← België

Arrest 202196 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.196 Rolnummer: A. 185038/X-13444 Zaak: Arrest 202196 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:30 Fiche Arrest nr 202.196 van 22 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.196 van 22 maart 2010 in de zaak A. 185.038/X-13.

  1. In zake :
  2. Sidney SCHELLENS,
  3. Marleen VANDERHEYDEN, die woonplaats kiezen bij advocaat M. GELDERS, kantoor houdende te 3001 LEUVEN, Celestijnenlaan 17/53 tegen : de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN, Merenstraat
  4. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sidney SCHELLENS en Marleen VANDERHEYDEN op 3 september 2007 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 28 juni 2007 waarbij ‘het beroep ingediend door de heer en mevrouw Schellens-Vanderheyden (...) tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Leuven van 17 november 2006, waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het omvormen van een voormalig klooster tot appartementen op een perceel grond gelegen Penitentienenstraat 15 te 3000 Leuven, kadastraal bekend afdeling 05, sectie F, nr. 319KO, niet wordt ingewilligd’”, “(met name voorzover deze het beroep tegen de stedenbouwkundige vergunning verleend door de stad Leuven op 17 november 2006 niet inwilligt, en met name voorzover deze bestreden beslissing de verleende stedenbouwkundige vergunning niet hervomt wat betreft de voorwaarde inzake het aantal aan te leggen parkeerplaatsen enerzijds en voorzover deze de stedenbouwkundige vergunning die niet in de mogelijkheid voorzag dat er tweemaal een opschorting van 4 jaar kan aangevraagd worden voor de aanleg van parkeerplaatsen, niet hervormt anderzijds)”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-13.444-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur W. DE COCK, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 10 september 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2009; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. GELDERS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat D. SOCQUET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur W. DE COCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Feiten 1.
  6. Op 30 juni 2006 (datum van het ontvangstbewijs) vragen de verzoekende partijen aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven een stedenbouwkundige vergunning voor de inwendige verbouwing van een bestaand pand (voormalig klooster) en opdeling in meerdere woongelegenheden

(12)op een perceel gelegen te Leuven, Penitentienenstraat
  1. 1.
  2. Het betrokken terrein is krachtens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven gelegen in woongebied. X-13.444-2/9 Het is tevens gelegen binnen het gebied van het door het ministeriële besluit van 29 april 1998 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg “Sint Geertrudis (deela)”. Voor het grondgebied van de stad Leuven geldt een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten de openbare weg. Bij het optrekken van nieuwe gebouwen, het uitvoeren van bestemmingswijzigingen of het uitvoeren van verbouwingswerken, voor zover deze wijzigingen vergunningsplichtig zijn, legt deze verordening aan de vergunninghouder de verplichting op om het nodige aantal parkeerplaatsen en fietsenstallingen aan te leggen. 1.
  3. Op 17 november 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven de stedenbouwkundige vergunning onder de volgende voorwaarden: “- Het aspect bouwovertreding wordt afzonderlijk behandeld. De achterliggende studentenhuisvesting wordt in dit dossier niet behandeld.- Er mogen geen andere werken uitgevoerd worden dan deze die op de goedgekeurde plannen worden voorgesteld.- Elke woonentiteit moet voorzien zijn van sanitaire voorzieningen en een keuken.- Alle eventuele zichtbare delen van de scheidingsmuren moeten afgewerkt worden met degelijke gevelmaterialen.- Op het terrein mogen geen reliëfwijzigingen uitgevoerd worden.- De brievenbussen en de woongelegenheden moeten genummerd worden zoals aangeduid op het goedgekeurde plan.- Het bijgevoegd advies van de brandweer moet nageleefd worden. Vooraleer het gebouw in gebruik te nemen moet een afspraak belegd worden met de brandweer voor nazicht van de uitvoering van de voorwaarden vermeld in het brandpreventieverslag.- De voorwaarden opgenomen in het advies van de brandweer, in de brief van 27-07-2006, strikt te respecteren.- Naar aanleiding van deze vergunning en volgens de stedenbouwkundige verordening op het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten de openbare weg, moeten er minimum 15 parkeerplaatsen of garages en minimum 11 fietsenstallingen voorzien worden. De parkeerplaatsen of garages en de fietsenstallingen moeten in overeenstemming zijn met de voorwaarden vermeld in deze verordening. Wanneer de nodige parkeerplaatsen en fietsenstallingen niet aangelegd worden of niet kunnen aangelegd worden volgens deze verordening, zal een éénmalige belasting van 6200,00 euro per ontbrekende parkeerplaats en 1200,00 euro per ontbrekende fietsenstalling aan de stad moeten betaald worden.- Alle bouwpuin dient onmiddellijk afgevoerd te worden naar een erkende stortplaats.- Naar aanleiding van de energieprestatieregelgeving vindt u in bijlage een infofiche met de taken van de aangifteplichtige”. 1.
