← België

Arrest 202279 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.279 Rolnummer: A. 190357/XIV-30897 Zaak: Arrest 202279 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-15 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.279 van 23 maart 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 202.279 van 23 maart 2010 in de zaak A. 190.357/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. FONTEYN, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Dejonckerstraat 51 bus 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 14 ovember 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 17.077 van 13 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4000 van 5 februari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 november 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 januari 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.897-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat R. FONTEYN verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat A. DE MEU, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 27 oktober 2007 een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9 bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en Asielbeleid op 3 juni 2008 die aanvraag niet-ontvankelijk verklaart; Overwegende dat de verzoekende partij op 4 augustus 2008 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen indient; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring met een arrest van 13 oktober 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de artikelen 33, 105, 108 en 159 van de Grondwet, van het “principe d’indisponibilité des attributions”, van de onbevoegdheid van de steller van de akte, van de artikelen 3 en 76 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de gevolgen van de wet in de tijd opwerpt; dat zij in essentie aanvoert dat de beslissing van 3 juni 2008 om tot de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf te besluiten op artikel 9, derde lid, (oud) van de Vreemdelingenwet was gesteund, dat die bepaling door artikel 3 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is opgeheven en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve die onbevoegdheid (van de minister) had moeten opwerpen; XIV-30.897-2/7 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het eerste middel herhaalt en toevoegt dat zij nooit heeft voorgehouden dat artikel 9 bis van de Vreemdelingenwet van toepassing op de huidige zaak zou zijn; 2.1.
  5. Overwegende dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van 27 oktober 2007 op basis van artikel 9 bis van de Vreemdelingenwet was ingediend en de beslissing van de minister van Migratie- en Asielbeleid van 3 juni 2008 niet op basis van het oude artikel 9, derde lid maar op basis van het nieuwe artikel 9 bis van de Vreemdelingenwet was genomen; dat het eerste middel feitelijke grondslag mist; 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, (E.V.R.M.) van de artikelen 10, 11, 155 en 191 van de Grondwet en van het beginsel van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechtscolleges opwerpt; dat zij aanvoert dat de wijze van benoeming, de uitoefening van het mandaat en de evaluatie van de eerste voorzitter, de voorzitter en de kamervoorzitters van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in strijd zijn met het beginsel van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid, dat die eerste voorzitter, voorzitter en kamervoorzitters erover waken dat de eenheid van de rechtspraak wordt gevrijwaard en dat zij de nodige maatregelen nemen om hierin te voorzien, dat zij de leiding van de kamers waarnemen, dat zij als rechters voor het leven echter door de verwerende partij in een mandaat worden benoemd, dat de kandidaat- eerste voorzitter een beleidsplan moet voorleggen waarvan de verwerende partij het voorwerp bepaalt, dat de Koning de inhoud van het activiteitenrapport van de korpschefs en de evaluatiecriteria voor de leden van de raad en voor de werklastmeting bepaalt, dat de verwerende partij aldus op substantiële wijze in de werking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tussenkomt en invloed kan doen gelden op het aantal te behandelen dossiers en de wijze van behandeling, dat dit alles niet van aard is om de onpartijdigheid en de objectiviteit van de betrokkenen te doen blijken, dat de wijze van benoeming en de uitoefening en evaluatie van de mandaten in strijd met artikel 155 van de Grondwet zijn en dat de verzoekende partij zich de mogelijkheid voorbehoudt daarover een prejudiciële vraag op te werpen; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; XIV-30.897-3/7 2.2.
