id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.309 Rolnummer: A. 183320/X-13292 Zaak: Arrest 202309 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-30 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.309 van 24 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 202.309 van 24 maart 2010 in de zaak A. 183.320/X-13.292. In zake: de vzw MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 OUDENAARDE Kattestraat 23. tegen: de STAD GERAARDSBERGEN. Tussenkomende partij: de nv VILLABOUW FRANCIS BOSTOEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te 9100 SINT-NIKLAAS Vijfstraten 57. bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 15 mei 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 15 januari 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend aan de n.v. Bostoen Villabouw voor het bouwen van een eengezinswoning aan de Kollenhoek te Ophasselt (Geraardsbergen), kadastraal bekend sectie A, nr. 656/c. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend en de verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 17 oktober 2007. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. X-13.292-1/23 Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Mevrouw Griet Van Den Berghe, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jan Merckx, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend, behoudens wat de kosten betreft, advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij de vordering als volgt toe: “4. Het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot vernietiging 1. De statuten van de vereniging werden op 8 november 2005 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (...). Milieufront Omer Wattez vzw werd opgericht op 16 juni 1981 onder de naam Stichting Omer Wattez (BS 3.12.1981). De Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van 2 mei 2002 (BS 11.12.2002) maakte een gebruik van het woord Stichting niet meer mogelijk aangezien een Stichting een andere finaliteit heeft. Al 26 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral om de kwantiteit en kwaliteit van de natuur en het landschap op peil te houden binnen haar werkgebied, voor haar 750-tal leden. X-13.292-2/23 Dit collectief van mensen kan allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, zoals op het vlak van geluidshinder, op het vlak van overstromingsproblematiek of schade aan natuurwaarden, actief te zijn. 2. In artikel 1, § 4 van de statuten wordt het werkgebied omschreven. Dit omvat 21 gemeenten uit een aaneengesloten regio, m.n. de Vlaamse Ardennen, waaronder Geraardsbergen, waar de betwiste vergunning betrekking op heeft. De beschrijving en omschrijving van de streek van de Vlaamse Ardennen vat aan in 1908 bij de boeken van Omer Wattez: o.m. ‘Omer Wattez, 1926. De Vlaamsche Ardennen, Wandelingen en uitstapjes in het Land van Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen. Deel III. Geraardsbergen en omstreken. Nieuwe herziening druk (oorspronkelijke uitgave 1908). Gent.’ en ‘Omer Wattez, 1926. De Vlaamsche Ardennen, Wandelingen en uitstapjes in het Land van Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen. Deel II. Geraardsbergen en omstreken. Nieuwe herziening druk (oorspronkelijke uitgave 1908). Gent.’ Later volgen nog tal van wetenschappelijke publicaties over deze streek in het vakgebied van de geografie. De recentste publicatie die ons bekend is luidt: ‘Dr. Vanmaercke-Gottigny M-C, 2005. Levend Landschap in de Vlaamse Ardennen. Oudenaarde.’ 3. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 2 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkgebied worden de navolgende doelstellingen nagestreefd: ‘Artikel 2, § 1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; -het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen hij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert. X-13.292-3/23 - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij allen nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz. §3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken, onder meer door: - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere (milieu) verenigingen en koepels §4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coördineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn leden, overal waar het belang van leefmilieu dit wenselijk en noodzakelijk maken; - de deelname aan de werking van advies- en overlegorganen; - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; - het realiseren van projecten en campagnes en het uitwerken van studies en publicaties; - het voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen. - het vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en -bescherming, landschaps- en monumentenzorg dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie (deze opsomming is niet limitatief). §5. Daarnaast kan de vereniging alle (types) rechtshandelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet-winstgevende doelstellingen. Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden en van de hand doen in welke vorm dan ook (eigendom, naakte eigendom, vruchtgebruik, gebruik te bede, bruikleen, bezit....).’ 4. Milieufront Omer Wattez vzw streeft geen algemeen belang na, noch het persoonlijk, individualiseerbaar belang van haar leden. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. Milieufront Omer Wattez vzw is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na, maar een collectief belang van al haar leden tezamen dat zij zich tot maatschappelijk doel heeft gesteld. Voor de milieuvereniging Milieufront Omer Wattez vzw ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt X-13.292-4/23 aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltreffendheid. Dit collectief van leden sloot zich aan bij de vereniging omdat ze - beknopt omschreven - het behoud van de esthetische (landschappelijke) waarden en de biologische waarden van het Vlaamse Ardennenlandschap met haar akoestische kwaliteiten belangrijk vinden. Het herstel van vernietigde en het behoud van de bestaande biologische waarden in dit landschap en van ruimte voor water is eveneens een gedeeld belang van de leden in hun streven naar een leefbare woonomgeving waarbij zo weinig mogelijk mensen te kampen hebben met wateroverlast. Het zijn deze belangen die met voorliggend verzoekschrift verdedigd worden. Een natuurlijke persoon kan geen of slechts een gering belang inroepen voor de achteruitgang van de som van deze waarden (i.c. landschappelijke en biologische waarden en waarden van het watersysteem) in het Vlaamse Ardennenlandschap. Een groep mensen heeft zich daarom verenigd om deze waarden die zij appreciëren en die typisch zijn voor wat zij toeschrijven aan de regio de ‘Vlaamse Ardennen’ zoals beschreven door Omer Wattez te verdedigen. Het collectief van mensen beleeft en geniet met volle teugen van de Vlaamse Ardennen in al zijn facetten en ze observeren er de natuur. De betwiste bouwvergunning zal een achteruitgang in de belevingswaarde van het landschap, van de biologische waarde van de Ophasseltbeekvallei en een verlies aan overstromingsruimte impliceren. Al deze waarden kunnen niet toegeëigend worden aan een individu. Ze kunnen evenmin beschouwd worden als collectief bezit van de leden van onze vereniging. Maar opkomen voor het belang van deze waarden in de Vlaamse Ardennen is een zeer specifieke eigenschap van het collectief van al haar leden. 