← België

Arrest 202256 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.256 Rolnummer: A. 169145/X-12649 Zaak: Arrest 202256 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:30 Fiche Arrest nr 202.256 van 23 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.256 van 23 maart 2010 in de zaak A. 169.145/X-12.

  1. In zake: Eddy PYPEN wonend te 3390 TIELT-WINGE Puttestraat 12 alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rudi Beeken kantoor houdend te 3390 TIELT-WINGE Kraasbeekstraat 41 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 3 januari 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 5 december 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en vernietiging van het besluit van 1 september 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende verlening van de vergunning voor het bouwen van stallingen en schuilplaatsen voor weidedieren op een perceel gelegen te Tielt-Winge, Puttestraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 259/g
  3. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld. X-12.649-1/11 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari
  5. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wim Goossens, die loco advocaat Rudi Beeken verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, daartoe gemachtigd bij beslissing van 2 april 2009 van de adjunct-auditeur-generaal. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Op 5 mei 2004 (datum van het ontvangstbewijs) vragen de verzoeker en zijn echtgenote bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge een stedenbouwkundige vergunning aan voor het bouwen van een stalling voor weidedieren (paarden) op een perceel gelegen te Tielt-Winge, Puttestraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 259/g
  8. Het voornoemde perceel is krachtens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest gelegen in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling.
  9. Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag worden geen bezwaarschriften ingediend. X-12.649-2/11
  10. Op 12 mei 2004 geeft de afdeling Land - Vlaams-Brabant voorwaardelijk gunstig advies over de aanvraag.
  11. Op 12 juli 2004 geeft de gemachtigde ambtenaar ongunstig advies over de aanvraag, omwille van de afwezigheid van bewijzen van eigendom van alle paarden en van de vergunde toestand van de bestaande aanbouwen.
  12. Op 5 april 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, met verwijzing naar het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar.
  13. Op 27 april 2005 stellen de verzoeker en zijn echtgenote bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant beroep in tegen de voornoemde weigeringsbeslissing.
  14. In de loop van de maand juli 2005 voert de verzoeker de aangevraagde werken uit.
  15. Op 1 september 2005 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep in en verleent zij de gevraagde vergunning om de volgende redenen: - de aanvraag voldoet aan de omzendbrief 2002/1 aangaande stalling voor weidedieren; - er is afdoende aangetoond dat de dieren effectief gehouden worden; - de oppervlakte van de stal is in overeenstemming met de richtlijnen; - de aaneengesloten graasweide voldoet voor het aantal dieren met deze beperkte schofthoogte; - de stal werd opgericht binnen de gangbare perimeter van 30 meter voor huiskavels bij zonevreemde woningen; - de stal is aansluitend bij de bestaande garage/bergplaats opgericht, zodat versnippering maximaal wordt vermeden; - het gebouw integreert zich door het materiaalgebruik in de bestaande bebouwing.
  16. Op 22 september 2005 ontvangt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een afschrift van het vergunningsbesluit van de bestendige deputatie. X-12.649-3/11
  17. Op 18 oktober 2005 stelt de gemachtigde ambtenaar bij de verwerende partij beroep in tegen het vergunningsbesluit van de bestendige deputatie.
  18. Met een aangetekende zending van 18 oktober 2005 bezorgt de gemachtigde ambtenaar de verzoeker en zijn echtgenote een afschrift van zijn beroepschrift. In het begeleidend schrijven deelt de gemachtigde ambtenaar het volgende mee: “Ik verwijs hierbij ook naar de mogelijkheid voorzien in artikel 53 § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, waarin gesteld wordt dat u bij de behandeling van de zaak kan worden gehoord (...). De instantie die het voorbereidend onderzoek in dit kader verricht is Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, Phoenix-gebouw, Koning Albert II laan 19 - bus 10, 1210 BRUSSEL (tel. 02-553.83.34 - fax 02- 553.83.35 - email: stedenbouw@lin.vlaanderen.be). Voor verdere uitleg over deze mogelijkheden verwijs ik naar de als bijlage gevoegde tekst”.
