← België

Arrest 202257 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.257 Rolnummer: A. 164547/X-12394 Zaak: Arrest 202257 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-07 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:30 Fiche Arrest nr 202.257 van 23 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.257 van 23 maart 2010 in de zaak A. 164.547/X-12.394. In zake: Johan VERSCHUREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christina Van Casteren kantoor houdend te 3200 AARSCHOT Gijmelsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Laureys kantoor houdend te 9255 BUGGENHOUT Provincialebaan 20 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bertrand Asscherickx en Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1070 BRUSSEL Ninoofsesteenweg 643 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 9 mei 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Aarschot en de gemeente Begijnendijk van openbaar nut wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 155.479 van 23 februari 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-12.394-1/12 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 mei 2006. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2009. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michel Arnauts, die loco advocaat Christina Van Casteren verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Liesbeth Peeters, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Aan de n.v. Aquafin werd door het Vlaams Gewest de opdracht gegeven het stedelijk afvalwater te zuiveren en daarvoor de nodige infrastructuur te beheren en op te richten. Op 11 juni 1999 kreeg de n.v. Aquafin de opdracht het X-12.394-2/12 goedgekeurd rollend investeringsprogramma 2001-2005 uit te voeren, meer bepaald het project 20.009: “Begijnendijk: collector Betekom”. Het technisch plan van dit project werd goedgekeurd op 24 augustus 2001. 3.2. Omdat het projectgebied gedeeltelijk in ecologisch waardevol agrarisch gebied ligt, diende een MER te worden opgemaakt. 3.3. Op 15 oktober 2003 wordt het MER voor de collector “Betekom” te Aarschot en Begijnendijk conform verklaard. Hieruit blijkt dat alternatieve scenario’s werden onderzocht, maar dat het basistracé de voorkeur kreeg, mits het opleggen van een aantal milderende maatregelen. 3.4. Op 12 juli 2004 doet de n.v. Aquafin bij de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking een aanvraag tot het verkrijgen van een ministerieel besluit tot verklaring van openbaar nut voor het aanleggen en exploiteren van een collector “Betekom” te Begijnendijk en Aarschot. Bij de aanvraag zijn gevoegd: een rechtvaardigingsnota voor het gebruik van het privaat domein, een technische motivatie en situatieplan, een grondinnemingsplan en een kadastraal plan, evenals een lijst van eigenaars en gebruikers van de gronden. 3.5. Aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot en van de gemeente Begijnendijk wordt gevraagd een openbaar onderzoek te organiseren en advies uit te brengen. Aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt eveneens gevraagd advies uit te brengen. 3.6. In de stad Aarschot worden er tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaren ingediend. Het college van burgemeester en schepenen adviseert gunstig over de aanvraag van de n.v. Aquafin om een ministerieel besluit tot verklaring van openbaar nut te verkrijgen voor de aanleg en exploitatie van de collector “Betekom”. In de gemeente Begijnendijk worden tijdens het openbaar onderzoek twee bezwaren ingediend, waaronder een dat medeondertekend is door de verzoeker. In het laatstgenoemde bezwaarschrift wordt het gekozen tracé bekritiseerd en wordt een alternatief voorgesteld. Met een brief van 2 november 2004 geeft de n.v. Aquafin een antwoord op de bezwaarschriften. X-12.394-3/12 Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Begijnendijk sluit zich aan bij de weerlegging van de bezwaarschriften door de n.v. Aquafin. Het blijkt niet dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Begijnendijk een advies uitbracht. 