id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.328 Rolnummer: A. 161583/VII-37437 Zaak: Arrest 202328 - Monumenten en Landschappen - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:32 Fiche Arrest nr 202.328 van 25 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.328 van 25 maart 2010 in de zaak A. 161.583/VII-37.437. In zake: 1. Camille MENTEN 2. Florentine GOORTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Deloffer kantoor houdend te Alken Hoogsimsestraat 49 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te Antwerpen Grotehondstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 april 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 29 december 2004 in zoverre daarbij de gesloten hoeve, erf en bakhuis, gelegen aan de Meerdegatstraat 49 te Alken, de landelijke omgeving van voornoemde vakhoeve en de gesloten vakwerkhoeve, erf, moestuin en bakhuis, gelegen aan de Meerdegatstraat 116 te Alken, respectievelijk als monument, als dorpsgezicht en als monument beschermd worden. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. VII-37.437-1/9 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Eyskens, die loco advocaat Frank Deloffer verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Helen Van Nijverseel, die loco advocaat Olivier Onghena verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partijen zijn eigenaar van het perceel gelegen aan de Meerdegatstraat 49 te Alken dat onder de bescherming van het bestreden besluit valt. De tweede verzoekster is mede-eigenaar van het onroerend goed gelegen aan de Meerdegatstraat 116 te Alken. 3.2. Op 28 mei 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om onder meer volgende percelen op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten : "Wegens de historische, historische meer bepaald architectuurhistorische, socio-culturele en volkskundige waarde : -als monument : gesloten hoeve, erf en bakhuis, gelegen te Alken (Alken), Meerdegatstraat 49; bekend ten kadaster : Alken, 2e afdeling, sectie D, perceelnummer(
- s)593, 596D. Wegens de historische, socio-culturele en volkskundige waarde : -als dorpsgezicht : landelijke omgeving van vakhoeve Meerdegatstraat 49, gelegen te Alken (Alken), Meerdegatstraat; bekend ten kadaster : Alken, 2e afdeling, sectie D, perceelnumer(
- s)591D (deel), 594E, 594F, 595A (deel), 597A (deel), 598E, 598F. VII-37.437-2/9 (...) Wegens de historische, historische meer bepaald architectuurhistorische, socio-culturele en volkskundige waarde : -als monument : gesloten vakwerkhoeve, erf, moestuin en bakhuis, gelegen te Alken (Alken), Meerdegatstraat 116; bekend ten kadaster : Alken, 2e afdeling, secie D, perceelnummer(
- s)961F". Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt bij brief van 1 augustus 2003 naar de verzoekende partijen en de betrokken besturen verstuurd. 3.3. Op 6 augustus 2003 dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. 3.4. Bij ministerieel besluit van 11 juni 2004 wordt de geldigheidsduur van voornoemd voorlopig beschermingsbesluit van 28 mei 2003 verlengd met een termijn van zes maanden. Dit verlengingsbesluit wordt op 28 juli 2004 aan de verzoekende partijen betekend. 3.5. Het bezwaar van de verzoekende partijen wordt door de afdeling Monumenten en Landschappen besproken in haar verslag. 3.6. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) verleent op 7 oktober 2004 advies. 3.7. Op 29 december 2004 beslist de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening onder meer volgende goederen te beschermen : "4/ Wegens de historische, socio-culturele en volkskundige waarde : - als monument : gesloten hoeve, erf en bakhuis, gelegen te Alken (Alken), Meerdegatstraat 49; (...) 5/ Wegens de historische, socio-culturele en volkskundige waarde : - als dorpsgezicht : landelijke omgeving van vakhoeve Meerdegatstraat 49, (...) 7/ Wegens de historische, socio-culturele en volkskundige waarde : - als monument : gesloten vakwerkhoeve, erf, moestuin en bakhuis, gelegen te Alken (Alken), Meerdegatstraat 116 (...)". Dit besluit wordt op 10 februari 2005 aangetekend naar de verzoekende partijen verstuurd. VII-37.437-3/9 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna : decreet van 3 maart 1976) doordat geen melding gemaakt wordt van een gemotiveerde beslissing van de regering waarbij de termijn overeenkomstig artikel 5, § 7, van het decreet van 3 maart 1976 verlengd wordt en dat het bestreden besluit niet binnen de in voornoemd artikel 5, § 7, voorgeschreven termijn onderschreven is, zodat het bestreden besluit nietig is. 