5. Dat een milieuvereniging in rechte kan optreden tegen de vergunningverlenende overheid voor de doelstellingen die zij wettig heeft ingeschreven in haar statuten, blijkt uit diverse rechtspraak (...) De hier betwiste bouwvergunning heeft betrekking op grond gelegen in een karakteristiek Vlaamse Ardennenlandschap midden in de Ophasseltbeekvallei tevens een van nature overstroombaar en recent overstroomd gebied (...) en daarenboven op biologisch waardevolle grond (...). Door hun uitgesproken natte karakter herbergen beekvalleien zeldzame natuurwaarden. (...)verkennen de leden van verzoekende partij de natuur in de Ophasseltbeekvallei en recreëren ze er (wandelen en fietsen). Het zou niet logisch zijn mocht uw Raad oordelen dat het betwisten van een vergunning voor de bouw van een eengezinswoning die prompt midden in biologisch waardevolle grond in de Ophasseltbeekvallei zal neergepoot worden en die tevens een ernstige verstoring van de globale menselijke woonomgeving zal teweeg brengen (door de gevolgen van de verminderde overstromingsruimte zullen andere woningen in of aan de rand van overstromingsgebieden te kampen krijgen met overstromingen) en daarenboven een verminderde belevingswaarde van het Vlaamse Ardennen landschap voor gevolg zal hebben (waar de valleien een karakteristiek en reliëfbepalend element vormen en op zich de grootste natuurparels vormen voor onze Vlaamse Ardennen), feitelijk gezien minder aansluit bij het doel van de vereniging (...) (...) Er dient ook op gewezen te worden dat de globale waarde van ‘de Vlaamse Ardennen’ bepaald wordt door de som en de samenhang van alle elementen (cultuurhistorische, landschappelijke, biologische,..). Eén rechtshandeling zal de Vlaamse -Ardennen nooit in zijn geheel aantasten, maar telkens een facet, waardoor de belevingswaarde voor de leden van verzoekende partij stuk voor stuk afneemt. Diverse rechtsnormen werden ingevoerd om een standstil te X-13.292-5/23 bewerkstelligen van natuur- en milieuwaarden. Een eenzijdige afname van deze waarden kan o.i. niet zonder enige compensatie. Bij tal van vernietigingen van milieuvergunningen door uw Raad worden de middelen die betrekking hebben op de schendingen van de bepalingen van de decreten en besluiten aangaande de ruimtelijke ordening ernstig en gegrond verklaard. (...) De hier betwiste stedenbouwkundige vergunning is o.i. niet verenigbaar met de ligging in overstromingsgebied die daarenboven ook biologisch waardevol is. 7. Verzoekende partij wil daarenboven vermelden dat zij met dit verzoekschrift de verkeerde toepassing en interpretatie van diverse rechtsnormen, die de bescherming van natuurlijke overstromingsgebieden en biologisch waardevolle grond kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van de bedoelde rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en tot een ernstige aantasting van het Vlaamse Ardennenlandschap leiden. Het is niet louter één enkele vergunning maar evenzeer de bedoelde cascade van effecten die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Telkens opnieuw wordt met dergelijke vergunningen, door het niet toepassen van die bepalingen uit de vigerende wetgeving die in het belang staan van verzoekende partij, een stuk authentiek Vlaamse Ardennenlandschap aangetast. De decreetgever beseft ook meer en meer het belang van de samenhang van de elementen. Bvb. in artikel 8 van het decreet integraal waterbeleid staat in het 2e lid: ‘Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt (...)’; in artikel 36ter §3 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu staat ‘Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken (...)’; in art. 2 van het besluit van 20 juli 2006 van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, staat ‘Op de overheid die beslist over een vergunning een plan of een programma die afzonderlijk of in combinatie met een of meer bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s een mogelijk schadelijk effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater veroorzaken, rusten overeenkomstig artikel 8, § 1, tweede lid van het decreet de volgende verplichtingen : 1/ ze legt alle voorwaarden op in de vergunning of gelast aanpassingen aan het plan of programma die ze in het licht van de kenmerken van het watersysteem en de aard en omvang van de vergunningsplichtige activiteit, respectievelijk het plan of programma gepast acht om het schadelijke effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater te voorkomen; 2/ als dat niet mogelijk is, oordeelt zij of de vergunningsplichtige activiteit of het plan of programma noodzakelijk is om dwingende redenen van groot maatschappelijk belang;’ De combinatie van vele kleine schadelijke effecten veroorzaakt een groot schadelijk effect. Ieder stukje ruimte in natuurlijke overstromingsgebieden is van essentieel belang om zoveel mogelijk mensen te sparen van wateroverlast. Als je verkaveling na verkaveling, ophoging na ophoging, bebouwing na bebouwing toestaat in overstromingsgebieden zal de volgende generatie met een immens wateroverlastprobleem zitten. Als je keer op keer biologische waardevolle grond laat bebouwen zonder enige volwaardige compensatie wordt de achteruitgang van de biodiversiteit in de hand gewerkt. X-13.292-6/23 8. Milieufront Omer Wattez vzw oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat er op dit punt geen bevraging naar ontvankelijkheid kan zijn. Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een driemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1200 exemplaren (...). Het organiseren van tal van natuur- en milieu-educatieve activiteiten al of niet in samenwerking met andere verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, organisatie van de Dag van de Aarde,... Het organiseren van tal van persacties (...). Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals MOW-Leievallei, MOW-Maarkedal, MOW-Oudenaarde, MOW-Zingem, MOW-Ronse en MOW-Geraardsbergen. Door te beschikken over een secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t. natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Er is de vertegenwoordiging in Milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkgebied. Verzoekende partij heeft vertegenwoordiging in de vzw Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Verder is er samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals met de vzw Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw Natuurpunt en vzw Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze. 8. Verzoekende partij komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstromingsgebieden in een beperkt geografisch werkgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin ondermeer de vallei van de Ophasseltbeek die in de Dender uitmondt gelegen is en waarin ook de grond gelegen is waar de betwiste stedenbouwkundige vergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende ondermeer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden, tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkaveling- én milieuvergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg in valleigebieden. In bijlage 5 voegt verzoekende partij 15 bezwaarschriften toe van de laatste vier jaar, tegen vergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg (BPA’
- s)specifiek binnen dat deel van haar werkgebied die uitgaan van haar doel om de oventromingsgebieden, biologisch waardevolle gebieden en stiltebehoevende gebieden te beschermen en om de correcte toepassing van de bepalingen van het natuurdecreet, het decreet integraal waterbeleid, het milieuvergunningdecreet, de ruimtelijke ordeningswetgeving te vragen. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze een tijdschrift uit (...), voert ze ook af en toe acties en schrijft ook geregeld persberichten (...) om haar doelstellingen duidelijk te maken. X-13.292-7/23 Verder heeft verzoekende partij diverse zaken ingesteld bij uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden (...) Verzoekende partij stelde zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. stort in de vallei van de Molenbeek in Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied in Geraardsbergen. Ook is er een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (zitting Hof van Beroep Brussel 6 oktober 2004). Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden binnen haar werkgebied en dit via de inroeping van de doelstellingen, de principes en de instrumenten van het decreet integraal waterbeleid en van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Het aanvechten van tal van vergunningen in alle valleigebieden overstijgt het lokale belang maar is in overeenstemming met het regionale belang dat de vereniging nastreeft. 9. Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zowel het Belgisch (wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag: ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming ; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.’ Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het 'feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. X-13.292-8/23 10. Tot slot wenst verzoekende partij nog te wijzen op de Europese Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Conform artikel 21 van de Richtlijn trad deze in werking op 30 april 2004. Artikel 13 bepaalt: ‘1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechterlijke voorschriften te toetsen.(..)’. Artikel 12, lid 1 luidt: ‘1. Natuurlijke of rechtspersonen die
- a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
- b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of; anderzijds,
- c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht; wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van de nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. (..)’. België heeft het verdrag bekrachtigd op 21 januari 2003, zodat het met toepassing van artikel 20, lid 3, ten aanzien van België op 21 april 2003 in werking is getreden en het dus van toepassing m.b.t. voorliggend verzoekschrift. Om al bovengenoemde redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot annulatie van deze milieuvergunning, samengevat een feit is. 5. Het actueel belang van verzoekende partij Verzoekende partij heeft besloten deze vergunning aan te vechten en niet de verkavelingsvergunning van 20 december 1999 die betrekking had op het bouwen van 7 woningen waarvan de woning waar de hier betwiste vergunning betrekking op heeft, deel van uitmaakt, omdat er na die data nieuwe rechtsnormen werden geschapen die verzoekende partij toelaten op te komen voor haar rechten en doelstellingen m.b.t. het beschermen van mensen die te leiden kunnen hebben door wateroverlast. Op 18 juli 2003 werd het decreet betreffende het integraal waterbeleid goedgekeurd (BS 14.11.2003; verder DIWB) en op 20 juli 2006 werd het besluit tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid goedgekeurd (BS 31.10.2006; verder watertoetsbesluit) dat in voege is vanaf 1 november 2006. Het DIWB vereist een watertoets die er moet voor zorgen dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Uw Raad vernietigde reeds enkele besluiten omdat deze werden genomen met miskenning van de vereisten van de watertoets (...). De rechtsnormen en beginselen en doelstellingen van het DIWB sluiten nauw aan bij de doelstellingen of collectieve belangen van de leden van verzoekende partij. Deze recentere rechtsnormen impliceren bovendien dat de overheid die besliste over de betwiste rechtshandeling, in tegenstelling tot haar X-13.292-9/23 beslissing d.d. 20 december 1999 nu diende rekening te houden met deze nieuwe bepalingen. Verzoekende partij heeft hierdoor een groter belang gekregen bij het aanvechten van vergunningen. Verzoekende partij is van oordeel dat de vergunningverlenende overheid de bepalingen van het DIWB heeft miskend”. 