat dat D. Willems tweemaal naar de schrijnwerkerij is geweest, terwijl het rapport aan de directeur daar geen melding van maakt. Ook wordt aangegeven dat D. Willems zich zeer uitdagend gedroeg ten aanzien van de verzoeker, terwijl D. Willems zelf in het rapport verklaart dat hij “geen oogcontact of iets dergelijks” met hem gehad heeft. Aangezien de nota van F. D'Hooge betrekking heeft op het tuchtincident waarvoor de verzoeker een sanctie kreeg en in zekere mate aansluit met de versie van de feiten die de verzoeker geeft, diende de nota bij de beoordeling van de tuchtzaak te worden betrokken en aan de verzoeker te worden meegedeeld.
- Het tweede en derde middel zijn in die mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 24 oktober 2008 van de directeur van de gevangenis te Leuven-centraal, waarbij aan Mohamed Hellemans een tuchtsanctie “afzondering op cel van 25 oktober 2008 tot en met 28 oktober 2008” wordt opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-6154-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6154-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.182 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div