3.7. Met een brief van 12 oktober 2004 deelt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant mee dat zij een gunstig advies uitbrengt over de aanvraag van de n.v. Aquafin tot verklaring van openbaar nut met betrekking tot de collector “Betekom”. In het advies wordt uiteengezet waarom het basistracé de voorkeur verdient boven de alternatieven. 3.8. De afdeling Water van AMINAL brengt op 24 maart 2005 een gunstig advies uit met betrekking tot de aanvraag tot verklaring van openbaar nut. 3.9. Bij het thans bestreden besluit van 9 mei 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur wordt de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Aarschot en in de gemeente Begijnendijk van openbaar nut verklaard. 3.10. Op 29 juni 2005 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar aan de n.v. Aquafin een stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van de collector. IV. Ontvankelijkheid 4.1. De verwerende partij en de tussenkomende partij voeren aan dat het verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging onregelmatig is, zodat er een vermoeden van afstand van geding geldt, aangezien uit de bewoordingen van het door de verzoeker ingediende “verzoek tot voortzetting van de procedure” blijkt dat hij in wezen een voortzetting van de schorsingsprocedure wil, waarbij hij het standpunt van het auditoraat en van de Raad van State in verband met de vordering tot schorsing opnieuw ter discussie wil stellen, hoewel de procedureregeling dit niet toelaat. 4.2. De verzoeker heeft na de betekening van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen binnen de door het procedurereglement voorziene termijn met een ter post aangetekende brief een “verzoek tot voortzetting van de procedure” ingediend. X-12.394-4/12 In dit verzoek zet de verzoeker uiteen wat volgt: “ACTUELE PROCEDURALE TOESTAND: Gelet op het verslag van de Heer eerste Auditeur E. HAESBROUCK dd.19-09-2005 ter kennis gebracht aan verzoekende partij dd.13-10-2005. Besluit van de Heer eerste Auditeur-Afdelingshoofd bij de Raad van State als volgt: Wegens het ontbreken van een aanvaardbaar moeilijk te herstellen ernstig nadeel komt het schorsingsverzoek in de huidige stand van het geding niet ontvankelijk voor. Gelet op het hieropvolgende arrest uitgesproken door de Raad van State dd. 23 februari 2006. (arrest nr. 155.479) Voormeld arrest werd aan verzoekende partij ter kennis gebracht bij schrijven uitgaande van de Griffie van de Raad van State dd. 09 maart 2006. Verzoekende partij wenst bij deze het verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen met betrekking tot diens oorspronkelijk verzoekschrift tot schorsing zoals neergelegd dd. 25 juli 2005. INHOUD VAN HET VERSLAG VAN DE EERSTE AUDITEUR EMIEL HAESBROUCK: (...) INHOUD VAN HET TUSSENGEKOMEN ARREST VAN DE RAAD VAN STATE: (...) Feiten die het bevelen van de schorsing verantwoorden: Dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden Ministerieel Besluit een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen aan verzoekende partij. Vordering tot schorsing: Krachtens art. 17 § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De grondvoorwaarden voor schorsing van de bestreden beslissing zijn in casu met betrekking tot verzoekende partij vervuld. Indien er geen schorsing in casu volgt en de litigieuze inrichting hangende de annulatieprocedure wordt gebouwd en in werking wordt gesteld, dan lijden mens en omgeving intussen een ernstig nadeel. De milieuhinder in de ruime zin van het woord die het gevolg zal zijn van de voorgenomen exploitatie is globaal genomen dan ook te beschouwen als een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan niet alleen gevonden worden in de irreversibele effecten voor het leefmilieu in het algemeen maar ligt uiteraard ook en niet in het minst besloten in het door verzoekende partij effectief té ondergane moeilijk te herstellen ernstig nadeel, mocht