3.2. De tussenkomende partij betwist in haar verzoekschrift tot tussenkomst de ontvankelijkheid van de vordering wegens gebrek aan persoonlijk belang in hoofde van de verzoekende partij. Meer bepaald meent zij dat niet voldaan is aan de voorwaarden waaraan een v.z.w. dient te voldoen om in rechte op te treden voor de Raad van State, vermits de doelstelling van de verzoekende partij dermate algemeen en uitgebreid is, dat zij niet beantwoordt aan het vereiste specialiteitsbeginsel. Zij wijst erop dat het bestreden besluit de afgifte van een bouwvergunning voor het oprichten van een eengezinswoning betreft, en dat dit geenszins in verhouding is tot het werkterrein zoals bepaald in het maatschappelijke doel van de verzoekende partij. 3.3. In haar toelichtende memorie stelt de verzoekende partij : “Ter aanvulling bij punt 4.9 van het verzoekschrift wenst verzoekende partij aan te geven dat conform haar statuten overduidelijk blijkt dat verzoekende partij een niet gouvernementele organisatie is die zich inzet voor milieubescherming. Verzoekende partij heeft rechtspersoonlijkheid verworven conform de wet van 27 juni 1921 zoals gewijzigd door de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk en voldoet aldus aan de eisen van nationaal recht. Conform artikel 17 van de zogenaamde vzw-wet legt verzoekende partij ieder jaar haar jaarrekeningen neer bij de griffie van de rechtbank van koophandel. Verzoekende partij vult ook nog aan dat de paragraaf uit haar verzoekschrift die luidt ‘België heeft het verdrag bekrachtigd op 21 januari 2003, zodat het met toepassing van artikel 20, lid 3, ten aanzien van België op 21 april 2003 in werking is getreden en het dus m.b.t. voorliggend verzoekschrift. ‘van toepassing is op het verdrag van Aarhus en foutief onder 4.10 i.p.v. 4.9 geplaatst werd. (...) - De teloorgang van overstromingsgebieden gaat in snel tempo vooruit door de bouwwoede. Verzoekende partij vecht ieder verlies aan overstromingsruimte aan en heeft hiervoor al verschillende verzoekschriften ingediend bij Uw Raad (...). Vooral in Geraardsbergen gaat de achteruitgang pijlsnel (...). Het zou bijzonder cynisch zijn mocht Uw Raad nu oordelen dat verzoekende partij geen belang heeft bij deze betwiste bouwvergunning, maar pas na vele jaren als biologisch waardevolle overstromingsgebieden dermate zeldzaam geworden zijn Uw Raad zou oordelen dat verzoekende partij plots wel belang zou hebben bij het aanvechten van bouwvergunningen in die laatste overstromingsgebieden ‘dankzij’ het feit dat ze zo zeldzaam geworden zijn, terwijl het in die toestand waarbij die gebieden dermate versnipperd zijn geworden en de populaties van soorten zodanig geïsoleerd zijn geworden, het in leven houden van de aanwezige natuurwaarden quasi onmogelijk zal geworden zijn en waarbij door het verlies aan overstroombare ruimte de leefomgeving van vele mensen X-13.292-10/23 achteruit zal gegaan zijn doordat ze plots te maken krijgen met wateroverlast omdat het water overal hoger staat door de ophogingen die gepaard gaan met de nieuwbouw. (...) - De rechtstreekse impact van de vergunning is de volgende (ter aanvulling van hetgeen in het verzoekschrift uiteengezet werd): a. Het rechtstreeks verlies aan natuurwaarden door de inplanting van nieuwbouw op een biologisch waardevol perceel. In een recent rapport over overstromingsgebieden lezen we (...): ‘Natuur neemt slechts 9,5 % van de valleigebieden in. Voedselrijke graslanden, meestal in landbouwbeheer, en bossen werden buiten beschouwing gelaten. Van de 29 310 ha natuur sensu stricto behoort bijna 90 % tot de waardevolle tot zeer waardevolle natuur, waaronder bijna 2 000 ha prioritair te beschermen natuurtypes (zoals dottergraslanden, blauwgraslanden (al dan niet gedegradeerd) en kleine zeggevegetaties).’ Ook in voorliggend geval gaat het om biologisch waardevolle grond (...). b. De versnippering van een biologische waardevol gebied. De plaats waar mag gebouwd worden, ligt in het mondingsgebied van een zijbeek in de Ophasseltbeek. Door de bebouwing wordt de vallei van die zijbeek fysisch afgesneden van de vallei van de Ophasseltbeek. Het stuk biologisch waardevolle grond wordt m.a.w. in 2 stukken geknipt. c. De globale stijging van het waterniveau in de Ophasseltbeekvallei. Door de bouw van een woning op, inclusief ophoging (om niet met natte voeten te staan in de woning) van het perceel kan de oppervlakte van het perceel niet meer overstromen. Dit betekent een rechtstreeks verlies van een overstroombaar volume. Het spreekt voor zich dat het overstromingswater dat bij een volgende overstroming hier niet meer kan staan zich zal uitspreiden over de rest van de Dendervallei. Dit heeft een globale stijging van het waterpeil tot gevolg in de Ophasseltbeekvallei. Hierdoor lopen woningen die voorheen nooit wateroverlast gekend hebben een verhoogd risico. Daarom heeft verzoekende partij in al haar acties die ze doet en gedaan heeft altijd gepleit voor een compensatie van ieder verlies aan overstromingsruimte zodat het risico door deze factor niet hoger wordt. d. Flessenhalseffect bij de Kollenhoek. Bij overstromingen treden de Ophasseltbeek en haar zijbeek buiten hun oevers. De zijbeek stroomt van noord naar zuid de Ophasseltbeek in. Door bebouwing van dit perceel wordt de vallei van de zijbeek op de plaats waar ze samenkomt met de vallei van de Ophasseltbeekvallei ingepalmd door een nieuwbouwwoning na ophoging van het betrokken perceel. Bij overstromingen zal het overstromende water niet meer over de natuurlijke vallei kunnen stromen maar zal door de smalle beek moeten passeren. Aangezien het hier om een grote hoeveelheid water gaat (...). Zal de druk op de woningen die links en rechts van dit perceel destijds gebouwd werden, onder sterke druk komen te staan. Het risico dat deze woningen onder water komen te staan is groot, zeker voor de woningen die lager werden gebouwd dan de woning die met de betwiste vergunning kan gebouwd worden. Zonder de bouw van de betwiste woning hebben we in de Kollenhoek te maken met volgende situatie (...): het overstromende water van de zijbeek van de Ophasseltbeek beschikt nog over voldoende breedte in de vallei om door te stromen naar de Ophasseltbeek. Bij bebouwing van het perceel in kwestie wordt als het ware een dam opgeworpen, waardoor het overstromende water in verschillende richtingen een laagste punt zal zoeken langs waar het zijn weg kan verderzetten richting Ophasseltbeekvallei (...). X-13.292-11/23 e. De impact van de klimaatverandering kan het effect van groter overstromingsrisico nog versterken. Van een zorgzaam handelende overheid kan verwacht worden dat ze dit effect incalculeert in haar beslissingen die ze treft (toepassing preventiebeginsel en voorzorgsbeginsel). (...) Samenvattend kan gesteld worden dat het belang van verzoekende partij een feit is”. 