  4. Op 21 december 2006 stellen de verzoekende partijen tegen deze beslissing administratief beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op volgende gronden: X-13.444-3/9 “Toch zijn er een aantal ‘voorwaarden’ waar wij ons echter vragen over stellen. In eerste instantie hebben wij onze twijfels hieromtrent, aan de hand van een schrijven van onze architect, voorgelegd aan de bevoegde diensten. Maar daar dit niet het gewenste resultaat opgeleverd heeft, willen wij ‘in beroep gaan’ tegen deze voorwaarden. Meer bepaald gaat het enerzijds over de berekening van het aantal parkeerplaatsen die wij dienen te voorzien en anderzijds over het niet vermelden van een waardevol pand met alle hieruit voortvloeiende voor- en nadelen”. 1.
  5. Op 28 juni 2007 beslist de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep niet in te willigen. Dit is het bestreden besluit.
  6. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
  7. In hun verzoekschrift stellen de verzoekende partijen met betrekking tot het voorwerp van het beroep het volgende: “III. BETREFFENDE HET VOORWERP VAN HET ONDERHAVIGE BEROEP TOT NIETIGVERKLARING
  8. Vooraf kan opgemerkt worden dat de bestreden beslissing enigszins onprecies geformuleerd is, nu - in tegenstelling tot hetgeen deze vermeldt - de stad Leuven de door de verzoekende partijen aangevraagde stedenbouwkundige vergunning niet heeft geweigerd (...), maar deze wel degelijk heeft verleend. Verzoekende partijen hebben bij de deputatie enkel beroep tegen de verleende stedenbouwkundige vergunning ingesteld voorzover deze de voormelde voorwaarde inzake aantal parkeerplaatsen oplegt (...) enerzijds en voorzover de stedenbouwkundige vergunning niet in de mogelijkheid voorzag dat er tweemaal een opschorting van 4 jaar kan aangevraagd worden bij het college van Burgemeester en Schepenen voor de aanleg van het benodigde aantal parkeerplaatsen. Verzoekende partijen gaan er hier echter, mede gelet op de andere overwegingen in de bestreden beslissing, van uit dat het daarbij gaat om een materiële vergissing en dat het beroep van verzoekende partijen werd verworpen voorzover dat betrekking had op de twee voormelde aspecten van de stedenbouwkundige vergunning.
  9. Ook het onderhavige annulatieberoep heeft dan ook slechts betrekking op de bestreden beslissing van de deputatie voorzover deze het beroep van de verzoekende partijen niet inwilligt, en dus meer bepaald voorzover de bestreden beslissing de verleende stedenbouwkundige vergunning niet hervormt wat betreft de voormelde voorwaarde van de aanleg van minimaal 15 parkeerplaatsen enerzijds en wat de mogelijkheid voor het aanvragen van een tweevoudige opschorting van 4 jaar voor de aanleg van parkeerplaatsen anderzijds. De overige aspecten van de (aanvraag tot) stedenbouwkundige vergunning zoals het feit op zich dat deze vergunning verleend werd of de voorwaarde van de aanleg van minimaal 11 fietsenstallingen, worden dan ook niet aangevochten door het onderhavig beroep tot nietigverklaring. Het gedeelte van de aanvraag waarop het (huidige) beroep (alsook het beroep voor de deputatie) betrekking had is in elk geval afsplitsbaar van die overige aspecten van de (aanvraag tot) stedenbouwkundige vergunning”. X-13.444-4/9 2.