5. De verwerende partij antwoordt dat het decreet van 3 maart 1976 geen meldingsplicht oplegt van de gemotiveerde beslissing van termijnverlenging in het besluit zelf, dat overeenkomstig artikel 5, § 7, van het decreet van 3 maart 1976 de uitwerkselen van het voorlopig beschermingsbesluit van toepassing zijn vanaf de betekening die te dezen heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2003, dat bij ministerieel besluit van 11 juni 2004 de geldigheidsduur van het voorlopig beschermingsbesluit met zes maanden verlengd is, dat dit verlengingsbesluit is betekend op 28 juli 2004 en dat het bestreden besluit op 29 december 2004 genomen is. Uit dit feitelijk overzicht blijkt volgens de verwerende partij dat de wettelijk voorziene termijnen gerespecteerd zijn en dat het middel gebaseerd is op een foutieve interpretatie van de procedure. Beoordeling 6. Uit de feiten blijkt dat op 11 juni 2004 een verlengingsbesluit is genomen en dat dit verlengingsbesluit ook aan de verzoekende partijen is betekend. Een middel opgebouwd vanuit de stelling dat geen verlengingsbesluit voorligt, gaat bijgevolg van een verkeerde premisse uit en mist feitelijke grondslag. Het niet- vermelden van het verlengingsbesluit in de aanhef van het bestreden besluit tast de wettigheid van het bestreden besluit niet aan. Het eerste middel is niet gegrond. VII-37.437-4/9 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 7. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van de artikelen 7, 8 en 9 van het decreet van 3 maart 1976. Zij stellen dat in het bestreden besluit geen beperkingen van het eigendomsrecht worden vermeld, terwijl dit volgens hen substantiële voorschriften zijn. Zij betogen ook dat er geen decretale rechtsgrond bestond voor het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten, dat in het bestreden besluit van toepassing wordt verklaard. 8. De verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit enkel bijzondere eigendomsbeperkingen moet bevatten voor zover dergelijke beperkingen worden opgelegd, wat te dezen niet het geval is. Zij stelt dat enkel algemene eigendomsbeperkingen opgelegd worden en dat het voldoende is dat het bestreden besluit hiervoor voornoemd besluit van 17 november 1993 van toepassing verklaart. De verwerende partij stelt dat het tweede middel bij toepassing van de exceptio obscuri libelli moet worden afgewezen omdat niet duidelijk is wat de verzoekende partijen bedoelen met hun stelling dat voornoemd besluit van 17 november 1993 geen rechtsgrond heeft. Zij stelt voorts dat ingevolge de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de bevoegdheden inzake monumenten en landschappen naar het Vlaamse Gewest zijn overgeheveld met als grondslag artikel 39 van de Grondwet, zodat de Vlaamse regering in uitvoering van het decreet van 3 maart 1976 voornoemd besluit van 17 november 1993 kon nemen. Ten slotte stelt de verwerende partij dat de verzoekende partijen geen belang hebben omdat uit een schrijven van de gemachtigde ambtenaar blijkt dat het pand aan de Meerdegatstraat 49 gelegen is binnen een woongebied met landelijk karakter en landschappelijk waardevol argrarisch gebied wat op zich reeds een aantal eigendomsbeperkingen met zich meebrengt. Volgens de verwerende partij kunnen de verzoekende partijen geen voordeel verkrijgen bij de vernietiging van het bestreden besluit omdat zij reeds beperkingen ondergaan op grond van het bestaande gewestplan. VII-37.437-5/9 9. De verzoekende partijen repliceren dat zij wel een belang hebben omdat het te dezen gaat om andere beperkingen dan de beperkingen voortvloeiend uit het bestaande gewestplan en dat deze beperkingen op grond van het gewestplan geen rechtsgrond bieden voor voornoemd besluit van 17 november 1993. Beoordeling 10. Een beschermingsbesluit kan voor de eigenaar verdergaande en strengere beperkingen en verplichtingen inhouden dan de passieve bestemming die het gewestplan voorziet. De exceptie van de verwerende partij aangaande het belang van de verzoekende partijen is derhalve ongegrond. 11. De overheid heeft geen verplichting om ook specifieke voorschriften op te leggen. Specifieke voorschriften zijn slechts facultatief. De verwerende partij kan er zich terecht toe beperken om het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten expliciet van toepassing te verklaren. Als rechtsgrond voor het voornoemde besluit van 17 november 1993 wordt verwezen naar artikel 11, § 5, van het decreet van 3 maart 1976 dat gewijzigd werd bij decreet van 21 november 2003. Luidens de memorie van toelichting bij het decreet van 21 november 2003 bestond de bepaling van het nieuwe artikel 11, § 5 reeds vroeger maar werd dit voorschrift omwille van de duidelijkheid en leesbaarheid vermeld onder artikel 11, § 5, van het decreet van 3 maart 1976. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen 12. De verzoekende partijen roepen in een derde middel een schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van artikel 2 van het decreet van 3 maart 1976. Zij stellen in een eerste onderdeel dat een voldoende feitelijke grondslag van de motivering van het bestreden besluit ontbreekt omdat bijvoorbeeld het voetpad dat wordt vermeld in het bestreden besluit, onbestaande is. In een tweede onderdeel argumenteren zij dat het motief opgenomen VII-37.437-6/9 in het bestreden besluit niet valt onder artikel 2 van het decreet van 3 maart 1976 en in een derde onderdeel stellen zij dat de motivering geen concreet gegeven bevat waaruit op afdoende wijze het algemeen belang van de bescherming blijkt. 13. De verwerende partij antwoordt met betrekking tot het eerste onderdeel dat in het bestreden besluit rekenschap wordt verleend aan het advies van de KCML en dat onder meer op basis van dit advies van de KCML het bestreden besluit genomen is. Zij stelt dat de waarde van de vakwerkhoeve duidelijk is weergegeven in het dossier en dat duidelijk wordt gemaakt welke typische waarde de omliggende percelen hebben in het kader van de bescherming van deze hoeve. Met betrekking tot het tweede onderdeel antwoordt de verwerende partij dat de verzoekende partijen geen minimale argumentatie ontwikkeld hebben en dat de bescherming van de omgeving van de vakwerkhoeves is opgevat als de directe, er onmiddellijk mee verbonden visuele omgeving van een monument, dat door haar beeldbepalend karakter de intrinsieke waarde van het monument tot zijn recht doet komen dan wel door haar fysische eigenschappen de instandhouding en het onderhoud van het monument kan waarborgen. Met betrekking tot het derde onderdeel verwijst de verwerende partij naar het bestreden besluit en antwoordt zij dat het bestreden besluit concrete motieven bevat waaruit op afdoende wijze het algemeen belang van de bescherming omwille van de historische, socio-culturele en volkskundige waarde blijkt. Beoordeling 14. De verzoekende partijen leveren kritiek op de overwegingen in het bestreden besluit die betrekking hebben op de bescherming als dorpsgezicht van de landelijke omgeving van de vakhoeve, gelegen aan de Meerdegatstraat 49 te Alken : "Historische, socio-culturele en volkskundige waarde van omgeving hoeve Meerdegatstraat 49 : De onbebouwde omgeving van hoeve is het enige restant van het historisch uitgestrekte hinterland van het complex. Dat hinterland, waarop het bakhuis van de hoeve is opgetrokken en dat wordt doorkruist door een veldpad richting dorp, sluit praktisch aan bij de hoevegebouwen, onderstreept ze in hun oorspronkelijke agrarische functionaliteit, en onderstreept de plaats van de hoeve in de vroegere dorpse structuur. Het geheel heeft tot slot een zekere esthetische waarde". Het eerste onderdeel beperkt zich tot een loutere bewering die door de verzoekende partijen niet op afdoende wijze wordt uiteengezet en bijgevolg niet ontvankelijk is. VII-37.437-7/9 15. Met betrekking tot het tweede onderdeel stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partijen geen voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel geven, noch de wijze aantonen waarop die rechtsregel door het bestreden besluit wordt geschonden. Het tweede onderdeel is niet ontvankelijk. 16. In het derde onderdeel poneren de verzoekende partijen zonder meer dat een motivering die geen enkel concreet gegeven bevat waaruit op afdoende wijze het algemeen belang van de bescherming blijkt, niet voldoet aan de motiveringswet. De verzoekende partijen tonen niet op concrete wijze aan dat het bestreden besluit en de hierin weerhouden overwegingen, geen enkel concreet gegeven bevatten waaruit op afdoende wijze het algemeen belang van de bescherming blijkt. Een middel dat zich beperkt tot een loutere weergave van een aangenomen beginsel, zonder dit principe in concreto op het bestreden besluit te betrekken, is niet ontvankelijk. Het derde onderdeel is niet ontvankelijk. Het derde middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. VII-37.437-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig maart tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.437-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.328 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div