← België

Arrest 202249 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.249 Rolnummer: A. 191108/XIV-30872 Zaak: Arrest 202249 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-13 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:30 Fiche Arrest nr 202.249 van 23 maart 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.249 van 23 maart 2010 in de zaak A. 191.108/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, alias XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 16 januari 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 20.480 van 15 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3923 van 27 januari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.872-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. FLACHET, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 28 januari 2003 en zich op 25 mei 2007 een vierde maal vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 30 juni 2008 een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 16 juli 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 15 december 2008 “wegens ontstentenis van het wettelijk vereiste rechtmatig belang” verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de artikelen 48/4 en 55/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van “de principes van volheid van bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in toetsing van artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens” opwerpt; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij ontegensprekelijk recht op subsidiaire bescherming heeft, dat de uitsluitingsgronden van artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet geenszins van toepassing zijn, dat zij van de Afghaanse kant van de Khyberpas komt, dat haar moeder aan de Pakistaanse kant woont en dat zij zelf aan die kant naar school is gegaan, dat het gebied Mohmand Agency volledig onder controle van de Taliban is, dat het gebied, vanwaar de verzoekende partij afkomstig is, op de UNHCR-lijst van gevaarlijke districten voorkomt, dat er volgens de informatie van het commissariaat-generaal in 2006 tussen de 3 000 en de 4 000 doden in Afghanistan zijn gevallen, waarvan één derde burgers, dat het statuut van subsidiaire bescherming daarom aan de verzoekende partij moest worden toegekend, dat de Raad voor XIV-30.872-2/7 Vreemdelingenbetwistingen echter heeft geweigerd de zaak te onderzoeken omdat de verzoekende partij gedurende het eerste deel van de asielprocedure niet de waarheid zou hebben verteld, dat dergelijke leugens niet elke vorm van bescherming voor de toekomst mogen uitsluiten, dat in de loop van een procedure voor een rechtbank met volle rechtsmacht alsnog de waarheid kan worden gezegd en moet worden onderzocht, dat iemand slechts in de zeer strikte en restrictief te interpreteren gevallen van artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet van de asielprocedure kan worden uitgesloten, dat die bepaling door het bestreden arrest is geschonden, dat ook iemand die liegt niet automatisch het recht op bescherming verliest en zo geen afstand van zijn rechten overeenkomstig artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, (E.V.R.M.) kan doen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omwille van het devolutieve karakter van het beroep de zaak moest onderzoeken zoals ze zich voordeed en moest beslissen of de verzoekende partij, niettegenstaande bedrieglijke verklaringen, redenen had om bij een terugkeer naar het land van herkomst vervolging te vrezen en dat, door zulks niet te doen, de aangehaalde bepalingen en beginselen zijn geschonden; 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord toevoegt dat de Raad van State in een gelijkaardige recente zaak heeft besloten dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, ten overstaan van wie door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus is genomen, over het vereiste belang beschikt om die beslissing met een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan te vechten, tenzij zou blijken dat het beroep zelf door bedrog is aangetast; 2.1.
  5. Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er inderdaad niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, ten overstaan van wie door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus is genomen, over het vereiste belang beschikt om die beslissing met een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan te vechten, tenzij zou blijken dat het beroep zelf door bedrog is aangetast; dat de verzoekende partij er wel degelijk belang bij had om voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een verklaring te geven voor het feit dat zij “bij de vorige asielaanvragen en tot bij het laatste verhoor voor het CGVS” over haar vluchtrelaas en haar identiteit had gelogen en om op grond daarvan aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te vragen om de zaak voor een nieuw onderzoek naar het XIV-30.872-3/7 commissariaat-generaal terug te sturen, minstens om zelf alsnog het subsidiaire beschermingsstatuut toe te kennen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bij hem aangevoerde middel echter heeft behandeld alvorens over de (niet-)ontvankelijkheid van het beroep uitspraak te doen; dat in het bestreden arrest aldus over de voorgehouden herkomst van de verzoekende partij wordt vastgesteld, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij zelf voorhield, dat zij “de Pakistaanse nationaliteit heeft en afkomstig is uit Mohmand Agency gelegen in het Federaal bestuurde Stammengebied in Pakistan en niet zoals verzoeker verkeerdelijk stelde in het district (sic) Nangarhar in Afghanistan” en dat “een verwijzing naar de algemene situatie in Afghanistan (...) bijgevolg feitelijke grondslag (mist) en (...) dan ook niet dienstig (kan) worden ingeroepen”; dat verder wordt overwogen dat de verzoekende partij geen concrete gegevens aanbrengt met betrekking tot haar persoonlijke situatie die een beroep op