  10. De verwerende partij repliceert als volgt: “III. NOPENS HET VOORWERP VAN HUIDIGE VORDERING Uit het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de vernietiging van de bestreden beslissing vorderen ‘met name voorzover deze het beroep tegen de stedenbouwkundige vergunning verleend door de stad Leuven op 17 november 2006 niet inwilligt, en met name voorzover deze bestreden beslissing de verleende stedenbouwkundige vergunning niet hervormt wat betreft de voorwaarde inzake het aantal aan te leggen parkeerplaatsen enerzijds en voorzover deze de stedenbouwkundige vergunning die niet in de mogelijkheid voorzag dat er tweemaal een opschorting van 4 jaar kan aangevraagd worden voor de aanleg van parkeerplaatsen, niet hervormt anderzijds’. De verzoekende partijen laten hiermee uitschijnen dat de stedenbouwkundige vergunning los zou staan van de in deze vergunning opgelegde voorwaarden en dat, dientengevolge, aan uw Raad de vernietiging van de opgelegde voorwaarden zou kunnen worden gevorderd zonder dat dit de rechtsgeldigheid van de vergunning zou aantasten. De verzoekende partijen vragen bovendien aan uw Raad de vernietiging van de bestreden beslissing in de mate deze niet in de mogelijkheid voorziet dat er tweemaal een opschorting van 4 jaar zou kunnen worden aangevraagd voor de aanleg van parkeerplaatsen. Gegeven het feit dat de oorspronkelijk in het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 17 november 2006 opgenomen voorwaarden integraal deel uitmaken van de stedenbouwkundige vergunning zelf en aldus onlosmakelijk hiermee verbonden zijn, immers zonder deze voorwaarden zou de vergunning niet zijn toegekend, kan het administratief beroep van betrokkenen niet worden beperkt tot ‘alleen de opgelegde voorwaarden’. Het administratief beroep bij de deputatie kan dan ook niet worden beperkt tot ‘enkel de voorwaarden’, doch betreft een volledig beroep waarbij echter enkel de wettelijkheid van de opgelegde voorwaarden in vraag worden gesteld, samen met het volgens verzoekers ontbreken van een mogelijkheid tot verlenging van de termijn van aanleg van de parkeerplaatsen. De devolutieve werking van het administratief beroep houdt in dat de verwerende partij er in deze toe gehouden was om uitspraak te doen omtrent zowel de geldende planologische voorschriften als omtrent de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening en inzonderheid omtrent de door de beroepers ontwikkelde argumentatie, wat de verwerende partij in deze ook op een correcte wijze heeft gedaan. Daarenboven betwisten de verzoekende partijen zelfs niet dat er voorwaarden kunnen worden opgelegd in de stedenbouwkundige vergunning en dat er aldus parkeerplaatsen dienen te worden aangelegd - zij betwisten ook niet de wijze van berekening van het aantal vereiste plaatsen - doch houden voor dat de berekening dient te gebeuren rekening houdende met de parkeerplaatsen dewelke zouden verbonden zijn aan de bestaande constructie. Het voorwerp van het beroep bij uw Raad kan dan ook niet worden beperkt tot louter de opgelegde voorwaarden; zo uw Raad al zou oordelen dat de opgelegde voorwaarden onwettig zouden zijn, dan zou dit leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit van de deputatie, met als gevolg dat de deputatie zich opnieuw zou dienen uit te spreken over het administratief beroep bij gebreke waaraan de oorspronkelijke vergunning haar integrale geldingskracht zou hernemen, uiteraard met inbegrip van de opgelegde voorwaarden. Verzoekers kunnen met andere woorden geen gedeeltelijke nietigverklaring vorderen, noch van het besluit van de deputatie en uiteraard al evenmin, zo zulk X-13.444-5/9 beroep al ontvankelijk zou zijn, quod non, van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 17 november
  11. Anderzijds kan uw Raad zich evenmin in de plaats gaan stellen van de vergunningverlenende overheid en gaan vastleggen of, en in voorkomend geval hoeveel, parkeerplaatsen er al dan niet zouden dienen te worden aangelegd, laat staan dat uw Raad aan de overheid zou gaan bevelen om bijkomende ‘vrijstellingsmogelijkheden’ omtrent de aanleg van parkeerplaatsen te gaan opnemen in een nieuw te nemen beslissing. Er kan aldus in deze geen ‘gedeeltelijke vernietiging’ worden uitgesproken van de bestreden beslissing”. 2.
