id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.261 Rolnummer: A. 181601/X-13207 Zaak: Arrest 202261 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-29 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.261 van 23 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.261 van 23 maart 2010 in de zaak A. 181.601/X-13.207. In zake: 1. de VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS OVER DE RESIDENTIE LORD NELSON 2. Pierre-Paul CARLIER 3. Solange JACOBS 4. Katelijne VAN LOO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alex Vrombaut kantoor houdend te 8000 BRUGGE Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de stad BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Naima Bouslama kantoor houdend te 8310 BRUGGE Baron Ruzettelaan 244/A.O.1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de b.v.b.a. TIJDOK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Georges Vanquathem, Jean-Luc Lombaerts en Marijke Eggermont kantoor houdend te 8301 KNOKKE-HEIST Invalidenlaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 maart 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 12 januari 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge waarbij aan de b.v.b.a. TIJDOK de vergunning wordt verleend voor de regularisatie van de wijziging van de bestemming van handel naar horeca van een pand gelegen te Brugge, Tijdokstraat 16, kadastraal bekend nr. 12/P/100/D/16. X-13.207-1/11 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 juli 2007. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Alex Vrombaut verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Stéphanie Verhaegen, die loco advocaat Naima Bouslama verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Valerie Vandenweghe, die loco advocaten Georges Vanquathem, Jean-Luc Lombaerts en Marijke Eggermont verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 29 november 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad X-13.207-2/11 Brugge een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige regularisatievergunning voor “wijziging bestemming”, op een terrein gelegen te Brugge, Tijdokstraat 16, kadastraal bekend nr. 12/P/100/D/16. Het betreft een aanvraag voor het wijziging van de bestemming handel naar horeca. 4. De eerste verzoekende partij is de vereniging van mede-eigenaars van de residentie Lord Nelson. De tweede en de derde verzoekende partij zijn de eigenaars van appartementen op de eerste verdieping van deze residentie. De aanvraag heeft betrekking op de gelijkvloerse verdieping van deze residentie, die naast een handelsgelijkvloers bestaat uit vier etages met telkens twee appartementen en een technische verdieping met woongedeelte. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust is het voormelde perceel gelegen in industriegebied. Het is tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg nr.1 “Vissershaven”, goedgekeurd bij besluit van 25 april 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media. Het is niet gelegen binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 5. Bij het bestreden besluit van 12 januari 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge de gevraagde regularisatievergunning. IV. Ontvankelijkheid van het beroep De ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis Standpunt van de partijen 6. In hun verzoekschrift betogen de verzoekende partijen dat ze van de bestreden beslissing kennis hebben genomen op 22 januari 2007, in het kader van het hoger beroep dat de tussenkomende partij tegen de beschikking van 20 december 2006 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, zetelend in kort geding, en houdende het bevel tot stillegging van de werken aan het handelgelijkvloers onder de verbeurte van een dwangsom, heeft aangetekend. 7. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij de volgende exceptie van onontvankelijkheid van het beroep ratione temporis op : X-13.207-3/11 “De geviseerde beslissing werd uitgevaardigd op 12-01-2007. Verzoekers stellen dat zij hiervan kennis kregen in een hangende beroepsprocedure voor het Hof van Beroep te Gent waarbij de BVBA TIJDOK hun tegenstrever is. In de besluiten van het Hof van Beroep van laatstgenoemde dd. 21-01-2007 zou melding zijn gemaakt van de toegestane regularisatie, waarop op 12 maart 2006 een verzoekschrift tot nietigverklaring werd neergelegd ter griffie van de Raad van State. Deze stelling blijkt niet uit de stukkenbundel van verzoekers en kan zonder bewijs hiervan niet zondermeer worden aanvaard. Bij gebreke aan bewijs hiervan dient de vordering van verzoekers te worden afgewezen als onontvankelijk”. Beoordeling 8. De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoeker liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning, bijvoorbeeld van de mogelijkheid die hem door het toentertijd geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van X-13.207-4/11 de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Deze termijn gaat in de dag waarop de betrokkene, aan de hand van wat hij kan vaststellen op de plaats waar de vergunde bouwwerken worden uitgevoerd, er zich rekenschap dient van te geven dat er voor de uitvoering van die werken een stedenbouwkundige vergunning vereist is en dat hij bijgevolg redelijkerwijze moet of kan veronderstellen dat zodanige vergunning is afgegeven. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn, via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen. 9. De verwerende partij legt niet het minste bewijs voor met betrekking tot het tijdstip waarop de verzoekende partijen kennis hadden of konden hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning. De exceptie is ongegrond. De ontvankelijkheid van het beroep wat het belang betreft Standpunt van de partijen 10. In hun verzoekschrift lichten de verzoekende partijen hun belang als volgt toe : “De bestreden beslissing heeft betrekking op een onderdeel van RESIDENTIE LORD NELSON met name op het handelsgelijkvloers. Eerste verzoekende partij als VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN RESIDENTIE LORD NELSON, tweede verzoekende partijen als eigenaars van het appartement A1 gelegen op de eerste verdieping van RESIDENTIE LORD NELSON en derde verzoekende partij als eigenaar van het appartement B1 gelegen op de eerste verdieping van RESIDENTIE LORD NELSON hebben een evident belang bij onderhavige procedure”. X-13.207-5/11 11. In het verzoekschrift tot tussenkomst en in haar aanvullende memorie werpt de tussenkomende partij de volgende exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens gemis aan belang op : “Ontstentenis van het vereiste persoonlijk, rechtstreeks, actueel, stellig en geoorloofd belang in hoofde van de eerste verzoekende partij. De eerste verzoekende partij verduidelijkt op geen enkele wijze welk belang zij meent ie hebben bij haar beroep tot nietigverklaring. Terzake dringt zich een verwijzing op naar de constante rechtspraak van de Raad van State. zo onder meer naar het arrest van de Raad van State (...), dat uitdrukkelijk stelt : ‘De privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals de verenigingen van mede- eigenaars. kunnen voor de Raad van State een handeling betwisten die afbreuk doel aan het specifieke collectieve belang dat zij nastreven wegens hun maatschappelijk voorwerp en dat verschilt van zowel het algemene belang als van het persoonlijke belang van hun leden. Het specifieke collectieve belang dat de verenigingen van mede-eigenaars verdedigen krachtens hun maatschappelijk voorwerp, gedefinieerd door art. 577-5, par. 3 B. W. is het behoud en het beheer van het gebouw of de groep van gebouwen dat of die toebehoren aan de mede-eigenaars. Het is maar in de mate dat een beslissing dit specifieke collectieve belang aantast, dat een vereniging van mede-eigenaars in rechte kan optreden. Zij is daarentegen niet de lasthebber van de mede-eigenaars en kan hen niet vertegenwoordigen om een handeling te betwisten die enkel hun individuele belang aantast en niet hun specifiek collectieve belang. Een bouwvergunning die de bouw van een gebouw toestaat, kan het persoonlijke belang aantasten van alle of van sommige mede-eigenaars van de naburige gebouwen. Wanneer een vereniging van mede-eigenaars in gebreke blijft te bewijzen dat deze vergunning afbreuk zou doen aan het behoud van het gebouw dat hen toebehoort of het beheer ervan zou verstoren, moet ervan ‘worden uitgegaan dat een aantasting van het collectieve belang dat door de vereniging van mede-eigenaars wordt verdedigd, niet is aangetoond’. In acht genomen hetgeen supra werd gesteld, is de ontstentenis van het vereiste belang in hoofde van de eerste verzoekende partij bij haar beroep tot nietigverklaring manifest. Het beroep tot nietigverklaring is dienvolgens onontvankelijk in hoofde van de eerste verzoekende partij. Het beroep tot nietigverklaring werd ingediend middels een collectief verzoekschrift. Immers het verzoekschrift werd ingediend door verschillende verzoekers, te weten : - de vereniging van mede-eigenaars van de residentie Lord Nelson (eerste verzoekende partij): - de eigenaar van het appartement Al op de eerste verdieping van de residentie Lord Nelson (tweede verzoekende partij); - de eigenaar én bewoner van het appartement B1 op de eerste verdieping van de residentie Lord Nelson (derde verzoekende partij). Bezwaarlijk kan worden gesteld dat het belang van de verschillende verzoekende partijen gelijklopend zouden zijn met het belang van de eerst in het verzoekschrift vermelde verzoeker - indien dit belang al zou bestaan, quod certe non -. In acht genomen hetgeen supra werd gesteld, is het verzoekschrift onontvankelijk in hoofde van de tweede en derde verzoekende partij. X-13.207-6/11 Terzake verwijst verzoekster tot tussenkomst naar de vaststaande rechtspraak van de Raad van State en onder meer : (...)”. 12. De verzoekende partijen laten in hun memorie van wederantwoord het volgende gelden : “De tussenkomende partij stelt dat eerste verzoekende partij, zijnde de vereniging van mede-eigenaars, haar belang niet zou hebben verduidelijkt. Dit belang werd nochtans bijzonder duidelijk gemaakt op pagina 4 van het verzoekschrift. Uiteraard heeft de vereniging van mede-eigenaars belang om op te komen tegen feitelijkheden en bestuurshandelingen die compleet ingaan tegen de basisakte en het reglement van de mede-eigendom. In de akten van de mede-eigendom werd een hinderlijke inrichting compleet uitgesloten, terwijl de bestreden beslissing betrekking heeft op het vergunnen van een hinderlijke inrichting, met hinderlijke installaties. Uiteraard is het collectief belang van de mede-eigenaars betrokken. Dat daarnaast enkele individuele eigenaars ook een individueel belang hebben, aangezien ze door bewoning op de eerste verdieping, er het meeste last van zullen moeten dragen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Verzoekende partijen zien overigens niet in waarom het afwijzen van het collectieve belang in hoofde van de mede-eigendom, tevens het afwijzen zou moeten inhouden van het individuele belang van enkele mede-eigenaars. Tweede en derde verzoekende partijen zijn buren en hebben een al even evident belang. De tweede en derde verzoekende partijen zijn eigenaars van appartementen op de eerste verdieping, die de installaties niet enkel zien maar ook zullen horen. Hun terras i(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.