← België

Arrest 202255 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.255 Rolnummer: A. 131579/X-11247 Zaak: Arrest 202255 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:30 Fiche Arrest nr 202.255 van 23 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.255 van 23 maart 2010 in de zaak A. 131.579/X-11.247. In zake: de n.v. CHALCEDONE, thans de n.v. THERMEN DILBEEK.BE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Biesemans kantoor houdend te 1080 BRUSSEL Schoonslaapsterstraat 29, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te 3000 LEUVEN J.P. Minckelersstraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 januari 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 14 november 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende vernietiging van de beslissing van 16 september 2002 van het college van burgemeester en schepenen van Dilbeek waarbij aan de n.v. Chalcedone de vergunning wordt verleend voor het plaatsen van een afsluiting aan de Kattebroekstraat te Dilbeek, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nrs. 95/m en 96/f “en, voor zover als nodig, van” het besluit van 9 oktober 2002 van de gemachtigde ambtenaar houdende schorsing van de beslissing van 16 september 2002 van het college van burgemeester en schepenen van Dilbeek. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-11.247-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november 2009. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Biesemans, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Philippe Declercq verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 16 september 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek aan de verzoekende partij een stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van een afsluiting aan de Kattebroekstraat 290 te Dilbeek, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nrs. 95/m en 96/f. Het voormelde perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in woongebied met landelijk karakter. Het is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Blijkens de “verklarende nota” die bij de aanvraag is gevoegd “wordt een wand geplaatst in metaalplaten, idem als het hoofdgebouw, met een hoogte van 2.60 m en een lengte van 37 m, op een afstand van 1 m evenwijdig aan X-11.247-2/13 de perceelsgrens. Deze wand zal voorzien worden van een net waarop aan beide zijden een begroeiing zal worden aangebracht (klimop)”. 4. De onder randnummer 3 vermelde stedenbouwkundige vergunning wordt op 9 oktober 2002 door de gemachtigde ambtenaar geschorst omdat de aanvraag ten onrechte niet aan het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar werd voorgelegd en omdat “het oprichten van bouwwerken in metaalplaten met een hoogte van 2.60m op 1m van de eigendomsgrens (...) stedenbouwkundig niet verantwoord (

  1. is)en (...) de goede plaatselijke uitbouw (schaadt). Het woonklimaat van de omringende bewoners wordt geschaad”. Dit is het tweede bestreden besluit. 5. Op 14 november 2002 vernietigt de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening de meer vermelde stedenbouwkundige vergunning van 16 september 2002 met als enig motief de onverenigbaarheid van het vergunde met de goede ruimtelijke ordening. Het motief dat de aanvraag niet aan het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar werd voorgelegd, wordt als onrechtmatig verworpen. Dit is het eerste bestreden besluit. IV. Voorwerp 6. “Voor zover als nodig” wordt de nietigverklaring gevraagd van het besluit van 9 oktober 2002 van de gemachtigde ambtenaar. Het komt aan de verzoekende partij en niet aan de Raad van State toe het voorwerp van het beroep te bepalen. 7. Onder “het bestreden besluit” wordt hierna enkel het eerste bestreden besluit begrepen. V. Onderzoek van de middelen A. Tweede en derde middel Uiteenzetting van het tweede en derde middel 8. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van “het op 22 oktober 1996 gecoördineerde Decreet op de ruimtelijke Ordening, X-11.247-3/13 meer bepaald artikel 44, gebrek aan de rechtens vereiste feitelijke grondslag, evenals de schending van de ‘motiveringsplicht’ als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van de bepalingen van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”: “Doordat het bestreden Ministerieel Besluit, afzonderlijk genomen, stelt dat: ‘Overwegende dat de afsluiting 2,60 m hoog is: dat artikel 5,7/ van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar stelt dat voor de plaatsing van afsluitingen met een maximumhoogte van 2,60 m voor zover deze niet in betonplaten of betonblokken worden uitgevoerd, het advies van de gemachtigde ambtenaar niet vereist is; dat de aanvraag bijgevolg niet onderworpen diende te worden aan het voorafgaande advies van de gemachtigde ambtenaar; dat niettemin de aanvraag verenigbaar dient te zijn met de goede aanleg van de plaats; Overwegende dat de omgeving landelijk is; dat de afsluiting een lengte heeft van 37 m; dat, gelet op de hoogte van 2.60 m, het gaat om een bouwwerk met een ruime omvang; dat de afsluiting dan ook een grote visuele impact heeft op de omliggende percelen; dat dergelijke constructie niet integreerbaar is binnen de bestaande omgeving; dat de afsluiting de goede ruimtelijke ordening van het gebied in gedrag brengt; Overwegende dat de constructie bestaat uit metaal; dat dit materiaal niet past bij de omliggende bebouwing; Overwegende dat de afsluiting wordt voorzien op l m van de perceelgrens; dat er hierdoor een strook zal ontstaan, die moeilijk kan worden onderhouden; dat dit een slordige indruk zal geven; dat dit storend is in een woongebied met landelijk karakter; Overwegende ... dat bovendien een metalen wand, die zowel qua lengte als hoogte sterk afwijkt van de bestaande groenaanplantingen, esthetisch niet verantwoord is; Overwegende dat een afsluiting in metaalplaten met een lengte van 37 m en een hoogte van 2,60 m niet past binnen de bestaande landelijke woonomgeving; dat de aanvraag stedenbouwkundig onaanvaardbaar is; dat om deze redenen het standpunt van de gemachtigde ambtenaar kan bijgetreden worden; ...’ Terwijl de Minister, bij het beoordelen van de goede plaatselijke ordening met het oog op de toepassing van zijn schorsingsbevoegdheid zoals bepaald in het op 22 oktober 1996 gecoördineerde Decreet op de ruimtelijke Ordening, meer bepaald artikel 44, deze in concreto dient te beoordelen en minstens de concrete elementen waarop hij zich steunt bij het nemen van zijn besluit dient weer te geven, niet kan volstaan met motivering in algemene bewoordingen en zich dient te baseren op wettige en feitelijk juiste gegevens; en terwijl uit het bestreden Ministerieel besluit niet blijkt welke elementen de Minister afleidt dat de hoogte van de wand in metaalplaten en de lengte ervan van aard zouden zijn het ‘bouwwerk’ ‘niet integreerbaar’ te maken en ‘de goede ruimtelijke’ ordening in gedrang te brengen en zelfs esthetisch niet verantwoord zou zijn, daar waar het hoofdgebouw, vergund bij verschillende bouwvergunningen, op regelmatige wijze opgetrokken is in hetzelfde materiaal (identiek dezelfde platen), maar zelfs veel hoger en bijna tot een zelfde ‘diepte’ en daar waar de metaalwand begroeid zal zijn, binnen korte tijd, met een inheems groen (klimop) of waaruit zou blijken dat de strook van 1 meter X-11.247-4/13 langsheen de perceelgrens moeilijk te onderhouden (begroeid met klimop) is en een slordig zal geven (sic) of esthetisch niet verantwoord zou zijn; en terwijl de Minister zeker afdoende dient te motiveren en de motieven dient kenbaar te maken wanneer hij, bij de ‘goede ruimtelijke ordening van de plaats’ - door het College van Burgemeester en Schepenen beter gekend dan door de Minister onderzoekt en afweegt en afwijkt van het standpunt van het College terzake; zodat het Ministerieel Besluit van Vlaamse Minister van Financiën en begroting, innovatie, media en ruimtelijke Ordening, de Heer D. VAN MECHELEN van 14.11.2002, houdende de nietigverklaring van de Stedenbouwkundige vergunningbeslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente DILBEEK, genomen op 16.09.2002 inhoudende de vergunning ten voordele van de genaamde De N.V. CHALCEDONE, met maatschappelijke zetel Kattebroekstraat 290 te 1700 DILBEEK, tot plaatsing van een afsluiting aan de Kattebroekstraat te DILBEEK, kadastraal bekend sectie C nr. 95 m + 96 f, niet naar behoren gemotiveerd en de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen en beginselen schendt”. 