  8. Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met het bestreden arrest zouden zijn geschonden, doch enkel in het opschrift van het middel naar die bepalingen verwijst; dat het tweede middel in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 155 van de Grondwet bepaalt dat “geen rechter van een regering bezoldigde ambten (mag) aanvaarden, tenzij hij die onbezoldigd uitoefent en behoudens de gevallen van onverenigbaarheid bij de wet bepaald”; dat de toekenning van een hogere wedde aan een rechter die in zijn rechtscollege een mandaat of een adjunct- mandaat uitoefent, niet in strijd met die bepaling is; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het feit dat de Koning overeenkomstig de artikelen 39/24, 39/27, 39/28 en 39/34 de eerste voorzitter en de voorzitter voor een termijn van vijf jaar aanstelt, het voorwerp van het beleidsplan en de nadere inhoud van het werkingsverslag van de eerste voorzitter kan bepalen en de evaluatiecriteria van de leden van de raad bepaalt, evenals de wijze waarop de werklast van een ambtsdrager wordt geregistreerd en de wijze waarop de geregistreerde gegevens worden geëvalueerd, de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechters niet aantast; dat het tweede middel ook in die mate ongegrond is; 2.3.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het E.V.R.M., van de artikelen 10, 11, 13, 22, 149 en 191 van de Grondwet, van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 20 en 21 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van het algemeen rechtsbeginsel van een billijk proces, meer bepaald van het recht op gelijkheid van wapens en van de toegang tot en de voorzienbaarheid van de rechtsregel opwerpt; dat de verzoekende partij aanvoert dat het bestreden arrest naar een aantal niet-gepubliceerde arresten van de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst, dat het gebrek aan systematische publicatie van de arresten in vreemdelingenzaken van de Raad van State noch aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch aan de partijen toelaat een bepaalde rechtspraak te laten gelden wanneer die rechtspraak niet bekendgemaakt en toegankelijk wordt gemaakt, dat het gebrek aan publicatie een ongelijkheid tussen de procespartijen veroorzaakt, dat aldus de aangehaalde bepalingen en beginselen worden geschonden, dat de XIV-30.897-4/7 verzoekende partij qua tijd en kosten niet dezelfde toegang tot de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft vermits die arresten in strijd met de artikelen 20 en 21 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet systematisch op de website van deze laatste voorkomen, dat de verzoekende partij niet de mogelijkheid heeft om zich billijk te verdedigen, dat dezelfde grief geldt voor de rechtspraak in vreemdelingenzaken van de Raad van State, waartoe de Belgische Staat, die in alle zaken partij is, wèl toegang heeft, dat het daarbij niet relevant is dat bepaalde arresten wel worden gepubliceerd vermits de wettigheid van de keuze van de gepubliceerde arresten niet kan worden nagegaan, dat de verwerende partij aldus voorbijgestreefde of minderheidsrechtspraak kan citeren zonder dat de verzoekende partij dit kan nagaan, dat dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moet worden gesteld en dat aan de voorwaarden van artikel 26 van de bijzondere wet van 26 januari 1989 op het Arbitragehof is voldaan; 2.3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; 2.3.
  11. Overwegende dat het geen nieuw middel betreft omdat het is gericht tegen elementen van het bestreden arrest die niet voorkomen in de voorafgaande beslissing van de minister van Migratie- en Asielbeleid; dat het middel dus niet voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon worden opgeworpen en om die reden verder moet worden onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij in het middel een aantal arresten van de Raad van State en van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanhaalt, waarop het bestreden arrest zou zijn gesteund en waarvan de verzoekende partij geen kennis zou hebben kunnen nemen; dat de door de verzoekende partij aangehaalde arresten echter nergens in het bestreden arrest worden vermeld; dat het derde middel in die mate feitelijke grondslag mist; Overwegende, waar in het bestreden arrest naar bepaalde (andere) arresten van de Raad van State wordt verwezen, dat het slechts de verwijzing naar de vindplaats van een juridische redenering betreft die telkens in het bestreden arrest is opgenomen, waarvan de verzoekende partij aldus kennis heeft kunnen nemen en waartegen zij desgewenst een middel heeft kunnen opwerpen; dat niet de vermelding van de kwestieuze arresten maar de in het bestreden arrest ontwikkelde gronden de motivering van het bestreden arrest vormen; dat de kritiek tegen de verwijzing naar, volgens de verzoekende XIV-30.897-5/7 partij niet-gepubliceerde, rechtspraak om die reden niet-ontvankelijk is; dat de voorgestelde prejudiciële vragen niet dienstig voor de oplossing van het geschil zijn; 2.4.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending van artikel 1 van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (Vluchtelingenverdrag) van artikel 3 van het E.V.R.M. en van artikel 9 (oud) van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat de verzoekende partij aanvoert dat in het bestreden arrest wordt overwogen dat iemand die niet aan de criteria van het Vluchtelingenverdrag voldoet zich daardoor niet op bedreigingen voor zijn veiligheid in het land van herkomst kan beroepen en dat iemand die niet aan de criteria van het Vluchtelingenverdrag voldoet zich daardoor ook niet op de in artikel 9, derde lid, (oud) van de Vreemdelingenwet bedoelde bijzondere omstandigheden kan beroepen, dat het bestreden arrest daarmee artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag schendt omdat die bedreiging een andere oorzaak kan hebben dan in het Vluchtelingenverdrag wordt bedoeld en dat zowel artikel 3 van het E.V.R.M. als artikel 9, derde lid, (oud) van de Vreemdelingenwet een breder toepassingsgebied dan het Vluchtelingenverdrag hebben; 2.4.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; 2.4.
  14. Overwegende dat het middel, zoals in het verzoekschrift tot nietigverklaring ontwikkeld, geen betrekking op het bestreden arrest blijkt te hebben; dat het bestreden arrest immers geen punt 4.
  15. noch een pagina 7, noch een passage zoals door de verzoekende partij geciteerd bevat; dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord een heel ander middel opwerpt; dat het vierde middel feitelijke grondslag mist, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. XIV-30.897-6/7 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig maart tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.897-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.279 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.