← België

Arrest 202334 - Onteigeningen - 25/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.334 Rolnummer: A. 178460/VII-37479 Zaak: Arrest 202334 - Onteigeningen - 25/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-02 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:31 Fiche Arrest nr 202.334 van 25 maart 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 202.334 van 25 maart 2010 in de zaak A. 178.460/VII-37.

  1. In zake:
  2. de CV H en D
  3. de NV RDB
  4. de NV FMK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Blommaert en Jan Ghysels kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  5. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen
  6. de STAD ROESELARE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Coppens kantoor houdend te Roeselare Westlaan 358 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  7. Het beroep, ingesteld op 13 november 2006, strekt tot de nietigverklaring van : "(...) - het besluit van de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering van 25 augustus 2006 dat het stadsbestuur van Roeselare machtigt om voor de uitbreiding van de begraafplaats in de Groenestraat over te gaan tot onteigening bij toepassing van de wet van 26 juli 1962; - en bij samenhang het besluit van de gemeenteraad van Roeselare van 29 mei 2006 houdende goedkeuring van het onteigeningsplan en - bij samenhang het gemeenteraadsbesluit van 27 maart 2006". VII-37.479-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  8. De verwerende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en laatste memories ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 februari
  9. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die loco advocaten Dominique Blommaert en Jan Ghysels verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Patrick Peeters, die loco advocaat Alain Coppens verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. III. Feiten
  11. De verzoekende partijen zijn elk voor één derde onverdeeld eigenaar van een aantal percelen te Roeselare, kadastraal bekend onder derde afdeling, sectie C, nrs. 1205/c, 1206/c, 1207, 1208, 1209, 1210/a en 1211/b. Met uitzondering van het perceel 1210/A maken deze percelen het voorwerp uit van het onteigeningsbesluit dat in voorliggend annulatieberoep wordt bestreden. VII-37.479-2/8
  12. Op 27 maart 2006 gaat de gemeenteraad van Roeselare over tot de voorlopige aanvaarding van het onteigeningsplan voor het verwerven van grond en gebouwen, gelegen tussen de Groenestraat, Piljoenstraat, Iepersestraat en de Rijksweg N32, voor de uitbreiding van de begraafplaats Roeselare 2, Groenestraat
  13. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd, waarbij onder meer de verzoekende partijen bezwaar indienen.
  14. Op 29 mei 2006 neemt de gemeenteraad van Roeselare het onteigeningsplan definitief aan.
  15. Op 15 juni 2006 vraagt de stad Roeselare aan de Vlaamse minister van Binnenlands bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, een machtiging om tot onteigening over te gaan. Op 25 augustus 2006 wordt deze machtiging verleend. Dit is de eerste bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid Ambtshalve excepties
  16. Het tweede en het derde bestreden besluit brengt op zich geen wijziging aan in de rechtstoestand van de verzoekende partijen. Het beroep is derhalve onontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op het besluit van de gemeenteraad van de stad Roeselare van 29 mei 2006 houdende goedkeuring van het onteigeningsplan, en op het voorafgaande besluit van diezelfde gemeenteraad van 27 maart 2006 houdende de voorlopige aanneming van het onteigeningsplan. De verzoekende partijen hebben slechts belang bij de vernietiging van het ministerieel besluit houdende machtiging tot onteigening in zoverre dit besluit betrekking heeft op percelen waarvan zij eigenaar zijn. Het betreft de percelen gelegen te Roeselare, derde afdeling, sectie C, nrs. 1205/c, 1206/c, 1207, 1208, 1209, en 1211/b. De bestreden machtiging tot onteigening heeft zowel betrekking op bovengrondse als op ondergrondse onteigeningen. Voor de innemingen 12', 14' en 16', dit zijn de ondergrondse onteigeningen, die respectievelijk betrekking hebben op de percelen 1207, 1208 en 1211/b, werd door de stad Roeselare een procedure VII-37.479-3/8 ingeleid voor de Vrederechter van Roeselare, die de vordering ontoelaatbaar heeft verklaard. De bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen indien dat beroep is ingesteld door de onteigende. Deze bevoegdheidsuitsluiting geldt ook voor het beroep tot nietigverklaring dat bij de Raad van State is ingesteld vooraleer de zaak bij de vrederechter aanhangig werd gemaakt. De Raad van State is bijgevolg onbevoegd om kennis te nemen van het voorliggend beroep in zoverre het betrekking heeft op de ondergrondse innemingen 12', 14' en 16'. Excepties van de tweede verwerende partij
  17. In haar memorie van antwoord werpt de tweede verwerende partij op dat het beroep onontvankelijk is omdat de verzoekende partijen voor het eerst middelen aanbrengen waarvan zij geen gewag hebben gemaakt tijdens het openbaar onderzoek. De tweede verwerende partij stelt eveneens dat de onteigening in een gerechtelijke fase is getreden bij de Vrederechter van het kanton Roeselare en dat de Raad van State bijgevolg zonder rechtsmacht is.