9. De verzoekende partij roept in een derde middel het “gebrek (
  2. in)aan de rechtens vereiste feitelijke grondslag” en de schending van “de regels van het behoorlijk bestuur o.a. het redelijkheidsbeginsel en de regel ‘patere legem quam ipse fecisti’”: “Doordat het bestreden besluit ook nog luidt: ‘... Overwegende dat de constructie bestaat uit metaal; dat dit materiaal niet past bij de omliggende bebouwing; ... Overwegende dat een afsluiting in metaalplaten met een lengte van 37 m en een hoogte van 2,60 m niet past binnen de bestaande landelijke woonomgeving; dat de aanvraag stedenbouwkundig onaanvaardbaar is; ... ’ Terwijl het besluit elke feitelijke grondslag mist waar het hoofdgebouw, op wettige wijze vergund, werd opgetrokken in dezelfde materialen; en terwijl het besluit op geen enkele (redelijke) wijze verantwoord(
  3. t)waarom in deze de gebruikte materialen onaanvaardbaar zouden zijn en niet passen bij de omliggende bebouwing; Zodat het bestreden besluit de hiervoor genoemde bepalingen en beginselen schendt”. Beoordeling 10. Het wordt niet betwist dat het kwestieuze perceel volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen is in woongebied met landelijk karakter, het perceel niet beheerst wordt door een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan en het geen deel uitmaakt van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. X-11.247-5/13 Artikel 19, laatste lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bepaalt dat een vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts kan worden afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening dient in de eerste plaats rekening te worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling dient in concreto te geschieden en uit te gaan van de bestaande toestand. Al naargelang de aard en de omvang van de aanvraag kan ook rekening gehouden worden met de ordening in een ruimere omgeving. Daarbij is de ordening in de ruimere omgeving uiteraard minder doorslaggevend en mag zij er alleszins niet toe leiden dat de ordening in de onmiddellijke omgeving, die de plaatselijke aanleg het meest bepaalt, buiten beschouwing wordt gelaten. De onverenigbaarheid van het vergunde met de goede ruimtelijke ordening kan voor de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening een geldige grond uitmaken om tot de vernietiging van een stedenbouwkundige vergunning op grond van het toentertijd geldende artikel 44, zesde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, te beslissen. 11. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze wet “slechts van toepassing (
  4. is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit deze bepaling volgt dan ook dat op het stuk van de motiveringsverplichting, de voormelde wet van 29 juli 1991 een wet van suppletoire aard is. Rekening houdend met het bepaalde in het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd X-11.247-6/13 op 22 oktober 1996, dat aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de voormelde wet van 29 juli 1991, dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet valt. De ingeroepen schending van de motiveringsverplichting moet in de gegeven omstandigheden dan ook geacht worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het voornoemde decreet. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad van State niet zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 12. In het bestreden besluit wordt met betrekking tot de verenigbaarheid van het vergunde met de goede ruimtelijke ordening het volgende overwogen: “(...) Overwegende dat de omgeving landelijk is; dat de afsluiting een lengte heeft van 37 m; dat, gelet op de hoogte van 2,60 m, het gaat om een bouwwerk met een ruime omvang; dat de afsluiting dan ook een grote visuele impact heeft op de omliggende percelen; dat een dergelijke constructie niet integreerbaar is binnen de bestaande omgeving; dat de afsluiting de goede ruimtelijke ordening van het gebied in het gedrang brengt; Overwegende dat de constructie bestaat uit metaal; dat dit materiaal niet past bij de omliggende bebouwing; Overwegende dat de afsluiting wordt voorzien op 1 m van de perceelsgrens; dat er hierdoor een strook zal ontstaan, die moeilijk kan worden onderhouden; dat dit een slordige indruk zal geven; dat dit storend is in een woongebied met landelijk karakter; Overwegende dat uit onderzoek van het dossier blijkt dat er vanaf de straatzijde tussen het gezondheidscentrum en de linkerbuur een schutting werd aangebracht; dat er rond het gezondheidscentrum reeds een groenbuffer werd aangelegd; dat hierdoor zowel de privacy van de aanvrager als deze van de buur zijn gewaarborgd; dat een extra afsluiting met groenbeplanting dan ook niet nuttig is; dat bovendien een metalen wand, die zowel qua lengte als hoogte sterk afwijkt van de bestaande groenaanplantingen, esthetisch niet verantwoord is; Overwegende dat een afsluiting in metaalplaten met een lengte van 37 m en een hoogte van 2,60 m niet past binnen de bestaande landelijke woonomgeving; dat de aanvraag stedenbouwkundig onaanvaardbaar is; dat om deze redenen het standpunt van de gemachtigde ambtenaar kan bijgetreden worden”. X-11.247-7/13 13. Na te hebben vastgesteld dat “de omgeving landelijk is” en “dat de afsluiting een lengte heeft van 37 m”, overweegt de verwerende partij in het bestreden besluit “dat, gelet op de hoogte van 2,60 m, het gaat om een bouwwerk met een ruime omvang; dat de afsluiting dan ook een grote visuele impact heeft op de omliggende percelen” en “dat een dergelijke constructie niet integreerbaar is binnen de bestaande omgeving”. Gelet op de voormelde overwegingen kan het betoog van de verzoekende partij dat geen beoordeling in concreto van de verenigbaarheid van het gevraagde met de omgeving heeft plaatsgehad, niet worden bijgetreden. De voormelde motieven zijn afdoende om het bestreden besluit te dragen. De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij bij haar beoordeling van de goede plaatselijke aanleg is uitgegaan van feitelijk onjuiste gegevens of dat deze beoordeling kennelijk onredelijk is. De door haar aangevoerde omstandigheden dat het hoofdgebouw in dezelfde materialen werd opgetrokken en dat de afsluiting van een groenbeplanting wordt voorzien, volstaan daartoe niet. De middelen zijn ongegrond. B. Eerste middel Uiteenzetting van het eerste middel 14. De verzoekende partij voert in een eerste middel aan wat volgt: “Schending van de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening van het Vlaamse Gewest gecoördineerd op 22 oktober 1996 en meer bepaald artikel 44, zoals laatst gewijzigd, en van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 26 april 2002, onwettigheid, gebrek aan de rechtens vereiste feitelijke en juridische geldige grondslag, evenals de schending van de ‘motiveringsplicht’ als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van de bepalingen van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”. Doordat de aan het bestreden Ministerieel besluit voorafgaande schorsingsbeslissing van de Gemachtigde ambtenaar stelt dat: ‘... 3/ De in de aanvraag vermelde werkzaamheden en handelingen zijn niet vrijgesteld van het voorafgaande eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar. Dit wordt verderop nader toegelicht’ en doordat dezelfde schorsingsbeslissing verder stelt: ‘De door het College van burgemeester en schepenen gevolgde procedure is niet regelmatig omwille van volgende reden(en): het oprichten van bouwwerken in metaalplaat met een hoogte van 2.60m op 1m van de eigendomsgrens zijn stedenbouwkundig niet verantwoord en schaden de goede plaatselijke uitbouw. Het woonklimaat van de omringende bewoners wordt geschaad.’ X-11.247-8/13 en doordat het bestreden Ministerieel besluit van Vlaamse Minister van Financiën en begroting, innovatie, media en ruimtelijke Ordening, de Heer D. VAN MECHELEN van 14.11.2002, houdende de nietigverklaring van de Stedenbouwkundige vergunningbeslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente DILBEEK, genomen op 16.09.2002 inhoudende de vergunning ten voordele van de genaamde De N.V. CHALCEDONE, met maatschappelijke zetel Kattebroekstraat 290 te 1700 DILBEEK, tot plaatsing van een afsluiting aan de Kattebroekstraat te DILBEEK, kadastraal bekend sectie C nr. 95 m + 96f, op voormelde schorsingsbeslissing van de gemachtigde ambtenaar is gesteund; Terwijl artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en de handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2002, luidt als volgt: Art. 5. (Het advies van de gemachtigde ambtenaar is niet vereist voor de hieronder beschreven handelingen en werken, die volgens het gewestplan gelegen zijn in een woongebied in de ruime zin.) bvr 26/4/2002, art. 5 Het betreft de volgende werken en handelingen : 1/ de verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand, vergund woongebouw voorzover ze geen vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie en geen vermeerdering van het aantal woongelegenheden met zich meebrengen. Een eventuele uitbreiding van het bouwvolume mag maximaal 20% van het oorspronkelijke volume bedragen en mag maximaal 75 vierkante meter grondoppervlakte innemen; 2/ de verbouwingswerkzaamheden binnen het bestaande bouwvolume van een vergund gebouw voorzover ze geen vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie of - wanneer het een woongebouw betreft - geen vermeerdering van het aantal woongelegenheden met zich meebrengen; 3/ de werkzaamheden of handelingen aan de buitenvlakken van een vergund gebouw, zoals :
  5. a)het aanbrengen van een gevelsteen, een bepleistering of een andere gevelbekleding;
  6. b)het aanbrengen van dakvlakvensters en/of fotovoltaïsche zonnepanelen en/of zonneboilers in het dakvlak of op een plat dak;
  7. c)het aanbrengen van dakuitbouwen over maximaal één vierde van de dakoppervlakte;
  8. d)verluchtings- luchtbehandelings- of luchtafzuiginstallaties;
  9. e)zonnetenten of markiezen, die ingeklapt, opgevouwen of ingerold kunnen worden;
  10. f)een schotelantenne; voorzover ze geen vergunningsplichtige functiewijziging of - wanneer het een woongebouw betreft - geen vermeerdering van het aantal woongelegenheden met zich meebrengen. 4/ het bouwen van de volgende afzonderlijke bijgebouwen in de onmiddellijke omgeving van een vergund hoofdgebouw :
  11. a)een hok voor dieren met bijbehorende afrastering, een duiventil, een volière;
  12. b)een tuinhuisje, een bergplaats, een garage, een carport;
  13. c)een serre;
  14. d)een prieel. De totale oppervlakte van alle bijgebouwen is beperkt tot 75 vierkante meter; de kroonlijsthoogte is beperkt tot 3,00 meter; het hoogste punt van het dak is niet hoger dan 4,50 meter. X-11.247-9/13 Onder onmiddellijke omgeving dient te worden verstaan de ruimte gelegen binnen een straal van 30 meter van de uiterste grenzen van het vergund hoofdgebouw; 5/ de volgende werken en handelingen in de onmiddellijke omgeving van een vergund woongebouw:
  15. a)het plaatsen van een antenne voorzover deze niet hoger dan 4 meter boven het gebouw uitsteekt;
  16. b)het plaatsen van een schotelantenne;
  17. c)het aanleggen van verhardingen, opritten, parkeerplaatsen;
  18. d)het plaatsen van een kleinschalige bovengrondse waterzuiveringsinstalla- tie met tanksysteem en/of kunstmatig rietveld ten behoeve van één gezin;
  19. e)aanmerkelijke reliëfwijzigingen;