  12. De verzoekende partijen dupliceren in hun memorie van wederantwoord het volgende: “II. BETREFFENDE HET VOORWERP VAN HET ONDERHAVIGE BEROEP TOT NIETIGVERKLARING Het onderhavige annulatieberoep heeft slechts betrekking op de bestreden beslissing van de deputatie voorzover deze het beroep van de verzoekende partijen niet inwilligt, en dus meer bepaald voorzover de bestreden beslissing de verleende stedenbouwkundige vergunning niet hervormt wat betreft de voormelde voorwaarde van de aanleg van minimaal 15 parkeerplaatsen enerzijds en wat betreft de mogelijkheid voor het aanvragen van twee opschortingen van 4 jaar voor de aanleg van parkeerplaatsen anderzijds. Verwerende partij is van oordeel dat een gedeeltelijk beroep en dus een gedeeltelijke nietigverklaring niet kan. Verwerende partij meent dat als Uw Raad de voorwaarden onwettig zou verklaren, het hele bestreden besluit nietig moet worden verklaard en de deputatie zich opnieuw zou moeten uitspreken. Verzoekende partijen kunnen deze beweringen van verwerende partij, die niet wordt gestaafd met enige rechtspraak, niet bijvallen. In eerste instantie is het verweer van de verwerende partij gesteund op een verkeerde uitlegging van de devolutieve werking van een administratief beroep. Volgens de verwerende partij zou het administratief beroep niet kunnen beperkt worden tot de voorwaarden, doch zou het een ‘volledig’ beroep betreffen waarbij enkel de wettelijkheid van de opgelegde voorwaarden in vraag wordt gesteld. Welnu, de devolutieve werking van een administratief beroep verzet zich niet tegen een gedeeltelijk beroep. Aangenomen dient te worden dat het administratieve beroepsorgaan gebonden is door de tekst en de bewoordingen van het ingestelde beroep. De omvang van het administratief beroep is derhalve bepalend voor de beslissingsbevoegdheid van het administratieve beroepsorgaan. In de rechtspraak van Uw Raad wordt dan ook aangenomen dat een administratief beroep tegen een onderdeel van een beslissing of tegen een opgelegde voorwaarde ontvankelijk is en dat de overheid die in beroep uitspraak doet, alleen hierover uitspraak doet. Vereist is dan wel dat het onderdeel of de voorwaarde afsplitsbaar is, zoniet dient de overheid het beroep als onontvankelijk af te wijzen. In casu dient vastgesteld te worden dat:
(1)de verzoekende partijen hun administratief beroep beperkt hebben tot de voorwaarde inzake de parkeerplaatsen: dit blijkt onmiskenbaar uit de duidelijke bewoordingen van het beroepschrift d.d. 20 december 2006 van de verzoekende partijen (...)
(2)de verwerende partij het beroep als dusdanig beschouwd heeft en ontvankelijk heeft bevonden: dat de verwerende partij het beroep van X-13.444-6/9 verzoekende partijen beschouwd heeft als een gedeeltelijk beroep tegen één van de opgelegde voorwaarden, blijkt niet alleen uit de bewoordingen van het bestreden besluit, maar ook uit de inhoud ervan. In de bestreden beslissing bevestigt de verwerende partij uitdrukkelijk dat het voorwerp van het beroep beperkt is tot één van de opgelegde voorwaarden: ‘De aanvrager gaat in beroep tegen één van de gestelde voorwaarden, die als volgt luidt: (...)’ en ‘De aanvrager komt in beroep tegen één welbepaalde voorwaarde die verbonden werd aan de vergunning en betrekking heeft op de verplicht aan te leggen parkeerplaatsen. De aanvrager kan niet akkoord gaan met de wijze waarop het aantal aan te leggen parkeerplaatsen werd vastgesteld.’ Ook de inhoud van de bestreden beslissing bevestigt dat de verwerende partij het beroep beschouwd heeft als een gedeeltelijk beroep. Immers, onder de rubriek ‘Verenigbaarheid met een goede ruimtelijke ordening’ beperkt de verwerende partij zich tot een bespreking en weerlegging van de argumentatie van verzoekende partijen inzake de aan te leggen parkeerplaatsen. Op geen enkel ogenblik wordt ook maar enig ander element bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening betrokken. Blijkbaar is de verwerende partij zich hiervan terdege bewust en doet zij het in haar memorie van antwoord om die reden voorkomen alsof zij uitspraak zou gedaan hebben ‘omtrent zowel de geldende planologische voorschriften als omtrent de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening’. Dit is geenszins het geval en wordt duidelijk tegengesproken door de inhoud van de bestreden beslissing. De verwerende partij heeft het beroep dat duidelijk beperkt was tot één voorwaarde, ook niet als onontvankelijk afgewezen, waarmee zij duidelijk te kennen heeft gegeven dat deze voorwaarde afsplitsbaar is van de rest van de andere onderdelen van de stedenbouwkundige vergunning (zie hierna
(3)).