  18. In haar laatste memorie wijst zij op een overeenkomst die zij heeft gesloten met de verzoekende partijen, waarbij toestemming wordt gegeven tot het aanbrengen van een ondergrondse buis met een lengte van 92 meter, waarvoor de werken zijn voltooid. Zij betoogt dat er geen actueel belang meer voorhanden is en dat een eventuele nietigverklaring geen enkel voordeel kan opbrengen. Beoordeling
  19. Los van het feit dat de verzoekende partijen op het ogenblik van het openbaar onderzoek geen middelen konden formuleren tegen een beslissing die nog moest worden genomen, geldt dat het niet vereist is dat een verzoeker heeft deelgenomen aan een openbaar onderzoek opdat hij op ontvankelijke wijze een annulatieberoep bij de Raad van State zou kunnen indienen. VII-37.479-4/8 Aangezien, zoals hierboven is gebleken, de Raad van State onbevoegd is om kennis te nemen van het voorliggend beroep in zoverre het betrekking heeft op de ondergrondse innemingen 12', 14' en 16' en de exceptie in de laatste memorie van de tweede verwerende partij uitsluitend betrekking heeft op de ondergrondse innemingen, behoeft die exceptie geen verder onderzoek. De overeenkomsten, waarvan de tweede verwerende partij gewag maakt, doen geen afbreuk aan het belang, vermits de onteigening veel verder gaat dan het aanbrengen van een ondergrondse buis. De excepties van de tweede verwerende partij worden verworpen. V. Onderzoek van het tweede middel
  20. De verzoekende partijen steunen hun tweede middel op de schending van artikel 16 van de Grondwet, van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte en de concessies voor de bouw van de autosnelwegen (hierna: wet van 26 juli 1962) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 26 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. In essentie houdt het middel in dat de wet van 26 juli 1962 enkel mag worden toegepast indien de onmiddellijke inbezitneming vereist is, hetgeen te dezen niet het geval zou zijn. Volgens de verzoekende partijen wordt in de gemeenteraadsbesluiten van 27 maart 2006 en 29 mei 2006 de hoogdringendheid enkel ingeroepen voor bepaalde innemingen, maar alleszins niet voor de inneming 11, en wordt de beweerde hoogdringendheid bovendien tegengesproken door de gemeente zelf, nu zij beslist heeft toch een openbaar onderzoek te houden.
  21. In haar memorie van antwoord betoogt de eerste verwerende partij, samengevat, dat een machtiging tot toepassing van de onteigeningsprocedure bij hoogdringende omstandigheden afdoende wordt gemotiveerd indien wordt vastgesteld dat er een dringende nood is aan het realiseren van de onteigeningsdoelstelling, hetgeen te dezen het geval zou zijn doordat de bestreden beslissing verwijst naar de besluiten van 27 maart 2006 en 29 mei 2006, waaruit de eerste verwerende partij citeert. Zij betoogt eveneens dat de machtiging tot onteigenen enkel betrekking heeft op de percelen die op het plan en de innemingstabel zijn vermeld als "onmiddellijk in te lijven gronden", namelijk "de VII-37.479-5/8 percelen" 10a, 10c, 10e, 7b, 8, 9, 12', 14' en 16'. Voor zover het bestreden besluit ruimer zou kunnen worden gelezen dan als betrekking hebbend op de "onmiddellijk in te lijven gronden", verzoekt zij het machtigingsbesluit slechts gedeeltelijk te vernietigen, enkel in de mate dat de onteigening geldt voor de "later in te lijven gronden", namelijk "de percelen" 1a, 1b, 2, 3, 4, 5, 6, 7a, 10b, 10d, 11, 12, 13, 14, 15,
  22. Het betoog van de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord volgt in hoofdzaak dezelfde argumentatie. Zij voegt er echter aan toe dat de verzoekende partijen wel een punt hebben met betrekking tot inneming 11, omdat de vereiste van hoogdringende verwerving in de gemeenteraadsbesluiten van 27 maart 2006 en 29 mei 2006 niet wordt gevraagd en de eerste verwerende partij voor dit lot toch machtiging tot onteigening verleent. De tweede verwerende partij zegt niet van plan te zijn met betrekking tot deze inneming de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden uit te voeren. Volgens haar is de grief in het tweede middel beperkt tot inneming 11, zodat een gebeurlijke vernietiging voor andere innemingen "ulta petita" is.