  19. Op 5 december 2005 willigt de verwerende partij het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en wordt de vergunning geweigerd. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat de betekening van de beslissing van de bestendige deputatie gebeurde op 22 september 2005; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld werd binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing; dat het dienvolgens ontvankelijk is; Overwegende dat belanghebbende een aanvraag doet voor het bouwen van een stal voorzien achter een bestaande berging en garage van 4 boxen, met afmetingen van 12,00 m bij10,00 m; dat de kroonlijsthoogte op 3,70 m en de nok op 4,70 m is voorzien, de gevels zullen uitgevoerd worden in rood-bruine baksteen en het dak zal afgewerkt worden in donkergrijze aluminiumplaten; dat de bestendige deputatie het beroep heeft ingewilligd; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar in beroep komt tegen de beslissing van de bestendige deputatie onder meer omdat uit de beslissing van de bestendige deputatie blijkt dat de aanvrager 4 pony’s heeft van verschillende schofthoogte; dat pony’s inderdaad als weidedieren kunnen beschouwd worden, doch niet als ‘grote weidedieren’ zoals aangegeven in de omzendbrief RO2002/01; dat pony’s als ‘kleine weidedieren’ dienen te worden beschouwd waarbij de oppervlaktenormen voor stal en bergruimte veel kleiner zijn; dat de ingediende aanvraag bijgevolg veel te ruime stallingen en bergruimte voorziet voor dergelijke ‘kleine weidedieren’; dat in bijkomende orde wordt opgemerkt dat slechts 3 stallingen aanwezig zijn en er verhoudingsgewijs meer bergruimte dan stalling wordt voorzien, aldus de gemachtigde ambtenaar; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Aarschot - Diest, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk X-12.649-4/11 besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; Overwegende dat er geen bijzonder plan van aanleg of verkaveling bestaat; Overwegende dat een openbaar onderzoek werd gehouden dat geen bezwaren tot gevolg had; Overwegende dat de afdeling Land van AMINAL op 12 mei 2004 het volgende advies heeft geformuleerd : ‘...De particuliere aanvragers wensen een stal met voederberging op te richten achter hun woonkavel. De aanvraag is gesitueerd in agrarisch gebied, langs een verharde wegenis met verspreide bebouwing. - De aanvragers houden momenteel een 3-tal paarden als hobby-activiteit en beschikken over 1,17 ha weiland. - Achter de woning bevinden zich betonplaten constructies, deze zouden gedeeltelijk gesloopt worden en vervangen door de nieuwe stal van 106,5 m². Uit landbouwkundig standpunt en uit oogpunt van een goede landinrichting, kan de oprichting van de stal enkel aanvaard worden, indien de bestaande constructies regulier zijn vergund, zoniet dient de stal ingeplant binnen de woonkavel of 50 m - zone.’; Overwegende dat uit het stedenbouwkundig-technisch onderzoek blijkt dat de gevraagde werken ondertussen werden uitgevoerd en voorliggende aanvraag als een regularisatie dient te worden beschouwd; dat uit het besluit van de bestendige deputatie blijkt dat de aanvrager 4 pony’s van verschillende schofthoogte heeft; dat deze dieren louter voor hobby-doeleinden worden gehouden; dat aangaande het effectief houden van deze dieren kan gesteld worden dat er geen stamboekbewijzen van de pony’s voorhanden zijn; dat ook de identificatie van de pony’s met een paspoort nog niet is doorgevoerd; dat met de 3 grootste dieren wedstrijden worden gereden door de dochters van de aanvragers; dat dit blijkt uit de aan het dossier toegevoegde stukken; Overwegende dat in de omzendbrief RO2002/01 ‘Richtlijnen voor de beoordeling van aanvragen om een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen of oprichten van stallingen voor weidedieren, geen betrekking hebbend op effectieve beroepslandbouwbedrijven’ onder punt 5 enkele richtinggevende cijfers worden gegeven; dat er inderdaad een onderscheid wordt gemaakt tussen grote en kleinere weidedieren; dat onder grote weidedieren paarden en runderen worden verstaan; dat voor het stallen van een paard een stallingsoppervlakte van 10 à 15 m², afhankelijk van de schofthoogte, wordt voorzien; dat voor de voederberging (hooi en stro) 5 à 10m² per dier is voorzien; dat er in de richtlijn dus wel wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van grotere en kleinere paarden (pony’s); dat het standpunt van de gemachtigde ambtenaar kan gevolgd worden gezien de aanvrager bij het bepalen van de afmetingen zich gebaseerd heeft op de maximaal voorziene oppervlaktes voor paarden; dat in casu belanghebbende de minimale oppervlaktes kan aanwenden, gezien het de huisvesting van kleine paarden, pony’s met een lagere schofthoogte dan paarden betreft; dat voor de stal 4 x 10 m²/dier = 40 m² + voederberging 4 x 5 m²/dier = 20 m², wat een totale oppervlakte van 60 m² geeft (dit betreft