de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing (Ministerieel besluit dd. 09-05-05: openbaar nut verklaring qua de bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur) een feit worden, quod non. Zoals bovenvermeld reeds aangehaald, zo geen schorsing zou volgen, en de litigieuze inrichting hangende de annulatieprocedure zou gebouwd en in werking gesteld worden, lijdt verzoekende partij sowieso een ernstig nadeel hetwelk irreversibel is, zodat het ook een moeilijk te herstellen nadeel uitmaakt. Verzoekende partij brengt in haar middelen onderstaand reeds de terechte argumentatie naar voren dat minstens haar vordering tot schorsing reeds als volkomen gerechtvaardigd dient gekwalificeerd te worden. X-12.394-5/12 Verzoekende partij levert in haar middelen volkomen terecht kritiek op de inhoud van de motieven, die in de bestreden beslissing (Ministerieel Besluit dd. 09-05-05) als blijkbaar voor waar en vaststaand worden gehanteerd, hetgeen uiteraard door verzoekende partij wordt tegengesproken. Overigens dient vastgesteld dat de grieven, zoals geformuleerd door verzoekende partij, zelfs onbesproken gelaten werden voortgaande op de inhoud van het bestreden Ministerieel Besluit. Hierbij verwijst verzoekende partij naar de door haar naar voor gebrachte bezwaren in het kader van het openbaar onderzoek (gemeente Begijnendijk) maar tevens naar de door haar inmiddels bij deze terecht uitgebrachte kritiek op het MER-rapport. Het resultaat van dit MER-rapport wordt blijkbaar zonder meer door het Ministerieel Besluit ingevolgd. Het tracé wordt niet gewijzigd en blijft conform met het tracé voorgesteld in het MER, zoals door het bestreden Ministerieel Besluit pag. 05 bovenaan wordt bevestigd. KRITIEK OP DE OVERWEGINGEN VAN DE HEER EERSTE AUDITEUR EN HET TUSSENGEKOMEN ARREST: Gelet op de overwegingen opgenomen in het tussengekomen arrest is de Raad van State van oordeel: dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn rechtstreekse oorzaak moet vinden in het aangevochten besluit: Het aangevochten besluit betreft het Ministerieel Besluit van de Vlaamse Regering dd. 09 mei 2005. Dit bestreden besluit beslist: De bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur wordt van openbaar nut verklaard ten gunste van de N.V. Aquafin. Hierbij wordt verwezen naar de bijgevoegde goedgekeurde plannen nrs. 20.009/1/01-3-5.1/7 tot en met 20.009 /1/01-3-5.7/7 en 20.009/1/01-3-3 van het project in het investeringsprogramma 2001 bekend onder nummer 20009 bij de afdeling Water, Milieu-investeringen van AMINAL. De Raad van State argumenteert bij arrest dat het bestreden besluit enkel de verklaring van openbaar nut van de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie tot voorwerp heeft en geenszins de vergunning inhoudt voor de bouw en de exploitatie van de geplande collector. Dat verzoekende partij met voormelde zienswijze geenszins akkoord kan gaan. Het is toch onmiskenbaar dat het bestreden Ministerieel Besluit verwijst naar de bijgevoegde goedgekeurde plannen nrs.20.009/1/01 -3- 5.1/7 tot en met 20.009/1/01-3-5.7 en 20.009/1/01-3-3 van het project in het investeringsprogramma 2001 bekend onder nummer 20009 bij de afdeling Water-Milieu-investeringen van Aminal, waarop dit Ministerieel Besluit zijn beslissing tot van openbaar nut verklaring ten gunste van de N.V. Aquafin baseert. Daarenboven zegt dit Ministerieel Besluit onder artikel 1 dat de installaties mogen gebouwd worden op de hierbij door het Besluit gespecifieerde onbebouwde gronden. Bovendien specifieert dit Besluit onder artikel 2 de reeks voorwaarden dewelke dienen in acht genomen te worden. Onder artikel 4 wordt aan de eigenaars van de percelen vermeld in artikel 1 zelfs de mogelijkheid geboden binnen een vastgestelde termijn te laten weten dat de gerechtigde NV Aquafin de bezette grond zou mogen kopen. Verzoekende partij stelt dan ook volkomen terecht dat het geen steek houdt alwaar het arrest van de Raad van State meent te kunnen voorhouden dat het bestreden ministerieel besluit geenszins de