  20. f)het plaatsen van een bovengrondse gas-, brandstof- en/of stookolietank met een maximuminhoud van 2000 liter;
  21. g)het draineren van grond, louter voor de aanleg van de tuin. Onder onmiddellijke omgeving dient te worden verstaan de ruimte gelegen binnen een straal van 30 meter van de uiterste grenzen van het woongebouw; 6/ de volgende werken en handelingen in de buurt van een vergund woongebouw:
  22. a)een siervijver met een maximumoppervlakte van 75 vierkante meter;
  23. b)maximaal één tennisveld;
  24. c)maximaal één openluchtzwembad van maximum 75 vierkante meter. Deze werken en handelingen dienen deels te vallen binnen een straal van 30 meter van de uiterste grenzen van het woongebouw; 7/ de plaatsing van afsluitingen met een maximumhoogte van 2,60 meter voorzover deze niet in betonplaten of betonblokken worden uitgevoerd; 8/ de publiciteitsinrichtingen of uithangborden die niet groter zijn dan 20 vierkante meter; 9/ de plaatsing van seizoensgebonden, overdekte terrassen aan horecazaken, voorzover deze terrassen niet groter zijn dan 100 vierkante meter; 10/ de oprichting van bijenstallen of bijenkorven voor maximaal 10 bijenvolken; 11/ de plaatsing van zend- en ontvangstapparatuur voor radio- en/of telecommunicatie in, aan of op vergunde gebouwen en constructies, voorzover het hoogste punt zich minder dan 4 meter boven het hoogste punt van het gebouw of de constructie bevindt. De plaatsing van de technische installaties die bij deze zend- en ontvangstapparatuur horen voorzover de totale oppervlakte niet groter is dan 21 vierkante meter.’ (...) en terwijl artikel 44 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke stelt: ‘Wanneer voor het gebied waarin het goed gelegen is, een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, wordt een afschrift van de vergunning samen met het dossier gezonden aan de gemachtigde ambtenaar, die nagaat of de vergunning overeenstemt met het bijzonder plan van aanleg, met de algemene verordeningen genomen ter uitvoering van de artikelen 57 en 58 van dit decreet, van de wetgeving op de grote wegen en van artikel 10 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen alsmede met de door de Vlaamse regering krachtens artikel 6 van die wet goedgekeurde perceelplannen. Dezelfde regels gelden voor de aanvragen om vergunning tot bouwen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde verkaveling. (...) (decreet van 19 juli 2002, artikel 14) In geval van niet-overeenstemming schorst de gemachtigde ambtenaar de beslissing van het college en geeft daarvan aan het college en aan de aanvrager kennis binnen (twintig) dagen na ontvangst van de vergunning. X-11.247-10/13 (decreet van 26 april 2000, artikel 58) De gemachtigde ambtenaar kan eveneens een bouwvergunning schorsen wanneer hij van oordeel is dat de overeenkomstig de bouwvergunning of het bijbehorende dossier geplande werken, handelingen of wijzigingen een goede plaatselijke ordening in gevaar kunnen brengen, zodra de Vlaamse regering heeft besloten tot de herziening van het bijzonder plan van aanleg of het opmaken van een bijzonder plan van aanleg strekkende tot de herziening of de vernietiging van de verkavelingsvergunning. De gemachtigde ambtenaar kan eveneens de bouwvergunning schorsen, die hoewel steunende op een bijzonder plan van aanleg of op een verkavelingsvergunning, onverenigbaar is met de voorschriften van een voorlopig vastgesteld ontwerp van streek- of gewestplan. (Als voor het gebied waarin het goed gelegen is, geen door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en geen behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling bestaat, kan de gemachtigde ambtenaar eveneens een vergunning schorsen als die strijdig is met de goede plaatselijke ordening.) (decreet van 26 april 2000, artikel 58) Binnen 40 dagen na kennisgeving wordt de beslissing, zo nodig, door de Vlaamse regering vernietigd. Heeft de vernietiging binnen de termijn niet plaats, dan is de schorsing opgeheven. Wordt een vergunning