3.4. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij nog het volgende toe: “0. Betreffende de vaststelling dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is geworden. (...) Verweer De nieuw afgeleverde vergunning dd. 30.10.2007 is identiek aan de vorige dd. 15.01.2007 met dat verschil dat er volgend stuk is toegevoegd in de motivatie: ‘Watertoets: Het voorliggende project heeft geen omvangrijke oppervlakte/omvang en ligt niet in recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Dit wordt gecompenseerd door de plaatsing van een hemelwaterput, overeenkomstig de normen vastgelegd in de geldende gemeentelijke stedenbouwkundige verordening;’ Ingevolge dit schrijven dd. 11/12/2008 van tussenkomende partij en aldus de kennisgeving van de nieuwe vergunning heeft verzoekende partij besloten tegen de nieuwe vergunning van 30.10.2007 een annulatieverzoekschrift in te dienen bij Uw Raad. Vooreerst denken we dat gelet op dezelfde inhoud van beide beslissingen Uw Raad beide zaken zou kunnen laten samenvoegen. Ten tweede stellen we vast dat hetgeen toegevoegd is aan de nieuwe vergunning in de motivatie van de beslissing diverse inhoudelijke fouten bevat: uit het meegeleverde fotomateriaal en uit de officiële kaarten blijkt duidelijk dat het gebied wel een overstromingsgebied is; het verlies aan infiltratie van regenwater in de bodem kan niet gecompenseerd worden door een hemelwaterput, immers de hemelwaterput is er voor gebouwd om het opgevangen regenwater niet te laten infiltreren in de bodem. De nieuwe beslissing is derhalve gesteund op foutieve motieven. Het is niet omdat er een nieuwe vergunning is afgeleverd voor een zelfde project dat de oude vergunning is vervallen. Indien Uw Raad de nieuwe vergunning vernietigt kan de vergunningbezitter terug grijpen naar de vorige vergunning. De vergunning is daarom nog niet vervallen. Vandaar kan het wel aangewezen zijn omtrent de eerste vergunning een uitspraak te doen. I. Betreffende de ontvankelijkheid van het annulatieberoep I.1 Betreffende de Europese richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. (...) Verweer In artikel 12, lid 1, van de richtlijn wordt duidelijk gesteld dat alle milieubeschermende niet-gouvernementele organisaties onverkort belang hebben ingeval er zich milieuschade voordoet en artikel 13 bepaalt dat deze belanghebbenden toegang hebben tot een procedure waarbij o.m. besluiten X-13.292-12/23 kunnen getoetst worden aan procedurele en materieelrechterlijke voorschriften. De milieuschade in voorliggende zaak blijkt duidelijk uit de uiteenzetting in de middelen en hetgeen we daaromtrent verduidelijken in voorliggende laatste memorie. De vraag stelt zich of belang en hoedanigheid twee aparte elementen betreffen en of er dus kan gesteld worden dat ondanks verzoekster volgens deze richtlijn als belanghebbende wordt beschouwd er alsnog dient nagegaan te worden of verzoekster aan de hoedanigheidsvereiste voldoet. (...) Nu bepaalt artikel 13, lid 2 van de richtlijn ‘Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet’ (...) de hoedanigheidsvereiste geen wettelijke bepaling is noch een bij wet opgenomen beginsel, terwijl de richtlijn enkel wettelijke bepalingen accepteert om de toegang tot administratieve beroepsprocedures al dan niet aan beperkingen te onderwerpen. We besluiten dat uw Raad t.a.v. verzoekende partij, een regionale milieuvereniging, niet gemachtigd is om eisen te stellen wat betreft de hoedanigheid en haar als een belanghebbende partij zonder meer dient te aanvaarden en haar verzoekschrift als ontvankelijk dient te bestempelen. In subsidiaire orde bespreken we alsnog andere elementen die aan bod komen in het auditoriaatsverslag. I.2 Betreffende het decreet van 6 december 2002 houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 (...) Verweer (...) In voorliggende zaak treedt verzoekster op tegen een vergunning in het geografisch werkingsgebied dat bestaat uit de 21 gemeenten van de Vlaamse Ardennen conform haar statuten. Artikel 2 van hoger genoemd decreet bepaalt dat het verdrag en zijn bijlagen volkomen gevolg zullen hebben, voor het Vlaamse Gewest. In artikel 9.2 van het verdrag staat gestipuleerd : ‘Elke Partij waarborgt, (..) dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben (..) toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, (..) Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. (..)’ Kortom het verdrag bepaalt dat organisaties zoals verzoekster toegang horen te krijgen om de rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, dus ook zoals in voorliggende zaak. We betwisten dat de bepaling ‘.. binnen het kader van de nationale wetgeving..’ dermate kan geïnterpreteerd ‘worden dat er nog andere eisen -zoals de hoedanigheidsvereiste- kunnen opgelegd worden t.a.v. de ngo’s. Daarenboven is de hoedanigheidsvereiste niet in onze nationale wetten ingeschreven. Indien uw Raad aanhoudt dat verzoekster geen belanghebbende is, vormt dit o.i. enerzijds een miskenning van hoger geciteerde duidelijke bepalingen van het verdrag en anderzijds zou dit impliceren dat die specifieke verdragsbepalingen weinig betekenis hebben en uw Raad oordeelt dat de rechtspraak gehandhaafd kan blijven, terwijl het net een expliciete doelstelling van het verdrag was om milieuverenigingen als partijen te beschouwen die voldoende belang hebben zoals in de aanhef van het verdrag aangegeven wordt. X-13.292-13/23 Bij het onontvankelijk verklaren van verzoekende partij komen we in een soort van vicieuze cirkelredenering terecht. In de aanhef van het verdrag staat: ‘(..) Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen, Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf, Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties, Overwegend dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen, (..) Erkennend dat transparantie in alle geledingen van de overheid gewenst is, en wetgevende lichamen uitnodigend de beginselen van dit Verdrag in hun handelingen ten uitvoer te brengen, (..) Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu, (..) Het belang erkennend van geheel in besluitvorming van de overheid geïntegreerde milieuoverwegingen en derhalve van de noodzaak voor bestuursorganen te beschikken over nauwkeurige, uitvoerige en actuele milieu-informatie, (..) Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast, (..) ‘ Het doel van het verdrag luidt (artikel 1): ‘Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke Partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag. ‘ Kortom het was de bedoeling om met dit verdrag 1) te voorzien in een extra of (beter) gegarandeerde milieubescherming. Het milieu bestaat uit diverse compartimenten zoals de fauna, flora, mens, het landschap met diens natuurlijke elementen en fenomenen (zoals overstromingen). Toegepast op voorliggende zaak impliceert dit dat biologisch waardevolle zones een betere bescherming behoren te genieten alsook de bedreigde biodiversiteit en de natuurlijke overstromingsgebieden. Het verdrag van Aárhus wil ondermeer een betere milieubescherming garanderen en betere integratie van die milieubescherming (en dus ook de landschapsbescherming en de natuurbescherming) in de besluitvorming. 2) een verbeterde toegang te verlenen aan o.a. milieuorganisaties in de besluitvorming en de diverse rechtsorganen. Het vroegere kader en rechtspraak kunnen niet zomaar als kader dienen voor voorliggende zaak. Het verdrag wil een verbeterde toegang verzekeren. Als alles bij het oude blijft zou dit verdrag geen enkele meerwaarde betekenen terwijl dit niet de bedoeling was. Er dient ook op gewezen worden dat in 1998 het natuurdecreet en in 2003 (naast het verdrag van Aarhus ook in 2003) het DIWB van kracht geworden is, hetgeen het belang van verzoekende partij vergroot. X-13.292-14/23 Een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State betreffende het belang waarvan milieuverenigingen moeten doen blijken is in de rechtsleer op felle kritiek onthaald wat betreft de verenigbaarheid met artikel 9.2 van het Verdrag. (...) Maar niet alleen de doctrine heeft zo zijn bedenkingen bij een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State. Het Comité voor toezicht op de naleving van de bepalingen van het Verdrag kwam in een aanbeveling van 28 juli 2006 (ECE/MP.PP/C.1/2006/4/Add.2) na een uitvoerig en genuanceerd onderzoek tot de conclusie dat de rechtspraak van de Raad van State inzake de toegang van milieuverenigingen tot de rechter in bepaalde gevallen onverenigbaar is met artikel 9 van het Verdrag’. (...) Het is duidelijk dat in het licht van het hogergenoemde decreet niet kan aanvaard worden dat milieuverenigingen zeer moeilijk toegang hebben tot de Raad van State. Men zou er kunnen inkomen dat het belang van de vereniging verschillend moet zijn van de individuele belangen van haar leden, en evenzeer kan men aannemen dat verenigingen niet moeten opkomen voor het algemeen belang in de brede betekenis van het woord, want dat zou neerkomen op een actio popularis, maar de rechtspraak mag deze beide uitersten niet zo breed gaan interpreteren dat het vinden van een weg ertussen in de praktijk een onmogelijke opgave wordt. Maar desalniettemin is er geen enkele wetgevende bepaling die voorgaande vereist en kunnen geen andere beginselen ingeroepen worden om toch nog andere en bijkomende eisen te stellen ten aanzien van verzoekster. In casu komt verzoekster op voor de bescherming van welbepaalde waarden die zich situeren op het vlak van het landschap van de karakteristieke bronbeekvallei van de Dender, alwaar biologische waarden van zeldzame historisch permanente soortenrijke graslanden dreigen verloren te gaan door de verkaveling en op vlak van de hydrologie van deze bronbeekvallei. Het beroep is o.i. derhalve ontvankelijk in het licht van het decreet van 6 december 2002 houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998. 1.3 Betreffende de ruimtelijke context en de reikwijdte van de effecten van het bestreden besluit (...) Verweer 0) Met de bouwvergunning wordt groen licht gegeven om een prachtig stuk natte beekvallei op te hogen, te bebouwen en er over de volledige oppervlakte een woonfunctie aan te geven. Het is niet omdat deze beekvallei kleiner is dan pakweg een Dendervallei dan deze minder belangrijk zou. De bronbeken vormen samen met de rivier waar ze in uitmonden een uniek vertakt netwerk. Zonder bronbeken is er immers geen Dendervallei. 1) De percelen waar de bouwvergunning betrekking op heeft, zijn laaggelegen, m.n. in de vallei van een zijbeek van de Ophasseltbeek en daardoor is het ook van nature een nat perceel en heeft het de eigenschappen van een valleigrond alias natuurlijk overstromingsgebied. Op de Biologische Waarderingskaart staat de grond ingekleurd als ‘biologisch zeer waardevol’ (...), het gaat hier om een soortenrijk historisch permanent grasland en dotterbloemhooiland. 2) Er ontstaat vermijdbare schade die erin bestaat dat er een verlies aan biologisch zeer waardevolle grond zal optreden op de ruimte die voorzien is om te bebouwen conform de litigieuze vergunning. Er zal met ander woorden een biologische degradatie van deze soortenrijke grond optreden. Daarenboven wordt een aaneengesloten stuk valleigebied hier in twee stukken geknipt. 3) Door uitvoering van de vergunning zal de woonplaats van de Dwergvleermuis en Watervleermuis (soorten beschermd volgens de richtlijn X-13.292-15/23 92/43/EEG) aangetast worden. Deze natte valleigrond is bijzonder rijk aan insecten en vormt zo een voedselbron voor deze vleermuizen. 4) Ook de woon- en schuilplaats van enkele Huisspitsmuizen en Egels zal verdwijnen. 5) Op dit op te hogen perceel komen de amfibieën Groene kikker, Bruine kikker, Gewone pad, Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander en Vinpootsalamander die er hun leefgebieden hebben waar zij voedsel zoeken (soorten beschermd via het K.B. houdende maatregelen, van toepassing in het Vlaamse Gewest, ter bescherming van bepaalde in het wild levende inheemse diersoorten, die niet onder de toepassing vallen van de wetten en besluiten op de jacht, de riviervisserij en de vogelbescherming van 22/09/1980) voor. Ook zij verliezen hier hun biotoop. 6) Tal van libellen waaronder de Platbuik, het Lantaarntje, de Watersnuffel en de Gewone oeverlibel vliegen rond op het betrokken perceel om er prooien te zoeken. 7) De loopkever Oeverloopkever heeft er eveneens zijn verblijfplaats. 8) Er leven in totaal 4 soorten lieveheersbeestjes in het gebied, nl. het Tweestippelig, het Zevenstippelig, het Tienstippelig en het Veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje (soorten allen beschermd via het hogergenoemde K.B. van 22/09/1980). 9) Sleedoornpage heeft er zijn leefgebied (...). 10) Grote Ratelaar groeit er (...) en verliest ook areaal bij uitvoering van de bouwvergunning. Andere niet algemene planten die er groeien: Scherpe Boterbloem, Echte Koekoeksbloem, Gewone Waterbies,.. 11) Er treedt versnippering op van een biologische waardevol gebied. De plaats waar mag gebouwd worden, ligt in het mondingsgebied van een zijbeek in de Ophasseltbeek. Door de, bebouwing wordt het biologisch zeer waardevol gebied ten noorden van de bebouwing afgescheiden van het biologische waardevol gebied ten zuiden. Een stuk biologisch (zeer) waardevolle grond wordt m.a.w. in 2 stukken geknipt. De organismen kunnen niet meer vrij bewegen van het ene stuk naar het andere stuk valleigebied. In bijlage 1a is te zien dat de biologisch waardevolle tot zeer waardevolle stukken met mekaar verbonden zijn. Op bijlage 1b is te zien hoe die verbinding verbroken wordt. Het biologisch zeer waardevolle gebied ten noorden van het te bebouwen perceel zal vanaf de realisatie van de betwiste bebouwing rondom rond ingesloten zitten tussen lintbebouwing. Hierdoor wordt dit een eiland (dat nu nog biologisch zeer waardvol