  23. In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat in het bestreden besluit geen onderscheid wordt gemaakt tussen de gronden waarvoor de gemeenteraad de hoogdringendheid van de onteigening heeft ingeroepen en de gronden waarvoor zulks niet gebeurde, zodat de machtiging wel degelijk betrekking heeft op inneming
  24. In haar laatste memorie verzoekt de eerste verwerende partij, in subsidiaire orde, de nietigverklaring van het bestreden besluit te beperken "enkel in de mate dat het zou kunnen gelezen worden als betrekking hebbend op de percelen 11, 12, 13, 14, 15, 16 van de 'later in te lijven percelen'". Ook betoogt zij in haar laatste memorie nog dat de onmiddellijk in te lijven gronden in gele en blauwe kleur zijn aangegeven doch dat de later in te lijven gronden gearceerd worden weergegeven. VII-37.479-6/8 Beoordeling
  25. De verzoekende partijen stellen dat niet wordt aangetoond dat de inbezitneming van "de goederen" laattijdig zou zijn "voor de verwezenlijking van het doel". De kritiek van de tweede verwerende partij dat het tweede middel enkel betrekking heeft op de "inneming 11" gaat derhalve niet op. Artikel 2 van het eerste bestreden besluit (hierna: het bestreden besluit), bepaalt dat de "inbezitneming van het onroerend goed, voorkomend op bijgaand plan in kleur aangeduid", volstrekt noodzakelijk is. Op het onteigeningsplan zijn de bovengrondse innemingen 11, 12, 13, 14, 15 en 16 alle in kleur aangeduid, wat betekent dat, volgens de tekst van het bestreden besluit, op die percelen de inbezitneming mogelijk is, wat enkel kan bij hoogdringendheid. Artikel 3 van het bestreden besluit bepaalt dat het stadsbestuur van Roeselare ertoe wordt gemachtigd om, ter verwezenlijking van de in artikel 1 bedoelde werken, tot onteigening over te gaan, met toepassing van de wet van 26 juli
  26. Dit artikel bepaalt voorts dat de rechtspleging bij dringende omstandigheden, bedoeld bij de wet van 26 juli 1962, op de onteigening mag worden toegepast. In het bestreden besluit wordt nergens een onderscheid gemaakt tussen de verschillende percelen. Bijgevolg mag volgens artikel 2 van het bestreden besluit op alle percelen "in kleur aangeduid", de rechtspleging bij dringende omstandigheden worden toegepast. Uit het onteigeningsplan dat zich in het administratief dossier bevindt blijkt dat de "later in te lijven gronden" in het lichtgeel werden aangeduid, en ook een bleekgele kleur is een kleur. Ten aanzien van de percelen 11, 12, 13, 14, 15, en 16, op het onteigeningsplan aangeduid als "later in te lijven" en waarvoor het volgens de verwerende partijen niet de bedoeling was ze bij hoogdringendheid te onteigenen, is niet aangetoond waarom de rechtspleging bij dringende omstandigheden, bedoeld bij de wet van 26 juli 1962, moet worden gevolgd. Het tweede middel is bijgevolg gegrond in zoverre het betrekking heeft op de bovengrondse innemingen 11, 12, 13, 14, 15 en
  27. VII-37.479-7/8 BESLISSING
  28. De Raad van State vernietigt : "- het besluit van de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering van 25 augustus 2006 dat het stadsbestuur van Roeselare machtigt om voor de uitbreiding van de begraafplaats in de Groenstraat over te gaan tot onteigening bij toepassing van de wet van 26 juli 1962," in zoverre het betrekking heeft op volgende (bovengrondse) innemingen : - 15 (perceel 1205/C) - 11 (perceel 1206/C) - 12 (perceel 1207) - 13 (perceel 1208) - 14 (perceel 1209) - 16 (perceel 1211/B).
  29. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
  30. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 525 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig maart tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, waarnemend kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Peter Sourbron staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-37.479-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.