vergunning inhoudt voor de bouw en de exploitatie van de geplande collector. X-12.394-6/12 Verzoekende partij heeft toch alle reden en zulks volkomen terecht de basis namelijk het bestreden Ministerieel Besluit aan te vechten zelfs wanneer dit enkel, zulks tenminste volgens de Raad van State, een verklaring van openbaar nut van de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie tot voorwerp zou hebben, quod non. De Raad van State meent dan bij haar tussengekomen arrest te kunnen poneren: ‘het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet zijn rechtstreekse oorzaak vinden in het aangevochten besluit’. Meteen meent de Raad van State te kunnen voorhouden dat verzoekende partij het verkeerd aanpakt omdat het Ministerieel Besluit geenszins de vergunning zou inhouden voor de bouw en de exploitatie van de geplande collector. De Raad van State zal toch bezwaarlijk kunnen inroepen dat verzoekende partij ten onrechte meteen het Ministerieel Besluit zou aangevochten hebben. Overigens verzoekende partij heeft dit Ministerieel Besluit dan nog met alle met reden betwist. Mocht zelfs de Raad van State van oordeel blijven, per impossibile,dat verzoekende partij vruchteloos het bestreden Ministerieel Besluit zou aangevochten hebben, want daarop komt blijkbaar het tussengekomen arrest neer, stelt verzoekende partij zich dan wel de vraag wat hij dan wel moest betwisten om zekerheid te hebben zoals behoort dat zijn rechten in casu in elk geval zouden gevrijwaard zijn, laat staan dat hij deze rechten naar behoren zou kunnen verdedigen. Verzoekende partij werd bij aangetekend schrijven dd. 26-05-2005 voor het allereerst in kennis gesteld van het Ministerieel Besluit dd.09-05-2005 waarbij aan verzoekende partij onder meer ter kennis gebracht werd: ‘In het kader van dit programma dienen we de bouw van een collector, project nr. 20009 , BETEKOM : collector Betekom te realiseren. Dit betekent dat wij van uw perceel(

  1. en)gebruik willen maken. In bijlage vindt U het ministerieel besluit van openbaar nut van dit project, waardoor wij gemachtigd worden tot realisatie van een collector over te gaan’. Gelet deze wetenschap in hoofde van verzoekende partij is het toch een vanzelfsprekendheid dat verzoekende partij gelet op diens niet akkoord en ter vrijwaring van diens rechten dit ministerieel besluit bij middel van de hiertoe voorziene procedure bestrijdt, namelijk bij wege van respectievelijk zijn verzoekschrift tot schorsing en zijn verzoekschrift tot nietigverklaring van het Ministerieel Besluit inzake dd. 09-05-2005 Een verder bezwaar vanwege de Raad van State gelet op het tussengekomen arrest betreft: Verzoekende partij zou niet concreet uiteenzetten waarin de door hem effectief te ondergane moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou bestaan. Verzoekende partij zou evenmin uiteenzetten welke de irreversibele effecten voor het leefmilieu in het algemeen zijn en op welke wijze deze hem persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Verzoekende partij ervaart de zienswijze voormeld van de Raad van State als volkomen ongerechtvaardigd. Tijdens het openbaar onderzoek georganiseerd door de gemeente Begijnendijk werden 2 bezwaarschriften ingediend onder meer het hierondervermelde te maken hebbende met verzoekende partij: De heer Leroux Frank, Mevrouw Bemelmans, de heer Baert Koen en de heer Verschuren Johan dienden bezwaar in bij schrijven van 25 oktober 2004 betreffende de aanleg van de collector doorheen het perceel Betekom, 2de afdeling, sectie A met nummer 548 r (inneming 9). X-12.394-7/12 Een MER-studie werd uitgevoerd aangezien het gebied tussen de Aarschotsesteenweg en de RWZI ecologisch en landschappelijk waardevol is. In dit MER-rapport zijn bepaalde maatregelen opgelegd die de schadelijke gevolgen van dit project zouden verkleinen; onder andere de volgende instanties werden betrokken en zijn akkoord gegaan met dit MER-rapport: afdeling Natuur, afdeling Bos en Groen en de gemeente Begijnendijk. Het is de bedoeling van