- is)waar de minder mobiele organismen zich niet meer uit kunnen verplaatsen en dreigen uit te sterven door inteelt; kortom de hoge biologische waarde zal op termijn sterk verminderen. Voor volgende dieren en planten is dat een probleem: a. Alle hoger vermelde amfibieën (kikkers, padden en salamanders) komen nog voor ten noorden en ten zuiden van het te bebouwen perceel. De populaties van alle amfibieënsoorten ten noorden van het te bebouwen perceel dreigen dus uit te sterven door inteelt omdat er eigenlijk te weinig individuen zijn om een gezonde populatie te behouden. Van de Vinpootsalamander komt de grootste populatie ten noorden van het te bebouwen perceel voor; dit is de bronpopulatie van alle andere populaties in de rest van de Ophasseltbeekvallei: dit betekent dat als populaties van de Vinpootsalamander in de Ophasseltbeekvallei het eens wat minder doen, die normaal gezien terug op peil wordt gebracht met soortgenoten ten noorden van de Kollenhoek. Dit wordt nu niet meer mogelijk bij uitvoering van de bouwvergunning. b. De volgende zoogdieren zullen ten noorden van de Kollenhoek (die nu voorlopig nog biologisch zeer waardevol
- is)ook op een eiland zitten waar ze niet meer weg kunnen: de Wezel, de Hermelijn, de Bunzing, de Huisspitsmuis, de Woelrat, de Ondergrondse woelmuis, de Aardmuis. Dit zijn waargenomen soorten, wat niet uitsluit dat er nog andere soorten ook aanwezig kunnen zijn. X-13.292-16/23 Dit zijn vooral soorten die op de vochtige tot natte gronden voorkomen, die bij uitvoering van de bouwvergunning verhinderd zullen zijn om zich te verplaatsen van zuid naar noord en omgekeerd over de Kollenhoek. Het gevolg hiervan is dat deze unieke populaties ten noorden van de Kollenhoek die bestaan hooguit uit enkele tientallen exemplaren volgens de waarnemingen zich voortaan moeten voortplanten binnen dit kleine groepje individuen waardoor ze op termijn zullen uitsterven door inteelt of door een of andere ziekte die hen treft. c. Ten zuiden van de Kollenhoek komt nog een populatie Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana; soort van bijlage II van de Europese Richtlijn 92/43/EEG, tevens van bijlage II van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21/10/1997) voor. Deze kan bij uitvoering van de litigieuze vergunning zich niet meer verplaatsen langsheen de natte valleigronden ten noorden van de Kollenhoek, daar waar de richtlijn 92/43/EEG de totstandkoming van een coherent ecologisch netwerk voor dergelijke soorten als doelstelling nastreeft. De uitwerking van dit netwerk wordt bemoeilijk door dergelijke onoverbrugbare hinderpaal op te werpen met dit bouwwerk. Deze soort komt alleen in het meest oostelijk deel van het werkingsgebied van verzoekster voor, wat betekent dat dit samenhangend aaneengesloten vallei-ecosysteem heel belangrijk is voor verzoekende partij. d. Alle ongevleugelde insecten kunnen zich eveneens niet meer verplaatsen tussen de twee afgescheiden gebieden. e. Tal van kwetsbare planten kunnen niet meer vrij migreren van de ene naar de andere zijde van de Kollenhoek, zo ondermeer de hoger vermelde unieke planten alsook bvb. Adderwortel waarvan zich hier de belangrijkste populatie in heel het werkingsgebied van verzoekende partij bevindt. Dit en hetgeen in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord aan bod kwam onderstreept het belang van de locatie waar de vergunning betrekking op heeft, zeker in het licht van de doelstellingen van verzoekende partij. Het is niet zomaar een vergunning op één welbepaalde locatie met beperkt effect, maar een vergunning die impact heeft op een prachtige bronbeekvallei die door uitvoering van de vergunning haar natuurwaarden verliest en voor versnippering zorgt. I.4 Het belang conform de Belgische Grondwet Enkele grondwetsartikelen zijn bepalend voor het belang waarnaar verzoekende partij handelt in het bijzonder bij het aanvechten van voorliggende bouwvergunning. I.4.1 Artikel 7bis van de Belgische grondwet luidt ‘Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten de doelstellingen na van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties.’ Het kan o.i. niet dat de Stedelijke Overheid bij het uitvaardigen van een bouwvergunning geen rekening houdt met dit streven naar duurzame ontwikkeling, m.a.w. er zorg voor draagt dat deze unieke zijbeek van de Ophasseltbeekvallei niet nog verder achteruit gaat zowel op biologisch en landschappelijk vlak alsook in het belang ervan als natuurlijke overstromingsgebied. De zorg voor natuurwaarden is ondermeer geregeld via het standstill principe (artikel 8 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 [verder het natuurdecreet]) en deze zorg wordt met de voeten getreden doordat rechtstreeks ca. 9a floristisch hoogstaande grond waar ook amfibieën, zoogdieren en roofvogels hun gading vinden biologisch gezien gedegradeerd wordt. Het verlies van een authentieke bronbeek is in strijd met de duurzame ontwikkeling van de valleigebieden zoals die is ingeschreven in een van de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 [verder DIWB] o.m. in artikel 5, 4/ van het DIWB dat luidt: ‘het voorkomen van de verdere achteruitgang (.) van rechtstreeks van X-13.292-17/23 waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door
- a)het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