de helft van wat nu werd gevraagd en uitgevoerd), volstaat; Overwegende dat uit navraag bij de gemeente blijkt dat de bestaande, berging en garage, samen met de woning als ‘geacht vergund’ door de gemeente worden beschouwd; dat de bestaande gebouwen-configuratie, de zonevreemde woning met bijgebouwen, op circa 48,00 m van de voorliggende X-12.649-5/11 straat, dus vrij diep in het achterliggende open landbouwgebied is ingeplant; dat aan de oostzijde van het perceel in kwestie een huizengroep aanwezig is bestaande uit 3 woningen; dat aan de west- en zuidkant evenwel een nog relatief groot open gebied aanwezig is; dat de gevraagde, bijkomende vrij omvangrijke constructie, in functie van hobby-activiteiten, het achterliggende open gebied nog verder zal aantasten, wat stedenbouwkundig niet verantwoord is; Overwegende dat de gevraagde regularisatie niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd”. IV. Onderzoek van de middelen A. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
  20. In het verzoekschrift wordt het volgende zevende middel aangevoerd: “Aangezien een behoorlijk bestuur minstens inhoudt dat men de benadeelde van een te nemen beslissing hoort; Dat de verwerende partij op 5 december 2005 het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams Brabant inwilligde, zonder verzoekende partijen hieromtrent te horen; Dat verzoekende partijen nochtans het recht hebben om gehoord te worden; Dat duidelijk is dat zij wensten gehoord te worden, nu zij ook reeds beroep aantekenden tegen de beslissing van 5 april 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge tot weigering van de litigieuze vergunning (hetgeen nota bene ingewilligd werd); Dat de hoorplicht (audi et alteram partem) als onderdeel van het recht om zich te verweren een procedureel beginsel van behoorlijk bestuur uitmaakt (...); Dat de beslissing dient vernietigd te worden, gezien de schending van de hoorplicht”. Beoordeling
  21. Artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), bepaalt onder meer: “De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens: (...) 3/ welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften van te bekomen. (...) X-12.649-6/11 De aanvrager of zijn raadsman, alsook het college of zijn gemachtigde worden op hun verzoek door de Vlaamse regering of diens gemachtigde gehoord. Wanneer een partij vraagt te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen”. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de gemachtigde ambtenaar bij de kennisgeving van 18 oktober 2005 aan de verzoeker en zijn echtgenote heeft meegedeeld dat zij konden vragen om te worden gehoord. Het blijkt niet - en de verzoeker beweert ook niet - dat de verzoeker of zijn echtgenote hierop heeft gereageerd. Het feit dat de verzoeker en zijn echtgenote op 27 april 2005 beroep hadden ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant kan niet worden beschouwd als een verzoek om te worden gehoord bij de behandeling door de verwerende partij van het door de gemachtigde ambtenaar op 18 oktober 2005 ingestelde beroep. De verwerende partij kon er bijgevolg wettig van uitgaan dat de aanvrager geen gebruik wenste te maken van de mogelijkheid gehoord te worden. De verwerende partij heeft de geciteerde decretale bepaling correct toegepast. In zoverre de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog aanvoert dat de verwerende partij niet op de hoogte was van alle elementen van het dossier, verruimt hij op onontvankelijke wijze het in het verzoekschrift aangevoerde middel.
  22. Het zevende middel wordt verworpen. B. Vierde en zesde middel Uiteenzetting van de middelen
  23. In het verzoekschrift wordt het volgende vierde middel aangevoerd: “Aangezien de verwerende partij overweegt dat de gevraagde, bijkomende constructie stedenbouwkundig niet verantwoord zou zijn (tiende overweging bestreden beslissing); Dat het nochtans om de vervanging van bestaande betonnen constructies gaat; Dat AMINAL immers op 12 mei 2004 adviseerde: ‘Achter de woning bevinden zich betonplaten constructies, deze zouden gedeeltelijk gesloopt worden en vervangen door de nieuwe stal van 106,5 m²’ (zevende overweging bestreden beslissing); Dat de verwerende partij aldus onjuist motiveert; Dat haar feitelijke vaststelling niet correct is; X-12.649-7/11 Dat de litigieuze motivering ongegrond is; Dat de verwerende partij het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht geschonden heeft; Dat zij art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 (B.S. 12 september 1991) heeft geschonden; Dat de beslissing tot inwilliging onvoldoende door de hoger vermelde, foutieve motivering gedragen wordt, zodat onderhavige motivering niet afdoende is (...); Dat de formele motiveringsplicht een substantiële vormvereiste inhoudt; Dat de schending ervan de beslissing onwettig maakt, zodat de Raad van State deze bestuurshandeling behoort te vernietigen”.