Aquafin om zowel financieel als technisch het meest haalbare tracé uit te voeren en hierbij te voldoen aan de voorwaarden opgelegd door de vergunningsverlenende instanties en het MER. Het locatiealternatief 2 is technisch zeer moeilijk te realiseren, aangezien de collector in dit deel van de Steyenhoflaan op een diepte van meer dan 5 meter zou moeten ingeplant worden. Dit zou een groot risico vormen voor de stabiliteit van de woningen langs de weg; Voor het locatiealternatief 3 maakt het MER een afweging tussen verschillende disciplines; De nadelige effecten door de aanleg van de collector op de graslanden en populierenplantage worden groter ingeschat dan het huidige tracé. Overwegende dat beide locatiealternatieven in het MER als nadeliger beschouwd worden dan het huidige tracé, is een combinatie van beiden niet aangewezen. In het kader van de onderhandelingen zijn er gesprekken gevoerd met de betrokken eigenaars. Dat het antwoord op de bezwaarschriften die ingediend zijn in het kader van de bouwvergunning opgenomen zijn bij het afleveren van de bouwvergunning. Omwille van de voorgaande redenen wordt het tracé niet gewijzigd maar blijft het conform met het tracé voorgesteld in het MER. Verzoekende partij heeft bij schrijven van 25 oktober 2004 aan de Burgemeester en Schepenen van de gemeente Begijnendijk diens bezwaren geuit naar aanleiding van het openbaar onderzoek georganiseerd door de gemeente Begijnendijk van 27 september 2004 tot 27 oktober 2004. Reeds wordt door verzoekende partij hierbij opgemerkt en niet zonder reden dat blijkbaar reeds dus een gunstig advies tussenkwam van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams Brabant op datum van 07 oktober 2004, terwijl evenwel het openbaar onderzoek in hoofde van de gemeente Begijnendijk georganiseerd was tussen 27-09-04 en 27-10-04 en het openbaar onderzoek in hoofde van de Stad Aarschot georganiseerd werd tussen 01 oktober 2004 en 31 oktober 2004 en dus nog volop aan de gang waren. Verzoekende partij wenst hierbij te verwijzen naar de historiek op pag.03 onderaan van het bestreden Ministerieel Besluit. Verzoeker verwijst hierbij naar de inhoud van diens verzoekschrift tot schorsing waarin hij in het bijzonder pag. 07 onderaan en volgende pagina’s 8, 9 en 10 , alwaar hij terechte toelichting verschaft met betrekking tot voormeld bezwaarschrift dd. 25 okt.2004 onder meer uitgaande van verzoekende partij bij de aanvraag tot ministerieel besluit tot verklaring van openbaar nut door Aquafin NV, Dijkstraat 8, 2630 Aartselaar betreffende het aanleggen van collector 20009 doorheen perceel 548 R, 2de afdeling, sectie A te Betekom en de omliggende percelen. Niet voor niets heeft verzoekende partij dan ook bij wege van een verzoekschrift tot schorsing bij de Raad van State zo ook tegelijkertijd zoals behoort een verzoekschrift tot nietigverklaring van het kwestieus Ministerieel Besluit inzake dd. 09-05-2005 zijn rechten trachten te vrijwaren. Het arrest van de Raad van State kan bezwaarlijk komen verkondigen dat verzoekende partij niet concreet zou uiteengezet hebben waarin het door hem effectief te ondergane moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou bestaan, nog minder kan de Raad van State voorhouden dat verzoekende partij niet zou X-12.394-8/12 uiteengezet hebben welke de irreversibele effecten voor het leefmilieu in het algemeen zijn en op welke wijze deze hem persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen berokkenen. Verzoekende partij verwijst hiertoe onder meer naar in het bijzonder de stukken zoals ondergebracht onder stukken 6 t/m 9 van haar inventaris. De eerste Auditeur houdt in diens verslag van 19 september 2005 onder meer voor en zulks ten onrechte dat verzoeker niet aangeeft van welke percelen, die onder de aangevochten beslissing vallen, hij eigenaar of gebruiker zou zijn. De voormelde stukken opgenomen in de inventaris van verzoekende partij hebben onmiskenbaar desbetreffend de nodige toelichting verschaft en het onmiddellijke verband