(3)de voorwaarde afsplitsbaar is van de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning De discussie over de in het geding zijnde voorwaarde slaat in essentie op de wettelijkheid ervan. Deze discussie staat volledig los van de andere onderdelen van de stedenbouwkundige vergunning, hetgeen reeds blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing die zich louter beperken tot deze voorwaarde. Dat deze voorwaarde perfect kan worden afgesplitst van de rest van de stedenbouwkundige vergunning, blijkt uit het feit dat de andere onderdelen van de stedenbouwkundige vergunning niet zonder voorwerp zouden worden of hun bestaansreden zouden verliezen. De voorwaarde inzake de parkeerplaatsen vloeit immers rechtstreeks voort uit de toepasselijkheid van de parkeerverordening. De koppeling met de stedenbouwkundige vergunning is het gevolg van het feit dat deze Parkeerverordening voorziet dat het aantal berekende parkeerplaatsen in de vergunning vermeld dient te worden (artikel 4, a)). Deze verplichting staat evenwel los van de beoordeling van de aanvraag vanuit stedenbouwkundig oogpunt, hetgeen des te meer blijkt uit het feit dat de niet-naleving van de Parkeerverordening en in het bijzonder van de verplichting tot aanleg van een aantal parkeerplaatsen louter een financiële sanctie staat die bestaat uit de betaling van een belasting (artikel 6). X-13.444-7/9 Evenmin kan de verwerende partij bijgevallen worden dat een beroep bij Uw Raad niet zou kunnen beperkt worden tot de louter opgelegde voorwaarden. Uit het voorgaande blijkt immers dat de in het geding zijnde voorwaarde perfect kan worden afgesplitst van de rest van de stedenbouwkundige vergunning en er niet onlosmakelijk mee verbonden is. Dit betekent dan ook dat de bestreden beslissing beschouwd dient te worden als een afzonderlijke beslissing. Een gedeeltelijke vernietiging zou impliceren dat hieromtrent een nieuwe beslissing dient genomen te worden door de verwerende partij. Het annulatieberoep is om die reden in elk geval ontvankelijk. In tegenstelling tot de bewering van de verwerende partij, zal Uw Raad in geval van vernietiging zich niet in de plaats stellen van de verwerende partij. De verwerende partij zal in dat geval als administratief beroepsorgaan dat beslist in laatste aanleg over een administratief beroep, een nieuwe beslissing dienen te nemen. Rekening houdend met het gezag van gewijsde van een eventueel vernietigingsarrest kan zij dan opnieuw beslissen. Daarbij stelt Uw Raad zich niet in de plaats van de verwerende partij. De verwerende partij zal immers met toepassing van de Parkeerverordening en rekening houden met het gezag van gewijsde van een eventueel vernietigingsarrest dienen te bepalen hoeveel parkeerplaatsen dienen aangelegd te worden. Het annulatieberoep is gericht tegen een voor vernietiging in aanmerking komende administratieve rechtshandeling en is bijgevolg ontvankelijk”. 2.
  1. De verzoekende partijen hebben het administratief beroep bij de deputatie tegen de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning van 17 november 2006 beperkt tot de bij die vergunning opgelegde voorwaarden en doen hetzelfde wat het voorliggende annulatieberoep betreft. 2.
  2. Een stedenbouwkundige vergunning is in beginsel één en ondeelbaar, en kan niet op ontvankelijke wijze gedeeltelijk met een annulatieberoep worden bestreden. Van dit beginsel kan, bij wege van uitzondering, die beperkend moet worden uitgelegd, alleen worden afgeweken wanneer vaststaat dat het aangevochten gedeelte afgesplitst kan worden van de rest van de vergunning en dat de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het niet aangevochten gedeelte dezelfde beslissing zou hebben genomen. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de Raad van State zich op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid zou begeven en zou overgaan tot hervorming, en niet vernietiging, van de beslissing waarvan het bestreden gedeelte een onlosmakelijk onderdeel is, vermits het niet bestreden gedeelte hoe dan ook zou blijven bestaan. 2.
  3. De verwerende partij heeft de aanvraag aan een volledig nieuw onderzoek onderworpen, en kwam tot de conclusie dat de aanvraag moet worden verworpen, om dezelfde redenen als deze die de stad Leuven tot een slechts voorwaardelijke afgifte van de vergunning hebben gebracht, met name het niet- X-13.444-8/9 naleven van de toepasselijke stedenbouwkundige verordening op het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten de openbare weg. De zaak van de parkeerplaatsen was derhalve decisief, zowel voor de voorwaardelijke afgifte van de vergunning door de stad Leuven, als voor het verwerpen van het beroep door de verwerende partij. Het betreft een onafsplitsbaar aspect van de rest van de beide beslissingen. De verzoekende partijen kunnen dan ook niet op ontvankelijke wijze vragen de bestreden weigeringsbeslissing alleen te vernietigen in de mate deze de problematiek van de parkeerplaatsen betreft. De vordering is bijgevolg niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2 De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig maart 2010, door: de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-13.444-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.