  24. In het verzoekschrift wordt het volgende zesde middel aangevoerd: “Aangezien de verwerende partij als volgt stelt: ‘Overwegende dat (...) de bestaande gebouwen-configuratie, de zonevreemde woning met bijgebouwen, op circa 48,00 m van de voorliggende straat, dus vrij diep in het achterliggende open landbouwgebied is ingeplant; dat aan de oostzijde van het perceel in kwestie een huizengroep aanwezig is bestaande uit drie woningen; dat aan de west- en zuidkant evenwel een nog relatief groot open gebied aanwezig is; dat de gevraagde bijkomende vrij omvangrijke constructie (...) het achterliggende open gebied nog verder zal aantasten (...)’ (tiende overweging bestreden beslissing); Dat het volkomen fout is dat het achterliggende gebied verder zou aangetast worden; Dat de verwerende partij zich hiertoe baseert op foutieve gegevens; Dat het ten eerste niet om een bijkomende constructie gaat, maar om een vervanging van een bestaande constructie (zie supra punt. 4.4.); Dat ten tweede de situering volkomen foutief is; Dat een vervanging van een constructie gelegen tussen Puttestraat en een oude trambedding aan de orde is; Dat deze oude trambedding geherwaardeerd werd als onderdeel van een fietsroutenetwerk in het kader van het provinciaal ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant; Dat het aldus volkomen foutief is te stellen dat er een verdere aantasting zou zijn van een achterliggend open gebied; Dat de verwerende partij zich aldus bezondigt aan foutieve feitenvinding en terzake ook voorbij gegaan is aan het aangehaalde structuurplan; Dat zij op basis hiervan nooit afdoende kan motiveren; Dat de verwerende partij de (correcte) feitelijke overwegingen die aan deze beslissing ten grondslag liggen niet, of minstens niet afdoende, vermeldt; Dat de beslissing tot inwilliging onvoldoende door de hoger vermelde, foutieve feitenvinding gedragen wordt, zodat onderhavige motivering niet afdoende is (...); Dat zij art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 (B.S. 12 september 1991) heeft geschonden; Dat de formele motiveringsplicht een substantiële vormvereiste inhoudt; Dat de schending ervan de beslissing onwettig maakt, zodat de Raad van State deze bestuurshandeling behoort te vernietigen”. X-12.649-8/11 Beoordeling
  25. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de voormelde wet van 29 juli
  26. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. Aan de opgelegde motiveringsplicht is voldaan wanneer de uitspraak over het administratief beroep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager of belanghebbende derden mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  27. In het vierde en het zesde middel wordt de volgende overweging van het bestreden besluit bekritiseerd: X-12.649-9/11 “Overwegende dat uit navraag bij de gemeente blijkt dat de bestaande, berging en garage, samen met de woning als ‘geacht vergund’ door de gemeente worden beschouwd; dat de bestaande gebouwen-configuratie, de zonevreemde woning met bijgebouwen, op circa 48,00 m van de voorliggende straat, dus vrij diep in het achterliggende open landbouwgebied is ingeplant; dat aan de oostzijde van het perceel in kwestie een huizengroep aanwezig is bestaande uit 3 woningen; dat aan de west- en zuidkant evenwel een nog relatief groot open gebied aanwezig is; dat de gevraagde, bijkomende vrij omvangrijke constructie, in functie van hobby-activiteiten, het achterliggende open gebied nog verder zal aantasten, wat stedenbouwkundig niet verantwoord is”. Het bestreden besluit kwalificeert de aangevraagde “stalling” als “bijkomend” bij de bestaande woning, berging en garage die “als ‘geacht vergund’ door de gemeente worden beschouwd”. Het gegeven dat er zich ter plaatse “betonplaten constructies” hebben bevonden, waarvan niet blijkt - en de verzoeker zelfs niet beweert - dat ze als “geacht vergund” moeten worden beschouwd, mist pertinentie. Er valt niet in te zien hoe het gegeven dat door het achterliggend gebied een oude trambedding loopt die in het provinciaal ruimtelijk structuurplan wordt geherwaardeerd als onderdeel van een fietsroutenetwerk met zich kan meebrengen dat de overweging volgens welke de aangevraagde stalling “het achterliggende open gebied nog verder zal aantasten” op “foutieve feitenvinding” steunt. Het blijkt niet dat het oordeel dat de aanvraag onverenigbaar is met de goede plaatselijk aanleg kennelijk onredelijk zou zijn of gesteund werd op onjuiste feitelijke gegevens. In zoverre de verzoeker zich in zijn memorie van wederantwoord beroept op de overweging in het advies van de gemachtigde ambtenaar volgens welk een paardenstal “in principe op deze plaats (kan) worden toegestaan”, verruimt hij op onontvankelijke wijze het in het verzoekschrift aangevoerde middel.
  28. Het vierde en het zesde middel zijn niet gegrond. C. Eerste, tweede, derde en vijfde middel
  29. Het eerste, tweede, derde en vijfde middel bekritiseren motieven van het bestreden besluit die ten opzichte van het in het vierde en het zesde middel bekritiseerde motief overtollig zijn. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. Het eerste, tweede, derde en vijfde middel zijn onontvankelijk. X-12.649-10/11 BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.649-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.