- b)het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen; (.)’. Deze grondwetsbepaling is eveneens een neergeschreven doelstelling van verzoekster zoals omschreven in art. 2 §1 van de statuten van verzoekster: ‘De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen’. Art. 2 §2 van de statuten specificeert veel concreter in welke domeinen verzoekende precies actief is. In het kader van de doelstelling van de nagestreefde duurzame ontwikkeling zoals neergeschreven in de grondwet diende verzoekende partij het verzoekschrift in bij uw Raad en heeft zij aldus de vereiste hoedanigheid en belang. I.4.2 Artikel 23 van de grondwet bepaalt : ‘Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : (..) 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; (..).’ Een precieze definitie van een gezond leefmilieu ontbreekt in de Grondwet. In het decreet houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid van 5 april 1995 vinden we volgende definitie van milieu: ‘Art. 1.1.2. §1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder: 1/ milieu: de atmosfeer, de bodem, het water, de flora, de fauna en overige organismen andere dan de mens, de eco-systemen, de landschappen en het klimaat,’. Betreffende de draagwijdte en drempelwaarde van wat als gezond beschouwd wordt, leren we uit de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling dat minstens een stand-still nagestreefd wordt. In het unieke overstromingsgebied van deze beekvallei gaan biologisch hoge waarden verloren bij uitvoering van de bouwvergunning. M.a.w. er wordt geen stand-still nagestreefd met deze bouwvergunning (wat wel gekund had door niet uitvoering van de vergunning of door een evenwaardige compensatie in natura). En verzoekster heeft derhalve het recht om het leefmilieu hier te beschermen en de wettigheid van de tenuitvoerlegging van de bouwvergunning bij uw Raad aan te vechten. Deze duidelijke grondwetsbepaling om de stand-still van het eco-systeem met zijn fauna en flora en de unieke landschapswaarde te verdedigen voor uw Raad is conform de doelstellingen van verzoekster. I.5 (...) milieuverenigingen, zelfs indien ze (inter)nationaal georganiseerd zijn (...), een lokaal besluit kunnen aanvechten voor uw Raad. (...) Het probleem van dit alles ligt wellicht in het feit dat uw Raad nooit glasheldere grenzen heeft getrokken ten aanzien van regionale milieuverenigingen inzake de hoedanigheidsvereiste. Hoeveel milieuschade dient er op te treden en hoever dient die te reiken, hoeveel leefgebied van in het wild levende dieren en planten dient er verloren te gaan, hoe zeldzaam dienen de betrokken dieren te zijn, hoeveel hectaren biologisch waardevolle grond of hoeveel hectaren biologisch zeer waardevolle grond dient gedegradeerd te worden tot biologisch minder waardevol, hoe ernstig dient het landschap aangetast te worden en in welke gevallen spreekt u van ernstige landschapsvervuiling, enz. vooraleer verzoekster beschouwd wordt als te voldoen aan de gestelde hoedanigheidsvereiste?” (...) X-13.292-18/23 4.1. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. Artikel 1, §4 van de statuten van de verzoekende partij bepaalt het volgende over haar werkingsgebied: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; -een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; -het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; X-13.292-19/23 -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; -het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; -het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel, en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; -het optreden in rechte voor de administratieve gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz. (...)”. 4.2. Terzake is de bestreden beslissing een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een eengezinswoning binnen een niet-vervallen verkaveling. De verzoekende partij geeft zelf in haar verzoekschrift aan dat zij de verkavelingsvergunning die het bouwen van 7 woningen mede moet mogelijk maken, niet heeft aangevochten. De bestreden beslissing betreft welbepaalde werken en handelingen op een welbepaalde plaats. Ook al heeft de bestreden vergunning wellicht een aantal gevolgen voor omliggende percelen, toch bestaat er geen band van evenredigheid tussen het actieterrein van de vereniging enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. De luttele, niet gestaafde, beweringen van de verzoekende partij die betrekking hebben op het impact van de bestreden vergunning tonen die band geenszins aan. 4.3.1. De verzoekende partij beroept zich tevens op het Verdrag betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. Meer bepaald verwijst de verzoekende partij naar artikel 9.2 van dit verdrag dat luidt als volgt: X-13.292-20/23 “2. Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en de formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. Artikel 2.5 van het Verdrag bepaalt: “5. Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbend is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. 4.3.2. Zij beroept zich ook op de Europese richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt: “Verzoeken om maatregelen 1. Natuurlijke of rechtspersonen die
- a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
- b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
- c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. X-13.292-21/23 Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. 2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd. 3. Wanneer het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen en gegevens aannemelijk maken dat er milieuschade is, neemt de bevoegde instantie deze opmerkingen en dit verzoek om maatregelen in overweging. In dat geval biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken. 4. De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk, en in elk geval overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht, de in lid 1 bedoelde personen die opmerkingen bij haar hebben ingediend in kennis van haar besluit inzake het al dan niet nemen van maatregelen, en motiveert dat besluit. 5. De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 en 4 niet toe te passen op gevallen van onmiddellijke dreiging van schade”. Artikel 13 van de richtlijn luidt als volgt: “Beroepsprocedure 1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen. 2. Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet”. 4.4. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van het vermelde verdrag en de vermelde richtlijn gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. 4.5. De exceptie van de verwerende partij is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. X-13.292-22/23 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.292-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.309 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div