artikel 3 van het E.V.R.M. gegrond zou kunnen verklaren; dat tenslotte wordt overwogen dat de verzoekende partij, gezien haar voormelde en aangehouden leugens over haar afkomst, zich niet als geldige verschoningsgrond kan steunen op slechte raad en de noodzaak om te liegen teneinde niet naar oorlogsgebied te worden teruggestuurd; dat hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest het middel van de verzoekende partij heeft behandeld en in wezen ongegrond heeft bevonden, al heeft hij het beroep “onontvankelijk” genoemd; dat een eventuele schending wat dat betreft niet tot cassatie van het bestreden arrest kan leiden omdat die schending de strekking van het arrest, zijnde de verwerping van het beroep, niet heeft beïnvloed; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen intrinsiek over de vraag naar subsidiaire bescherming en zelfs expliciet over het beroep op artikel 3 van het E.V.R.M. uitspraak heeft gedaan; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om, wat de appreciatie van de als dusdanig zelfs niet betwiste leugenachtige verklaringen betreft, in de beoordeling van de feiten te treden; dat het eerste middel ongegrond is, 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 6 van het E.V.R.M. en van de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet opwerpt; dat zij aanvoert dat zij recht op een beroep met behandeling in een openbare zitting heeft, dat artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zulks niet toelaat door zonder openbare zitting de toelaatbaarheid van het verzoekschrift na te gaan, dat dit in strijd met artikel 149 van de Grondwet is en, bij gebrek aan een eerlijk proces, met artikel 6 van het E.V.R.M., dat artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een verschil maakt tussen degenen die een schorsings- en annulatieberoep indienen en degenen die een cassatieberoep indienen, dat enkel deze laatsten de “toelaatbaarheidsfilter” moeten passeren, dat geen objectief criterium die verschillende wijze van behandeling XIV-30.872-4/7 beantwoordt en dat in die zin twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof zijn gesteld; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; 2.2.
  8. Overwegende dat het huidige cassatieberoep van de verzoekende partij met ‘s Raads beschikking nr. 3.923 van 27 januari 2009 toelaatbaar is verklaard; dat de verzoekende partij aldus tot de procedure ten gronde is toegelaten, die overeenkomstig artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie- procedure bij de Raad van State is gevoerd; dat de zaak, na het wisselen van de memories en het opstellen en meedelen van het auditoraatsverslag, op een openbare terechtzitting is behandeld; dat de verzoekende partij aldus geen belang heeft bij het middel waarin zij opwerpt dat zij, anders dan in het geval van de gewone annulatieberoepen, eerst de in artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorziene “toelaatbaarheidsfilter” dient te passeren; dat het tweede middel niet-ontvankelijk is; 2.3.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van artikel 39 van Richtlijn 2005/85 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus opwerpt; dat zij aanvoert dat het voornoemde artikel 39 is geschonden doordat de beroepstermijn slechts 15 dagen bedraagt, dat die termijn te kort is om een onderbouwd beroep in te dienen en een “daadwerkelijk rechtsmiddel” mogelijk te maken, dat de verzoekende partij in die 15 dagen alle nieuwe bewijselementen moet kunnen leveren, hetgeen omwille van de afstand tot, de beperkte communicatiemiddelen met en de oorlogssituatie in het land van herkomst onredelijk is, dat een termijn van één maand een minimum is, zoals deze ook geldt voor procedures inzake gezinshereniging, dat naar de arresten nr. C-255/00 van 24 september 2000 en C-45/76 van 16 december 1976 van het Europees Hof van Justitie kan worden verwezen, dat het Grondwettelijk Hof de termijn van 15 dagen te kort heeft bevonden maar het, in strijd met het gemeenschapsrecht, niet nodig heeft gevonden die bepaling onmiddellijk te vernietigen en dat dienaangaande een prejudiciële vraag moet worden gesteld; 2.3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; 2.3.
  11. Overwegende dat het Grondwettelijk Hof met zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 artikel 154 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel heeft vernietigd, doch tevens heeft beslist de gevolgen van het vernietigde artikel 154 tot 30 juni 2009 te XIV-30.872-5/7 handhaven, zodat de in de vernietigde bepaling voorziene beroepstermijn van 15 dagen tot 30 juni 2009 kon worden toegepast; Overwegende dat de verzoekende partij tijdig beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had aangetekend; dat zij zich beperkt tot een algemene bewering over het probleem om “in die periode van 15 dagen alle nieuwe bewijselementen te moeten voortbrengen welke de stelling van het CGVS kunnen weerleggen”, doch dat zij niet aangeeft of zij inderdaad nieuwe elementen had willen bijbrengen, welke elementen en of zij in concreto problemen qua termijn heeft ondervonden; dat zij voorbijgaat aan de in artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet voorziene mogelijkheid om bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de loop van het beroep met volle rechtsmacht nieuwe stukken bij te brengen, waarvoor zij na het indienen van het verzoekschrift op 16 juli 2008 toch vier maanden de tijd had tot de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 19 november 2008; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij door de ingeroepen onwettigheid werd benadeeld; dat het tweede middel derhalve niet tot cassatie kan leiden, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig maart tweeduizend en tien, door : XIV-30.872-6/7 de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.872-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.249 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.