geweigerd of vernietigd om de in het vierde en vijfde lid bedoelde redenen, dan vervalt de weigering of de vernietiging: - indien het bijzonder plan van aanleg geen bindende kracht heeft verkregen binnen drie jaar na de inwerkingtreding van het in het vierde lid bedoelde besluit van de Vlaamse regering waarbij tot de herziening of het opmaken van het plan is besloten; - indien het streek- of het gewestplan geen bindende kracht heeft verkregen binnen drie jaar na de inwerkingtreding van het in het vijfde lid bedoelde besluit van de Vlaamse regering houdende voorlopige vaststelling van een ontwerp van streek- of gewestplan. Over de oorspronkelijke aanvraag wordt, op verzoek van de aanvrager, een nieuwe beslissing genomen, die bij weigering niet meer op de genoemde reden gegrond mag zijn.’ (...) en terwijl enerzijds de gemachtigde ambtenaar niet kan volstaan met algemene bewoordingen het strijdig zijn met de ‘goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ - door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente zeker beter kent dan door hemzelf - ter motivatie van de schorsing van de vergunningsbeslissing van het College van Burgemeester en Schepenen, die de werken wel vergunde en in overeenstemming achtte, maar daarentegen een zelfstandige en inhoudelijke beoordeling moet inhouden steunende op de concrete elementen en anderzijds geen enkel bezwaar werd geopperd door de ‘buurt’ in het kader van het gevoerde openbare onderzoek; zodat het de schorsingsbeslissing van de Gemachtigde Ambtenaar van 09.10.2002, houdende de schorsing van de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente DILBEEK, genomen op 16.09.2002, inhoudende de vergunning ten voordele van de genaamde De N.V. CHALCEDONE, met maatschappelijke zetel Kattebroekstraat 290 te 1700 DILBEEK, tot plaatsing van een afsluiting aan de Kattebroekstraat te DILBEEK, kadastraal bekend sectie C nr. 95 m + 96f dat enerzijds onwettig is en anderzijds geen enkele concrete beoordeling inhoudt, wegens inbreuk op de voormelde bepalingen en beginselen, onregelmatig is en zodat het Ministerieel Besluit van Vlaamse Minister van Financiën en begroting, innovatie, media en ruimtelijke Ordening, de Heer D. VAN MECHELEN van 14.11.2002, houdende de nietigverklaring van de Stedenbouwkundige vergunningbeslissing van het College van Burgemeester X-11.247-11/13 en Schepenen van de gemeente DILBEEK, genomen op 16.09.2002 inhoudende de vergunning ten voordele van de genaamde De N.V. CHALCEDONE, met maatschappelijke zetel Kattebroekstraat 290 te 1700 DILBEEK, tot plaatsing van een afsluiting aan de Kattebroekstraat te DILBEEK, kadastraal bekend sectie C nr. 95 m + 96f, dat hierop is gesteund eveneens onregelmatig is”. Beoordeling 15. Uit de bespreking van het tweede en derde middel blijkt dat de verwerende partij in het bestreden besluit een afdoende motivering heeft gegeven. Het betreft tevens een eigen motivering van de verwerende partij, die niet is gesteund op de beoordeling van de verenigbaarheid van het gevraagde met de goede plaatselijke aanleg in de beslissing van 9 oktober 2002 van de gemachtigde ambtenaar houdende de schorsing van de vergunningsbeslissing van 16 september 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek. De gebeurlijke onwettigheid van de laatstvermelde beoordeling door de gemachtigde ambtenaar is verder niet van aard het bestreden besluit te vitiëren. 16. Het bestreden besluit bepaalt voorts “dat de aanvraag (...) niet onderworpen diende te worden aan het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar” en weerhoudt derhalve het door de verzoekende partij bekritiseerde weigeringsmotief van de voormelde ambtenaar waarin het voorafgaand advies wel wordt vereist, uitdrukkelijk niet. Het middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-11.247-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.247-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.255 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.