aangetoond alwaar het handelt om de onmiddellijke betrokkenheid van verzoekende partij die door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal ondergaan. De zienswijze van de Raad van State voormeld verliest nog meer aan krediet wanneer verzoekende partij volkomen terecht verwijst naar diens uitermate gedetailleerde geuite kritiek op het MER-Rapport zulks bij diens verzoekschrift tot schorsing uiteengezet. Verzoekende partij is er zich immers duidelijk van bewust dat het bestreden Ministerieel Besluit zich zonder meer aansluit bij dit MER - rapport, dit laatste uiteraard ten onrechte, alwaar voorgehouden wordt dat: ‘overwegende dat beide locatiealternatieven in het MER als nadeliger beschouwd worden dan het huidige tracé , is een combinatie van beiden niet aangewezen. overwegende dat omwille van de voorgaande redenen het tracé niet gewijzigd wordt maar conform blijft met het tracé voorgesteld in het MER’ Het is net voormeld tracé dat blijkbaar meent behouden te kunnen blijven, hetwelk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in geval van onmiddellijke tenuitvoerlegging aan verzoekende partij berokkent. De Raad van State blijkt dus bij arrest van oordeel te kunnen zijn dat niet zou voldaan zijn aan een van de bij artikel 17 § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing te kunnen bevelen. Verzoekende partij kan zich geenszins verzoenen met deze zienswijze. De voorwaarden krachtens art. 17 § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State: enerzijds dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van aangevochten beslissing kunnen verantwoorden anderzijds de voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen dienen volgens de Raad van State beschouwd te worden als twee afzonderlijke voorwaarden die los van elkaar dienen vervuld te zijn. Zoals bovenstaand toegelicht door verzoekende partij en niet in het minst verwijzende naar de inhoud van diens verzoekschrift tot schorsing waarbij door verzoekende partij ernstige middelen tot nietigverklaring van het bestreden Besluit worden naar voor gebracht en tegelijk het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, hetwelk verzoekende partij zal ondergaan bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, door verzoeker ruimschoots werd aangetoond, is voldaan aan het vervullen van de beweerde afzonderlijke voorwaarden, zelfs afzonderlijk los van elkaar. Overigens wenst verzoekende partij het hieronderstaande op te merken: De Raad van State houdt bij overwegingen voor dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn rechtstreekse oorzaak dient te vinden in het aangevochten besluit. X-12.394-9/12 Blijkbaar is dit volgens overwegingen van de Raad van State niet het geval (zie : enkel de verklaring van openbaar nut pag. 04 bovenaan Arrest............ ). Evenwel verder in haar overwegingen blijkt de Raad van State van oordeel te zijn dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient te berokkenen, wanneer de Raad van State argumenteert over het tegelijk vervuld moeten zijn van de aldaar vermelde afzonderlijke voorwaarden. Dit maakt toch een ongerijmdheid uit eerst voorhouden dat het bestreden besluit niet in aanmerking komt ( het gaat hem volgens de Raad van State om de vergunning voor de bouw en exploitatie van de geplande collector ) terwijl anderzijds de Raad van State bij het moeten vervuld zijn van de kwestieuze voorwaarden toch verwijst naar het bestreden besluit. De bestreden beslissing heeft rechtsgevolgen voor de verzoekende partij en betreft de eigendom van deze laatste, daarenboven betreft het in casu diens rechtstoestand als pachter van gronden en gronden in beheer door hem, zoals bovenstaand reeds geargumenteerd. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel: Met concrete elementen wordt door verzoekende partij aangetoond waarin het nadeel bestaat dat de verzoekende partij met de schorsing ongedaan wil maken. Voldaan is aan de door artikel 17 § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden Ministerieel Besluit te kunnen bevelen. Bovenstaand heeft verzoekende partij enerzijds aan de hand van de expliciete weergave van diens bezwaarschift, anderzijds door diens terdege gedetailleerde kritiek op de MER-studie ruimschoots overduidelijk gemaakt dat de handhaving van het basis-tracé zoals in het bestreden Ministerieel Besluit bevestigd en meteen dus het wegcijferen van de andere locatie-alternatieven en de uitvoering volgens dit basis-tracé in het bijzonder met betrekking tot verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt. Raad van State,afdel.Administratie, arrest nr. 115.460 van 6 februari 2003 in de zaak A.122.746/VII-27.029 OM DEZE REDENEN, en alle andere hierbij uitdrukkelijk voorbehouden en nog te doen gelden in de loop van het geding, BEHAGE HET DE RAAD VAN STATE, Akte verlenen aan verzoekende partij dat hij volhardt in zijn middelen en toelichting uiteengezet in zijn verzoekschrift tot schorsing dd. 25 juli 2005. Akte te verlenen aan verzoekende partij dat hij deze diens verzoek richt tot voortzetting van de procedure voor de Raad van State en na hiertoe akte te hebben verleend onderhavig verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren. De vordering tot schorsing van verzoeker ontvankelijk en gegrond te verklaren en de bestreden beslissing zijnde het ministerieel besluit dd. 09- 05-2005 te schorsen. Minstens akte te verlenen aan verzoeker van diens verzoek zich hierbij steunende op art. 76, eerste lid R.V.St.-Wet, gewijzigd bij artikel 28 van de Wet van 4 augustus 1996, bij arrest het bevelen van onderzoeksverrichtingen uit te spreken meer bepaald vaststellingen ter plaatse te doen onder meer met betrekking tot de irreversibele effecten voor het leefmilieu in het algemeen en de wijze waarop deze verzoeker persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen, gelet op de onterechte zienswijze desbetreffend uitgaande van de Raad van State. Daarenboven minstens aan verzoeker akte te willen verlenen van diens verzoek gehoord te willen worden wanneer met betrekking tot onderhavige zaak gedebatteerd zal worden voor de Zetel van de Raad van State en na hiertoe akte te hebben verleend, dit verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren. X-12.394-10/12 De kosten ten laste te leggen van de verwerende partijen”. 4.3. De Hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit aan de verzoeker melding gemaakt van artikel 17, § 4ter van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Naar luid van het voornoemde artikel 17, § 4ter geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. 4.4. Uit de uiteenzetting van de verzoeker blijkt dat hij met het “verzoek tot voortzetting van de procedure” in wezen de herziening nastreeft van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit werd verworpen, en niet de behandeling van het door hem ingestelde beroep tot nietigverklaring. De gecoördineerde wetten op de Raad van State voorzien niet in de mogelijkheid voor een verzoeker om de herziening te vragen van een arrest waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 17, § 2, derde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorziet dat enkel de arresten waarbij de schorsing is bevolen kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen. 4.5. Het “verzoek tot voortzetting van de procedure” zoals geformuleerd door de verzoeker en dat in wezen neerkomt op een verzoek tot herziening van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen, is niet ontvankelijk. 4.6. Er dient te worden vastgesteld dat de verzoeker wat betreft het door hem ingestelde beroep tot nietigverklaring geen verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend binnen de termijn van dertig dagen na de kennisgeving van het schorsingsarrest. X-12.394-11/12 BESLISSING 1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.394-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.257 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.479 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.